Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4847

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
08-10-2020
Zaaknummer
RK 20/2251
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering deels gegrond, sieraden terug, geld niet terug.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/698899-15

RK: 20/2251

Beschikking op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klager] ,

geboren op [geboortedag] 1970 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsvrouw,

mr. M.H. Aalmoes,

[adres 1] ,

klager, tevens beslagene.

1 Procesgang

Het klaagschrift is op 4 mei 2020 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

Het Openbaar Ministerie heeft op 13 mei 2020 schriftelijk zijn standpunt kenbaar gemaakt.

De rechtbank heeft op 9 september 2020 klager, zijn raadsvrouw en de officier van justitie, mr. P. van Laere, in openbare raadkamer gehoord.

2 Inhoud van het klaagschrift

Het klaagschrift strekt tot teruggave van de in beslag genomen voorwerpen, te weten: een horloge van het merk Gucci (goednummer: 5893911), een armband van het merk Buddha to Budhha (goednummer: 5893917) en een geldbedrag van € 424,40 (goednummer: 5893884).

De raadsvrouw heeft in het klaagschrift opgenomen dat klager eigenaar is van voornoemd geldbedrag en voornoemde sieraden. Klager voelt zich door het voortduren van de inbeslagneming bezwaard, aangezien hij het geldbedrag nodig heeft voor zijn levensonderhoud en de sieraden hem dierbaar zijn, omdat hij deze heeft gekregen en hier persoonlijke herinneringen aan heeft. Klager zal door het voortduren van het beslag onevenredig worden benadeeld, terwijl er geen strafvorderlijk belang aanwezig kan worden geacht die het voortduren van het beslag rechtvaardigt. Klager verzoekt daarom om het beslag op te heffen met een last tot teruggave van voornoemd geldbedrag en voornoemde sieraden aan klager.

De raadsvrouw van klager heeft naar aanleiding van het standpunt van het Openbaar Ministerie en ter toelichting op het klaagschrift kort samengevat het volgende aangevoerd. Klager wordt verweten op 2 november 2015 in de ruimte boven zijn kantoor hennepplanten te hebben geteeld. Hij is hiervoor vier jaar later gedagvaard op 15 januari 2019. Het is september 2020 en de strafzaak van klager is nog steeds niet afgerond. Er blijkt niet van enige activiteit van het Openbaar Ministerie. Voor klager betekent dit dat hij niet verder kan met zijn leven. Alles wat klager heeft wordt hem ontnomen, zoals nu ook zijn persoonlijke eigendommen. De raadsvrouw heeft verwezen naar de uitspraak van de Rechtbank Overijssel, ECLI:RBOVE:2013:1239.

De raadsvrouw heeft verder foto’s getoond aan de rechtbank waarop te zien is dat klager op een foto van 5/6 jaar geleden het horloge al om heeft. Het horloge en de armband had klager lang voordat hij voor de strafzaak in beeld kwam. Het zijn persoonlijke eigendommen met speciale herinneringen.

3 Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft – onder verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard zich te verzetten tegen teruggave van het in beslag genomen geldbedrag en de in beslag genomen sieraden en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Op 2 november 2015 is in een bedrijfspand aan de [adres 2] een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Klager is eigenaar van het bedrijfspand. Het geldbedrag en de sieraden zijn conservatoir in beslag genomen in verband met een lopende ontnemingsvordering tegen klager. De zaak tegen klager heeft op 11 maart 2020 op zitting gestaan en is toen voor onbepaalde tijd aangehouden voor onderzoek, nadat klager een getuige had meegenomen naar zitting.

Klager is door de politie aangemerkt als verdachte en het verhoor van 2 november 2015 en de zitting van 11 maart 2020 hebben daar naar de mening van de officier van justitie geen verandering in teweeggebracht, maar de verdenking eerder versterkt. Dit gelet op de kennelijke onaannemelijkheid van de verklaringen van klager dat hij geen verdere informatie betreffende de onderhuurder wilde verstrekken, terwijl hij daar wel over zou beschikken en dat hij niets geweten zou hebben van de 779 hennepplanten op de eerste verdieping van zijn bedrijfspand, terwijl hij fulltime werkte op de benedenverdieping.

Kortom: gezien de verdenking jegens klager en het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel kan niet zonder meer worden gesteld dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechtbank de ontnemingsvordering zal toewijzen en klager de verplichting tot betalen van een geldbedrag aan de Staat er ontneming van dit wederrechtelijk verkregen voordeel, zal opleggen.

De officier van justitie heeft in raadkamer aangegeven dat zij zich niet verzet tegen teruggave van het in beslag genomen horloge en de armband, nu de verkoopwaarde niet zo erg hoog is en de strafzaak wel erg lang duurt.

4 De beoordeling

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Op 8 maart 2020 is op de voet van artikel 94a Sv voornoemd geldbedrag en voornoemde sieraden in beslag genomen.

Klager wordt – kort gezegd – verdacht van artikel 3 jo. 11 Opiumwet.

De strafzaak van klager loopt nog.

De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).

Er is door de rechter-commissaris een machtiging gegeven voor het conservatoir beslag op voornoemd geldbedrag en voornoemde sieraden.

In de onderhavige procedure dient de rechtbank te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, of klager redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt.

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor – in dit geval – artikel 94a Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt.

In het onderhavig geval is sprake van een geldbedrag en sieraden die volgens het Openbaar Ministerie aan klager toebehoren en die dienen tot bewaring van het recht van verhaal voor een aan klager op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van het door klager wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, in de ontnemingszaak tegen klager, aan hem de verplichting tot betaling aan de staat van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen (artikel 94a lid 2 Sv).

Ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag van € 424,40 (goednummer: 5893884)

Op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van conservatoir beslag waarvoor een machtiging is gegeven door de rechter-commissaris en dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, in de ontnemingszaak aan klager/verdachte de verplichting tot betaling aan de staat van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.

Het beklag dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank oordeelt anders ten aanzien van het in beslag genomen horloge en de armband.

Ten aanzien van het in beslag genomen horloge van het merk Gucci (goednummer: 5893911) en de armband van het merk Buddha to Budhha (goednummer: 5893917)

De officier van justitie heeft verklaard zich niet te verzetten tegen teruggave van deze twee in beslag genomen voorwerpen aan klager. Het strafvorderlijk belang verzet zich dus niet langer tegen teruggave.

Daarnaast stelt de rechtbank vast dat er sprake is van conservatoir beslag waarvoor een machtiging is gegeven door de rechter-commissaris in verband met een lopende ontnemingsvordering tegen klager. De strafzaak loopt nog en de rechtbank is het eens met de raadsvrouw dat het lang duurt. Er is echter onlangs, in maart 2020, nog een zitting geweest. De rechtbank constateert verder dat deze voorwerpen een emotionele waarde hebben voor klager en de waarde bij executoriale verkoop niet betrekkelijk hoog wordt ingeschat. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het bij deze stand van zaken onredelijk is om de inbeslagname van het horloge en de armband te laten voortduren.

Het beklag dient dan ook gegrond te worden verklaard.

De rechtbank is voorts van oordeel dat klager en niet iemand anders redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die sieraden moet worden beschouwd. Zij zal dan ook gelasten dat de voorwerpen aan klager dienen te worden teruggegeven.

5 De beslissing

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

Ten aanzien van het in beslag genomen horloge van het merk Gucci (goednummer: 5893911) en de armband van het merk Buddha to Budhha (goednummer: 5893917)

De rechtbank verklaart het beklag gegrond en gelast de teruggave aan klager van het horloge van het merk Gucci (goednummer: 5893911) en de armband van het merk Buddha to Budhha (goednummer: 5893917).

Ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag van € 424,40 (goednummer: 5893884)

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door

mr. H.E. Hoogendijk, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose, griffier

en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2020.

Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open,

in te stellen bij de griffie van deze rechtbank,

binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.