Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:497

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-01-2020
Datum publicatie
04-03-2020
Zaaknummer
AMS 19/2030
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond. Motiveringsgebrek in het bestreden besluit gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb. College kon de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan in redelijkheid verlenen. Dakopbouw doet geen onevenredige afbreuk aan het straat- en bebouwingsbeeld en heeft daarnaast geen onevenredige gevolgen voor de daglichttoetreding. Aantasting privacy en woongenot maakt niet dat de vergunning niet had mogen worden verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM


Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/2030

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 januari 2020 in de zaak tussen

[eisers] ,(gemachtigde: mr. G.L.M. Teeuwen)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigden: mr. M.C. Duits).

Als derde-partij (vergunninghouder) heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende] (gemachtigde: mr. M.J.P. Kamp).


Partijen worden hierna de omwonenden, het college en vergunninghouder genoemd.

Procesverloop

Op 3 oktober 2018 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend. Omwonenden hebben hiertegen bezwaar gemaakt.

Op 5 maart 2019 heeft het college dit bezwaar ongegrond verklaard.

Omwonenden hebben hiertegen beroep ingesteld. Daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

In de uitspraak van 7 juni 2019 (AMS 19/2029) heeft de voorzieningenrechter dit verzoek toegewezen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 20 december 2019. Omwonenden en hun gemachtigde waren aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens vergunninghouder waren [naam] en zijn gemachtigde aanwezig.

Inleiding

1. Het pand aan de [adres 1] in Amsterdam bestaat uit vier woonlagen en heeft een (kleine) kelder. Verder maakt het pand deel uit van een gesloten woonblok met binnentuin. De woningen van de omwonenden maken deel uit van hetzelfde woonblok en liggen aan dezelfde binnentuin. Deze procedure gaat over de omgevingsvergunning voor de verbouwing van dit pand.

2. De aanvraag voor de omgevingsvergunning ziet op het toevoegen van een bouwlaag, het bouwen van een nieuwe fundering en kelderbak in combinatie met het uitbouwen van de begane grond, het plaatsen van balkons aan de achtergevel en het wijzigen van de kozijnen aan de voorgevel van het pand.

3. Het bouwplan is in strijd met de regels van het bestemmingsplan ‘Museumkwartier en Valeriusbuurt’ (het bestemmingsplan). Het college heeft in dit geval op grond van binnenplanse afwijkingsbevoegdheden en de kruimelregeling – in strijd met het bestemmingsplan – de omgevingsvergunning verleend. De omwonenden vinden om diverse redenen dat het college deze vergunning nooit had mogen verlenen. De omwonenden zijn daarom in beroep gegaan bij de rechtbank en hebben de voorzieningenrechter daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

4. De voorzieningenrechter heeft inhoudelijk naar de zaak gekeken en de omwonenden grotendeels ongelijk gegeven. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college de omgevingsvergunning – met uitzondering van de extra bouwlaag – mogen verlenen. Het besluit ten aanzien van de extra bouwlaag behoeft volgens de voorzieningenrechter een nadere motivering en aanvulling. De voorzieningenrechter vindt dat het college daartoe gelegenheid moet krijgen en heeft om die reden afgezien van de bevoegdheid om ook op het beroep te beslissen.1

5. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft het college zijn besluit – in het verweerschrift en op de zitting – van een nadere motivering en precisering voorzien.

6. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het college het besluit – om een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een extra bouwlaag – met deze nadere aanvulling en precisering deugdelijk heeft gemotiveerd. Voor de beroepsgronden die gericht zijn tegen de overige onderdelen van het bouwplan (de kelder, de uitbouw, en de balkons) verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de voorzieningenrechter (rechtsoverwegingen 5.1 tot en met 7.7). Ten aanzien van die beroepsgronden blijft de rechtbank bij al hetgeen de voorzieningenrechter heeft overwogen en beslist. De rechtbank neemt die rechtsoverwegingen daarom over en maakt die tot onderdeel van deze uitspraak.

Beoordeling

De extra bouwlaag

7. Het pand bestaat uit vier woonlagen (begane grond, eerste, tweede en derde verdieping). Het bouwplan voorziet in het toevoegen van een extra bouwlaag boven de vierde woonlaag. Die toevoeging is in strijd met het bestemmingsplan, omdat de maximum bouwhoogte met 2,77 meter wordt overschreden.2

8. Op grond van artikel 25, zesde lid, van de planregels is het college bevoegd om op dit punt af te wijken van het bestemmingsplan. Daaraan zijn wel een aantal voorwaarden gesteld, waaronder de voorwaarde dat:

  • -

    de bouwlaag geen onevenredige afbreuk doet aan het straat- en bebouwingsbeeld, en

  • -

    de bouwlaag geen onevenredige gevolgen heeft voor de daglichttoetreding van omliggende panden.

De omwonenden betogen dat aan deze twee voorwaarden niet is voldaan. De rechtbank zal in het hiernavolgende ingaan op de vraag of omwonenden daarin gelijk hebben.

De extra bouwlaag: straat- en bebouwingsbeeld

9. De omwonenden betogen dat het college deze binnenplanse vrijstelling niet consequent toepast. Ter onderbouwing van dit standpunt hebben zij onder andere gewezen op de geweigerde omgevingsvergunning voor de [adres 2] . Het college heeft die omgevingsvergunning geweigerd, omdat de extra bouwlaag onevenredige afbreuk doet aan het straat- en bebouwingsbeeld. In de motivering van dit weigeringsbesluit zien omwonenden echter geen doorslaggevende verschillen terug met het bouwplan van [adres 1] . Het is volgens de omwonenden onduidelijk waarom de extra bouwlaag in het onderhavige geval géén onevenredige aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld oplevert.

10. De rechtbank geeft omwonenden hierin geen gelijk. Het college heeft in zijn verweerschrift en op de zitting toegelicht dat de verschillende bouwhoogtes van woonbestemmingen in de directe omgeving zijn vergeleken met die van het bouwplan. Omdat de bouwhoogtes binnen de directe omgeving van het bouwplan van elkaar verschillen, acht het college het verhogen van het onderhavige pand met een vijfde bovengrondse bouwlaag tot de geplande 17 meter passend is in zijn context. Voor de weigering van de [adres 2] heeft het college eenzelfde vergelijking gemaakt. Uit die vergelijking is naar voren gekomen dat de bestaande bebouwing waarop een extra bouwlaag zou moeten worden gerealiseerd reeds nu al hoger is dan de nabijgelegen bebouwing. In de directe omgeving is echter geen pand hoger dan vier bovengrondse bouwlagen. Daarnaast geldt een uniforme bouwhoogte van 14 tot 14,5 meter. Het straat- en bebouwingsbeeld ter plaatse kenmerkt zich daarom door eenheid en eenvormigheid. Het college heeft op de zitting nog benadrukt dat doorslaggevende betekenis is toegekend aan de situering van de panden. De situering van de [adres 2] is anders vanwege het zicht vanaf de dwarsstraten. Het toevoegen van een extra bouwlaag betekent in deze context ( [adres 2] ) een ingrijpende wijziging van het straat- en bebouwingsbeeld. De rechtbank is van oordeel dat het college hiermee voldoende duidelijk heeft gemaakt waarom in het geval van [adres 1] de dakopbouw géén onevenredige aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld oplevert.

11. De rechtbank stelt vast dat deze motivering in het bestreden besluit nog ontbrak. Het bestreden besluit bevat daarom een motiveringsgebrek. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de omwonenden door deze gang van zaken echter niet benadeeld. Het college is namelijk in de beroepsprocedure alsnog met een afdoende motivering gekomen. De rechtbank zal het gebrek daarom passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet in het voorgaande echter wel aanleiding om het college op te dragen het door de omwonenden betaalde griffierecht te vergoeden. De rechtbank veroordeelt het college ook in de proceskosten die de omwonenden hebben gemaakt. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

De extra bouwlaag: bezonning en privacy

12. De omwonenden hebben met betrekking tot de extra bouwlagen ook aangevoerd dat hun belang bij bezonning en privacy onvoldoende bij de besluitvorming is betrokken.

13. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling. Vergunninghouder heeft een bezonningsstudie laten uitvoeren. Hieruit komt naar voren dat rond de klok van 12.00 uur sprake zal zijn van een zekere toename van schaduw op de achtergevel van de woningen gelegen aan de [straat] . Deze extra schaduwvorming is kortdurend aanwezig. In de bezwaarfase is een aanvullende bezonningsstudie met betrekking tot het buurpand [adres 3] ingebracht. Uit deze studie blijkt dat rond de klok van 17:00 uur sprake zal zijn van een zekere toename van schaduw op de achtergevel en het dakterras van dit specifieke perceel. Het college heeft onderkend dat voor de omliggende percelen sprake is van een verslechtering, maar vindt dit gevolg niet onevenredig. De rechtbank kan deze redenering van het college volgen. Hierbij speelt een rol dat geen blijvend recht op zonlicht bestaat en dat omwonenden in een stedelijke omgeving enige hinder van elkaar te dulden hebben.

14. De rechtbank vindt ook dat het college voldoende oog heeft gehad voor de privacybelangen van de omwonenden. Het college heeft toegelicht dat in dit geval geen sprake is van direct zicht op een korte afstand. De afstand tot de overkant van de binnentuin is 15 meter. In de huidige situatie is mogelijk al sprake van enige inkijk vanaf de lager gelegen verdiepingen. De verslechtering ten opzichte van de huidige situatie is dan ook zeer gering. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de privacybelangen van de omwonenden door het bouwplan niet onevenredig worden getroffen. Daarbij heeft het college terecht opgemerkt dat omwonenden in een stedelijk gebied binnen de ring wonen en om die reden een zekere beperking van hun privacy moeten aanvaarden.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel

15. De omwonenden hebben aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Ter onderbouwing van dit standpunt hebben zij verwezen naar 12 panden in de directe omgeving waarvoor gelijksoortige aanvragen zijn geweigerd. De rechtbank geeft de omwonenden ook op dit punt geen gelijk. Het college heeft op alle aangedragen gevallen gereageerd. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt alleen als het daadwerkelijk gaat om gelijke gevallen. De rechtbank vindt dat het college voldoende heeft toegelicht dat de gevallen die omwonenden hebben aangedragen, niet voldoen aan dit vereiste. De meeste adressen die omwonenden hebben opgegeven zijn gelijke gevallen, omdat geen (goede) bezonningsstudie is aangeleverd en sprake is van strijd met redelijke eisen van welstand. Voor enkele andere adressen geldt dat het gebruik van de beoogde aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan. Bij een beperkt aantal adressen gaat het om een buiten behandelingstelling, een intrekking van de omgevingsvergunning, een perceel waarvoor een ander bestemmingsplan geldt of om strijd met meerdere onderdelen van het beleid. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet.

Conclusie

16. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de omwonenden geen gelijk krijgen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- draagt het college op het door de omwonenden betaalde griffierecht van € 174,- aan hen te vergoeden;

- veroordeelt het college in de proceskosten die de omwonenden hebben gemaakt tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gayir, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2020.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Uitspraak van deze rechtbank van 7 juni 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:4062, rechtsoverweging 11.

2 19.2 van de planregels.