Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4911

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-10-2020
Datum publicatie
09-10-2020
Zaaknummer
RK 20/3437 + 20/3634
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beschikking art. 98 jo. 552a Sv inzake Marengo. De kroongetuige heeft (in detentie) een telefoon tot zijn beschikking gehad en deze op enig moment aan zijn toenmalig advocaat gegeven. Toen deze kwam te overlijden is deze via de deken naar de opvolgend (anonieme) advocaat gegaan. Nadat hij door de kroongetuige was ontslagen, verzocht deze hem de telefoon in detentie te bezorgen. De anonieme advocaat wenste niet mee te werken aan dit verzoek en droeg de telefoon weer over aan de deken. Daar werd de telefoon in beslag genomen. Nadat de anonieme advocaat en de deken om een standpunt was gevraagd, heeft de rechter-commissaris beslist dat de inbeslagneming van de telefoon en de daarop aanwezige informatie was toegestaan, omdat zowel aan de anonieme advocaat, als aan de deken geen bevoegdheid tot verschoning toe zou komen ten aanzien daarvan. Hiertegen hebben de huidige raadslieden van de kroongetuige, alsmede de deken een klaagschrift ingediend.

De rechtbank kan niet vaststellen dat een van de (al dan niet voormalig) advocaten van de kroongetuige of de deken ooit toegang heeft gehad tot de telefoon. Hierdoor hebben deze advocaten en de deken ook geen toegang gehad tot de op de telefoon aanwezige informatie. Evenmin is gebleken dat de op de telefoon aanwezige informatie daadwerkelijk bestemd was om aan een advocaat te worden medegedeeld. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de informatie op de telefoon niet aan een advocaat is toevertrouwd in het kader van diens beroepsuitoefening en de op de telefoon aanwezige informatie valt dan ook niet onder het verschoningsrecht. Het beklag van klagers is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2021/12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingslocatie Amsterdam

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

RK: 20/3437 + 20/3634

Parketnummers: 16/706944-17, 16/803201-18, 16/803201-19 en 16/803204-19

Beschikking op het klaagschrift ex artikel 98, vierde lid jo. 552a van het Wetboek van Strafvordering van:

DE DEKEN VAN DE ORDE VAN ADVOCATEN, MR. E.J. HENRICHS,

domicilie kiezende op het [adres] ,

en

MRS. P.C. SCHOUTEN EN O.E. DE JONG,

domicilie kiezende op het [adres] ,

tevens vertegenwoordigend raadslieden van:

[klager] ,

geboren op [geboortegegevens] ,

domicilie kiezende op het [adres] ,

klagers.

1 Feiten

1.1

De heer [klager] is verdachte en kroongetuige in het onderzoek ‘Marengo’, dat zich richt op – onder meer – verschillende liquidaties en pogingen daartoe door een criminele organisatie.

1.2

Op 18 september 2019 is [advocaat] , een van de toenmalig advocaten van de kroongetuige, doodgeschoten. Hierna werd de kroongetuige bijgestaan door een anonieme advocaat (hierna: AA).

1.3

De AA heeft op 11 maart 2020 zijn taken neergelegd, wegens een breuk tussen hem/haar en de kroongetuige. Op 13 maart 2020 heeft de AA contact opgenomen met het zaaks-OM van het onderzoek Marengo. Door deze AA werd medegedeeld dat hij/zij gedurende zijn/haar werkzaamheden als advocaat van de kroongetuige via de deken in het bezit was gekomen van een envelop die bestemd was voor de opvolgend advocaat van de kroongetuige. Uit de tekst op de envelop heeft de advocaat opgemaakt dat deze envelop met inhoud oorspronkelijk afkomstig was van (het advocatenkantoor van) zijn/haar overleden voorganger, mr. [advocaat] . De AA meldde aan het zaaks-OM dat zich in die envelop een telefoon bevond en dat de kroongetuige had verzocht dat toestel naar hem toe te brengen. Dat verzoek was gedaan nadat de kroongetuige zijn advocaat eerder die week had ontslagen. De AA wenste niet mee te werken aan dit verzoek, waarop de kroongetuige heeft gereageerd op een manier die de AA als bedreigend heeft ervaren.

1.4

Op 16 maart 2020 heeft de AA de telefoon aan de deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten (hierna: de deken) afgegeven. Direct daarna is deze telefoon, na machtiging daartoe door de rechter-commissaris in Amsterdam, inbeslaggenomen en in de kluis van de rechter-commissaris geplaatst.

1.5

De rechter-commissaris heeft vervolgens de deken en de AA verzocht om gemotiveerd uiteen te zetten of en, zo ja, waarom zij van mening zijn dat de telefoon en de eventuele informatie die zich daarop bevindt onder hun geheimhoudingsplicht valt. Hierop is door de AA op 17, 19 en 23 maart 2020 en door de deken op 31 maart 2020 gereageerd. Het Openbaar Ministerie heeft op 8 april 2020 een standpunt ingenomen ten aanzien van de geheimhouderkwestie. Zowel de AA, als de deken hebben te kennen gegeven niet te weten welke informatie zich op de telefoon bevindt, maar beiden achten het goed voorstelbaar dat dit geheimhouderinformatie betreft. Geen van beiden heeft zich toegang verschaft tot de telefoon en zij weten niet of de telefoon is beveiligd, bijvoorbeeld met een pincode. In elk geval stellen beiden zich op het standpunt dat de telefoon en de daarop aanwezige communicatie onder de geheimhoudingsplicht valt.

1.6

Om de aannemelijkheid van het beroep op de geheimhoudingsplicht goed te kunnen beoordelen, heeft de rechter-commissaris het noodzakelijk geoordeeld de toegankelijkheid en eventuele inhoud van de telefoon te (doen) onderzoeken. Hiertoe is de telefoon op 8 en 9 april 2020 onderzocht door een (digitaal) rechercheur en door het NFI. De inhoud van de telefoon is door een rechercheur toegankelijk gemaakt en op een andere gegevensdrager vastgelegd ten behoeve van nader inhoudelijk onderzoek.

1.7

Op de telefoon zijn hoofdzakelijk (WhatsApp-)berichten aangetroffen uit de periode september 2017 tot en met 9 februari 2018. Ook is berichtenverkeer aangetroffen tussen de kroongetuige en een van zijn toenmalige advocaten (niet zijnde AA of zijn huidige advocaten). Ten aanzien van deze berichten heeft de rechter-commissaris direct (en zonder deze berichten te hebben gezien) opdracht gegeven om deze communicatie en eventuele bijbehorende gegevens volledig te verwijderen van de gegevensdrager (waarop de van de telefoon afkomstige informatie is gekopieerd). Dit maakt dat deze (evidente geheimhouder)communicatie geen onderwerp meer is van deze procedure.

1.8

Vervolgens heeft de rechter-commissaris op 2 juli 2020 beslist dat de inbeslagneming van de telefoon en de daarop aanwezige informatie is toegestaan, omdat zowel aan de AA, als aan de deken geen bevoegdheid tot verschoning toe zou komen ten aanzien daarvan. De rechter-commissaris komt tot de conclusie dat de telefoon en de berichten daarop niet kunnen worden beschouwd als toevertrouwd aan een advocaat. Zo is, aldus de rechter-commissaris, niet gebleken dat de AA ooit toegang had tot de informatie op de telefoon. Bovendien heeft onderzoek naar de informatie zelf evenmin aanknopingspunten opgeleverd dat sprake is van informatie die bedoeld is voor een advocaat van de kroongetuige ten behoeve van diens belangenbehartiging in zijn strafzaken.

2 Procesgang

2.1

Tegen voornoemde beslissing van de rechter-commissaris van 2 juli 2020 hebben klagers op 16 juli 2020 hun klaagschriften ingediend. De deken heeft zijn klaagschrift ingediend bij de Rechtbank Midden-Nederland en de Rechtbank Amsterdam, terwijl de raadslieden van de kroongetuige hun klaagschrift aan de Rechtbank Midden-Nederland hebben gericht, waarbij is aangegeven dat geen bezwaar zal worden gemaakt indien het klaagschrift door een zittingscombinatie van de Rechtbank Amsterdam wordt behandeld.

2.2

Op 13 augustus 2020 heeft het Openbaar Ministerie zijn standpunt kenbaar gemaakt.

2.3

Op 17 september 2020 heeft de Rechtbank Midden-Nederland, zitting houdende te Amsterdam, de raadslieden en de kroongetuige, alsmede de deken, bijgestaan door mr. J.I.M.G. Jahae, en het Openbaar Ministerie in besloten raadkamer gehoord.

3 Het toetsingskader

3.1

De rechtbank stelt met betrekking tot het beroep op het verschoningsrecht het volgende voorop.
Aan het verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden.

3.2

Op grond van artikel 98 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in artikel 218 Sv zonder hun toestemming brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag worden genomen.

3.3

De aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel over de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken, in beginsel toekomt aan de verschoningsgerechtigde. Dit standpunt dient door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.

3.4

Het oordeel of redelijkerwijze er geen twijfel over kan bestaan dat het door de verschoningsgerechtigde ingenomen standpunt onjuist is, komt in eerste instantie toe aan de rechter-commissaris, bij voorkeur na overleg met een gezaghebbend vertegenwoordiger van de beroepsgroep van de verschoningsgerechtigde (zoals de plaatselijk deken van de Orde van Advocaten of de Ringvoorzitter). Voor zover dat noodzakelijk is mag daartoe door de rechter-commissaris van de desbetreffende stukken worden kennisgenomen. Indien de rechter-commissaris – bijvoorbeeld in verband met de aard of de omvang van de inbeslaggenomen stukken of gegevens – niet in staat is zelf dat onderzoek te verrichten, zal hij het daarheen dienen te leiden dat het onderzoek wordt verricht door zodanige functionaris en op zodanige wijze dat is gewaarborgd dat het verschoningsrecht niet in het gedrang komt.

3.5

Art. 98 Sv geeft niet aan wat de reikwijdte van het verschoningsrecht is, maar voorziet alleen in beperking van de mogelijkheid tot inbeslagneming en doorzoeking bij de verschoningsgerechtigde. De Hoge Raad heeft enkele keren de reikwijdte van het verschoningsrecht van de advocaat omschreven. De advocaat komt alleen een verschoningsrecht toe in het kader van de juridische dienstverlening aan een rechtzoekende die zich tot de advocaat heeft gewend vanwege diens hoedanigheid van advocaat (HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2686 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2016:2686) en HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3258 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2015:3258)).

4 Het standpunt van de deken

4.1

De deken heeft zich, bij monde van zijn raadsman, op het standpunt gesteld dat er voor de rechter-commissaris geen noodzaak bestond om kennis te nemen van de inhoud van de telefoon. Het initiële standpunt van de deken, dat sprake was van geheimhouderinformatie, had leidend moeten zijn. Ook is de door de rechter-commissaris gevolgde procedure in strijd met het recht, omdat de inzet van geheimhouderfunctionarissen aan de zijde van het Openbaar Ministerie of de politie niet is toegestaan. Indien de noodzaak al had bestaan voor de rechter-commissaris om kennis te moeten nemen van de stukken, had dit bovendien door hemzelf moeten worden gedaan en niet door een (geheimhouder)functionaris. Ten slotte heeft de rechter-commissaris ten onrechte geoordeeld dat de (inhoud van de) telefoon geen geheimhouderstuk betreft.

4.2

De raadsman van de deken heeft dit standpunt in raadkamer nader toegelicht. In zijn pleitnotities heeft de raadsman aangevuld dat het verschoningsrecht zich ook uitstrekt over nog niet gedeelde informatie en dat bij de beoordeling van de vraag of de inhoud van de telefoon onder de reikwijdte van het verschoningsrecht valt de reden voor de afgifte doorslaggevend is, niet de inhoud. Aannemelijk is dat de informatie aan de advocaat is toevertrouwd in het kader van de normale uitoefening van zijn beroep.

5 Het standpunt van de raadslieden

5.1

De raadslieden van de kroongetuige hebben zich op het standpunt gesteld dat zij (althans, in elk geval mr. Schouten) ten onrechte niet door de rechter-commissaris als verschoningsgerechtigden in de zin van art. 98 Sv zijn aangemerkt en niet om een standpunt zijn gevraagd in aanloop naar de beschikking van 2 juli 2020. De rechter-commissaris had moeten wachten met het nemen van zijn beslissing, in elk geval totdat de kroongetuige weer werd bijgestaan door een advocaat. Bovendien was al vanaf medio mei duidelijk dat mr. Schouten mogelijk de raadsman van de kroongetuige zou gaan worden. Ook de kroongetuige zelf had kunnen worden bevraagd, maar ook dat is niet gebeurd. Tevens heeft de rechter-commissaris een te beperkte uitleg aan het verschoningsrecht gegeven, omdat een advocaat ten aanzien van alles waarvan hij uit hoofde van zijn beroepsuitoefening kennis neemt tot geheimhouding is verplicht. Aangenomen kan worden dat mr. [advocaat] de telefoon uit hoofde van zijn beroepsuitoefening onder zich heeft gekregen en het enkele feit dat niet kan worden vastgesteld of hij toegang had tot de telefoon, doet niet ter zake. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de informatie op de telefoon door het verschoningsrecht wordt beschermd.

5.2

De raadslieden hebben dit standpunt in raadkamer nader toegelicht. Zij hebben aangevuld dat de rechter-commissaris in Amsterdam niet bevoegd was over de inbeslagneming te oordelen. Dit oordeel was immers voorbehouden aan de rechter-commissaris verbonden aan de Rechtbank Midden-Nederland. Verder was het onderzoek door de rechter-commissaris onrechtmatig wegens de inzet van (geheimhouder)functionarissen van het Openbaar Ministerie. Ten slotte had het standpunt van de deken moeten worden geëerbiedigd.

5.3

De kroongetuige zelf heeft toegelicht dat het niet zo is dat zijn voormalig (anonieme) advocaat niet zou hebben geweten wat er op die telefoon stond, omdat hij nooit alleen een telefoon zou afgeven aan zijn advocaat. Het afgeven van de telefoon heeft hij gedaan met een bepaald doel. Als er iets met hem zou gebeuren, dan zou zijn advocaat via zijn familie de beschikking krijgen over de pincode van de telefoon en op die manier zou de advocaat dan kennis kunnen nemen van de daarop aanwezige informatie.

6 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

6.1

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beklag van klagers ongegrond moet worden verklaard. Ten eerste kan een telefoon zelf geen geheimhouderstuk zijn. De daarop aanwezige gegevens kunnen wel onder het verschoningsrecht vallen, maar de daartoe bevoegde rechter-commissaris heeft terecht geoordeeld dat het merendeel van de gegevens daar in casu niet onder valt. De rechter-commissaris had bovendien goede gronden om nader onderzoek te (laten) doen aan de telefoon, omdat de standpunten van de deken en de AA niet toereikend waren om een oordeel te kunnen geven. Deze rechter-commissaris hoefde de raadslieden van de kroongetuige ook niet om een oordeel te vragen, omdat zij ten tijde van de inbeslagneming niet in beeld waren als raadsman van de kroongetuige. Ten slotte was de inzet van geheimhouder-opsporingsambtenaren geoorloofd en niet in strijd met het recht.

6.2

De officier van justitie heeft dit standpunt in raadkamer herhaald en in reactie op klagers het volgende naar voren gebracht. De rechter-commissaris in Amsterdam was formeel bevoegd om op de inbeslagneming te beslissen, omdat hij heeft opgetreden na terugverwijzing door de inhoudelijke zittingscombinatie. Deze rechtbankcombinatie is formeel de Amsterdamse rechtbank, maar houdt zitting als Rechtbank Midden-Nederland. De rechter-commissaris heeft dan ook formeel als Amsterdamse rechter-commissaris opgetreden, maar tevens gehandeld als lid van de Rechtbank Midden-Nederland. Ten slotte heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de mededeling van een (potentieel) verschoningsgerechtigde slechts moet worden gevolgd als sprake is van een gefundeerd, onderbouwd standpunt. Nu, bij gebrek aan kennis over de inhoud, niemand het gemotiveerde standpunt kon innemen dat sprake was van verschoningsgerechtigde stukken, was de rechter-commissaris gerechtigd zelf onderzoek daarnaar te doen.

7 De beoordeling – de gevolgde procedure

7.1

De rechtbank zal eerst ingaan op een aantal procedurele vraagstukken en vervolgens op de inhoud van de klaagschriften.

7.2

De ontvankelijkheid
Alle klagers zijn ontvankelijk in hun klaagschriften. De telefoon is onder de deken inbeslaggenomen. Alleen al om die reden is de deken ontvankelijk in zijn beklag, nu hem (potentieel) een (afgeleid) beroep op het verschoningsrecht toekomt. Aan de raadslieden van de kroongetuige komt naar het oordeel van de rechtbank, als opvolgend advocaten van de kroongetuige, potentieel een verschoningsrecht toe.

7.3

Het bevoegde gerecht
De strafzaak Marengo wordt behandeld door de Rechtbank Amsterdam, die tevens zitting houdt als Rechtbank Midden-Nederland. Nu de zaken tegen de kroongetuige zijn aangebracht in Midden-Nederland, is dat het bevoegde gerecht om kennis te nemen van de klaagschriften. Nu de behandeling van het onderzoek Marengo evenwel een ‘Amsterdamse aangelegenheid’ is, zal de Rechtbank Amsterdam, zitting houdende als Rechtbank Midden-Nederland, op de klaagschriften beslissen.

7.4

De bevoegde rechter-commissaris
Ten aanzien van de bevoegdheid van de rechter-commissaris van de Rechtbank Amsterdam overweegt de rechtbank als volgt. Zoals hiervoor reeds overwogen wordt de strafzaak Marengo door een Amsterdamse zittingscombinatie behandeld, die om procedurele redenen zitting houdt als Rechtbank Midden-Nederland. Omdat deze zittingscombinatie de strafzaak telkens terugverwijst naar het Amsterdamse Kabinet-RC (en daarmee de Amsterdamse rechter-commissaris opdraagt toe te zien op de stand van het onderzoek), is de Amsterdamse rechter-commissaris ook bevoegd om op de inbeslagneming te beslissen. Overigens, en geheel ten overvloede, waarborgt artikel 179 Sv de rechtsgeldigheid van de beslissingen en het onderzoek door deze rechter-commissaris.

7.5

De (on)rechtmatigheid van de inbeslagname
Een telefoon zelf kan slechts onder zeer specifieke omstandigheden worden aangemerkt als een geheimhouderstuk. Dit is bijvoorbeeld het geval als op de telefoon (dat wil zeggen: het fysieke apparaat zelf) een vertrouwelijke boodschap aan een geheimhouder is geschreven of gekrast. Dergelijke omstandigheden spelen hier niet, waardoor de telefoon, een iPhone 5, op zichzelf niet heeft te gelden als geheimhouderstuk. Dit maakt dat de telefoon op rechtmatige wijze in beslag is genomen.
Ditzelfde geldt niet onverkort voor de op de telefoon aanwezig informatie, omdat het goed voorstelbaar is dat een verschoningsgerechtigde (zoals een advocaat) door middel van een telefoon op vertrouwelijke wijze met zijn cliënt communiceert in het kader van de juridische dienstverlening, waarmee die communicatie onder het verschoningsrecht valt.

7.6

Door de rechter-commissaris geraadpleegde (potentieel) verschoningsgerechtigden
De rechter-commissaris heeft de deken (die de telefoon feitelijk in bezit had) en de AA (als meest recente advocaat van de kroongetuige) gevraagd gemotiveerd uiteen te zetten of en, zo ja, waarom zij van mening zijn dat de telefoon en de eventuele informatie die zich daarop bevindt onder hun respectievelijke geheimhoudingsplicht valt. De deken en de AA (alsmede het Openbaar Ministerie) hebben eind maart/begin april hun standpunten kenbaar gemaakt. In deze periode werd de kroongetuige niet bijgestaan door een advocaat (en hem/haar kon dus ook niet om een standpunt worden gevraagd). Mogelijke toekomstige verschoningsgerechtigden hoeft de rechter-commissaris niet te vragen naar hun visie op eventuele geheimhouderinformatie. De wet (meer specifiek de artikelen 98, 218 en 218a Sv) laat geen misverstand bestaan over welke personen zich op het verschoningsrecht kunnen beroepen (en wie dus in voorkomende gevallen om een zienswijze moet worden gevraagd). In het onderhavige geval kunnen als personen met een ‘bevoegdheid tot verschoning’ de AA (als meest recente advocaat) en de deken worden aangemerkt. Beiden hebben immers over de telefoon kunnen beschikken en aan hen is de daarop aanwezige informatie mogelijk toevertrouwd. De rechter-commissaris heeft zich ten slotte kunnen laten voorlichten door de deken (als vertegenwoordiger van de beroepsgroep) omtrent het beroep van de verschoningsgerechtigde. Aan personen die nog geen advocaat zijn van een verdachte komt echter op geen enkele wijze een verschoningsrecht toe, omdat zij niet kunnen beschikken over informatie die hen in de hoedanigheid van advocaat is toevertrouwd. Ook in een later stadium (toen zij de kroongetuige wél vertegenwoordigden) hoefde de raadslieden niet (alsnog) te worden gevraagd om een standpunt, nu feitelijk de inhoud van de telefoon niet aan hen is toevertrouwd en zij ook nooit middels die telefoon met hun cliënt hebben kunnen communiceren. Ook de kroongetuige zelf hoefde niet te worden bevraagd, nu hem geen bevoegdheid tot verschoning toekomt. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de rechter-commissaris de juiste verschoningsgerechtigden heeft geraadpleegd (en dat hij juist heeft gehandeld door de huidige raadslieden en de kroongetuige zelf niet te raadplegen).

7.7

De ‘noodzaak’ voor de rechter-commissaris om de telefoon zelf te onderzoeken
Nadat de telefoon in beslag was genomen, bleek dat zowel de deken als de AA zich op het standpunt stelde dat de (inhoud van de) telefoon onder hun geheimhoudingsplicht (en daarmee onder het verschoningsrecht) viel. Deze (potentieel) verschoningsgerechtigden hebben echter ook aangegeven niet te weten wat voor (geheimhouder)informatie zich op de telefoon zou bevinden en nooit contact te hebben gehad met de kroongetuige via de telefoon. Ook hadden zij geen wetenschap van de precieze reden waarom de telefoon aan de (voormalig) advocaat van de kroongetuige was verstrekt. Verder had de rechter-commissaris vernomen dat de kroongetuige zich op een voor de AA bedreigende wijze had uitgelaten, nadat de AA weigerde de telefoon bij de kroongetuige in detentie te bezorgen. Tegen deze achtergrond moest de rechter-commissaris beoordelen in hoeverre het beroep van de deken en de AA op hun geheimhoudingsplicht aannemelijk was of dat er redelijkerwijs geen twijfel over kon bestaan dat het standpunt van de deken en de advocaten onjuist was.

7.8

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden bestond er naar het oordeel van de rechtbank voor de rechter-commissaris in alle redelijkheid geen mogelijkheid om de

– niet-onderbouwde – standpunten van de deken en de AA te kunnen beoordelen. De AA en de deken hebben zich – kort gezegd en in algemene zin – op het standpunt gesteld dat wel sprake moet zijn van geheimhouderinformatie, enkel en alleen om de reden dat de kroongetuige de telefoon aan zijn advocaat in bewaring heeft gegeven. Deze stelling is in zijn algemeenheid onjuist, omdat de advocaat, een juridisch dienstverlener, op die manier zou verworden tot een geheime ‘kluis’ waarin zijn/haar cliënten alles zouden kunnen opslaan (hetgeen vervolgens wordt beschermd door het verschoningsrecht). Dat behoort niet tot de normale dienstverlening van een advocaat en daar zijn de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht niet voor bedoeld.

7.9

De rechtbank concludeert dan ook dat het voor de rechter-commissaris noodzakelijk was om de (inhoud van de) telefoon te (doen) onderzoeken, teneinde de aannemelijkheid van de standpunten van de (potentieel) verschoningsgerechtigden te kunnen beoordelen. De stelling dat hierbij sommige informatie definitief zou zijn gewist, is feitelijk onjuist. Immers, de aangetroffen geheimhouderinformatie is enkel gewist van de gegevensdrager waarop de informatie is gekopieerd.

7.10

De inzet van geheimhouderfunctionarissen door de rechter-commissaris
Het standpunt dat de inzet van geheimhouderfunctionarissen in het algemeen in strijd zou zijn met het recht is onjuist. De rechter-commissaris heeft geoordeeld dat voor het uitlezen van de iPhone specifieke expertise nodig was en om die reden een officier van justitie van een ander parket gevraagd om dit onderzoek namens hem en vanuit een directe gezagsrelatie met de opsporing op te dragen aan met de rechter-commissaris afgestemde (digitaal) rechercheurs of medewerkers van het NFI. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Klagers menen weliswaar dat de rechter-commissaris dit onderzoek heel goed zelf had kunnen verrichten, gelet op de aangetroffen inhoud, maar juist die inhoud laat zich op voorhand niet raden. Bovendien is het op voorhand wél heel goed mogelijk dat een expert, zoals een digitaal rechercheur of medewerker van het NFI, meer gegevens uit een telefoon kan halen en meer oog heeft voor opvallende of ongebruikelijke informatie die in (meta)data besloten kan liggen. Zeker in een complexe strafzaak als de onderhavige is het inzetten van deskundige geheimhouderfunctionarissen passend. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de rechter-commissaris de juiste procedure heeft gevolgd.

8 De beoordeling – de inhoudelijke beoordeling van de klaagschriften

8.1

Het aan te leggen criterium
In de kern moet de rechtbank de vraag beantwoorden of de telefoon informatie bevat die door de kroongetuige aan zijn advocaat in het kader van diens beroepsuitoefening is toevertrouwd, dan wel informatie die daadwerkelijk bestemd is om door de kroongetuige aan zijn advocaat te worden medegedeeld. De rechtbank stelt hierbij voorop dat zij geen kennis heeft genomen van de op de telefoon aangetroffen informatie, maar acht dat ten behoeve van deze procedure ook niet nodig.

8.2

Feitenvaststelling
Zoals in het feitenrelaas is komen vast te staan, heeft de kroongetuige de telefoon ter hand gesteld aan zijn voormalig raadsman, mr. [advocaat] . Uit niets is gebleken dat mr. [advocaat] (dan wel zijn collega mr. [advocaat] ) toegang had tot de telefoon en de daarop aanwezige informatie. De enkele suggestie dat dit wel zo moet zijn geweest, is onvoldoende om dit aannemelijk te maken. Verder is komen vast te staan dat de opvolgers van mr. [advocaat] , te weten de AA en de huidige raadslieden van de kroongetuige, en de deken geen toegang hebben gehad tot de telefoon en de daarop aanwezige informatie.

8.3

Het oordeel
De rechtbank komt tot het oordeel dat de telefoon door de kroongetuige niet aan zijn advocaat kan zijn toevertrouwd in het kader van diens beroepsuitoefening. Immers, niet valt in te zien hoe een advocaat zijn beroep moet uitoefenen met behulp van informatie waar hij/zij niet over kan beschikken. De kroongetuige heeft weliswaar verklaard dat het niet zo is dat zijn voormalig (anonieme) advocaat niet zou hebben geweten wat er op die telefoon stond, omdat hij nooit alleen een telefoon zou afgeven aan zijn advocaat, maar de AA heeft bij de rechter-commissaris gesteld dat hij nooit met de kroongetuige over de inhoud van de informatie op de telefoon heeft gesproken. Voor zover al (globaal) zou zijn meegedeeld welke informatie op een (versleutelde) gegevensdrager is te vinden, maakt dat nog niet dat alle informatie op die gegevensdrager ook automatisch tot geheimhouderinformatie moet worden gerekend die valt onder het verschoningsrecht.

8.4

Daarbij komt dat de informatie ook niet daadwerkelijk bestemd was om onvoorwaardelijk aan de AA te worden medegedeeld. De kroongetuige heeft hierover immers verklaard dat zijn advocaat pas toegang zou krijgen tot de informatie als de kroongetuige iets zou overkomen De informatie zou dus slechts onder voorwaarden in de toekomst mogelijk beschikbaar komen voor de advocaat, waaruit niet blijkt dat de informatie ook ‘daadwerkelijk bestemd’ was om aan hem/haar te worden medegedeeld in het kader van de beroepsuitoefening. Als de voorwaarde immers niet intreedt, komt de informatie ook niet beschikbaar.

8.5

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de informatie op de telefoon (met uitzondering van de vertrouwelijke communicatie tussen de kroongetuige en een van zijn voormalig advocaten) niet onder het verschoningsrecht valt, omdat deze informatie niet aan deze advocaat is toevertrouwd in het kader van diens beroepsuitoefening. Het beklag van klagers is dan ook ongegrond.

8.6

Conclusie
De telefoon en de daarop aanwezige informatie zijn vatbaar voor inbeslagneming en de officier van justitie wordt gemachtigd de stukken te voegen in het procesdossier en daarvan gebruik te maken ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek Marengo.

9 De beslissing

9.1

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

9.2

De rechtbank verklaart het beklag van klagers ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. W.M.C. van den Berg en R.C.J. Hamming rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.P. Terwindt, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2020.

De oudste rechter is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.

Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open,

in te stellen bij de griffie van deze rechtbank,

binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.