Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4962

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
13-10-2020
Zaaknummer
81/096825-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een taakstraf van tachtig uur, waarvan veertig uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, voor het verkopen van een zaagvis en het (met het oog op verkoop) in bezit hebben van een omvangrijke hoeveelheid (delen van) beschermde, met uitsterven bedreigde uitheemse diersoorten. Het beslag wordt onttrokken aan het verkeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2020/150 met annotatie van Pieters, S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 81/096825-19 (Promis)

Datum uitspraak: 30 september 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1959,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 september 2020. Verdachte was bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.H.M. Beune en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. B.A.F. van Drimmelen naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op zitting – kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich, al dan niet opzettelijk, heeft schuldig gemaakt aan:

1. het verkopen van een geprepareerde zaagvis, genoemd in bijlage A van de Basisverordening EG 339/97, aan [koper] ;

2. het onder zich hebben van zeven producten/delen van dieren, genoemd in bijlage A van de Basisverordening EG 339/97;
3. het onder zich hebben van zevenenvijftig producten/delen van dieren, genoemd in bijlage B van de Basisverordening EG 339/97;

4. het voor de verkoop onder zich hebben en/of te koop aanbieden van twee dode vogels, als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn;

5. het voor de verkoop onder zich hebben en/of verhandelen en/of te koop of te ruil aanbieden van drie dieren, van soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage

I of II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat alle ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen en dat de feiten opzettelijk door verdachte zijn gepleegd.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de ten laste gelegde feiten geen verweer gevoerd.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht op grond van het aantreffen van alle voorwerpen in de winkel, het determinatie-onderzoek naar de voorwerpen en de bekennende verklaring van verdachte, bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten opzettelijk heeft gepleegd.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 20 maart 2017 tot en met 27 maart 2017 te Hilversum opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een bij de Regeling natuurbescherming aangewezen voorschriften van een EU-verordeningen, te weten artikel 8, eerste lid van de Basisverordening (EG) nr. 338/97, immers heeft hij één geprepareerde zaagvis (Pritis pritis) verkocht aan [koper] ;

2.

in de periode van 1 januari 2017 tot en met 21 februari 2018 te Hilversum opzettelijk producten van dieren van in bijlage A bij de CITES- basisverordening genoemde soorten, te weten:

- één zaagtand (rostrum) van een zaagvis (Pritis pritis) en

- één schedel van een luipaard (Panthera pardus) en

- één baleinplaat van een Baleinwalvis (Cetacea spp.) en

- één portemonnee met daarop een plaat/stuk schild van een Zeeschildpad (Cheloniidae spp.) en

- één schild van een soepschildpad (Chelonia midas) en

- twee pennenhouders van ivoor van olifant (Loxodonta africana of Elephas maximus),

onder zich heeft gehad;

3.

in de periode van 1 januari 2017 tot en met 21 februari 2018 te Hilversum opzettelijk producten van dieren van in bijlage B bij de CITES-basisverordening genoemde soorten, waaronder:

- één schedel van een Krokodil (Crocodylia spp.) en

- één geprepareerde krokodil (Crocodylia spp.) en

- vier flesjes met een dwergkameleon (Rhampholeon spp.) en

- 10 kleppen van Doopvontschelpen (Tridacnidae spp.) en

- 36 stukken echt koraal (Scleractinia spp.) en

- één geprepareerde kalong (Pteropus spp.) en

- één schedel van een aap (Primates spp.) en

- drie uitwendige schelpen van een Nautilus-inktvis (Nautilidae spp.),

onder zich heeft gehad;

4.

in de periode van 1 januari 2017 tot en met 21 februari 2018 te Hilversum opzettelijk dode vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn onder zich heeft gehad voor verkoop en ten verkoop heeft aangeboden, immers had hij:

- één geprepareerde Auerhoen (Tetrao urogallus), en

- één geprepareerde Waterral (Rallus aquaticus),

in zijn winkel [winkel] aanwezig;

5.

in de periode van 1 januari 2017 tot en met 21 februari 2018 te Hilversum opzettelijk dieren van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn

onder zich heeft gehad voor verkoop en/of heeft verhandeld en/of te koop of te ruil heeft aangeboden, immers had hij:

- 1 geprepareerde Kleine hoefijzerneus (Rhinolophus hipposideros) en

- 2 dwergvleermuizen (Pipistrellus pipistrellus),

in zijn winkel [winkel] aanwezig.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat verdachte moet worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderd uur, waarvan veertig uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij een strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, in het bijzonder het kwijtraken van zijn bedrijf en de daaruit voortvloeiende schulden. De raadsvrouw vindt dat verdachte voldoende is gestraft en heeft daarom verzocht om een geheel voorwaardelijk straf op te leggen.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verkopen van een zaagvis en het (met het oog op verkoop) in bezit hebben van een omvangrijke hoeveelheid (delen van) beschermde, met uitsterven bedreigde uitheemse diersoorten. Verkopers van zulke producten bewegen zich op een zeer gevoelig terrein. Enerzijds dient ruimte te bestaan voor de rechtmatige handel in en duurzame exploitatie van dierlijke producten van uitheemse diersoorten. Anderzijds dienen met uitsterven bedreigde diersoorten effectief beschermd te worden om de natuurlijke soortenrijkdom in stand te houden. Het CITES-Verdrag en de daarop berustende Europese en Nederlandse wet- en regelgeving beogen in dit krachtenveld een gerechtvaardigde balans te vinden. Dat gebeurt ten dele door een strikt administratief regime, waarmee de traceerbaarheid van specimens moet worden verzekerd. Alleen door handhaving van dat regime kunnen illegale specimens worden geïdentificeerd en wordt handhaving mogelijk. Wie zich, zoals verdachte, bezig houdt met de verkoop van zulke specimens, zal daarom de nodige juridische kennis moeten opdoen, zal zijn administratie op orde moeten hebben en zal de voorgeschreven documentenstroom moeten beheersen.

Verdachte heeft onvoldoende oog gehad voor de wettelijke maatregelen ter regulering van de handel in producten van bedreigde diersoorten. Verdachte heeft met zijn handelen geprobeerd zijn bedrijf – een antiquariaat – in stand te houden en met die reden de van toepassing zijnde regelgeving bewust genegeerd. Dit rekent de rechtbank verdachte aan. Met de verkoop en het onder zich hebben van de producten van dieren in de winkel van verdachte, wordt het systeem van de jacht op en de handel in de dieren in stand gehouden. Het gedrag van verdachte vormt een belangrijke schakel in de keten, waardoor zeldzame dieren worden gedood voor financieel gewin en met uitsterven bedreigd. Verdachte had hiervan niet weg mogen kijken onder het mom “het gebeurt overal op Marktplaats”.

De raadsvrouw heeft verzocht een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. De rechtbank gaat hier niet in mee en daarvoor is doorslaggevend dat verdachte zich eerder aan een soortgelijk strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Uit het strafblad van verdachte van 13 juli 2020 blijkt namelijk dat hij op 1 april 2015 een geldboete heeft gekregen voor het overtreden van artikel 13 van de Flora- en faunawet. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is duidelijk geworden dat het ging om het onder zich hebben van acht stuks ivoren snijwerken. Verdachte was daarmee een gewaarschuwd man en dat maakt dat de rechtbank een geheel voorwaardelijke straf niet passend vindt.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met een overschrijding van de redelijke termijn. Op 21 februari 2018 is in de winkel van verdachte een grote hoeveelheid voorwerpen in beslag genomen. Verdachte is vervolgens op 19 april 2018 bij de politie gehoord. Met een uitspraak in de zaak op 30 september 2020 is de redelijke termijn met ongeveer een half jaar overschreden. Aan verdachte zal daarom een iets lagere taakstraf worden opgelegd dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een deels voorwaardelijk taakstraf een passende en geboden reactie vormt. Aan verdachte wordt dan ook opgelegd een taakstraf voor de duur van tachtig uur, waarvan veertig uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Beslag

Onder verdachte is een grote hoeveelheid voorwerpen in beslag genomen. Het gaat daarbij onder meer om de op de tenlastelegging genoemde dieren of producten van dieren. Die producten zijn ondergebracht onder de achttien op de beslaglijst genoemde voorwerpen.

De officier van justitie heeft gevorderd dat alle voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer. De raadsvrouw heeft geen standpunt over het beslag ingenomen.

De rechtbank is van oordeel dat nu met betrekking tot op de beslaglijst genoemde voorwerpen het onder feit 2, 3, 4 en 5 bewezen geachte is begaan en het van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, alle voorwerpen dienen te worden onttrokken aan het verkeer.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 Wetboek van Strafrecht;

1a, 2 en 6 Wet op de economische delicten;

3.2, 3.6, 3.37 en 3.38 Wet natuurbescherming;

3.24

Besluit natuurbescherming;

3.14

Regeling natuurbescherming;

3 en 8 Basisverordening EG nr. 338/97 (CITES).

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 3.37, eerste lid, Wet natuurbescherming, opzettelijk begaan

Ten aanzien van feit 2 en feit 3:

overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 3.38, eerste lid, Wet natuurbescherming, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 4:

overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 3.2 Wet natuurbescherming, eerste lid, opzettelijk begaan;


Ten aanzien van feit 5:

overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 3.6 Wet natuurbescherming, eerste lid, opzettelijk begaan;

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uren.

Beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 (veertig) dagen.

Beveelt dat een gedeelte, groot 40 (veertig) uur, van deze taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

Beveelt dat, als de verdachte het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 (twintig) dagen.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

1. STK Koraal;

2. 2 STK Wild (1 schedel en 1 klein opgezet dier);

3. 4 STK Wild (4 flesjes met elk 1 pygmee cameleon op sterk water);

4. 1 STK Wild (1 panthercameleon op sterk water);

5. 4 STK Wild (vleermuis opgezet);

6. 2 STK Wild (2018045748-G2145392);

7. 3 STK Wild (lx beeldje (kurkentrekker), 2x penhouder van ivoor);

8. 3 STK Schildpad (opgezette schildpad, schild zeeschildpad en schild landschilpad);

9. 2 STK Tas (lx tas van pythonleer en lx tas van krokodillenleer);

10. 1 STK Wild (Walvis Balein);

11. 1 STK Wild (Penisbeen mogelijk van walvis);

12. 1 STK Portemonnee (portemonnee met schild van schildpad);

13. 1 STK Vogel (vogel op berkenbast, ral);

14. 1 STK Zaag (rostrum van een zaagvis);

15. 1 STK Wild (1 geraamte van vleermuis in lijst);

16. 10 STK Schelp Doopvontschelp;

17. 5 STK Schelp (Nautilus);

18. 1 STK Wild (Auerhaan).

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. N.J. Koene en R.K. Pijpers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Lier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 september 2020.