Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4858

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-10-2020
Datum publicatie
07-10-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 4425
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep niet tijdig beslissen op Wob-verzoek. Gegrond. Beslistermijn op 4 weken gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/4425

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] eiseres

(gemachtigde: [naam] ),

en

het ministerie van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: [naam] ),

Procesverloop

Eiseres heeft op 11 augustus 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.1Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.2

3. Eiseres heeft met een brief van 13 december 2019 een Wob-verzoek ingediend. Het verzoek is op 16 december 2019 door verweerder ontvangen. Het verzoek heeft betrekking op openbaarmaking van documenten die zijn uitgewisseld binnen het ministerie alsook tussen de Inspectie van Justitie en Veiligheid en het ministerie inzake de verzending dan wel openbaarmaking van het rapport ‘ [naam] ’ en de brief met het kenmerk [nummer] die naar de Tweede Kamer is gestuurd. De rechtbank overweegt dat verweerder binnen vier weken op het Wob-verzoek moet beslissen,3 tenzij verweerder binnen die termijn aangeeft dat meer tijd nodig is om te beslissen op het verzoek. In dat geval kan de termijn met vier weken worden verlengd.4

Met de brief van

13 januari 2020 heeft verweerder aangegeven dat er vier weken extra nodig zijn om te beslissen op het verzoek. Dat betekent dat verweerder in beginsel uiterlijk op 10 februari 2020 op het verzoek had moeten reageren. Verweerder heeft dat niet gedaan. Met de brief van 23 juli 2020 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld. Vervolgens is eiseres op 11 augustus 2020 in beroep gegaan wegens het niet tijdig beslissen op haar aanvraag.

4. De rechtbank stelt met partijen vast dat de beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres verweerder na die beslistermijn in gebreke heeft gesteld en meer dan twee weken daarna in beroep is gegaan.

5. Het beroep is dus gegrond.

6. Als het beroep gegrond is en er nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.5 In het verweerschrift van 26 augustus 2020 heeft verweerder verklaard dat het Wob-verzoek ziet op een groot aantal documenten, meer dan 90, die zijn geïnventariseerd als vallend onder de reikwijdte van het verzoek. De juridische afdeling die het verzoek in behandeling heeft, heeft slechts een beperkte capaciteit om de documenten te beoordelen. Daarnaast hebben de maatregelen in verband met het coronavirus voor vertraging gezorgd in de behandeling van het verzoek. Verweerder heeft steeds contact onderhouden met eiseres omtrent de behandeling van het verzoek. Verweerder verwacht niet eerder dan 5 oktober 2020 een volledig besluit te kunnen nemen. De rechtbank is van oordeel dat een termijn van 4 weken voldoende ruimte biedt ter afronding van het onderzoek van verweerder. Het voorgaande betekent dat verweerder uiterlijk 4 weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit moet nemen.

7. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 100,- is verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    draagt verweerder op binnen 4 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354,- aan eiseres te vergoeden;

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van

mr. N. van der Kroft, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

1 Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.

2 Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.

3 Artikel 6, eerste lid, van de Wob.

4 Artikel 6, tweede lid, van de Wob.

5 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.