Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4845

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
08-10-2020
Zaaknummer
RK 20/3621
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering ongegrond, in beslag genomen honden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

RK: 20/3621

Beschikking op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klager]

geboren op [geboortedag] 1975 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),

wonende op het adres [adres 1],

woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman,

mr. S.F.J. Smeets,

[adres 2],

klager, tevens beslagene.

1 Procesgang

Het klaagschrift is op 30 juli 2020 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

Het Openbaar Ministerie heeft op 14 augustus 2020 schriftelijk zijn standpunt kenbaar gemaakt.

De rechtbank heeft op 9 september 2020 klager, zijn raadsman en de officier van justitie, mr. P. van Laere, in openbare raadkamer gehoord.

2 Inhoud van het klaagschrift

Het klaagschrift strekt tot teruggave de twee in beslag genomen honden (goednummers: 5934369 + 5934370).

In het klaagschrift is opgenomen dat klager zijn honden terug wil krijgen. De enige grond voor het voortduren van het beslag is klager thans onbekend temeer nu hij in het dossier tast naar het vermeende gezondheidsonderzoek dat naar de honden zou plaatsvinden en waarvan de bevindingen hem onbekend zijn. Al met al is er in ieder geval meer dan genoeg tijd geweest om een dergelijk onderzoek uit te voeren zodat van een strafvorderlijk belang bij het voortduren van het beslag niet kan blijken.

De raadsman van klager heeft naar aanleiding van het standpunt van het Openbaar Ministerie en ter toelichting op het klaagschrift kort samengevat het volgende aangevoerd. De honden zouden in beslag zijn genomen, zodat zij lichamelijk onderzocht konden worden. Uit de medische verklaring blijkt dat er niets bij de honden is opgemerkt. Het is daarom niet begrijpelijk waarom de honden niet terug mogen. Klager is erg emotioneel over het feit dat de honden in beslag zijn genomen. Hij kan ook niet goed volgen waarom het Openbaar Ministerie de honden niet terug wil geven. Een zittingsdatum is nog niet bekend, maar klager zal dan de rechter ervan overtuigen dat hij de honden wel goed verzorgt. Op dit moment is verdere inbeslagname van de honden zodanig ingrijpend dat het een punitief karakter krijgt.

Klager heeft in raadkamer verklaard dat hij bij de politie heeft verklaard dat de honden ‘stevige honden’ zijn, maar dat dit niet bekent dat hij de honden met een stok slaat. Hij heeft verder foto’s van de honden, waaruit blijkt dat de honden niet mishandeld worden. De honden hebben het goed bij klager.

3 Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft – onder verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard zich te verzetten tegen teruggave van de in beslag genomen honden en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Op basis van het politieonderzoek blijkt dat er duidelijk een verdenking is omtrent het onthouden van voldoende zorg van de honden. Het gaat om jongen honden en klager heeft zelf ook verklaard dat hij tegen die honden geen ‘foei’ kan zeggen. Er zijn verder ook getuigen die hebben verklaard over mishandelingen. Het Openbaar Ministerie vindt het zeer onverantwoord om deze honden weer terug te laten gaan naar klager. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave, omdat het Openbaar Ministerie zal vorderen dat de honden zullen worden verbeurd verklaard.

4 De beoordeling

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Op 24 juni 2020 zijn op de voet van artikel 94 Sv voornoemde honden in beslag genomen.

Klager wordt – kort gezegd – verdacht van dierenmishandeling.

De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).

In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die voorwerpen moet worden beschouwd.

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het inbeslaggenomene kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, met betrekking tot die voorwerpen de verbeurdverklaring zal uitspreken of onttrekking aan het verkeer zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art 552f Sv.

In het onderhavig geval is sprake van honden die volgens het Openbaar Ministerie

vatbaar zijn voor verbeurdverklaring.

De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de honden zal uitspreken.

Op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken, waaronder de verklaringen van de buren van klager, de omschrijving van de beelden die zijn gemaakt door een van de buren en het onderzoek van de gedragstherapeut naar de honden, is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de in beslag genomen honden zal verbeurd verklaren.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.

Het beklag dient daarom ongegrond te worden verklaard.

5 De beslissing

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door

mr. H.E. Hoogendijk, rechter,

in tegenwoordigheid van C.T. St Rose, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2020.

Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.