Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4835

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-08-2020
Datum publicatie
07-10-2020
Zaaknummer
RK 20/1129
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/703311-15

RK: 20/1129

Beschikking op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klager] ,

geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] ,

wonende op [adres] te [woonplaats] ,

woonplaats kiezend op het adres van zijn raadsman, mr. K.H.T. Van Gijssel, Naritaweg, 137, 1043 BS te Amsterdam,

klager, tevens beslagene.

1 Procesgang

Het klaagschrift is op 2 maart 2020 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

Het Openbaar Ministerie heeft op 18 maart 2020 schriftelijk zijn standpunt kenbaar gemaakt.

De rechtbank heeft op 13 augustus 2020 de gemachtigde raadsman van klager en de officier van justitie, mr. F.R. Bons, in openbare raadkamer gehoord.

Klager is, hoewel geldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

2 Inhoud van het klaagschrift

Het klaagschrift strekt tot teruggave van goederen die bij klager reeds in 2015 in beslag zijn genomen en onlangs op het vliegveld naar aanleiding van een openstaande ontnemingszaak. Het gaat om een geldbedrag van in totaal € 25.825, bromfiets van het merk Piaggio met [kenteken] , koptelefoon van het merk Bose en een rugtas van het merk Louis Vuitton. Op voornoemde goederen is conservatoir beslag gelegd door de rechter-commissaris. Klager verzoekt om teruggave van het geld en de goederen, nu hij meent dat geen enkel strafvorderlijk belang bestaat om de voortduring van de inbeslagname te rechtvaardigen.

De raadsman van klager heeft naar aanleiding van het standpunt van het Openbaar Ministerie en ter toelichting op het klaagschrift kort samengevat het volgende aangevoerd. Klager is veroordeeld voor wapenbezit en daar is de ontnemingsvordering bij gekomen. Klager heeft geen afstand gedaan van voornoemd geldbedrag en voornoemde goederen. Daarnaast is klager het niet eens met de ontnemingsvordering. Er is geprobeerd om tot een schikking te komen, maar dat is niet gelukt. Klager wordt nu continu aangehouden, want hij staat gesignaleerd. Hij moet daardoor via het buitenland reizen. Klager wil echter verder met zijn leven en een huis kopen. Het belang van klager om te beschikken over zijn geld en goederen dient zwaarder te wegen dan een eventueel strafvorderlijk belang.

3 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft verklaard zich te verzetten tegen teruggave van het in beslag genomen geldbedrag en de in beslag genomen goederen aan klager en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Klager is op 6 november 2018 veroordeeld voor overtreding van de Wet Wapens en Munitie. In deze zaak is een eenvoudige kasopstelling gemaakt waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend op € 69.188,74. Er ligt een machtiging van de rechter-commissaris voor het conservatoir beslag. Tijdens de zitting van 6 november 2018 is de ontneming aangekondigd. Een ontnemingszitting heeft onlangs plaatsgevonden, maar de zaak is aangehouden. Er is nu geen zicht op een nieuwe zittingsdatum. Eerdere planning is achterwege gebleven omdat het Openbaar Ministerie en de raadsman van klager in onderhandeling waren om tot een schikking te komen. In de ontnemingszaak is het Openbaar Ministerie voornemens om de ontnemingsmaatregel te vorderen. In dat licht is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat aan klager de verplichting tot betaling aan de staat van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt opgelegd. Er zijn overigens geen redenen om te twijfelen aan het proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee. De goederen zijn onder klager aangetroffen. Daar is ook vermeld dat klager afstand van die goederen heeft gedaan.

4 Beoordeling

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Onder klager is in 2015 en onlangs op 8 februari 2020 het volgende in beslag genomen: een geldbedrag van in totaal € 25.825, bromfiets van het merk Piaggio met [kenteken] , koptelefoon van het merk Bose en een rugtas van het merk Louis Vuitton.

Klager is op 6 november 2018 veroordeeld voor overtreding van de Wet Wapens en Munitie. In deze zaak is een eenvoudige kasopstelling gemaakt waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend. De ontnemingszaak van klager heeft op 29 juni jl. op zitting gestaan, maar is aangehouden omdat de politierechter niet over het volledig dossier beschikte. Het Openbaar Ministerie is voornemens om in de ontnemingszaak van klager de ontnemingsmaatregel te vorderen.

De rechtbank overweegt allereerst dat de mail waarin een lijst met daarop de bromfiets van het merk Piaggio, de rugtas, de koptelefoon en het geld waarbij wordt aangegeven dat die goederen in beslag zijn genomen, niet wordt betwist. Als klager afstand van die goederen had gedaan, stonden deze niet meer op de lijst. Het proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee waarin is opgenomen dat klager afstand van alle goederen heeft gedaan, is op dat punt onjuist.

Er is door de rechter-commissaris een machtiging gegeven voor het conservatoir beslag op voornoemd geldbedrag en voornoemde goederen in verband met de ontnemingszaak.

In de onderhavige procedure dient de rechtbank eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert.

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor – in dit geval – artikel 94a Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt.

In het onderhavig geval is sprake van geld en goederen die volgens het Openbaar Ministerie aan klager toebehoren en die dienen tot bewaring van het recht van verhaal voor een aan klager op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van het door klager wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, in de ontnemingszaak tegen klager, aan hem de verplichting tot betaling aan de staat van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen (artikel 94a lid 2 Sv).

Op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van conservatoir beslag waarvoor een machtiging is gegeven door de rechter-commissaris in het kader van de ontnemingszaak en dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, in de ontnemingszaak aan klager/verdachte de verplichting tot betaling aan de staat van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag. Het beklag dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

5 Beslissing

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door

mr. C.M. Degenaar, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. R. Stockmann, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2020.

Tegen de beschikking staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open,

in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.