Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4883

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
19-10-2020
Zaaknummer
C/13/680900 / FA RK 20-1230 en C/13/685411 / JE RK 20-514
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2021:1497
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gezag, omgangsregeling, ondertoezichtstelling op verzoek van een ouder

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/680900 / FA RK 20-1230 (gezag / zorgregeling) en C/13/685411 / JE RK 20/514 (OTS) (HB/AV)

Beschikking van 16 september 2020

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

hierna te noemen de moeder,

advocaat mr. P. Dorhout te Egmond aan den Hoef,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen de vader,

advocaat mr. C.J. de Jongh-Moolenaar te Sassenheim.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de

procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Amsterdam,
locatie Amsterdam,
hierna te noemen: de Raad.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoek van de moeder, ingekomen op 10 maart 2020, met als bijlagen produkties 1 tot en met 21;

  • -

    het verweerschrift van de vader, tevens houdende zelfstandig verzoek, ingekomen op 8 juni 2020, met produkties a en b;

  • -

    een F9-formulier van 11 augustus 2020 van de zijde van de moeder met als bijlagen produkties 22 en 27;

  • -

    een F9-formulier van 11 augustus 2020 van de zijde van de moeder met als bijlage produktie 28;

  • -

    een F9-formulier van 12 augustus 2020 van de zijde van de moeder met als bijlage produkties 29 en 30.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van de pleitnota van mr. Dorhout en van de pleitaantekeningen van mr. De Jongh-Molenaar op de rechtbank ontvangen op 19 augustus 2020.

1.2.

De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2020.

Verschenen zijn: partijen vergezeld van hun advocaten en de Raad voor de Kinderbescherming in de persoon van [medewerkster van de Raad] .

De minderjarige [minderjarige] , kind van partijen, heeft op 8 april 2020 schriftelijk aan de rechtbank aangegeven dat hij niet met de (kinder)rechter wil praten, maar wel zijn mening in de bijgevoegde brief aan de rechter kenbaar wil maken. De rechter heeft kennis genomen van de inhoud van de brief van [minderjarige] .

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn gehuwd op 25 maart 2008 . Hun huwelijk is op [datum 1] ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Noord-Holland van [datum 2] in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Uit het huwelijk is geboren:

[minderjarige],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2011 .

2.3.

Partijen oefenen gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit.

2.4.

[minderjarige] verblijft sinds het uiteengaan van partijen bij de moeder.

2.5.

Bij genoemde beschikking van 27 februari 2013 is het door partijen opgestelde ouderschapsplan aangehecht aan de beschikking. In het ouderschapsplan is een zorgregeling opgenomen, waarvan partijen per 1 september 2014 zijn afgeweken en hebben afgesproken dat [minderjarige] elke week van zaterdag 09.00 uur tot zondag 18.30 uur bij de vader verblijft.

2.6.

Eerdere beschikkingen van de rechtbank Amsterdam in zaken tussen partijen betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedtaken dateren van 30 oktober 2015 en 13 april 2016 (FA RK 15/7215) en van 24 mei 2017 en 21 februari 2018 (FA RK 16/5135).

2.7.

Bij beschikking van 21 februari 2018 heeft de rechtbank bepaald dat het aangehechte ouderschapsplan door partijen ondertekend op 14 januari 2018 deel uitmaakt van de beschikking en dat de inhoud van het ouderschapsplan voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.

2.8.

De verdeling van de zorg- en opvoedtaken, opgenomen in dit ouderschapsplan, houdt in dat [minderjarige] elke week op zondag van 10.00 uur tot 19.00 uur bij de vader verblijft, waarbij partijen elk half jaar de zorgregeling evalueren en dan bekijken of de regeling dient te worden gewijzigd. Vanaf [minderjarige] zesde verjaardag vindt de omgang tussen de vader en [minderjarige] op initiatief van de vader bij de grootouders vaders zijde plaats.

3 Het verzoek, het verweer en het zelfstandig verzoek

3.1.1.

De moeder verzoekt haar alleen te belasten met het ouderlijk gezag en de bestaande regeling van de verdeling van de zorg over [minderjarige] op te schorten, dan wel de vader het recht op omgang te ontzeggen en vast te stellen dat de vader één keer per week middels beeldbellen contact heeft met [minderjarige] , iedere zaterdag. De moeder verzoekt om de zelfstandige verzoeken van de vader af te wijzen.

3.1.2.

De moeder heeft aan haar verzoek tot het verkrijgen van het eenhoofdig gezag – zakelijk weergegeven - ten grondslag gelegd dat de gezamenlijke uitoefening van het gezag over [minderjarige] door de ouders steeds problematischer is geworden ten gevolge van de strijd tussen de ouders. Het is niet meer mogelijk om samen beslissingen met betrekking tot [minderjarige] te nemen. Hierdoor komt [minderjarige] klem en verloren te zitten tussen de ouders. De vader ontkent, ook tegenover de hulpverlening, een structurele alcoholverslaving te hebben. Om die reden is het onmogelijk voor de vader om aan dit probleem te werken. Hij pleegt steeds strafbare feiten onder invloed van alcohol. De vader onderkent de invloed van die problemen op [minderjarige] niet. De vader vindt dat er niets aan de hand is met [minderjarige] en dat [minderjarige] geen hulp nodig heeft. De problemen rondom de uitoefening van het gezag over [minderjarige] duren al jaren en er valt niet te verwachten dat partijen deze problemen kunnen oplossen.

De vader misbruikt zijn gezag om zijn eigen persoonlijke doelen te verwezenlijken zonder daarbij op het belang van [minderjarige] te letten. Dit standpunt van de vader zorgt ervoor dat het vrijwel onmogelijk is om de juiste hulp voor [minderjarige] van de grond te krijgen. De ouders kunnen wel communiceren met elkaar, maar niet op een manier die recht doet aan het belang van [minderjarige] . Daarom is het niet langer in belang van [minderjarige] dat de vader gezagsbeslissingen kan beïnvloeden. Voor de moeder is het van belang dat zij beslissingen aangaande [minderjarige] kan nemen die in zijn belang geacht moeten worden zonder dat zij steeds tegenwerking ondervindt van de vader. [minderjarige] is in een hevige strijd verwikkeld tussen zijn ouders en heeft daarbij hulp nodig.

De moeder heeft in het kader van de vrijwillige hulpverlening geprobeerd om de communicatie tussen de ouders te verbeteren. Ook de rechtbank Amsterdam heeft in haar tussenbeschikking gemeend dat het belang van [minderjarige] vergde dat ouders het programma Kinderen uit de knel gingen volgen. De vader steekt zijn kop in het zand en weigert niet alleen zijn problemen in te zien, maar weigert ook de communicatie tussen partijen te verbeteren. Tijdens de mediationgesprekken in 2019 is de moeder door de vader beschuldigd een hypochonder te zijn en dit ook van [minderjarige] te maken. Hij erkent op geen enkele wijze de ernstige zorgen die zijn geuit door de speltherapeut die [minderjarige] langdurig heeft gezien. Tijdens deze sessies is duidelijk naar voren gekomen dat [minderjarige] volledig blokkeert in zijn emoties, zelfs in zijn speelgedrag. De speltherapie is stopgezet, omdat het niet mogelijk was door deze blokkade heen te komen. Op voorstel van de Opvoedpoli is het traject Ouderschap Blijft gestart om de communicatie tussen ouders te verbeteren ten behoeve van [minderjarige] . De vader vindt therapie voor [minderjarige] overbodig, zodat alle voor [minderjarige] tussen partijen gestarte therapieën mislukken.

Op school wordt gezien dat [minderjarige] geen enkel zelfvertrouwen heeft, hij snel dingen opgeeft, hulp vraagt zonder het echt zelf te proberen, niet in staat is om complimenten in ontvangst te nemen en ontzettend onzeker is. In december 2019 heeft de school voorgesteld dat het voor [minderjarige] goed zou zijn om deel te nemen aan een weerbaarheidstraining. Afgesproken is dat het initiatief door school wordt genomen om de vader hiervoor te benaderen voor toestemming, omdat de moeder op grond van eerdere ervaringen angst had dat de vader zou weigeren wanneer zij zelf om toestemming zou vragen.

Uit het rapport van de Raad komt naar voren dat de alcoholverslaving van de vader een steekhoudend argument is om het gezag te wijzigen naar eenhoofdig gezag, maar de vader heeft in het rapport het voordeel van de twijfel gekregen ten aanzien van zijn alcoholverslaving. Inmiddels is echter gebleken na meerdere veroordelingen, dat de vader structureel ontkent een alcoholverslaving te hebben en strafbare feiten blijft plegen onder invloed van alcohol. Ook tijdens de gesprekken van Ouderschap Blijft blijft hij ontkennen een alcoholist te zijn. De vader is al verschillende keren verwezen naar de [naam stichting] , maar die kan niets voor hem doen zolang hij niet erkent dat hij een alcoholprobleem heeft.

De moeder heeft aan haar verzoek om de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] op te schorten, dan wel de vader het recht op omgang met [minderjarige] te ontzeggen, ten grondslag gelegd dat

de omgang ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [minderjarige] dan wel anderszins in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] . De vader is kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat tot omgang met [minderjarige] . Derhalve dient de vader het recht op omgang met [minderjarige] te worden ontzegd. De moeder en de hulpverleners hebben ernstige zorgen over [minderjarige] . De speltherapeute van [minderjarige] heeft zorgen over de (emotionele) ontwikkeling van [minderjarige] . Het is van groot belang dat hij snel gedegen (psychologische) hulp krijgt om een mogelijke ernstige depressie of negatief gedrag (acting out) in de toekomst te voorkomen. Het criminele gedrag van de vader werkt ontwrichtend voor het gezin van de moeder. Uit eerdere zorgmeldingen is gebleken dat [minderjarige] getuige is geweest van diverse huiselijk geweldsituaties tussen de vader en zijn (inmiddels) zijn ex-vriendin. [minderjarige] weet dat de vader mensen slaat en met de politie mee moet. Ook in bijzijn van [minderjarige] laat de vader crimineel gedrag zien. De vader komt vanwege detentie regelmatig niet komt opdagen voor de omgang met [minderjarige] , hetgeen teleurstellend is voor [minderjarige] . Verder kan niet worden uitgesloten dat de vader [minderjarige] vervoert in de auto nadat hij (te veel) alcohol heeft gedronken. Het voorgaande maakt dat de vader ongeschikt is om omgang met [minderjarige] te hebben.

3.1.3.

Op de mondelinge behandeling heeft de moeder verklaard dat de omgang met de vader voor [minderjarige] onveilig is. Veilig Thuis wil een onderzoek starten naar de onveiligheid. De moeder wenst dat de vader verantwoordelijkheid neemt voor zijn problemen en dat hij zijn alcoholproblemen inziet en daarin progressie toont. Vervolgens kan worden bekeken of de omgang tussen de vader en [minderjarige] weer kan worden opgestart. Het is niet haar intentie de vader blijvend weg te houden uit het leven van [minderjarige] . Een wijziging van het gezag is nodig omdat de communicatie tussen de ouders slecht is en de moeder de vader daardoor niet rechtstreeks om toestemming durft te vragen om hulp voor [minderjarige] op gang te brengen. De hulpverlening van de speltherapeut aan [minderjarige] is opgestart en daar vertelt [minderjarige] nu dingen over het verleden. De moeder is bang dat de vader zijn toestemming voor hulpverlening intrekt zodra deze zitting achter de rug is. In het verleden heeft de vader toestemming voor hulp aan [minderjarige] geweigerd.

3.1.4.

De advocaat van de moeder heeft aangevoerd dat de moeder onbegeleide omgang tussen de vader en [minderjarige] onveilig vindt, omdat de vader in bijzijn van [minderjarige] strafbare feiten pleegt. De moeder staat achter het contact tussen de grootouders en [minderjarige] en heeft dit zo met hen afgesproken. De moeder is niet depressief. Zij werkt aan haar problemen en zorgt goed voor [minderjarige] . De door de vader geschetste problemen bestaan niet. De speltherapeut heeft [minderjarige] verteld over de veroordelingen en de verslaving van de vader om te voorkomen dat hij de schuld van de problemen bij zichzelf gaat leggen.

De vader zegt al zeven jaar dat hij werkt aan zijn problemen. Hij ontkent zijn alcoholprobleem. Pogingen die de vader in het verleden heeft gedaan om te stoppen zijn mislukt. De moeder heeft nog steeds een Aware alarm. De vader wil geen behandeling van [minderjarige] . Hij stelt dat het goed gaat met [minderjarige] en dat de moeder alleen maar behandeling wil om uit [minderjarige] te krijgen wat hij fout doet.

De moeder wenst het rapport van Veilig Thuis af te wachten alvorens de omgang tussen de vader en [minderjarige] wordt opgestart.

3.2.1.

De vader heeft bij verweerschrift verweer gevoerd en verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken dan wel de verzoeken van de moeder af te wijzen.

De vader verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek, om:

• te bepalen dat [minderjarige] zijn vader, met ingang van 14 juni 2020, althans zo spoedig mogelijk, in het kader van de zorg- en contactregeling, weer structureel zal zien bij de grootouders vaderszijde thuis of op een andere geschikte locatie als volgt: elke zondag van 10:00 tot 19:00 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, Moederdag bij moeder en Vaderdag bij vader, waarbij vader de minderjarige zal halen en weer thuis zal brengen;

• te bepalen dat de vrouw deze zorg- en contactregeling volledig moet nakomen op straffe van een dwangsom van 250 euro per dag dat zij dit, geheel of gedeeltelijk, nalaat te doen;

• de ondertoezichtstelling uit te spreken over [minderjarige] , uit te voeren door een door de rechtbank aan te wijzen daartoe gecertificeerde instelling;

• de beschikking, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.2.

De vader heeft bij verweer het volgende aangevoerd.

[minderjarige] is bij de vader altijd veilig en er zijn nooit onoverkomelijke problemen geweest inzake gezagsbeslissingen. De vader wil mede met het gezag over [minderjarige] belast blijven, mede ook omdat de moeder een relatie heeft met een man uit Iran en de vader bang is dat de moeder vrij wil zijn om met [minderjarige] te verhuizen teneinde met haar nieuwe partner samen te gaan wonen en dat is niet in het belang van [minderjarige] .

De vader is op zijn verjaardag opgepakt ter zake schennis en hij had ruzie met zijn vriendin na overmatig alcoholgebruik en heeft hiervoor een taakstraf voor gekregen. Na dit incident heeft de moeder de omgang per 25 februari 2020 gestaakt. Het laatste contact tussen de vader en [minderjarige] vond plaats op 22 maart 2020 bij de moeder thuis. Sindsdien mag de vader van de moeder alleen nog met [minderjarige] facetimen. Zowel [minderjarige] als de vader missen het normale contact. Op 27 februari 2020 is door Nelleke Stomps, klinisch psycholoog, werkzaam bij de Opvoedpoli te [plaats] , naar aanleiding van voornoemd incident melding gedaan van de situatie waarin [minderjarige] zich bevindt bij Veilig Thuis. De ouders zitten in een hulpverleningstraject bij Veilig Thuis. De hulpverlening heeft met de ouders besproken dat de complexiteit tussen de ouders ertoe leidt dat [minderjarige] gesloten is en zich verantwoordelijk voelt om voor anderen te zorgen en niet aan zijn eigen ontwikkeling toekomt. Men meent dat de moeder, wellicht onbewust, met haar negatieve houding ten opzichte van de vader [minderjarige] belast. Volgens psycholoog mevrouw Stomps is er geen sprake van fysieke onveiligheid voor [minderjarige] en zorgen beide ouders goed voor hem. Zij adviseert een ondertoezichtstelling met onder meer als doel de context van de contacten voor [minderjarige] veilig te maken en te stroomlijnen zodat hij zich minder zorgen hoeft te maken over zijn beide ouders. De ouders stemmen hiermee in.

Op 5 mei 2020 heeft Stichting Altra het op 18 oktober 2019 aangevangen en op 18 maart 2020

afgesloten behandelplan voor [minderjarige] geëvalueerd en een advies uitgebracht (bijlage b). Uit de gesprekken van Altra met de ouders blijkt dat de vader en de moeder een verschillend beeld hebben van het verleden. De moeder maakt in de gesprekken regelmatig verwijtende opmerkingen naar de vader, waardoor hij geraakt wordt en emotioneel reageert. Altra is gestart met individuele gesprekken met de ouders, maar deze konden in verband met de corona-uitbraak en daaraan verbonden maatregelen niet worden voortgezet. De melding bij Veilig Thuis is ook door Altra met de ouders besproken. Altra adviseert dat er continuïteit moet zijn in de omgang tussen [minderjarige] en de vader en dat Kortdurende Oplossingsgerichte Therapie met daarin aandacht voor de situatie van de vader een uitkomst kan bieden. Voor [minderjarige] adviseert Altra op termijn de Words & Pictures therapie. De vader erkent dat er incidenten zijn geweest, terwijl hij onder invloed van alcohol was. Sinds het najaar van 2019 is hij onder behandeling van een psycholoog. Hij wordt tevens door de reclassering (Fivoor) begeleid. Het contact is tweewekelijks en de begeleiding verloopt goed. De psycholoog en Fivoor geven aan dat de vader behandelingstrouw is, inzicht heeft in de problematiek en er aan werkt om deze op te lossen. De vader stelt dat [minderjarige] bij hem nooit in gevaar is geweest. Hij meent dat er geen gronden zijn om hem het gezag te ontnemen. Uit het relaas van de moeder blijkt dat de ouders elkaar over en weer beschuldigen van het onthouden van toestemming voor een vakantie, een verhuizing of een behandeling. Uiteindelijk is dit altijd nog goed gekomen. De ouders beseffen steeds beter dat gezamenlijk gezag betekent dat er overleg moet zijn en niet dat de ene ouder de ander voor een voldongen feit plaatst. Uit de rapportage van psycholoog mevrouw Stomps en Altra blijkt dat beide ouders bereid zijn hulp te aanvaarden en het beste met [minderjarige] voorhebben. Voorts zal een ondertoezichtstelling de contacten tussen ouders verder vorm kunnen geven. De moeder stelt ten onrechte dat de vader ‘een crimineel’ is en dat de omgang ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke en lichamelijke gezondheid van [minderjarige] en dat de vader niet in staat zou zijn tot omgang. Altra en Veilig Thuis achten voortzetting van de omgang in het belang van [minderjarige] . De vader en [minderjarige] willen elkaar weer zien. Nu in verband met de corona-crisis blijkbaar tot op heden geen vervolg is gegeven aan de wens van beide ouders om een ondertoezichtstelling te vragen zal de vader dit thans doen. De gronden hiervoor zijn genoegzaam besproken in het voorgaande en naar voren gebracht in de rapportages.

Op de mondelinge behandeling heeft de vader verklaard dat hij een alcoholverbod heeft voor de duur van twee jaar. Hij erkent dat hij een alcoholprobleem heeft en dat hij daaraan werkt. Dat gaat met vallen en opstaan en wat vaker vallen dan hem lief is. Het kost de vader geen moeite om geen alcohol te drinken, maar als hij eenmaal alcohol heeft gedronken, kan hij moeilijk stoppen en maat houden. Hij heeft geen dagelijkse alcoholbehoefte. Incidenten vinden alleen plaats onder invloed van alcohol. Hij heeft wekelijks reclasseringscontact met urinecontrole. Binnenkort volgt de uitslag van een psychologisch onderzoek. Om de week ziet hij zijn therapeut.

De vader vindt zijn huidige relatie onvoldoende stabiel en te onrustig om [minderjarige] bij hem thuis te ontvangen. Toen [minderjarige] zes jaar werd heeft de vader besloten om hem niet meer bij hem thuis te ontvangen. Vanaf dat moment zag de vader [minderjarige] iedere zondag bij de grootouders v.z. en dat ging altijd goed. Vanuit de grootouders maakte hij uitstapjes met [minderjarige] . De grootouders willen dat niet meer, omdat zij geen toezichthouder willen zijn. De vader wil niet dat zijn contact met [minderjarige] tot zijn 18e jaar zo beperkt blijft. De vader begrijpt niet dat omgang onder begeleiding zou moeten plaatsvinden. De omgang verloopt goed en de vader gebruikt de avond vóór en tijdens de omgang geen alcohol. De vader heeft steeds toegestemd betreffende gezagszaken.

3.2.4.

Op de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vader aangevoerd dat de speltherapeut te ver is gegaan door informatie over de behandeling van [minderjarige] met de moeder te delen. Dit is niet goed voor het vertrouwen van [minderjarige] in de therapeut. Het zou een goed idee zijn als er voor [minderjarige] een buddy van bijvoorbeeld [instelling] komt.

Een ondertoezichtstelling is nodig omdat beide ouders problemen hebben. De moeder kampt met een depressie en daardoor kan zij dingen zwarter en zwaarder zien dan ze werkelijk zijn. Parallel ouderschap zou verstandig zijn. [minderjarige] ervaart onrust en zit in een loyaliteitsconflict door de signalen die hij van de ouders krijgt. Veilig Thuis spreekt van structurele onveiligheid, maar niet bij wie.

De grootouders willen geen scheidsrechter spelen, maar zij willen de vader wel ontvangen. Met een ondertoezichtstelling hoeft [minderjarige] zich geen zorgen te maken over de ouders. Een derde persoon kan een buffer vormen tussen hem en de ouders en kan met de ouders in gesprek. De vader ervaart niet de slechte communicatie die de moeder zegt te ervaren. Op 20 maart 2020 was de vader bij de moeder en hebben zij koffie gedronken. Ook in de mailwisseling is er geen vervelend contact. De moeder moet [minderjarige] loslaten. De vader houdt veel van [minderjarige] . Hij heeft nooit de moeder nooit tegen gewerkt en werkt mee met therapieën voor [minderjarige] .

De Opvoedpoli heeft een ondertoezichtstelling geadviseerd. Beide ouders waren akkoord.

De advocaat verzoekt aanhouding van het verzoek van de moeder tot wijziging van het gezag. Door haar depressie maakt zij haar wereld heel klein. Beide ouders hebben problemen.

De advocaat verzoekt de begeleide omgang tussen de vader en [minderjarige] zo spoedig mogelijk op te starten. De vader doet er alles aan om een goede vader te zijn en is bereid om dit onder begeleiding te doen.

4 Advies van de Raad op de mondelinge behandeling

Op de mondelinge behandeling heeft de Raad verklaard dat de Raad zich zorgen maakt gezien de problemen tussen de ouders die al lange tijd spelen. Er is een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van [minderjarige] . De Raad heeft kennis genomen van de inhoud van het rapport van de Raad 22 december 2016 en ambtshalve van het recente rapport van de Raad inzake de kinderen van de (ex)partner van de vader. Hierin komen veel zorgen naar voren. [minderjarige] heeft twee liefdevolle ouders, maar de problemen tussen hen zijn groot. Het is lastig om verbetering te brengen in de alcoholverslaving van de vader. Bij de stukken zit geen rapport van de reclassering of De Waag met de stand van zaken betreffende de alcoholverslaving van de vader. Om stappen te kunnen zetten is hier wel behoefte aan.

De Raad adviseert de omgang tussen de vader en [minderjarige] snel weer op te starten en voorlopig onder begeleiding van het Omgangshuis te laten plaatsvinden. Na verloop van tijd dient de omgang weer op zitting te worden besproken. Dan dienen ook de voortgang van de begeleiding van de vader en hoe het met [minderjarige] en de moeder gaat te worden besproken.

De Raad is van mening dat een ondertoezichtstelling van [minderjarige] niet noodzakelijk is, nu de hulpverlening in een vrijwillig kader kan plaatsvinden. Het is belangrijk dat er voor [minderjarige] een kindbehartiger komt.

De Raad adviseert het verzoek van de moeder tot het verkrijgen van het eenhoofdig gezag toe te wijzen, nu dat in het belang van [minderjarige] is en het rust en duidelijkheid geeft. De problemen spelen al heel lang en er is geen vooruitgang te zien. Het gebrek aan vertrouwen van de moeder is begrijpelijk nu er geen daadwerkelijke stappen bij de vader zijn te zien.

5 De beoordeling

5.1. (

Zelfstandig) Verzoek van de vader tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] (C/13/685411 / JE RK 20/514).

De rechtbank is van oordeel dat de vader ontvankelijk is in zijn verzoek, nu de Raad op de mondelinge behandeling op 20 augustus 2020 heeft verklaard geen aanleiding te zien voor een ondertoezichtstelling van [minderjarige] omdat de zorgen die over [minderjarige] bestaan in een vrijwillig kader kunnen worden aangepakt.

De rechtbank wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] af, omdat niet is voldaan aan de gronden vermeld in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Er zijn in ambulant kader nog mogelijkheden tot hulpverlening en de met het gezag belaste ouder(s) toont (tonen) zich bereid om in een ambulant kader de zorgen betreffende [minderjarige] aan te pakken. Het is in het belang van [minderjarige] als de moeder de op de mondelinge behandeling gedane suggestie om een kindbehartiger dan wel buddy van [instelling] voor [minderjarige] in te zetten overweegt en ter harte neemt.

5.2.

Gezag

5.2.1.

Het uitgangspunt van de wet is dat het in het belang van de kinderen is dat na echtscheiding het gezag gezamenlijk door de ouders uitgeoefend blijft worden. Voor gezamenlijk gezag is wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen.

Op grond van artikel 1:253n van Boek 1 BW kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen, het gezamenlijk gezag beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt. Artikel 1:253a, eerste en derde lid, BW zijn hierbij van overeenkomstige toepassing.

Op grond van artikel 1:251a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kan de rechtbank bepalen dat, na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van één van hen, het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

5.2.2.

Gewijzigde omstandigheden

De moeder heeft onweersproken gesteld dat sprake is van gewijzigde omstandigheden. Gelet hierop kan zij worden ontvangen in zijn verzoek.

5.2.3.

Inhoudelijke beoordeling

Op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is de rechtbank van oordeel dat de vader niet langer meer belast dient te zijn met het gezag over de minderjarige [minderjarige] . De moeder heeft haar verzoek voldoende onderbouwd.

De rechtbank acht het op grond van het de stukken in het dossier en hetgeen op de mondelinge behandeling naar voren is gebracht voldoende aannemelijk dat [minderjarige] klem of verloren is tussen de ouders en is met de Raad van oordeel dat het gezamenlijk gezag van de ouders niet langer houdbaar is. De minimaal noodzakelijke basis voor gezamenlijk gezag van partijen ontbreekt. Er is sprake van een strijd tussen de ouders die al zeven jaar duurt - toen was [minderjarige] twee jaar oud - en het vertrouwen van de ouders in elkaar ontbreekt. Het lukt de ouders niet om het gezamenlijk gezag in te vullen zonder dat [minderjarige] belast wordt met de persoonlijke problemen van de ouders, de problemen tussen de ouders onderling en de moeizame communicatie tussen de ouders. Niet is te verwachten dat binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen in de communicatie tussen de ouders zodanig dat zij zonder strijd in gezamenlijk overleg beslissingen over [minderjarige] zullen kunnen nemen. Het traject Ouderschap Blijft dat moest leiden tot verbetering van de communicatie tussen de ouders heeft onvoldoende soelaas geboden. Er moet zoveel mogelijk worden gestreefd naar rust in de opvoedsituatie door de moeder het eenhoofdig gezag te geven. [minderjarige] is gebaat bij duidelijkheid over wie het gezag over hem uitoefent en bij een vermindering van contact en strijd tussen de ouders. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat de moeder met het eenhoofdig gezag dient te worden belast. De vrees van de vader dat de moeder met haar nieuwe Iranese partner naar elders vertrekt is nadrukkelijk en gemotiveerd weersproken en betwist. De rechtbank ziet hierin geen beletsel om de moeder met het eenhoofdig gezag te belasten. Verder heeft de moeder aangegeven dat zij het belang van omgang tussen de vader en [minderjarige] inziet en dat zij het wekelijkse contact tussen [minderjarige] en de grootouders vaders zijde wil voortzetten.

De rechtbank ziet geen aanleiding om het verzoek van de moeder aan te houden om rapporten van reclassering aangaande de vader en Veilig Thuis af te wachten, nu de problemen tussen de ouders en de gevolgen daarvan op [minderjarige] al jarenlang spelen en niet valt te verwachten dat uit die rapporten valt af te leiden dat op korte termijn een verbetering van de relatie tussen de ouders valt te verwachten.

5.3.

Omgangsregeling

De rechtbank is van oordeel dat het contact tussen de vader en [minderjarige] spoedig dient te worden hervat en dat er continuïteit in de omgang dient te zijn. Het belang hiervan blijkt uit het advies van de Raad op de mondelinge behandeling en uit de stukken van Altra en Veilig Thuis in het dossier. Gelet hierop wijst de rechtbank het verzoek van de moeder om de vader de omgang met [minderjarige] te ontzeggen af. Dit zou een te vergaande beslissing zijn die niet in het belang van [minderjarige] is.

De rechtbank volgt de Raad in zijn advies om de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van het verloop van de omgang tussen de vader en [minderjarige] bij het Omgangshuis. Op de mondelinge behandeling is de begeleiding van het Omgangshuis met partijen besproken. De moeder ziet het belang van contact tussen de vader en [minderjarige] en de vader is bereid mee te werken aan de begeleiding. De rechtbank verwijst partijen naar bij voorkeur het Omgangshuis te [plaats] , teneinde een begeleide omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] tot stand te (laten) brengen. Het is in het belang van [minderjarige] dat het contact spoedig weer tot stand komt.

In de aanloop naar de start van de omgangsregeling bij het Omgangshuis wijst de rechtbank het verzoek van de moeder tot het vaststellen van een wekelijks (zaterdag) beeldbelcontact tussen de vader en [minderjarige] in het kader van een voorlopige omgangsregeling toe.

De rechtbank houdt de behandeling van de verdere verzoeken aan voor de duur van zes maanden. Op de volgende zitting wordt bezien welke stappen er in het contact tussen de vader en [minderjarige] met begeleiding van het Omgangshuis zijn gezet en hoe het met [minderjarige] en de moeder gaat en welke beslissingen op de openstaande verzoeken dienen te worden genomen.

6 De beslissing

De rechtbank:

- beëindigt het gezamenlijk ouderlijk gezag van de vader en de moeder en belast de moeder voortaan

met de uitoefening van het gezag over het minderjarige kind van partijen:

[minderjarige],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2011 ,

voor zover de bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;

- wijst af het verzoek van de moeder om de omgang van de vader met [minderjarige] te ontzeggen;

- wijst af het verzoek van de vader tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] ;

- bepaalt bij wijze van voorlopige omgangsregeling dat de vader en [minderjarige] wekelijks op zaterdag via beeldbellen contact met elkaar hebben;

- verwijst partijen naar het Omgangshuis;

- verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- bepaalt dat de behandeling van de nog openstaande verzoeken wordt voortgezet op een nader te bepalen tijdstip vóór 16 maart 2021, in afwachting van de resultaten van de begeleide omgang tussen de vader en [minderjarige] bij het Omgangshuis, en roept de moeder, haar advocaat, de vader en zijn advocaat en de Raad op om alsdan ter zitting te verschijnen.

Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. H.L.L. Briët, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.J.A. van der Velde, griffier, op 16 september 2020.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.