Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4874

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
13-10-2020
Zaaknummer
13/116746-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Slaan met honkbalknuffel tegen benen en buik en met geschoeide voet trappen tegen hoofd van op de grond liggend slachtoffer: poging tot doodslag. Vuistslagen in het gezicht ander slachtoffer: geen poging tot doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd

Parketnummer: 13.116746.20

Datum uitspraak: 29 september 2020

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,

wonende op het adres [adres]

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 september 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.L.A. ter Veer en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.A. Bruinsma, naar voren hebben gebracht.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door mw. [persoon 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), dhr. [persoon 2] , namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA) en door de vader en zus van verdachte naar voren is gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 27 april 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [persoon 3] en/of [persoon 4] opzettelijk van het leven te beroven, opzettelijk met een honkbalknuppel, althans een dergelijk hard en/of zwaar voorwerp naar voornoemde [persoon 3] en/of [persoon 4] is toegegaan waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (vervolgens) (ten aanzien van [persoon 3] )

- eenmaal of meermalen (met kracht) met een honkbalknuppel, althans een dergelijk hard en/of zwaar voorwerp voornoemde [persoon 3] tegen zijn be(e)n(en) en/of tegen zijn buik, in elk geval tegen zijn lichaam heeft/hebben geslagen en/of (vervolgens)

- eenmaal of meermalen (met kracht) (met gebalde vuist(en)) voornoemde [persoon 3] tegen zijn hoofd en/of gezicht, in elk geval tegen zijn lichaam heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of (vervolgens)

- eenmaal of meermalen (met kracht) (met geschoeide voeten) voornoemde [persoon 3] tegen zijn hoofd en/of gezicht, in elk geval tegen zijn lichaam heeft/hebben geschopt en/of getrapt (terwijl voornoemde [persoon 3] op de grond lag) en/of

(ten aanzien van [persoon 4] )

- eenmaal of meermalen (met kracht) met een honkbalknuppel, althans een dergelijk hard en/of zwaar voorwerp voornoemde [persoon 4] tegen zijn hoofd en/of tegen zijn gezicht, in elk geval tegen zijn lichaam heeft/hebben geslagen en/of (vervolgens)

- eenmaal of meermalen (met kracht) (met gebalde vuist(en)) voornoemde [persoon 4] tegen zijn hoofd en/of gezicht, in elk geval tegen zijn lichaam heeft/hebben geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1

ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 april 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [persoon 3] en/of [persoon 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten

- ten aanzien van [persoon 3] een gebroken neus en/of bult op zijn hoofd en/of

- ten aanzien van [persoon 4] een gebroken neus en/of een gekneusde arm, heeft toegebracht, door

(ten aanzien van [persoon 3] )

- eenmaal of meermalen (met kracht) met een honkbalknuppel, althans een dergelijk hard en/of zwaar voorwerp voornoemde [persoon 3] tegen zijn be(e)n(en) en/of tegen zijn buik, in elk geval tegen zijn lichaam te slaan en/of (vervolgens)

- eenmaal of meermalen (met kracht) (met gebalde vuist(en)) voornoemde [persoon 3] tegen zijn hoofd en/of gezicht, in elk geval tegen zijn lichaam te slaan en/of te stompen en/of (vervolgens)

- eenmaal of meermalen (met kracht) (met geschoeide voeten) voornoemde [persoon 3] tegen zijn hoofd en/of gezicht, in elk geval tegen zijn lichaam te schoppen en/of te trappen (terwijl voornoemde [persoon 3] op de grond lag) en/of

(ten aanzien van [persoon 4] )

- eenmaal of meermalen (met kracht) met een honkbalknuppel, althans een dergelijk hard en/of zwaar voorwerp voornoemde [persoon 4] tegen zijn hoofd en/of tegen zijn gezicht, in elk geval tegen zijn lichaam te slaan en/of (vervolgens)

- eenmaal of meermalen (met kracht) (met gebalde vuist(en)) voornoemde [persoon 4] tegen zijn hoofd en/of gezicht, in elk geval tegen zijn lichaam te slaan en/of te stompen;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van

Strafrecht )

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 april 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [persoon 3] en/of [persoon 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk met een honkbalknuppel, althans een dergelijk hard en/of zwaar voorwerp naar voornoemde [persoon 3] en/of [persoon 4] is toegegaan waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (vervolgens)

(ten aanzien van [persoon 3] )

- eenmaal of meermalen (met kracht) met een honkbalknuppel, althans een dergelijk hard en/of zwaar voorwerp voornoemde [persoon 3] tegen zijn be(e)n(en) en/of tegen zijn buik, in elk geval tegen zijn lichaam heeft/hebben geslagen en/of (vervolgens)

- eenmaal of meermalen (met kracht) (met gebalde vuist(en)) voornoemde [persoon 3] tegen zijn hoofd en/of gezicht heeft/hebben geslagen en/of heeft/hebben gestompt en/of (vervolgens)

- eenmaal of meermalen (met kracht) (met geschoeide voeten) voornoemde [persoon 3] tegen zijn hoofd en/of gezicht, in elk geval tegen zijn lichaam heeft/hebben geschopt en/of getrapt (terwijl voornoemde [persoon 3] op de grond lag) en/of

(ten aanzien van [persoon 4] )

- eenmaal of meermalen (met kracht) met een honkbalknuppel, althans een dergelijk hard en/of zwaar voorwerp voornoemde [persoon 4] tegen zijn hoofd en/of tegen zijn gezicht, in elk geval tegen zijn lichaam heeft/hebben geslagen en/of (vervolgens)

- eenmaal of meermalen (met kracht) (met gebalde vuist(en)) voornoemde [persoon 4] tegen zijn hoofd en/of gezicht, in elk geval tegen zijn lichaam heeft/geslagen en/of gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47

lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ).

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Beoordeling van het ten laste gelegde

Primair is – samengevat – aan verdachte ten laste gelegd een poging tot doodslag in vereniging op de aangevers [persoon 4] en [persoon 3] .

Verdachte heeft verklaard dat hij geen opzet heeft gehad op de dood van [persoon 3] . De rechtbank kan dat opzet ook niet anderszins uit de bewijsmiddelen afleiden. Daarom moet de vraag worden beantwoord of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [persoon 3] . De officier van justitie heeft die vraag bevestigend beantwoord, de raadsman ontkennend.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden afgeleid dat verdachte aangever [persoon 3] met een honkbalknuppel tegen zijn benen en buik heeft geslagen. Ook is [persoon 3] met vuisten in het gezicht geslagen en met geschoeide voeten met kracht tegen het hoofd getrapt terwijl hij op de grond lag. De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte en zijn medeverdachten met hun gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat [persoon 3] daardoor om het leven zou komen. Het primair ten laste gelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

Dat is anders voor zover het aangever [persoon 4] betreft. Uit het proces-verbaal van bevindingen dat een beschrijving geeft van de camerabeelden kan worden afgeleid dat NN2 [persoon 4] drie keer met de vuist in het gezicht slaat en dat verdachte [persoon 4] vervolgens met de honkbalknuppel raakt ter hoogte van zijn gezicht. De verbalisant die het proces-verbaal heeft opgemaakt, komt tot de conclusie dat verdachte [persoon 4] met de knuppel heeft geraakt, doordat de bril van [persoon 4] van zijn neus valt op het moment dat verdachte [persoon 4] met de knuppel raakt ter hoogte van zijn gezicht. Op de camerabeelden die de rechtbank ter terechtzitting heeft bekeken, is het slaan van [persoon 4] met de knuppel door verdachte niet te zien. Ook op de stills van de camerabeelden die zich in het dossier bevinden, is dat niet te zien. Wel is daarop te zien dat de bril van [persoon 4] al eerder, vóór het moment dat verdachte de honkbalknuppel boven zijn hoofd houdt, van diens neus valt. Verdachte heeft ontkend dat hij [persoon 4] op het hoofd of in het gezicht heeft geslagen met de honkbalknuppel. [persoon 4] heeft in zijn aangifte niet verklaard dat hij met een knuppel in het gezicht of tegen het hoofd is geslagen. Dit alles leidt de rechtbank tot de conclusie dat het slaan van [persoon 4] met de honkbalknuppel op het hoofd of in het gezicht, niet kan worden bewezen. Wat wel kan worden bewezen, is dat [persoon 4] door een medeverdachte met de vuist in het gezicht is geslagen. Van een aanmerkelijke kans op de dood van [persoon 4] daardoor kan, zonder nadere omstandigheden die niet zijn gebleken, geen sprake zijn. Verdachte zal van een poging tot doodslag in vereniging op aangever [persoon 4] dan ook worden vrijgesproken.

Vanwege de wijze waarop de tenlastelegging door het Openbaar Ministerie is opgebouwd en nu de rechtbank het primair ten laste gelegde ten aanzien van [persoon 3] bewezen verklaart, komt de rechtbank aan een beoordeling van het subsidiair of meer subsidiair ten laste gelegde ten aanzien van aangever [persoon 4] niet toe.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

op 27 april 2020 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [persoon 3] opzettelijk van het leven te beroven, opzettelijk met een honkbalknuppel naar voornoemde [persoon 3] is toegegaan waarna hij, verdachte en zijn mededaders vervolgens

- met kracht met een honkbalknuppel voornoemde [persoon 3] tegen zijn benen en tegen zijn buik hebben geslagen en

- met kracht met gebalde vuisten voornoemde [persoon 3] tegen zijn gezicht hebben geslagen en

- met kracht met geschoeide voeten voornoemde [persoon 3] tegen zijn hoofd hebben getrapt terwijl voornoemde [persoon 3] op de grond lag,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

6 Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

7 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf en maatregel

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 180 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 143 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en daarnaast tot de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (GBM) voor de duur van een jaar, eventueel te vervangen door jeugddetentie van twaalf maanden en bestaande uit het programma zoals dat door de Raad en JBRA is geadviseerd.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Dat is een zeer ernstig strafbaar feit dat inbreuk maakt op de lichamelijke integriteit en het leven van een ander mens. Vanwege de ernst van dit feit, is daarop in beginsel een forse jeugddetentie een passende reactie.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie
d.d. 18 augustus 2020 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Hij zal dan ook worden aangemerkt als first offender.

De rechtbank heeft acht geslagen op het psychologisch Pro Justitia rapport betreffende verdachte van drs. [registerpsycholoog], Registerpsycholoog NIP van 2 augustus 2020. De psycholoog geeft daarin onder meer het volgende aan: Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat er bij [verdachte] sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een reactieve hechtingsstoornis en een andere gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis. [verdachte] vertelt over het feit dat hij zijn beste vriend aan de telefoon had en hoorde dat een paar jongens

hem probeerden te bedriegen en bedreigen. Toen hij dat merkte, werd hij boos. Als gevolg van de problemen thuis en de reactieve hechtingstoornis heeft [verdachte] weinig mensen waar hij een binding mee heeft. Zijn beste vriend is hierop een uitzondering en voelt voor hem als een broertje. Hij is zijn vriend te hulp geschoten, schijnbaar zonder verder na te denken over verschillende mogelijkheden waarop hij dat zou kunnen doen. Hij heeft in zijn opvoeding geleerd dat slaan een manier is om anderen tot de orde te roepen en te disciplineren en heeft een gebrek aan vertrouwen in volwassen, waardoor het voor hem geen optie is om hulp in te roepen. [verdachte] vond dat de jongens die zijn vriend belaagden het verdienden om aangepakt te worden. Als gevolg van zijn basaal wantrouwen in anderen heeft hij (samen met zijn vriend en twee andere jongens) getracht het probleem zelf op te lossen. Hij kan daarbij als gevolg van de hechtingsproblemen geen goede inschatting maken van de gevoelens van anderen en als hij zich verweert, is hij geneigd om dit op destructieve wijze (hard, ongenaakbaar) te doen, waarbij hij onvoldoende rekening houdt met anderen. Mocht het tenlastegelegde feit bewezen worden verklaard, is het naar mening van onderzoekster aannemelijk dat de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van de reactieve hechtingsstoornis en de gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis van invloed zijn geweest op de gedragskeuzes en gedragingen van [verdachte] in aanloop naar en ten tijde van het tenlastegelegde feit. Op basis hiervan adviseert onderzoekster het tenlastegelegde, indien bewezen geacht, in verminderde mate aan [verdachte] toe te rekenen . Op basis van de scores op de SAVRY in combinatie met de bevindingen op de SAPROV-YV wordt het risico van recidive op gewelddadig gedrag als matig - hoog ingeschat . Dit sluit aan bij de klinische inschatting.

Bij bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit wordt, in het kader van vermindering van de kans op recidive en het bevorderen van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [verdachte] (langer durende) behandeling (gericht op hechtingsproblematiek, omgaan met agressie, gedragsproblemen, delictanalyse, aangaan relaties, gevoelsleven) nodig geacht . Vanwege de problematiek wordt een aanbod op maat aanbevolen, waarbij de betreffende behandelaar contact met [verdachte] aangaat, werkt aan reparatie in de hechting en steun biedt op diverse leefgebieden. [verdachte] wordt begeleid door een PMT-behandelaar en bij R&B. Als gevolg van de hechtingsproblematiek is het ongewenst om deze begeleiding te doorbreken ten behoeve van therapie, maar therapie gericht op genoemde problematiek is wel nodig. Gezien de expertise gaat de voorkeur voor het bieden van therapie uit naar [gezondheidsinstelling 1] , mede omdat zij samenwerken met R&B. Een en ander dient in afstemming met de PMT te gebeuren, zodat [verdachte] niet overspoeld wordt en door de bomen het bos niet meer ziet. [verdachte] geeft blijk van weinig probleembesef. Hij confirmeert zich aan de huidige begeleiding (PMT en R&B) maar heeft aangegeven alleen open te staan voor behandeling als het moet. Omdat therapie gericht op de hechtingsproblematiek wel van groot belang wordt geacht, is de verwachting dat een gedragsbeïnvloedende maatregel (voor de duur van een jaar) de nodige externe druk kan genereren om actief mee te werken aan de voorgestelde interventie.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het advies en plan van aanpak van JBRA van 11 september 2020, dat onder meer het volgende inhoudt: [verdachte] verblijft tot op heden bij

[gezondheidsinstelling 2] en is daar welkom. Op de groep laat [verdachte] positief gedrag zien. Hij stelt zich begeleidbaar op en houdt zich over het algemeen aan de afspraken die gelden. Daarnaast is het [verdachte] ook gelukt om zich tot op heden te houden aan de avondklok. Volgens een groepsleider is [verdachte] een rustige jongen die zonder problemen meedraait op het dagprogramma. Zo houdt hij zich aan zijn weekschema en is hij veel bezig met sporten. Op de groep is hij geen leider, maar ook geen jongen die over zich heen laat lopen. [verdachte] zijn dagbesteding bestaat op dit moment uit school, Resocialisatie en Begeleiding (R&B), psychomotorische therapie (PMT) en sporten. Na de schorsing is zijn weekschema

periodiek geëvalueerd en aangepast in samenspraak met alle betrokkenen. [verdachte] hoeft vanaf september ’20 niet meer naar R&B op de dagen dat hij naar school moet. De dagen dat hij geen les heeft gaat [verdachte] wel naar R&B. Ook heeft hij 2 keer per week een afspraak met [PMT-therapeut] , de PMT-therapeut en gaat [verdachte] 3 keer per week naar de sportschool. [verdachte] heeft op dit moment ook voldoende ruimte voor ontspanning. Nadat [verdachte] is geschorst is er geen problematisch verzuim meer geweest op school. Ook op R&B komt [verdachte] op tijd en als dat niet lukt, neemt hij contact met zijn begeleider op om dit aan te geven. Bij R&B wordt [verdachte] gezien als een jongen die in voldoende mate onderscheid kan maken tussen leeftijdsgenoten die negatief en positief gedrag vertonen, [verdachte] trekt naar jongeren toe die zich positief opstellen en gaat niet mee in negatief gedrag. Bij PMT leert [verdachte] te communiceren d.m.v. bewegen of dingen doen, herkennen wat er met hem gebeurt op moment dat hij boos wordt en daar mee leren om te gaan. Om de kans op recidive te verkleinen en het bevorderen van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [verdachte] is hij gebaat aan duidelijkheid, structuur en toezicht. Jeugdbescherming kan zich vinden in het advies van het NIFP voor een gedrag beïnvloedende maatregel , zodat dit de nodige externe druk kan genereren om actief mee te werken aan de voorgestelde interventie. [verdachte] zal dan ook mee moeten werken aan therapie die wordt geboden door [gezondheidsinstelling 1] . Om te voorkomen dat [verdachte] niet overspoeld wordt door hulpverlening, zal [verdachte] stoppen met PMT, zodra hij start met therapie vanuit [gezondheidsinstelling 1] . Jeugdbescherming zal er op toezien dat de afstemming tussen PMT en de behandeling bij [gezondheidsinstelling 1] goed verloopt. Jeugdbescherming adviseert om de volgende voorwaarden op te nemen :

- Meewerken aan noodzakelijk geachte hulpverlening en behandeling op aanwijzing van

JBRA

- Meewerken aan een positieve dagstructuur door middel van dagbesteding en/of onderwijs

en/of werken

- Meewerken aan therapie bij [gezondheidsinstelling 1]

- Meewerken aan de begeleiding van en verblijf bij [gezondheidsinstelling 2] en houden aan de regels die daar gelden.

JBRA heeft ter terechtzitting het genoemde advies herhaald. Verdachte heeft laten weten dat hij wil meewerken aan de Gedragsbeïnvloedende Maatregel (hierna: GBM). Vanwege de wachtlijst bij [gezondheidsinstelling 1] en de nog te verwachten duur van de PMT is de verwachting dat daarin geen risico op overvraging schuilt. De GBM wordt geadviseerd, omdat JBRA het verdachte gunt dat hij leert zich weerbaar op te stellen, een goede band krijgt met zijn familie en intussen kan werken aan school en dagbesteding, waarbij hij profiteert van de regelmaat en structuur die de GBM hem biedt. JBRA adviseert als voorwaarde wat betreft de dagbesteding meer specifiek dagbesteding in de vorm van school, sport, therapie en het meewerken aan R&B. Wat de noodzakelijke geachte hulpverlening betreft, denkt JBRA aan hulpverlening door [gezondheidsinstelling 1] of een soortgelijke instelling en daarna mogelijk nog andere in te zetten hulpverlening.

De Raad heeft zich aangesloten bij het advies van de psycholoog en JBRA.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het begane misdrijf aanleiding geeft tot de oplegging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige en dat de maatregel, gelet op de adviezen van de psycholoog, JBRA en de Raad in het belang moet worden geacht van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. Het is in het belang van verdachte dat hem een strakke structuur en veel regelmaat wordt geboden, waarbinnen hij de kans krijgt zich te ontwikkelen. Het door JBRA geadviseerde programma waaruit de maatregel bestaat, zal naar verwachting het recidiverisico verkleinen en is daarom niet alleen in het belang van verdachte, maar ook in het belang van de maatschappij. De rechtbank ziet, anders dan de raadsman, geen reden te vrezen voor overvraging van verdachte door oplegging van de GBM. Door de deskundigen is aangegeven dat en waarom de maatregel in het belang van verdachte is, namelijk de verwachting dat een gedragsbeïnvloedende maatregel (voor de duur van twaalf maanden) de nodige externe druk kan genereren om actief mee te werken aan de noodzakelijk geachte therapie gericht op de hechtingsproblematiek. Voorts heeft verdachte zich bereid verklaard aan de GBM mee te werken. En in de tenuitvoerlegging van de GBM zal aandacht zijn voor afstemming van de verschillende onderdelen, zoals door JBRA is aangegeven.

Gelet op de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte en de matig tot hoge kans op recidive van gewelddadig gedrag, zoals door de psycholoog ingeschat, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen. De rechtbank is, gelet daarop en vanwege het belang van verdachte bij behandeling, begeleiding en structuur, ter vermindering van de recidivekans, voorts van oordeel dat de dadelijke uitvoerbaarheid in het belang van de verdachte is. Daarom zal de rechtbank bevelen dat het programma waaruit de maatregel bestaat dadelijk uitvoerbaar is.

De rechtbank is ondanks de ernst van het door verdachte begane feit, net als de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat het niet in het belang van verdachte of de maatschappij is als hij nu opnieuw vast komt te zitten. Verdachte heeft sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis een positieve ontwikkeling doorgemaakt en zich aan de voorwaarden en afspraken gehouden. Als hij nu weer vast zou komen te zitten, wordt die positieve ontwikkeling doorkruist. Nu de rechtbank verdachte zal veroordelen tot een GBM voor de duur van twaalf maanden, bij niet voldoende meewerken te vervangen door jeugddetentie, vindt de rechtbank het daarnaast opleggen van een voorwaardelijke jeugddetentie niet zinvol.

Alles afwegend, komt de rechtbank tot de oplegging van de hierna te noemen straf en maatregel.

10 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [persoon 4] vordert € 800,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd voor een strafbaar feit betreffende aangever [persoon 4] en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77w, 77wa, 77wc, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden, dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

medeplegen van poging tot doodslag.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 39 (negenendertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Legt aan de verdachte op de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 (twaalf) maanden,

die bestaat uit:

- het meewerken aan behandeling bij [gezondheidsinstelling 1] of een soortgelijke instelling, alsmede aan eventuele andere noodzakelijk geachte hulpverlening en behandeling op aanwijzing van JBRA;

- het meewerken aan het hebben en vasthouden van een positieve dagbesteding in de vorm van school, sport, therapie en het meewerken aan R&B;

- het meewerken aan de begeleiding van en het verblijf bij [gezondheidsinstelling 2] en het zich houden aan de regels die daar gelden.

Jeugdbescherming Regio Amsterdam, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, heeft tot taak de ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Beveelt, voor het geval de veroordeelde niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel heeft meegewerkt, dat de maatregel zal worden vervangen door jeugddetentie voor de duur van 9 (negen) maanden.

Beveelt dat het programma waaruit de maatregel bestaat, dadelijk uitvoerbaar is.

Verklaart de benadeelde partij [persoon 4] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.S. Crince Le Roy, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. M. van der Kaay en M.C.J. Rozijn, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Veldman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 september 2020.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.