Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4923

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
13-10-2020
Zaaknummer
13/730022-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

witwassen van € 1.103.280, aanwezig hebben 485 ml GHB, gevangenisstraf 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/730022-20 (Promis)

Datum uitspraak: 17 september 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres verdachte] ,

gedetineerd in het [detentieplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 september 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Kerkhoff en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. J.T. Brassé naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

feit 1: het witwassen, dan wel schuldwitwassen, dan wel eenvoudig witwassen van € 1.103.280,- in de periode van 4 juni 2020 tot en met 12 juni 2020;

feit 2: het opzettelijk aanwezig hebben van 485 ml MDMA en/of 25,9 gram ketamine op 4 juni 2020.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Bewijsuitsluiting?

3.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een vormverzuim en dat bewijsuitsluiting moet volgen. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Er is sprake geweest van het ongericht opvragen en analyseren van bulkinformatie van onverdachte burgers, ook wel een ‘phishing-expeditie’ genoemd. Het Openbaar Ministerie heeft hiermee een opsporingsbevoegdheid in het leven geroepen die geen steun vindt in de wet. De aanvang van het onderhavige onderzoek is daarmee in strijd met het legaliteitsbeginsel. Door toepassing van het opsporingsmiddel is inbreuk gemaakt op de privacy van verdachte. Daarnaast is thans niet te toetsen op welke gronden is overgegaan tot doorzoeking van de woning van verdachte, hetgeen in strijd is met artikel 6 EVRM. Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De consequentie die aan het vormverzuim verbonden moet worden, is bewijsuitsluiting.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een vormverzuim. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het onderzoek ‘26Lemont’ betreft een onderzoek naar de criminele activiteiten van het bedrijf [naam bedrijf] . Op basis van een door de officier van justitie gedane vordering heeft de rechter-commissaris te Rotterdam een machtiging afgegeven om de verkregen informatie te analyseren. Vanuit 26Lemont mocht er informatie worden verstrekt aan de zaaksofficier van justitie van deze zaak. Er is vervolgens concrete informatie in een afscherm proces-verbaal terechtgekomen. Op basis van dat proces-verbaal is toestemming aan de rechter-commissaris gevraagd tot doorzoeking ter inbeslagneming van de woning van verdachte. Er heeft dus een dubbele toetsing door rechter-commissarissen plaatsgevonden alvorens er stappen zijn gezet in het onderhavige onderzoek. Het legaliteitsbeginsel is dan ook niet overtreden en er is geen sprake van een vormverzuim.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Het onderhavige onderzoek is gestart naar aanleiding van een afscherm proces-verbaal met daarin de informatie dat het pand aan de [verdachte] wordt gebruikt als locatie om tijdelijk cash geld op te slaan en dat er op dit moment een grote som crimineel geld verstopt ligt.

De informatie uit het afschermproces-verbaal blijkt afkomstig te zijn uit het strafrechtelijk onderzoek naar de mogelijk criminele activiteiten van het bedrijf [naam bedrijf] onder de naam ‘26Lemont’. De rechtbank ziet in hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht geen vormverzuim in het voorbereidend onderzoek van de onderhavige tenlastegelegde feiten. Bovendien heeft de rechter-commissaris in Rotterdam toestemming gegeven voor analyse van de in ‘26Lemont’ verkregen informatie. De informatie in het afscherm proces-verbaal was zeer concreet en op grond van de informatie uit het afscherm proces-verbaal heeft de rechter-commissaris in het onderhavige onderzoek de machtiging tot doorzoeking van de woning van verdachte verstrekt. Tijdens de doorzoeking van de woning zijn onder meer een groot geldbedrag en verdovende middelen aangetroffen.

Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat er geen sprake is van een vormverzuim. Daarmee wordt het beroep op bewijsuitsluiting verworpen.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide feiten. Ten aanzien van het witwassen heeft zij zich op het standpunt gesteld dat zowel sprake is van verbergen of verhullen als het voorhanden hebben van geld afkomstig uit enig misdrijf.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van feit 1 hoogstens gesproken kan worden van eenvoudig witwassen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het geld dat in zijn woning is aangetroffen, afkomstig is uit eigen misdrijf, namelijk van transacties die hij zelf heeft gedaan. Die transacties bestonden uit het geven van spullen die bij wet verboden zijn aan een ander, waarvoor die ander aan verdachte betaalde. Verdachte kan geen concrete vragen over het gronddelict beantwoorden, omdat hij daarmee zichzelf of anderen zou belasten. Daarnaast volgt uit het dossier op geen enkele wijze dat het aangetroffen geldbedrag op enige wijze is omgezet. Niet is gebleken dat er enige handelingen met het geldbedrag hebben plaatsgevonden, behalve het voorhanden hebben van dat geldbedrag. Het verbergen of verhullen moet de herkomst van het geld raken. Nu dat niet het geval is, kan niet worden gesproken van witwassen.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat slechts 40 procent van het tenlastegelegde brutogewicht MDMA bewezen kan worden verklaard. De verdediging heeft ter onderbouwing van dit verweer verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 13 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2067).

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.1

Op 3 juni 2020 werd de informatie ontvangen dat het pand aan de [verdachte] op dat moment werd gebruikt als locatie om tijdelijk cash geld op te slaan. Op dat moment zou er een grote som crimineel verstopt liggen.2 Op 4 juni 2020 om 01:09 uur is de woning gelegen aan de [verdachte] doorzocht.3 Verdachte huurt deze woning al bijna negen jaar.4 Verdachte was op het moment van de doorzoeking in de woning aanwezig.5 Bij de doorzoeking zijn op verschillende plaatsen in de woning sealbags met bankbiljetten, losse stapeltjes bankbiljetten en een enveloppe met bankbiljetten aangetroffen, in totaal een bedrag van € 408.725,-.6 Daarnaast is 25,9 gram ketamine en 485 milliliter MDMA aangetroffen.7 Er werden tevens zes mobiele telefoons aangetroffen, waaronder één van het merk BQ Aquarius.8 Op 12 juni 2020 heeft de eigenaar van de woning aan de [verdachte] melding gemaakt dat zij nog meer contact geld in de betreffende ruimte had aangetroffen.9 Vervolgens is de woning op 12 juni 2020 opnieuw doorzocht. Daarbij is onder een gevulde vuilniszak een plastic zak met contact geld gevonden. In de droogtrommel is een plastic zak met contact geld aangetroffen en in het pluizenfilter van de droger bevond zich een kartonnen doosje met bundels contant geld.10 In totaal is er op 12 juni 2020 een bedrag van € 694.215,- aangetroffen.11 Dit betekent dat in de woning van verdachte in totaal een geldbedrag van € 1.103.280,- is aangetroffen.

Vanuit onderzoek 26Lemont is de communicatie, bestaande uit chatberichten tussen Encrochat-gebruikers “ [naam gebruiker 1] ’ en ‘ [naam gebruiker 2] ’, verstrekt. Uit onderzoek naar de inbeslaggenomen BQ Aquarius die is aangetroffen in de woning van verdachte is gebleken dat verdachte communiceert via Encrochat.

De rechtbank concludeert op basis van de berichten die door ‘ [naam gebruiker 1] ’ verstuurd en ontvangen zijn dat verdachte degene is die de berichten onder de gebruikersnaam ‘ [naam gebruiker 1] ’ heeft ontvangen en verstuurd. Dit leidt de rechtbank onder meer af uit de berichten die ’ [naam gebruiker 1] ’ op 3 juni 2020 omstreeks 22:54 uur heeft verstuurd. ’ [naam gebruiker 1] ’ laat aan een andere gebruiker, genaamd ‘ [naam gebruiker 2] ’, weten dat er ‘skotoe’ (de rechtbank begrijpt: politie) voor de deur staat. De gebeurtenissen die ‘ [naam gebruiker 1] ’ vervolgens beschrijft, komen exact overeen met de gang van zaken omtrent de doorzoeking van de woning van verdachte.12 Verder wordt op 1 juni 2020 door ‘ [naam gebruiker 2] ’ tegen ‘ [naam gebruiker 1] ’ gezegd: ‘moet nog een 1060 bij’ en ‘en hou je 1060 voor. mij daar’. Vervolgens wordt een envelop met daarin € 1060,- aangetroffen in de woning van verdachte.13

Verdachte heeft in de periode van 26 mei 2020 tot en met 3 juni 2020 op meerdere momenten contact met voornoemde ‘ [naam gebruiker 2] ’. ‘ [naam gebruiker 2] ’ vraagt verdachte zijn administratie te sturen. ‘ [naam gebruiker 2] ’ zegt tegen verdachte dat hij zijn salaris van die maand nog moet geven en zegt dat verdachte 6000 voor zichzelf moet pakken voor deze maand. ‘ [naam gebruiker 2] ’ geeft verdachte ook opdrachten om verschillende bedragen aan verschillende personen te geven.14

Het oordeel van de rechtbank over het onder 1 tenlastegelegde

Eigen misdrijf?

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het aangetroffen geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Verdachte heeft op de zitting weliswaar verklaard dat het geld dat in zijn woning is aangetroffen afkomstig is van transacties die hij heeft gedaan en die zien op bij wet verboden spullen, maar hij heeft op de zitting verdere vragen over de herkomst van het geld niet willen beantwoorden. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte niet met voldoende concretisering heeft aangevoerd dat dit geldbedrag uit eigen misdrijf afkomstig is.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij de verklaring van verdachte bovendien niet geloofwaardig vindt, gelet op de [naam bedrijf] berichten die verstuurd zijn door verdachte. Uit de [naam bedrijf] -berichten blijkt immers dat verdachte opdrachten kreeg van ‘ [naam gebruiker 2] ’ om contante geldbedragen te bewaren en aan personen te overhandigen en dat verdachte daarvoor salaris ontving.

Beoordelingskader

Uit vaste rechtspraak volgt, dat ook als niet duidelijk is uit welk specifiek misdrijf de voorwerpen afkomstig zijn, in sommige gevallen toch witwassen bewezen kan worden. Het gaat dan om gevallen waarbij het op grond van de feiten en omstandigheden niet anders kan dan dat de voorwerpen (in dit geval het geld) van misdrijf afkomstig zijn. Als de feiten en omstandigheden in het dossier zodanig zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Zo’n verklaring moet concreet zijn, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Vervolgens ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de alternatieve herkomst van de voorwerpen uit de verklaring van verdachte. Alleen als vervolgens uit dit onderzoek blijkt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de voorwerpen een legale herkomst hebben en dat dus een criminele herkomst de enige aanvaardbare verklaring is, kan het witwassen van die voorwerpen bewezen worden.

Toepassing van het beoordelingskader

Gelet op de hoogte van het aangetroffen contante geldbedrag, € 1.103,280,-, en de aanwezigheid van een groot aantal coupures van € 200,-, die niet standaard zijn in het Nederlandse betalingsverkeer, is het vermoeden gerechtvaardigd dat dit geldbedrag van misdrijf afkomstig is. Dit betekent dat van verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld.

Verdachte heeft geen verklaring afgelegd over de herkomst van het geld, anders dan de verklaring dat het geld afkomstig is uit eigen transacties die zien op bij wet verboden spullen. De rechtbank acht het, zoals gezegd, niet aannemelijk dat het geldbedrag afkomstig is van een door verdachte zelf begaan misdrijf. De rechtbank concludeert op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden dat het niet anders kan zijn dan dat het in de woning van verdachte aangetroffen geldbedrag afkomstig is van enig misdrijf. Gezien de omstandigheden waaronder het geld is aangetroffen moet verdachte dit ook hebben geweten. Verdachte wordt dan ook veroordeeld voor het witwassen van dit geldbedrag.

Verhullen en verbergen van het geldbedrag

Het verstoppen van het geld in een Uber Eats tas, in de pluizenfilter van de droger en in een plastic zak onder een gevulde vuilniszak zijn weliswaar gedragingen die gericht kunnen zijn op het verhullen van de vindplaats van het uit misdrijf verkregen geld, maar niet tevens van het verhullen van de criminele herkomst ervan. De rechtbank zal verdachte hiervan vrijspreken.

Het oordeel van de rechtbank over het onder 2 tenlastegelegde

In de woning is 485 milliliter MDMA en 25,9 gram ketamine aangetroffen. De rechtbank ziet – anders dan de raadsvrouw – geen aanleiding uit te gaan van een hoeveelheid van 40 procent van de MDMA. De uitspraak waarnaar de raadsvrouw heeft verwezen is niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte opzettelijk 485 milliliter MDMA aanwezig heeft gehad.

De rechtbank komt niet tot bewezenverklaring van overtreding van de Opiumwet met betrekking tot ketamine. Ketamine valt immers onder de Geneesmiddelenwet, is niet opgenomen in Lijst I van de Opiumwet en is evenmin aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3A van de Opiumwet. Verdachte zal hiervan daarom worden vrijgesproken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 4 juni 2020 tot en met 12 juni 2020 te Amsterdam, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte, een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal 1.103.280 euro, voorhanden gehad terwijl hij wist dat voornoemd geldbedrag geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was uit enig misdrijf;

2.

op 4 juni 2020 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 485 ml MDMA, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de volgende persoonlijke omstandigheden. Verdachte is first offender. Hij heeft mooie plannen voor de toekomst. Bij een dergelijk lange gevangenisstraf zoals door de officier van justitie is geëist stort zijn toekomstbeeld in. De verdediging heeft daarom verzocht een aanzienlijk lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. Zij heeft daarbij verwezen naar vergelijkbare zaken waarin lagere straffen zijn opgelegd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen van € 1.103.280,-. Witwassen is een ernstig feit dat in niet te onderschatten mate bijdraagt aan de instandhouding van criminaliteit. Het leidt er immers toe dat uit misdrijf verkregen geld een schijnbaar legale herkomst krijgt, waarna de pleger van het misdrijf vrijelijk over het geld kan beschikken in de legale economie, zodat “misdaad loont”. Door witwassen wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer ernstig aangetast en verdachte heeft daaraan een bijdrage geleverd. Verdachte heeft hiervan ook meegeprofiteerd door daar zelf aan te verdienen. Verdachte heeft daarnaast opzettelijk 485 milliliter MDMA aanwezig gehad.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 17 augustus 2020. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten; hij is dus first offender.

Blijkens straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf acht geslagen op de rechterlijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daaruit volgt dat ten aanzien van fraude in algemene zin voor een benadelingsbedrag van € 1.000.000,- en hoger een gevangenisstraf van 24 maanden tot de maximale straf als oriëntatiepunt geldt. De rechtbank zal een deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen, om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst weer strafbare feiten te plegen.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk passend en geboden, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 3 jaar.

9 Beslag

In dit onderzoek zijn zeventien voorwerpen in beslag genomen. Deze voorwerpen hebben allemaal een itemnummer gekregen. Alle voorwerpen betreffen geldbedragen. Een kopie van de lijst met inbeslaggenomen voorwerpen is als bijlage II aan dit vonnis gehecht.

Verbeurdverklaring

De voorwerpen behoren aan verdachte toe. Nu met betrekking tot die voorwerpen het onder 1 bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen

14a, 14b, 14c, 33, 33a, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;

2 en 10 van de Opiumwet.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1

witwassen

ten aanzien van feit 2

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Verklaart verbeurd:

- voorwerpen 1 tot en met 17 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.C.J. Klaver, voorzitter,

mrs. A.A. Fase en E.J. Weller, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B. Pünt, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 september 2020.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 ZD-1

3 ZD-4

4 ZD-25

5 ZD-6

6 ZD-6 en ZD-10

7 ZD-68 en BD-1

8 ZD-8 en BD-20

9 ZD-28

10 ZD-39

11 ZD-35 en ZD-66

12 ZD-51

13 ZD-48

14 ZD-46 en ZD-51