Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4848

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
13-10-2020
Zaaknummer
RK 19/5120
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Klaagschrift ex artikel 1:37, vijfde lid, van de Algemene Douanewet juncto artikel 552b van het Wetboek van Strafvordering ongegrond, verborgen ruimte in auto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

RK: 19/5120

Beschikking op het klaagschrift ex artikel 1:37, vijfde lid, van de Algemene Douanewet (Adw) juncto artikel 552b van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klager] ,

geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] ,

wonende op het adres [adres 1] ,

woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman,

mr. P.C. Tuinenburg,

[adres 2] ,

klager, tevens beslagene.

1 Procesgang

Het klaagschrift is op 6 september 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

De rechtbank heeft op 9 september 2020 de gemachtigde raadsman en de officier van justitie, mr. P. van Laere, in openbare raadkamer gehoord.

De belanghebbenden van de Douane: de heer [persoon 1] en [persoon 2] zijn ook in raadkamer verschenen.

Klager is, hoewel geldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

2 Inhoud van het klaagschrift

Het klaagschrift strekt tot teruggave van de in beslag genomen personenauto, Smart Forfour, met kenteken [kenteken] (goednummer: 1015574).

Het klaagschrift houdt – kort samengevat – het volgende in.

Op 12 juli 2019 werd de auto van klager in beslag genomen op grond van artikel 1:37 Adw. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat in de auto een verborgen ruimte aanwezig was onder een van de voorstoelen.

Het enkele feit dat een voertuig beschikt over een verborgen bergplaats brengt niet zonder meer met zich mee dat het doel daarvan is gericht op het onttrekken van goederen aan het ambtelijk toezicht zoals bedoeld in de Douanewet. Uit art. 1:1 Adw blijkt dat de Douanewet ziet op grensoverschrijdend vervoer. De auto van klager werd in Amsterdam in beslag genomen. Dat de verborgen ruimte op zichzelf geschikt is om goederen te verbergen is juist, maar er is niet gesteld of gebleken dat er sprake zou zijn van grensoverschrijdend vervoer. Er is dan, volgens de Douanewet, geen grond om tot inbeslagname over te gaan.

De raadsman heeft tot gegrondverklaring van het beklag verzocht en tot teruggave van de auto. Subsidiair heeft de raadsman verzocht, bij ongegrondverklaring van het beklag, om een geldelijke tegemoetkoming.

De raadsman heeft in openbare raadkamer ter aanvulling van het klaagschrift het volgende aangevoerd. De doorzoeking in de auto van klager door de opsporingsambtenaren van de Landelijke Eenheid van de politie heeft onrechtmatig plaatsgevonden. Er was geen concrete aanleiding voor de doorzoeking, nu aan de buitenkant van de auto niet te zien is dat er sprake is van een verborgen ruimte. Er was geen sprake van een verdenking in de zin van artikel 27 Sv en op grond van de Adw was er ook geen bevoegdheid voor de opsporingsambtenaren om de auto te doorzoeken. Op grond van art. 1:23 Adw is namelijk slechts de inspecteur of degenen die daartoe zijn aangewezen, bevoegd om dergelijke onderzoeken te verrichten. Volgens de raadsman is, gelet op het voorgaande, sprake van een vormverzuim, moet de verborgen ruimte als niet gevonden worden beschouwd en moet de auto teruggeven worden aan klager.

3 Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft verklaard zich te verzetten tegen teruggave van de in beslag genomen auto aan klager en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De opsporingsambtenaren van de Landelijke Eenheid van de politie waren bevoegd om onder de auto te kijken en hebben toen waargenomen dat er een bak onder de auto was aangebracht. Bij een bak onder de auto is er bij uitstek de verdenking dat er sprake is van een geheime bergplaats, omdat die bak er zich normaliter niet op die plek bevindt. Er was sprake van een objectieve verdenking en de opsporingsambtenaren mochten op grond daarvan de auto doorzoeken. Het is nu aan klager om aan de voorwaarden van de Douane te voldoen zodat hem de auto kan worden teruggegeven. Er zijn verder geen redenen om aan klager een financiële tegemoetkoming toe te kennen.

4 Standpunt van de Douane

De Douane is bereid de auto aan klager terug te geven als klager voldoet aan de voorwaarden die zij hebben gesteld, waaronder: de geheime bergplaats verwijderen onder ambtelijk toezicht van de Douane en € 1.000,- betalen voor toezicht op de auto door de Douane. In openbare raadkamer heeft [persoon 1] verklaard dat dit bedrag een standaardbedrag is dat zij hanteren voor elke auto.

5 De beoordeling

De raadkamer is bevoegd tot afdoening van het beklag.

Het klaagschrift is tijdig ingediend.

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken

Op 12 juli 2019 is op de voet van artikel 94 Sv voornoemde auto in beslag genomen.

Rechtmatigheid doorzoeking voertuig

De rechtbank dient te beoordelen of de opsporingsambtenaren bevoegd waren tot het verrichten van het onderzoek in de auto.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 12 juli 2019 werd op grond van de Wegenverkeerswet de auto van klager op 12 juli 2019 gecontroleerd. Klager overhandigde zijn kentekenbewijs nadat de opsporingsambtenaar daar om vroeg. De opsporingsambtenaar haalde vervolgens de personalia van klager door het politiesysteem en zag dat klager in 2018 verdachte was in een onderzoek met betrekking tot de handel in verdovende middelen. De opsporingsambtenaren vroegen tweemaal aan klager toestemming om de auto te doorzoeken, maar klager wilde dit niet. Een opsporingsambtenaar keek ondertussen onder de auto en zag dat er onder de auto een bak was aangebracht. In het proces-verbaal is verder opgenomen dat het de opsporingsambtenaren ambtshalve bekend is dat er dergelijke bakken naderhand onder de auto geplaatst worden om als verborgen ruimte te dienen. De opsporingsambtenaren hebben vervolgens op grond van art. 1:37 Adw de auto in beslag genomen en een onderzoek ingesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake geweest van onderzoek aan de auto (het kijken onder de auto) waartoe op grond van artikel 3 Politiewet de opsporingsambtenaren gegeven de hiervoor genoemde omstandigheden bevoegd waren.

Na constatering van een bak onder de auto, waren de opsporingsambtenaren op grond van art. 1:37 lid 2 Adw bevoegd de auto in beslag te nemen. Er was een verdenking dat er sprake was van een voertuig in de zin van art. 1:37 lid 1 Adw en op grond daarvan is de auto onderzocht. Uit de stukken blijkt verder niet dat er controlebevoegdheden zijn misbruikt. De auto van klager is pas in beslag genomen en onderzocht op het moment dat de opsporingsambtenaar had waargenomen dat er een bak onder de auto was aangebracht. De rechtbank acht de doorzoeking dan ook rechtmatig en verwerpt het verweer van de raadsman.

Een voertuig in de zin van art. 1:37 lid 1 Adw

De rechtbank dient het beklag te beoordelen aan de hand van het criterium of de auto kan worden aangemerkt als “een vervoermiddel, dat kennelijk is ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken”.

Uit het rapport van de Douane naar de personenauto, Smart Forfour, met kenteken [kenteken] , blijkt dat de auto op 13 juli 2019 is onderzocht door twee buitengewoon opsporingsambtenaren van de Douane Amsterdam. Tijdens dit onderzoek bleek dat er ter hoogte van beide voorstoelen, onder de originele metalen vloer, een metalen bak is gelast. Het uitgezaagde deel is voorzien van scharnieren en een elektrisch slot. In de auto is extra bedrading aangebracht ten behoeve van de bediening van het slot. De extra bedrading loopt vanaf het slot en de hefboom naar de knop van de kofferbak. Als deze knop een aantal keer wordt ingedrukt gaat het luik open. Uit het rapport Artikel 1:37 Algemene Douanewet blijkt de ruimte geen ander doel kan dienen dan het onttrekken aan het ambtelijk toezicht van voorwerpen die zich in die ruimte zouden bevinden, gelet op de kwaliteit van de afwerking.

Op grond van het bovenstaande concludeert de rechtbank dat de auto kan worden aangemerkt als een vervoermiddel in de zin van artikel 1:37 Adw dat kennelijk is ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken.

Grensoverschrijdend vervoer

Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat voor inbeslagneming van een vervoermiddel op grond van art. 1:37 lid 1 Adw vereist is dat de auto zou worden gebruikt voor de smokkel van goederen over landsgrenzen overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat voor inbeslagneming niet is vereist dat moet worden afgewacht tot het moment dat met het voertuig waarin bijvoorbeeld een geheime bergplaats is aangebracht, een strafbaar feit wordt gepleegd. 1Ook het huidige art. 1:37 Adw vereist niet dat het vervoermiddel op het moment van inbeslagneming moet worden gebruikt voor de smokkel van goederen (over landsgrenzen), zie ECLI:NL:HR:2020:403. Hetgeen door de raadsman wordt betoogd vindt dus geen steun in het recht.

Ongegrondverklaring

Ongegrondverklaring, nu sprake is van een auto met een verborgen ruimte in de zin van artikel 1:37 Adw en deze op goede gronden in beslag is genomen. Dat klager naar eigen zeggen niet wist dat er een verborgen ruimte in de auto was aangebracht, doet daaraan niet af.

Geldelijke tegemoetkoming

Ten aanzien van de geldelijke tegemoetkoming overweegt de rechtbank het volgende.

Art. 33c lid 2 Wetboek van Strafrecht (Sr) bepaalt onder meer dat de rechter een geldelijke tegemoetkoming toekent wanneer dit nodig is om te voorkomen dat de verdachte, of een ander aan wie de verbeurd verklaarde voorwerpen toebehoren, onevenredig zou worden getroffen. Bij de beoordeling van de vraag of de klager niet onevenredig is getroffen in de zin van art. 33c lid 2 Sr dient naast de waarde van het inbeslaggenomen vervoermiddel of voorwerp ook de draagkracht als bedoeld in art. 24 Sr te worden betrokken.2 Ook kan worden meegewogen hoe de eigenaar van het voorwerp zich in relatie tot dat voorwerp heeft gedragen en het eventuele voordeel dat de Staat na het vervallen van het voorwerp aan de Staat met betrekking tot dat voorwerp verkrijgt, bijvoorbeeld door de verkoop (van onderdelen) daarvan.3

De rechtbank komt tot het oordeel dat klager door het aan de Staat vervallen van de auto niet onevenredig is getroffen en zal hem derhalve geen geldelijke tegemoetkoming toekennen.

6 De beslissing

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 22 september 2020 door

mr. H.E. Hoogendijk, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose, griffier

en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2020.

Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open,

in te stellen bij de griffie van deze rechtbank,

binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.

1 Kamerstukken II 1933-1934, 381 nr. 3, p. 3-4.

2 HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:3632.

3 Vgl. HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1156, rov. 3.4.1.