Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5049

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-10-2020
Datum publicatie
02-11-2020
Zaaknummer
C/13/691010 / KG ZA 20-899
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

KG vordering tot opheffing beslag toegewezen omdat in het beslagrekest de waarheidsplicht van artikel 21 Rv is geschonden. Ook is de vordering waarvoor beslag is gelegd summierlijk ondeugdelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2020/444
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/691010 / KG ZA 20-899 CdK/MV

Vonnis in kort geding van 19 oktober 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres bij dagvaarding van 6 oktober 2020,

advocaat mr. S.I.P. Schouten te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. Z. Etemadi te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 13 oktober 2020 heeft [eiseres] de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft verweer gevoerd.
Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. [gedaagde] heeft tevens een conclusie van antwoord in het geding gebracht.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:

aan de zijde van [eiseres] : [medewerker 1 bij eiseres] en [medewerker 2 bij eiseres] met mr. Schouten;

aan de zijde van [gedaagde] : [naam 1] met mr. Etemadi.
Na verder debat is vonnis bepaald op 19 oktober 2020.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is een onderneming die apps en games ontwikkelt en haar klanten adviseert bij het ontwikkelen van online marketing strategieën. [medewerker 1 bij eiseres] is oprichter en bestuurder van [eiseres] .

2.2.

In oktober 2017 is [eiseres] in contact gekomen met [naam 1] . [naam 1] wilde een app ontwikkelen voor een op locatie gebaseerde chat voor de horeca waarmee meer interactie met klanten kan worden gegenereerd.

2.3.

Op 24 januari 2018 heeft [eiseres] een eerste – Nederlandstalige – offerte uitgebracht aan [naam 1] en aan zijn zakenpartner [naam 2] . Op 30 januari 2018 heeft [eiseres] een tweede - Engelstalige - Offer document aan [naam 1] en [naam 2] uitgebracht. Bij e-mail van 7 maart 2018 heeft [eiseres] een nadere offerte uitgebracht, die als uitgangspunt had dat [eiseres] 20% zou verkrijgen van de aandelen in de nog door [naam 1] op te richten vennootschap [gedaagde] tegen het geven van 10% korting op de eerder door [eiseres] aangeboden totaalprijs van € 125.087,-.

2.4.

Op 8 en 9 maart 2018 zijn WhatsApp-berichten uitgewisseld tussen [naam 1] , [naam 2] en [medewerker 1 bij eiseres] . Hierin heeft [naam 1] het voorstel gedaan dat [eiseres] een aandelenbelang van 33,33% in [gedaagde] zou verkrijgen tegen een nader door [eiseres] te verstrekken korting van € 37.905,-, zijnde 1/3 deel van de offerteprijs minus 10%. Dat laatste bedrag heeft [medewerker 1 bij eiseres] nog gewijzigd in € 41.695,67, zijnde 1/3 deel van de offerteprijs van € 125.087,-, waarbij ook [naam 1] en [naam 2] dat bedrag zouden betalen. Een gelijke opstelling heeft [medewerker 1 bij eiseres] op 20 april 2018 nogmaals aan [naam 1] en [naam 2] gezonden.

2.5.

In een e-mail van 13 april 2018 van [eiseres] aan onder meer [naam 2] is de planning van het [gedaagde] -project opgenomen. De in de e-mail opgenomen tijdslijn vangt aan op 30 januari 2018 met het Offer document en eindigt op 26 september 2018 met Release candidate version en op 3 oktober 2018 met Deadline for providing feedback by client. [eiseres] is rond 13 april 2018 begonnen met haar werkzaamheden ten behoeve van het ‘ [gedaagde] -project’.

2.6.

Op 3 september 2018 heeft [eiseres] een zogenoemde Development Agreement gezonden aan (de toenmalige advocaat van) [naam 1] en [naam 2] . Deze overeenkomst is niet door partijen ondertekend. De Development Agreement bevatte geen afspraken over het verkrijgen van 33,33 % van de aandelen door [eiseres] tegen het verlenen van een korting.

2.7.

Op 26 oktober 2018 heeft [eiseres] een door de advocaat van [naam 1] opgesteld addendum op de Development Agreement ontvangen, waarin wordt uitgegaan van een korting van 30% op alle facturen tegen 30% van de winst die [gedaagde] zal maken en een overdracht van de IE-rechten. Ook dit addendum is niet ondertekend.

2.8.

Op 20 november 2018 is [gedaagde] opgericht met (alleen) [naam 1] en [naam 2] als aandeelhouder.

2.9.

Op 27 november 2018 heeft [eiseres] [gedaagde] een concept Service Level Agreement (SLA) toegezonden. Op 12 december 2018 heeft [eiseres] een tweede versie van de SLA toegezonden. Ook de SLA is niet door partijen ondertekend.

2.10.

Op 14 december 2018 is de Release candidate aan [gedaagde] toegezonden. Bij e-mail van 16 december 2019 zijn hierover door [gedaagde] diverse klachten geuit. Na een ‘doorontwikkeling’ door [eiseres] is op 7 februari 2019 Release candidate 2 van de [gedaagde] app voor Android en IOS toegezonden.

2.11.

Op enig moment eind 2018 of eerste helft 2019 is [eiseres] gestopt met het verlenen van een korting van 1/3 op de facturen.

2.12.

Op 14 mei 2019 heeft [eiseres] , na het uitvoeren van tien meerwerkopdrachten, aan [gedaagde] kenbaar gemaakt dat de [gedaagde] -app op dat moment gereed was voor oplevering. Volgens [eiseres] bleef onderhoud nadien nodig voor het verhelpen van bugs en het installeren van updates. Volgens [eiseres] vielen deze werkzaamheden onder de SLA. Partijen gaan er ook vanuit dat de SLA op 14 mei 2019 is ingegaan, alhoewel die overeenkomst niet door hen is ondertekend. De op 15 mei 2019 verzonden factuur op grond van de SLA is door [gedaagde] betaald.

2.13.

Nadien is [eiseres] er door [gedaagde] op aangesproken dat de app niet naar behoren functioneert. Dit is door [eiseres] gemotiveerd weersproken. De discussie die hierop volgde heeft ertoe geleid dat [gedaagde] op 16 januari 2020 de SLA heeft opgezegd tegen 14 mei 2020. [eiseres] heeft deze opzegging geaccepteerd.

2.14.

Vanaf de tweede helft van januari 2020 zijn partijen gaan praten over de wijze waarop in onderling overleg de samenwerking kon worden beëindigd. Op 4 februari 2020 heeft een bespreking plaatsgevonden op het kantoor van de toenmalige advocaat van [gedaagde] (mr. De Roos). Op 19 februari 2020 heeft de advocaat van [eiseres] een concept vaststellingsovereenkomst (VSO) naar [gedaagde] gezonden, waarin de afspraken zijn opgenomen die volgens [eiseres] op 4 februari 2020 waren gemaakt. In de VSO is onder meer opgenomen dat [gedaagde] vanwege openstaande meerwerkfacturen van in totaal € 152.867,17 én vanwege verkregen kortingen en kosteloze dienstverlening een totaalbedrag van € 302.500,- inclusief BTW aan [eiseres] zou betalen. Daartegenover zou [eiseres] nog 140 uren besteden aan overdracht van het platform en de source code en zou zij haar aanspraak op het aandelenbelang in [gedaagde] laten varen. Ook de VSO is niet door partijen ondertekend.

2.15.

Van de betalingen van [naam 1] / [naam 2] / [gedaagde] aan [eiseres] is een deel contant gedaan en zonder factuur. Als werd verzocht functionaliteit aan het platform toe te voegen, werden daarvoor wel begrotingen opgesteld door [eiseres] .

2.16.

Op 13 februari 2020 stuurde [naam 1] een videobestand met de titel “Dit-gaat-fout” naar [medewerker 1 bij eiseres] . Hierin wordt verslag gedaan van de moord op [naam 3] , [omschrijving relatie naam 3] , met wie [medewerker 1 bij eiseres] bevriend was.

2.17.

Bij brief van 13 maart 2020 heeft de huidige advocaat van [gedaagde] (mr. Etemadi) ontkend dat tussen partijen de afspraken zijn gemaakt die zijn neergelegd in de door [eiseres] opgestelde VSO. Die VSO is, aldus de brief van mr. Etemadi, voor [gedaagde] niet acceptabel. In de brief is verder opgenomen dat partijen op 9 maart 2018 (via WhatsApp, zie onder 2.4 van dit vonnis) overeenstemming hebben bereikt over hun samenwerking. Die overeenstemming hield volgens [gedaagde] in dat [eiseres] het app-idee van [gedaagde] volledig zou ontwikkelen tot een goed werkende applicatie, dat [eiseres] één/derde deel van alle kosten voor haar rekening zou nemen en dat alle intellectuele eigendomsrechten (inclusief broncodes) eigendom van [gedaagde] zullen zijn en jaarlijks aan haar zullen worden overgedragen. In ruil hiervoor zou [eiseres] één/derde van het aandelenkapitaal in [gedaagde] verkrijgen. [eiseres] is vervolgens in gebreke is gesteld omdat zij niet en/of niet binnen de gestelde termijnen haar werkzaamheden volledig en juist heeft verricht, waardoor nog altijd geen goed werkende applicatie is geleverd. Eveneens is [eiseres] in gebreke gesteld omdat zij de intellectuele eigendomsrechten niet aan [gedaagde] had overgedragen. Verder is in de brief opgenomen dat [gedaagde] een totaalbedrag van € 227.347,33 aan [eiseres] heeft voldaan en dat [gedaagde] ook nog andere kosten heeft voldaan, waarvan één/derde deel voor rekening komt van [eiseres] . [gedaagde] behoudt zich in dat verband het recht op schadevergoeding voor. Tot slot wordt in de brief een tegenvoorstel gedaan om te komen tot beëindiging van de samenwerking.

2.18.

De advocaat van [eiseres] heeft bij e-mail van 2 april 2020 gereageerd op de brief van 13 maart 2020. In die e-mail is betwist dat in de WhatsApp-correspondentie van 8 en 9 maart 2018 bindende afspraken zijn gemaakt. Verder is betwist dat geen goedwerkende applicatie is opgeleverd en is aangevoerd dat juist [gedaagde] tekort schoot, onder meer door de facturen voor het meerwerk niet te voldoen. Het is ook [gedaagde] geweest die de SLA heeft opgezegd. Het tegenvoorstel van [gedaagde] om te komen tot een beëindiging van de samenwerking wordt verworpen omdat reeds op 4 februari 2020 een minnelijke regeling tot stand was gekomen, aldus de e-mail van 2 april 2020.

2.19.

Bij e-mail van 29 juni 2020 van de strafrechtadvocaat van [eiseres] (mr. Van Essen) is de advocaat van [gedaagde] bericht dat geen VSO wordt getekend gezien de ernstige bedreigingen aan het adres van [eiseres] en [medewerker 1 bij eiseres] . In de e-mail wordt onder meer melding gemaakt van doodsbedreiging door middel van een via WhatsApp gezonden videobestand (zie 2.16), beschieting van het bedrijfspand, beschieting van het woonhuis van [medewerker 1 bij eiseres] , intimidatie van [medewerker 1 bij eiseres] op het kantoor van [eiseres] , bedreiging van [medewerker 1 bij eiseres] op de openbare weg en het wederom contact zoeken met (medewerkers van) [eiseres] na een ernstig stopgesprek met de politie.

2.20.

Op 15 juli 2020 is de auto van [medewerker 1 bij eiseres] voor zijn woonhuis uitgebrand. De politie doet verder onderzoek naar degenen die achter de beschietingen, de brandstichting en de fysieke bedreigingen van [medewerker 1 bij eiseres] zitten.

2.21.

Bij brief van 14 augustus 2020 van de advocaat van [gedaagde] is [eiseres] onder meer medegedeeld dat geen gehoor is gegeven aan de ingebrekestelling van 13 maart 2020 (zie 2.17) en dat de samenwerkingsovereenkomst van 9 maart 2018 en alle daaropvolgende nader overeengekomen afspraken, waaronder de SLA, buitengerechtelijk worden ontbonden. Gevolg hiervan is, aldus de brief, dat op [eiseres] de verbintenis rust tot ongedaanmaking. Dit houdt in dat het totaalbedrag dat door [gedaagde] aan [eiseres] is betaald (€ 291.042,-) aan [gedaagde] moet worden terugbetaald. [eiseres] is gesommeerd dit bedrag binnen tien dagen te betalen.

2.22.

Op 3 september 2020 heeft [gedaagde] de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht conservatoir derdenbeslag te mogen leggen ten laste van [eiseres] . In het beslagrekest is onder meer opgenomen dat [eiseres] haar verplichtingen uit de samenwerkingsovereenkomst van 9 maart 2018 en uit de SLA niet is nagekomen, omdat het platform niet is opgeleverd en de intellectuele eigendomsrechten niet zijn overgedragen. Verwezen is naar de ingebrekestelling van 13 maart 2020 en naar de onderhandelingen over een VSO die daarop zijn gevolgd. Omdat nadien een radiostilte volgde aan de zijde van [eiseres] , aldus het beslagrekest, is de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden op 14 augustus 2020. Verder is in het beslagrekest opgenomen dat [eiseres] het bedrag van € 291.042,- moet terugbetalen. De vordering van [gedaagde] , vermeerderd met 30% rente en kosten, waarvoor zij beslag wenst te leggen bedraagt dan € 387.354,60. Over het verweer van [eiseres] is in het beslagrekest opgenomen:
Na de verklaring tot buitengerechtelijke ontbinding door [gedaagde] heeft [eiseres] op 26 augustus 2020 via een e-mail van haar bestuurder, de heer [medewerker 1 bij eiseres] , gereageerd. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat zij haar werkzaamheden en de afgesproken oplevering van het Platform heeft opgeschort, omdat [gedaagde] betalingsachterstanden heeft gehad.

2.23.

Op 3 september 2020 is het beslag toegestaan zoals verzocht, met begroting van de vordering, inclusief rente en kosten, op € 378.350,-. Bepaald is dat de eis in de hoofdzaak binnen veertien dagen na de eerste beslaglegging moet worden ingesteld.

2.24.

Vervolgens heeft [gedaagde] ten laste van [eiseres] onder de ING Bank N.V. en ABN AMRO Bank N.V. beslag gelegd, op 4, 14 en 25 september 2020. Het beslag onder ING Bank N.V. rust op drie banktegoeden van € 714.651,14, € 5.175,40 en

€ 1.277,66. Het beslag onder ABN AMRO Bank N.V. heeft geen doel getroffen.

2.25.

Op 18 september 2020 heeft [gedaagde] de dagvaarding in de hoofdzaak uitgebracht.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert het volgende:
I. primair opheffing van de gelegde beslagen;
subsidiair het bedrag waarvoor zekerheid moet worden gesteld door middel van een bankgarantie overeenkomstig het NVB-model te matigen tot € 50.000,- althans tot een in goede justitie te bepalen bedrag;
II. aan het onder I subsidiair gevorderde een dwangsom te verbinden voor iedere dag dat [gedaagde] niet meewerkt aan die veroordeling;
III. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente;
IV. een zodanige maatregel te nemen die in goede justitie passend wordt geacht.

Standpunten [eiseres]

3.2.

stelt hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende. [gedaagde] neemt het standpunt in dat op 9 maart 2018 een overeenkomst tot stand zou zijn gekomen. Dit is onjuist. De samenwerking is op 13 april 2018 van start gegaan op basis van het Offer document van 30 januari 2018 (zie 2.3). Op de e-mail van 13 april 2018 (zie 2.5) waarin het Offer document tot uitgangspunt werd genomen, is door [naam 1] en [naam 2] niet gereageerd met de mededeling dat dit onjuist zou zijn. Over de beoogde samenwerking, in die zin dat [eiseres] aandelen zou verkrijgen in [gedaagde] tegen het verlenen van een korting op de prijs voor de werkzaamheden, is weliswaar in de periode rond 9 maart 2018 intensief onderhandeld, maar tot definitieve afspraken hierover is het niet gekomen. Het aandelenbelang is ook nimmer door [eiseres] verkregen. De afspraken die wel golden zijn in september 2018 neergelegd in de Development Agreement. Partijen hebben meermalen naar die overeenkomst verwezen als zijnde de tussen partijen geldende overeenkomst. Dit blijkt onder meer uit de correspondentie die is gevoerd over het addendum op de Development Agreement en in het Addendum is voorgesteld dat 1/3 korting zou worden gegeven tegenover 30% winstaandeel voor [eiseres] . Ook hebben partijen steeds gehandeld overeenkomstig de inhoud van de Development Agreement. Op enig moment is [eiseres] gestopt met het verlenen van een korting van 1/3 op de facturen/betalingen. Na oplevering van het platform op 14 mei 2019 gold de SLA. Die is echter in januari 2020 door [gedaagde] opgezegd per 14 mei 2020.

3.3.

De eerste grondslag voor opheffing van het beslag is, aldus [eiseres] , schending van artikel 21 Rv. [gedaagde] heeft in haar beslagrekest diverse zeer relevante feiten niet benoemd. Op deze stelling wordt hierna – bij de beoordeling – verder ingegaan.

3.4.

De tweede grondslag voor opheffing van het beslag is dat de vordering waarvoor het beslag is gelegd summierlijk ondeugdelijk is als bedoeld in artikel 705 lid 2 Rv. De buitengerechtelijke ontbinding is door [gedaagde] ten onrechte ingeroepen. [gedaagde] heeft in het geheel niet aannemelijk weten te maken op welke gronden [eiseres] zou zijn tekortgeschoten noch of dit tekortschieten zou zien op de oorspronkelijke functionaliteiten of op het meerwerk. De oorspronkelijke functionaliteiten zijn op 14 mei 2019 opgeleverd. Het platform is bruikbaar in het commerciële verkeer. De [gedaagde] -app was weliswaar nog voor optimalisatie vatbaar maar was stabiel. Zo is de app onder meer succesvol door [gedaagde] ingezet op evenementen. Er was geen sprake van blocking issues. Mogelijke problemen kwamen er onder meer uit voort dat door de aanvulling van de functionaliteiten (meerwerk) de SLA niet langer toereikend was en dat [gedaagde] bugs niet via de juiste kanalen aan [eiseres] meldde. Overigens kunnen zich bij een groot platform als [gedaagde] altijd bugs voordoen, waardoor continu onderhoud noodzakelijk is.
Verder was het juist [gedaagde] zelf die tekort schoot door een aantal facturen (voor het meerwerk) niet of niet op tijd te betalen, waardoor zij in schuldeisersverzuim verkeerde. Het ging om vijf meerwerkfacturen uit de periode september tot en met december 2019, met een totaalbedrag van ruim € 152.000,-. Ook heeft [eiseres] tot een bepaalde datum 33,33% van de kosten niet bij [gedaagde] gedeclareerd, vooruitlopend op de beoogde participatie van [eiseres] in [gedaagde] , die echter nooit tot stand is gekomen. Dit alles leidt tot een in de bodemprocedure in reconventie in te stellen geldvordering van [eiseres] op [gedaagde] . Bij een belangenafweging omtrent de opheffing van het beslag dient hiermee rekening te worden gehouden.
Een mogelijke ongedaanmakingsverbintenis kan er bovendien niet toe leiden dat [eiseres] alle door [gedaagde] betaalde facturen volledig zou moeten terugbetalen. Bovendien heeft [gedaagde] niet het bedrag van € 291.042,- betaald, zoals zij stelt, maar een lager bedrag, te weten € 224.347,18. Dat [gedaagde] € 291.042,- betaald zou hebben, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Zij stelt dat zij een aantal betalingen contant heeft gedaan, maar dit is in een bodemprocedure hoe dan ook moeilijk te bewijzen. Ook legt [gedaagde] niet uit hoe zij zelf aan haar eigen ongedaanmakingsverplichting kan voldoen. [eiseres] heeft bijna twee jaar intensief gewerkt aan een applicatie die door [gedaagde] kan worden gebruikt en niet kan worden ingezien hoe dit ongedaan kan worden gemaakt.

3.5.

[eiseres] voert daarnaast aan dat zij niet is tekortgeschoten door het niet overdragen van de IE-rechten aan [gedaagde] . Zij was hiertoe (nog) niet verplicht. In de Development Agreement hebben partijen weliswaar afgesproken dat [gedaagde] eigenaar zou kunnen worden van de IE-rechten en dat [gedaagde] die rechten ieder jaar op 1 januari zou kunnen kopen voor € 1.000,-, maar aan deze afspraak is nooit uitvoering gegeven. [eiseres] heeft hiervoor nooit een factuur verzonden en [gedaagde] heeft het bedrag van € 1.000,- nooit voldaan. Overigens valt de source code niet onder de IE-rechten. Hierover is in artikel 20 van de Development Agreement afgesproken dat [gedaagde] die code pas krijgt als zij alle betalingen heeft gedaan. Hierin is [eiseres] dus hoe dan ook niet tekortgeschoten. Ook kon overdracht van de IE-rechten en de source code pas plaatsvinden nadat de Development Agreement door [gedaagde] zou zijn ondertekend, maar dit heeft zij geweigerd.

3.6.

Verder valt volgens [eiseres] niet in te zien op welke grond [gedaagde] de SLA (buitengerechtelijk) kan ontbinden, nu [gedaagde] die overeenkomst zelf op 16 januari 2020 rechtsgeldig heeft opgezegd. Los daarvan heeft [gedaagde] in het geheel niet aannemelijk gemaakt waaruit de tekortkomingen van [eiseres] onder de SLA zouden bestaan. Ook hier geldt dat [gedaagde] grotendeels weigerde de bug registratie tool van [eiseres] te gebruiken, zoals afgesproken in de SLA, zodat mogelijke problemen in de applicatie niet aan [eiseres] zijn te wijten.

3.7.

Na opzegging van de SLA door [gedaagde] zijn partijen zich, aldus [eiseres] , gaan focussen op het maken van afspraken over de beëindiging van hun relatie, waardoor de werkzaamheden van [eiseres] logischerwijs op een laag pitje kwamen te staan. De op 4 februari 2020 gemaakte (mondelinge) afspraken werden nadien echter volledig genegeerd door [gedaagde] . Kennelijk had [gedaagde] spijt van de gemaakte afspraken. Opvallend is dat na 4 februari 2020 op internet plotseling tal van schadelijke en grievende reviews verschenen over [eiseres] , haar personeel en over [medewerker 1 bij eiseres] persoonlijk. Omdat [eiseres] deze reviews toeschreef aan [gedaagde] plaatste zij onder de reviews een opmerking dat hier (slechts) sprake was van een zakelijk geschil met [gedaagde] over openstaande facturen van [eiseres] . Daarop kwam de reactie van [naam 1] van 13 februari 2020 (zie 2.16).Wegens de verdere bedreigingen aan het adres van [medewerker 1 bij eiseres] , waarvan hij vermoedt dat die van [naam 1] afkomstig zijn, wenste hij geen VSO meer te tekenen. Dit is [gedaagde] duidelijk gemaakt in de e-mail van 29 juni 2020 (zie 2.19). Ook is er om deze reden voor gekozen geen nakoming te vorderen van de op 4 februari 2020 gemaakte afspraken. Dit kan moeilijk worden aangemerkt als een “radiostilte”, zoals opgenomen in het beslagrekest (zie

2.22).

3.8.

[eiseres] heeft een zwaarwegend en spoedeisend belang bij opheffing van de beslagen. Zij moet haar leveranciers en het salaris aan haar 60 werknemers kunnen betalen. Hiervoor heeft zij de beslagen banktegoeden dringend nodig. [gedaagde] is kennelijk een lege huls die slechts wordt gebruikt om de beweerde vordering op [eiseres] te innen.

Standpunten [gedaagde]
3.9. [gedaagde] heeft – samengevat weergegeven – het volgende verweer gevoerd. In het beslagrekest is artikel 21 Rv niet geschonden. Mocht al sprake zijn van onjuiste of onvolledige informatie, dan is dat niet zodanig ernstig dat onmiddellijke opheffing van de beslagen is geboden. [gedaagde] heeft de essentie van de samenwerking correct weergegeven. De beslissing van de voorzieningenrechter om beslagverlof te verlenen zou niet anders zijn geweest als die informatie wel was verstrekt.

3.10.

[gedaagde] stelt verder dat op 9 maart 2018 een samenwerkingsovereenkomst tot stand is gekomen. Op 8 maart 2018 heeft [medewerker 1 bij eiseres] een aanbod gedaan, dat op 9 maart 2018 door [naam 1] is geaccepteerd. [gedaagde] verwijst hierbij naar de WhatsApp-correspondentie (zie 2.4). Betalingen zijn door [gedaagde] in de loop der tijd steeds verricht op basis van overeenstemming over vooraf door [eiseres] opgemaakte begrotingen. Het Offer document is niet tussen partijen overeengekomen, net zo min als de Development Agreement. [gedaagde] is nimmer akkoord gegaan met de inhoud van de Development Agreement en heeft daarom het addendum laten opstellen, waarmee [eiseres] op haar beurt niet akkoord ging. Op 30 november 2018 zijn partijen mondeling overeengekomen dat de IE-rechten (waaronder begrepen de source code) eigendom zijn van [gedaagde] . In strijd hiermee heeft [eiseres] steeds geweigerd de desbetreffende rechten over te dragen. [eiseres] kan zich ten aanzien van de overdracht van de IE-rechten niet beroepen op de inhoud van de Development Agreement, want die is (zie hiervoor) niet overeengekomen.
heeft zich evenmin gehouden aan de afspraken om de applicatie tijdig op te leveren. Eerst is overeengekomen dat het platform op 9 november 2018 zou worden opgeleverd en vervolgens op 14 december 2018. Toen bleken echter de meeste functies niet te werken. Aan de nadien overeengekomen opleverdata heeft [eiseres] zich evenmin gehouden. Een medewerker van [eiseres] heeft ook toegegeven dat het platform nog lang niet stabiel was. Dit heeft [gedaagde] tevens gehinderd bij het vinden van een externe financier. Al met al heeft [eiseres] onvoldoende invulling gegeven aan de samenwerking, terwijl [gedaagde] substantiële bedragen heeft voldaan. Op 13 januari 2020 bleek hoe dan ook dat het platform nog veel bugs vertoonde. Toen [eiseres] zich in januari 2020 beriep op haar opschortingsrechten (in verband met de niet betaalde meerwerkfacturen uit de periode september tot en met december 2019), was zij zelf al in gebreke om aan de afgesproken opleveringstermijn te voldoen. Over de meerwerkfacturen was overigens afgesproken dat die pas opeisbaar zouden zijn als een externe financier was gevonden en zover was [gedaagde] nog niet gekomen. [gedaagde] heeft wel alle facturen op basis van de SLA voldaan.

3.11.

Over de hoogte van de vordering voert [gedaagde] aan dat zij in totaal
€ 291.042,- aan [eiseres] heeft voldaan en dat dit blijkt uit de brief van 14 augustus 2020 van haar raadsman (zie 2.21) die in kopie bij het beslagrekest was gevoegd. Ook blijkt dit uit het als productie 11 in het geding gebrachte overzicht. [gedaagde] heeft weliswaar substantiële bedragen contant betaald (waarvoor zij geen factuur van [eiseres] heeft ontvangen), maar zij kan dit in de bodemprocedure aantonen omdat die bedragen zijn gebaseerd op door [eiseres] opgestelde begrotingen. Ook kan zij dit aantonen aan de hand van geluidsopnamen die [naam 1] heeft gemaakt van de gesprekken die hij met [medewerker 1 bij eiseres] voerde tijdens het betalen van de contante bedragen.

3.12.

Op grond van het voorgaande is [gedaagde] van mening dat zij op 14 augustus 2020 is overgegaan tot een rechtsgeldige ontbinding. Na de ingebrekestelling van 13 maart 2020 is gebleken dat [eiseres] niet bereid is om tot een regeling buiten rechte te komen. [eiseres] koos voor een radiostilte. Er is geen sprake van tekortkomingen aan de zijde van [gedaagde] . Al met al is dus de vordering waarvoor beslag is gelegd niet summierlijk ondeugdelijk als bedoeld in artikel 705 lid 2 Rv. Ook een afweging van belangen dient in het voordeel van [gedaagde] uit te vallen.

3.13.

[naam 1] van [gedaagde] heeft ter zitting erkend dat hij het videobestand met de titel “Dit-gaat-fout” aan [medewerker 1 bij eiseres] heeft gezonden. Hij is van mening dat hij dit niet had moeten doen. Hij ontkent achter de overige aan [eiseres] en [medewerker 1 bij eiseres] geuite bedreigingen te zitten. Hij heeft hiervoor weliswaar in voorarrest gezeten, maar vooralsnog ontbreekt ieder strafrechtelijk bewijs.

3.14.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

schending van artikel 21 Rv

4.1.

De verplichting van artikel 21 Rv om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren, geldt ook voor de procedure voor het verkrijgen van beslagverlof. Deze verplichting klemt bij beslagrekesten des te meer aangezien toewijzing van een beslagverlof tot voor de wederpartij/beslagene zeer ingrijpende gevolgen kan leiden en de rechter na slechts summier onderzoek beslist, (doorgaans) zonder de wederpartij te horen. In de regel mag, en in de praktijk zal, de voorzieningenrechter afgaan op de mededelingen van de verzoeker en op de door hem overgelegde stukken. Uit het summiere karakter van het onderzoek volgt dat de verzoeker de voorzieningenrechter van alle voor de beslissing relevante feiten en omstandigheden dient te voorzien, waarbij de voorzieningenrechter erop moet kunnen vertrouwen dat de verzoeker hem volledig en naar waarheid inlicht. Zoals ook staat vermeld in de Beslagsyllabus, kan misleiding door onvoldoende toelichting de voorzieningenrechter een reden geven om het beslag reeds op die grond op te heffen.

4.2.

In het beslagrekest van 3 september 2020 zijn onder meer de volgende kwesties niet ter sprake gebracht en/of onderbelicht gebleven:
(1) het Offer document van 30 januari 2018 en de daarmee samenhangende e-mail van [eiseres] van 13 april 2018 (zie 2.3 en 2.5);
(2) het standpunt van [eiseres] dat het Offer document (en niet de WhatsApp-correspondentie van 8 en 9 maart 2018) de basis vormde voor de samenwerking tussen partijen;
(3) de onderhandelingen en de e-mailwisseling over de Development Agreement (zie 2.6);
(4) de onderhandelingen en de e-mailwisseling over het addendum bij die overeenkomst (zie 2.7);

(5) het standpunt van [eiseres] over de initiële omvang van de opdracht en de uitbreiding met meerwerk;

(6) het standpunt van [eiseres] dat zij een werkend platform heeft opgeleverd;
(7) de opzegging door [gedaagde] zelf van de SLA op 16 januari 2020 (zie 2.13);
(8) de inhoud van de door de advocaat van [eiseres] opgestelde VSO en het standpunt van [eiseres] dat hierover op 4 februari 2020 mondeling overeenstemming was bereikt, waarbij [gedaagde] nog een aanzienlijk bedrag aan [eiseres] zou betalen (zie 2.14);
(9) de e-mail van 2 april 2020 (zie 2.18) van de advocaat van [eiseres] waarin naar aanleiding van de ingebrekestelling uitgebreid verweer is gevoerd;
(10) de reden waarom [eiseres] niet verder wilde onderhandelen over een nieuwe VSO, die met name volgde uit de e-mail van 29 juni 2020 over de (doods)bedreigingen aan het adres van [eiseres] en [medewerker 1 bij eiseres] (zie 2.19).

4.3.

Indien bovengenoemde kwesties wel ter sprake waren gebracht in het beslagrekest en/of de desbetreffende stukken bij het beslagrekest waren gevoegd, dan had de voorzieningenrechter ten tijde van de verlofverlening een wezenlijk ander beeld gekregen van de samenwerking tussen partijen, van het verweer van [eiseres] en dus van de omvang van het geschil. Het gaat hier om wezenlijke (feitelijke en juridische) onvolledigheden. Een en ander wordt zonder meer in strijd geacht met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv. De schending van dit artikel wordt dusdanig geacht dat dit reeds moet leiden tot opheffing van de beslagen. Dat het bij [gedaagde] bekende verweer van [eiseres] niet uit de verf is gekomen, is bovendien in strijd met de substantiëringsplicht. De samenvatting van het verweer van [eiseres] in het beslagrekest (zoals geciteerd onder 2.22 van dit vonnis) is volstrekt ontoereikend om een reëel beeld van het geschil te kunnen krijgen.

Ten overvloede wordt het volgende overwogen ten aanzien van artikel 705 lid 2 Rv

4.4.

Op grond van artikel 705 lid 2 Rv kan de opheffing van een conservatoir beslag onder meer worden bevolen, indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag.

4.5.

Naast hetgeen hiervoor is overwogen over schending van artikel 21 Rv, is de voorzieningenrechter in dit kort geding van oordeel dat de vordering van [gedaagde] summierlijk ondeugdelijk is in bovengenoemde zin, hetgeen eveneens dient te leiden tot opheffing van de beslagen. Ter toelichting het volgende.

4.6.

Van tal van zaken die door partijen zijn aangevoerd kan in dit kort geding – dat zich niet leent voor een nader onderzoek naar de feiten – de juistheid niet worden vastgesteld. Zo is onduidelijk wat de basis heeft gevormd voor de samenwerking (het Offer document, de WhatsAppcorrespondentie van 8 en 9 maart 2018 of de Development Agreement al of niet met addendum), hoe die samenwerking is uitgevoerd (één opdracht of een initiële opdracht met meerwerk), of het karakter van de samenwerking is overgegaan in een overeenkomst van opdracht, of [eiseres] thans verplicht is de IE-rechten en de source code over te dragen, of de applicatie deugdelijk is opgeleverd en zo nee, welke partij hiervan een verwijt valt te maken en of [eiseres] haar werkzaamheden mocht opschorten omdat [gedaagde] facturen onbetaald liet. Dit betreft vragen die alleen kunnen worden beantwoord in een bodemprocedure, waarin een getuigenverhoor en/of een deskundigenbericht kan worden gelast.

4.7.

Nu alle bovengenoemde vragen in dit kort geding niet kunnen worden beantwoord, kan er niet met voldoende zekerheid van worden uitgegaan dat de bodemrechter de ontbinding door [gedaagde] van de tussen partijen geldende overeenkomst(en) gerechtvaardigd zal achten. Mocht dit al het geval zijn, dan zal de ongedaanmakingsverplichting van [eiseres] niet zonder meer kunnen bestaan uit terugbetaling van alle door [gedaagde] betaalde bedragen. [eiseres] heeft terecht aangevoerd dat haar prestatie niet ongedaan kan worden gemaakt. Er zijn hoe dan ook werkzaamheden verricht door [eiseres] ; er is immers een platform opgeleverd (weliswaar mogelijk met gebreken). De waarde van die prestatie zal nog moeten worden vastgesteld. Daarbij komt dat [gedaagde] mogelijk de verplichting heeft om de eerder verstrekte korting van 1/3 op de kosten alsnog te betalen alsmede de openstaande meerwerkfacturen (geheel of gedeeltelijk). Gelet op dit alles is de vordering waarvoor [gedaagde] beslag heeft gelegd summierlijk ondeugdelijk in bovengenoemde zin.

4.8.

Daar komt bij dat [gedaagde] – gezien de betwisting door [eiseres] – onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij daadwerkelijk het totaalbedrag van € 291.042,- heeft betaald. Van de contante betalingen (die overigens wel gedeeltelijk door [eiseres] worden erkend) heeft [gedaagde] geen bewijs overgelegd. Het overzicht van alle betalingen waarop [gedaagde] zich beroept (productie 11 bij de conclusie van antwoord) betreft een door haarzelf opgesteld overzicht. Dit leidt ertoe dat ook de hoogte van de vordering niet voldoende kan worden vastgesteld.

4.9.

De conclusie is dat de primaire vordering van [eiseres] wordt toegewezen. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 83,38

- griffierecht 656,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.719,38

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft op de door [gedaagde] op grond van het beslagverlof van 3 september 2020 ten laste van [eiseres] onder de ING Bank N.V. gelegde beslag,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.719,38, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2020.1

1 type: MV coll: EB