Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5026

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-07-2020
Datum publicatie
23-10-2020
Zaaknummer
C/13/685983 HA RK 2020/184
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek afgewezen, omdat het kennelijk ongegrond is. Een rechterlijke beslissing vormt geen grond tot wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op het op 22 juni 2020 ingekomen en onder rekestnummer C/13/685983 / HA RK 20/184 ingeschreven verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. Y.A.M. Jacobs, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1 Verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

 het wrakingsverzoek met bijlagen van 22 juni 2020,

 de schriftelijke reactie van de rechter van 14 juli 2020.

1.2.

De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten.

2 De feiten en het verzoek

2.1.

Bij de rechter is een zaak in behandeling waarbij verzoeker gedaagde partij is (zaak- en rolnummer 7865320 CV EXPL 19-14136). De verhuurder van verzoeker is eisende partij. Bij tussenvonnis van 5 maart 2020 heeft de rechter partijen meegedeeld dat zij de zaak overnam van de kantonrechter bij wie de zaak eerder in behandeling was, wegens het vertrek van die rechter naar een ander team. Bij instructievonnis van 11 juni 2020 heeft de rechter een plaatsopneming/descente bepaald in de woning van verzoeker.

2.2.

In het instructievonnis van 11 juni 2020 is in de aanhef de datum van het vonnis verkeerd vermeld, namelijk 11 juni 2019 in plaats van 11 juni 2020 en is in het dictum de naam van de wederpartij onjuist vermeld door het vermelden van de naam van een andere woningcoöperatie. In de staart van het vonnis is de datum wel juist vermeld.

2.3.

Volgens verzoeker wijzen de foute datum en aanduiding procespartij erop dat de rechter mogelijk onvoldoende tijd heeft gehad om de stukken van de zaak te bestuderen en wordt in het tussenvonnis ten onrechte de aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de verkeerde verhuurder wenselijk geacht.

3 De beoordeling

3.1.

Op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.2.

Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel.

3.3.

In zijn arrest van 25 september 2019 (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413) heeft de Hoge Raad overwogen dat

het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.

Bij de beantwoording van de vraag of de motivering van een dergelijke (tussen)beslissing getuigt van vooringenomenheid, moet uitgangspunt zijn dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich evenzeer ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.

3.4.

Verzoeker heeft niet gemotiveerd waaruit hij (de schijn van) vooringenomenheid van de rechter jegens hem heeft afgeleid. Verzoeker heeft zelfs in het geheel niet gesteld dat er (vrees van) partijdigheid bij de rechter bestaat. De beide fouten in het instructievonnis noch het mogelijke tijdgebrek, als daar al sprake van zou zijn, geven geen aanwijzing voor vooringenomenheid. Voor zover zijn bezwaar zich richt tegen de beslissing om een descente te gelasten stuit het wrakingsverzoek erop af dat bezwaar tegen een rechterlijke beslissing geen grond voor wraking kan opleveren zoals is beslist in het hierboven genoemde arrest.

Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.

4. Op grond van het vorenstaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Wrakingskamer:

 wijst het verzoek tot wraking af.

Aldus gegeven door mrs. A.W.J. Ros, voorzitter, K.A. Brunner en T.H. van Voorst Vader, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juli 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.