Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4922

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
22-10-2020
Zaaknummer
C/13/669247 / HA ZA 19-763
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering tot vernietiging bindend advies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0807
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/669247 / HA ZA 19-763

Vonnis van 23 september 2020

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. A.H.M. de Jonge te 's-Gravenhage,

tegen

de stichting

STICHTING VUMC,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. S. T. Könning te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiseres] en VUmc genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 2 juli 2019, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 19 februari 2020 waarbij ambtshalve een comparitie is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van de Skype-behandeling van 18 juni 2020 en de daarin genoemde processtukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In mei 2017 heeft [eiseres] met een chirurg uit VUmc de mogelijkheid tot het plaatsen van een stoma besproken.

2.2.

Op 2 oktober 2017 werd het voornemen tot het plaatsen van de stoma bij [eiseres] in het IC Hoogrisico overleg besproken. Bij dit overleg zijn vertegenwoordigers van verschillende disciplines aanwezig, te weten een IC-arts, een MDL-arts, een neuroloog, een chirurg en een anesthesioloog.

2.3.

Op 8 november 2017 is bij [eiseres] de stoma geplaatst. Na de operatie is de spierkracht van [eiseres] sterk verminderd, waardoor zij afhankelijk is geworden van een rolstoel.

2.4.

Op 22 november 2017 is [eiseres] ontslagen uit VUmc en overgeplaatst naar het verpleeghuis Vreugdehof. Als gevolg van een uitbraak van het NORO-virus in Vreugdehof, kort na haar opname aldaar, heeft geen revalidatie plaatsgevonden.

2.5.

Na haar opname in Vreugdehof heeft [eiseres] een aantal weken in de revalidatiekliniek Reade verbleven.

2.6.

Op 19 februari 2018 heeft [eiseres] een klacht ingediend bij de Klachtenonderzoekscommissie Patiëntenzorg voor VUmc (hierna: Klachtencommissie). Haar klacht hield in dat (a) zij niet is gewaarschuwd voor de risico’s van de bijwerkingen van de narcose op haar spieren anders dan op haar longen en hartspier, (b) zij ten onrechte naar Vreugdehof is overgeplaatst waar zij bovendien geen revalidatie heeft gekregen als gevolg van de uitbraak van het NORO-virus en waar onvoldoende kennis was van haar spierziekte, waardoor zij nog meer achteruit is gegaan, (c) door de neuroloog onvoldoende onderzoek is gedaan naar haar ziekte en (d) de chirurg haar klachten met betrekking tot haar stoma eerder had moeten behandelen.

2.7.

Op 6 juli 2018 heeft een hoorzitting van de Klachtencommissie plaatsgevonden waarbij [eiseres] en de betrokken artsen aanwezig waren.

2.8.

De uitspraak van de Klachtencommissie is bij brief van 27 juli 2018 aan [eiseres] verzonden. De Klachtencommissie heeft geoordeeld dat VUmc heeft nagelaten bij overplaatsing van [eiseres] naar Vreugdehof het belang van de revalidatie te benadrukken en heeft klachtonderdeel (b) gegrond verklaard. De overige klachtonderdelen werden afgewezen.

2.9.

Vervolgens heeft [eiseres] een klacht ingediend bij de Geschillencommissie Ziekenhuizen (hierna: de Geschillencommissie). Op 14 augustus 2018 heeft de Geschillencommissie het door [eiseres] ondertekende vragenformulier ontvangen. Door ondertekening van het vragenformulier heeft [eiseres] verklaard zich te onderwerpen aan de bepalingen van het reglement van de Geschillencommissie en de uitspraak als bindend te aanvaarden. In het vragenformulier bestaat onder het kopje ‘Vertegenwoordiger’ de mogelijkheid om de naam van een vertegenwoordiger die het geschil bij de Geschillencommissie behandelt, aan te kruisen.

2.10.

VUmc heeft een verweerschrift ingediend, dat is opgesteld door de jurist medische zaken van VUmc. [eiseres] heeft een exemplaar van dit verweerschrift ontvangen.

2.11.

Op 15 april 2019 heeft de hoorzitting van de klacht plaatsgevonden. [eiseres] was hierbij samen met haar moeder aanwezig. Namens VUmc waren enkele artsen en de jurist aanwezig.

2.12.

Op 3 mei 2019 heeft de Geschillencommissie haar bindend advies uitgebracht. De klacht van [eiseres] is op alle onderdelen ongegrond verklaard.

2.13.

Op dit moment verblijft [eiseres] doordeweeks in Vreugdehof en in het weekend thuis waar haar moeder als mantelzorgster voor haar zorgt. [eiseres] kan niet meer volledig thuis wonen.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. vernietiging van het bindend advies van de Geschillencommissie van 3 mei 2019;

  2. veroordeling van VUmc tot betaling aan [eiseres] van het klachtengeld van
    € 52,50, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 3 mei 2019, dan wel een datum in goede justitie bepaald, tot de datum van volledige betaling;

  3. veroordeling van VUmc in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.

3.2.

Aan haar vorderingen legt [eiseres] het volgend ten grondslag. De uitspraak van de Geschillencommissie is op de voet van artikel 7:904 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vernietigbaar, omdat gebondenheid aan de uitspraak in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [eiseres] stelt daartoe dat de uitspraak onvoldoende gemotiveerd is, de belangen van [eiseres] in de procedure zijn geschaad omdat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden en de Geschillencommissie ten onrechte geen onafhankelijke deskundige heeft ingeschakeld.

3.3.

VUmc voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] , of afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In geschil is of het door de Geschillencommissie gegeven bindend advies van 3 mei 2019 vernietigd moet worden.

4.2.

Op grond van artikel 7:904 lid 1 BW kan een bindend advies, worden vernietigd indien gebondenheid aan die beslissing in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming daarvan onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De toetsing op grond van dit artikel is terughoudend. Het uitgangspunt is dat partijen aan het advies zijn gebonden. Enkel ernstige gebreken in de inhoud of de wijze van totstandkoming kunnen leiden tot vernietiging van een bindend advies. Een advies kan naar zijn inhoud de toets niet doorstaan wanneer geen redelijk handelend bindend adviseur tot het bestreden advies had kunnen komen. De wijze van totstandkoming kan maken dat gebondenheid aan het advies naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is in geval van schending van hoor en wederhoor, schending van het beginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid, en/of schending van het motiveringsbeginsel. Met inachtneming van de hiervoor genoemde maatstaf oordeelt de rechtbank als volgt.

Motiveringsgebrek?

4.3.

[eiseres] stelt dat de uitspraak van de Geschillencommissie om meerdere redenen onvoldoende is gemotiveerd. Volgens [eiseres] blijkt uit de uitspraak onvoldoende op basis van welke stukken en delen uit het medisch dossier de Geschillencommissie tot haar oordeel is gekomen. Zij wijst erop dat de uitspraak vrijwel volledig overeenkomt met het standpunt van VUmc, terwijl niet duidelijk is in hoeverre de Geschillencommissie het standpunt van [eiseres] heeft meegenomen. Tenslotte stelt [eiseres] dat het onbegrijpelijk is dat de Geschillencommissie haar klacht dat zij na de operatie geen revalidatie heeft gehad waardoor haar spierkracht achteruit is gegaan, in tegenstelling tot de Klachtencommissie ongegrond heeft verklaard.

4.4.

Hiertegen voert VUmc aan dat uit het bindend advies volgt dat het advies is gebaseerd op de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting. Verder voert VUmc aan dat de conclusies van de Geschillencommissie inzichtelijk zijn en volgen uit het medisch dossier dat onderdeel is van de stukken.

4.5.

De rechtbank stelt vast dat in het bindend advies is vermeld op basis waarvan de Geschillencommissie haar advies heeft gegeven, namelijk de overgelegde stukken en hetgeen door partijen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht. De standpunten van partijen zijn opgenomen in het advies.

Met betrekking tot het oordeel of [eiseres] voldoende geïnformeerd is over het risico van verminderde spierfunctie in de benen en dat haar loopfunctie achteruit kon gaan, kan de Geschillencommissie geen motiveringsgebrek worden verweten. In het bindend advies is vermeld dat niet kan worden gesteld dat [eiseres] onvoldoende is gewezen op de risico’s van de operatie en dat de operatie onnodig is uitgevoerd. Dit oordeel kon de Geschillencommissie baseren op de verklaringen van de artsen op de mondelinge behandeling dat op 2 en 31 oktober 2017 de risico’s van de operatie zijn besproken, die worden ondersteund door het medisch dossier. Verder heeft de Geschillencommissie opgemerkt dat VUmc bekend was met de spierzwakte van [eiseres] en dat hoewel er geen duidelijke diagnose kon worden gesteld met betrekking tot de spierziekte de anesthesioloog ervan uitgegaan is dat [eiseres] lijdt aan een neuromusculaire stoornis lijkend op of zijnde myasthenia gravis. De Geschillencommissie heeft geoordeeld dat de anesthesioloog zorgvuldig heeft gehandeld en hem ter zake van de verminderde spierfunctie geen verwijt kan worden gemaakt. De Geschillencommissie heeft dit oordeel gemotiveerd met informatie uit het medisch dossier, waaruit is gebleken dat het medisch team bij de voorbereiding en uitvoering van de medische ingreep alle voorzorgsmaatregelen in acht heeft genomen met betrekking tot de keuze van de anesthesiologische medicatie, de trapsgewijze toediening van de spierrelaxantia en het na afloop geven van medicatie die de wering van de spierrelexans volledig antagoneert.

In het kader van de terughoudende toets, waartoe de rechtbank zich in deze vernietigingsprocedure moet beperken, kan niet worden gezegd dat de motivering van de Geschillencommissie op dit punt duidelijk tekortschiet en/of dat de Geschillencommissie in redelijkheid niet tot deze beslissing had kunnen komen.

Evenmin kan de Geschillencommissie een motiveringsgebrek met betrekking tot haar oordeel over de overplaatsing naar Vreugdehof worden verweten. In het bindend advies is vermeld dat de Geschillencommissie uit de stukken en het verhandelde ter zitting heeft vastgesteld dat er in Reade geen plaats was voor [eiseres] en dat ten tijde van het ontslag van [eiseres] uit het ziekenhuis niet kon worden voorzien dat zij een lang revalidatietraject zou moeten ondergaan en dat het NORO-virus zou uitbreken in het verpleegtehuis. Ook deze motivering van de Geschillencommissie schiet niet tekort.

Schending van het beginsel van hoor en wederhoor?

4.6.

Verder stelt [eiseres] dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden.

[eiseres] stelt dat zij tijdens de hoorzitting van de Geschillencommissie niet in staat was om inhoudelijk te reageren op het standpunt van VUmc, omdat zij niet medisch en juridisch is geschoold. Ook stelt [eiseres] dat zij tijdens de hoorzitting onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om het woord te voeren, in tegenstelling tot (de artsen van) VUmc. Bovendien had de Geschillencommissie haar erop moeten wijzen dat zij een advocaat of een andere rechtshulpverlener kon inschakelen. Door na de hoorzitting [eiseres] geen gelegenheid te geven om te reageren op het standpunt van VUmc, eventueel na het inschakelen van een deskundige en/of jurist, maar meteen uitspraak te doen, is het beginsel van hoor en wederhoor geschonden, aldus [eiseres] .

4.7.

VUmc voert hiertegen aan dat beide partijen in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk hun standpunt uiteen te zetten en mondeling op elkaars stellingen te reageren en dat zowel [eiseres] als haar moeder tijdens de hoorzitting alle ruimte hebben gekregen om hun standpunten naar voren te brengen. Volgens VUmc zijn de artsen wellicht meer aan het woord geweest door het onderzoek van de Geschillencommissie naar het handelen van de artsen gedurende het behandeltraject, waardoor ten onrechte het beeld kan zijn ontstaan dat VUmc meer aan het woord is gelaten. Verder voert VUmc aan dat [eiseres] zelf ervoor heeft gekozen om het geschil voor te leggen aan de Geschillencommissie en dat zij zich gedurende de procedure had kunnen laten bijstaan door een advocaat.

4.8.

De rechtbank oordeelt als volgt. Uit het bindend advies volgt dat beide partijen in de gelegenheid zijn gesteld om hun standpunten zowel schriftelijk – [eiseres] bij indiening van haar klacht en VUmc in reactie daarop bij verweerschrift – als mondeling tijdens de hoorzitting kenbaar kunnen maken. In het bindend advies wordt een uitvoerige uiteenzetting van de standpunten van [eiseres] gegeven hetgeen het standpunt van VUmc ondersteunt dat [eiseres] voldoende in de gelegenheid is gesteld om op de mondelinge behandeling het woord te voeren. Gelet op de onderbouwde betwisting van VUmc heeft [eiseres] haar stelling dat zij tijdens de mondelinge behandeling onvoldoende in de gelegenheid is gesteld haar standpunt naar voren te brengen, althans in mindere mate dan VUmc, onvoldoende onderbouwd. Een reden om [eiseres] na de mondelinge behandeling te laten reageren op het standpunt van VUmc ontbreekt daardoor.

4.9.

Daarbij komt het volgende. [eiseres] heeft het verweerschrift voorafgaand aan de mondelinge behandeling ontvangen, waardoor zij kennis heeft kunnen nemen van het standpunt van VUmc. Zij had, al dan niet met inschakeling van een jurist en/of een deskundige, hierop bij de mondelinge behandeling kunnen reageren. Hierbij is van belang dat [eiseres] blijkens haar verklaring op de Skype-behandeling in deze procedure ook ten tijde van de procedure bij de Geschillencommissie over een rechtsbijstandverzekering beschikte. De rechtbank neemt aan dat de rechtsbijstandsverzekeraar [eiseres] net zoals zij in deze procedure heeft gedaan, van juridische bijstand zou hebben voorzien in de procedure bij de Geschillencommissie als zij daar om had gevraagd.

4.10.

Voor zover [eiseres] stelt dat sprake is geweest van ongelijkwaardigheid van de partijen, omdat VUmc werd bijgestaan door een jurist terwijl [eiseres] geen juridische bijstand heeft gehad gedurende de procedure bij de Geschillencommissie, oordeelt de rechtbank als volgt. Het is de keuze van [eiseres] geweest om het geschil aanhangig te maken bij de Geschillencommissie. Het betreft een laagdrempelige en goedkope rechtsgang, waarbij het niet verplicht is om met een advocaat te procederen. [eiseres] had echter wel de mogelijkheid om zich bij de behandeling van het geschil door derden te laten bijstaan of te vertegenwoordigen. Dit volgt uit artikel 7 lid 1 van het Reglement van de Geschillencommissie. Weliswaar stelt [eiseres] dat zij hiervan niet op de hoogte was, omdat zij geen informatie van de Geschillencommissie zou hebben ontvangen waaruit dit zou blijken, maar op het door haar ondertekende vragenformulier van de Geschillencommissie Ziekenhuizen is [eiseres] bij onderdeel 5. gevraagd of zij zelf het geschil behandelt of dat zij zich laat vertegenwoordigen. Bij onderdeel 6. is erop gewezen dat [eiseres] met de ondertekening van het vragenformulier er toestemming voor geeft dat de eventueel bij onderdeel 5 genoemde vertegenwoordiger de procedure voert. Hierdoor had het voor [eiseres] voldoende duidelijk moeten zijn dat de mogelijkheid bestond om zich (juridisch) te laten bijstaan.

Raadplegen externe deskundige?

4.11.

[eiseres] stelt dat de Geschillencommissie niet over de deskundigheid beschikte die noodzakelijk was om in de gegeven omstandigheden tot een bindend advies te kunnen komen. Vanwege de zeldzaamheid en complexiteit van de spierziekte van [eiseres] en de invloed van de narcose op deze ziekte had het op de weg van de Geschillencommissie gelegen om een onafhankelijke deskundige met het specialisme neurologie in te schakelen, ten aanzien van de vraag of de achteruitgang met het lopen voor de behandelend artsen inderdaad niet te verwachten was.

4.12.

De rechtbank oordeelt als volgt. De voornaamste klacht van [eiseres] betreft het niet waarschuwen voor de risico’s van de narcose op de spierziekte bij de operatie waarbij de stoma is geplaatst. Deze klacht ziet op de anesthesiologische aspecten van de operatie. VUmc heeft erop gewezen dat een lid van de Geschillencommissie, prof. dr. G.J. Scheffer, als anesthesioloog werkzaam is in het RadboudUMC. [eiseres] heeft dat niet betwist, zodat de rechtbank van de juistheid van deze stelling zal uitgaan. Prof. Scheffer zal uit eigen ervaring en deskundigheid hebben kunnen oordelen over de invloed van anesthesie op de spierziekte van [eiseres] . In het licht hiervan heeft [eiseres] haar stelling dat de Geschillencommissie een deskundige had moeten inschakelen, omdat zij zelf onvoldoende deskundig zou zijn geweest onvoldoende onderbouwd.

4.13.

Uit het voorgaande volgt dat geen van de bezwaren van [eiseres] doel treft. Dit leidt tot het oordeel dat niet kan worden gezegd dat gebondenheid aan het bindend advies in verband met de inhoud of de wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hierdoor bestaat voor vernietiging van het bindend advies van de Geschillencommissie geen aanleiding. De vorderingen van [eiseres] zullen dus worden afgewezen.

4.14.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van VUmc worden begroot op:

- griffierecht € 1.992,00

- salaris advocaat € 1.086,00 (2 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 3.078,00

4.15.

De nakosten worden ambtshalve begroot op de wijze die in de beslissing is vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van VUmc tot op heden begroot op € 3.078,00,

5.3.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.H. Broesterhuizen, rechter, bijgestaan door mr. M.W.J. Kerren, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2020.

De griffier is verhinderd om dit vonnis mede te ondertekenen.