Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4832

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-08-2020
Datum publicatie
08-10-2020
Zaaknummer
RK 18/2880
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaard, klager kan niet redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenome worden aangemerkt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

RK: 18/2880

Beschikking op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klager],

geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats],

wonend op het adres [adres 1]

woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman,

mr. S.T. van Berge Henegouwen,

[adres 2]

klager, niet zijnde de beslagene.

1 Procesgang

Het klaagschrift is op 4 mei 2018 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

Op 18 oktober 2018 is in deze zaak door de rekestenkamer van de Rechtbank Amsterdam beschikking gewezen. Tegen deze beschikking is beroep in cassatie ingesteld. Op 17 maart 2020 heeft de Hoge Raad de voornoemde beschikking vernietigd en de zaak terugverwezen naar de Rechtbank Amsterdam.

De rechtbank heeft op 13 augustus 2020 de vader van klager, de raadsvrouw van klager, mr. S.N.M. Lousberg, die waarneemt voor mr. Van Berge Henegouwen, en de officier van justitie, mr. F.R. Bons, in openbare raadkamer gehoord.

Klager is, hoewel geldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen. Hij heeft zijn vader [persoon] gemachtigd het woord te voeren namens hem.

2 Inhoud van het klaagschrift

Het klaagschrift strekt tot teruggave van het in beslag genomen geldbedrag van € 10.100,- (goednummer: 5171104).

In het klaagschrift is opgenomen dat in het kader van het onderzoek het geldbedrag in beslag is genomen. Uiteindelijk is de zaak geseponeerd en het klaagschrift is ingediend binnen drie maanden nadat de zaak tot een einde is gekomen. Klager stelt eigenaar te zijn van voornoemd geldbedrag. Hij had dit geldbedrag verstopt in het plafond van de auto die bij zijn vader [persoon] in gebruik was. Klager heeft het geld ontvangen bij de verkoop van zijn auto. Er is geen onderzoeksbelang, de zaak is immers geseponeerd. Het belang van strafvordering verzet zich daarom niet tegen de opheffing ervan.

De vader van klager heeft ter zitting verklaard dat de auto van een vriend van klager is en dat klager het geld wilde gebruiken om op vakantie te gaan. Hij had al vliegtickets gekocht om naar Curaçao te gaan.

De raadsvrouw heeft ter zitting naar aanleiding van het standpunt van het Openbaar Ministerie en ter toelichting op het klaagschrift kort samengevat het volgende aangevoerd. Het sepot van de zaak tegen de vader van klager [persoon] moet als uitgangspunt worden genomen voor de datum waarop de zaak tot een einde is gekomen. In die zaak is het geldbedrag namelijk in beslag genomen. De termijn van art. 552a lid 3 Sv geldt. Het klaagschrift is daarom tijdig ingediend.

De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat gelet op het tijdsbestek niet van klager kan worden verlangd dat hij al het papierwerk rondom het geldbedrag heeft bewaard. Er zijn geen stukken van de verkoop van de auto.

3 Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft – onder verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie van 5 juli 2018 – verklaard dat het klaagschrift niet binnen twee jaar na de inbeslagneming is ingediend. Op 14 april 2016 is het geldbedrag in beslag genomen en op 4 mei 2018 is het klaagschrift ingediend. Het sepot van de strafzaak van de vader van klager dient niet als uitgangspunt te worden genomen voor de datum waarop deze zaak tot een einde is gekomen. De officier van justitie meent daarom primair dat klager niet-ontvankelijk in zijn beklag moet worden verklaard. De officier van justitie meent subsidiair dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard, omdat klager niet met stukken heeft onderbouwd dat hij eigenaar is van het geldbedrag. Klager kan daarom niet als redelijkerwijs rechthebbende worden aangemerkt. Meer subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard, omdat het geld is aangetroffen onder verdachte omstandigheden en sprake is van een witwasvermoeden. Het is niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter in een witwaszaak tegen klager het geld verbeurd zal verklaren.

4 De beoordeling

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Op 14 april 2016 werd de vader van klager, [persoon], als verdachte van onder meer witwassen aangehouden. Hij bestuurde een auto waarin later, verstopt in het plafond van de auto, een geldbedrag van € 10.100,- werd gevonden. De auto stond op naam van een ander. Het geldbedrag is in beslag genomen ter waarheidsvinding. Op de kennisgeving is opgenomen ‘geen eigenaar bekend’.

De rechtbank overweegt als volgt. De zaak is gestart naar aanleiding van de doorzoeking van voornoemde auto waarin de vader van klager werd aangehouden en het geldbedrag werd aangetroffen. In de zaak tegen de vader van klager is vervolgens op 28 maart 2018 een sepotbeslissing genomen. Op grond van art. 552a lid 3 Sv kunnen belanghebbenden zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming een klaagschrift indienen. Het klaagschrift is niet ontvankelijk indien het is ingediend op het tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. Het klaagschrift van klager is op 4 mei 2018 ingediend. Het verzoek is daarom tijdig ingediend.

In een geval waarin het belang van strafvordering het voortduren van een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag niet meer vordert en waarin een derde - als zodanig kan ook gelden degene onder wie het beslag feitelijk is gelegd, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht - op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend strekkende tot teruggave, dient de rechter te beoordelen of de klager die stelt rechthebbende te zijn, inderdaad redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt. (HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.11)

Op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat klager, die stelt rechthebbende te zijn, niet redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt. De auto waarin het geldbedrag is aangetroffen stond op naam van een ander en klager wilde het geld gebruiken tijdens zijn vakantie. Het is opvallend dat het geld dan in een sok werd verstopt in het plafond van een auto. Verder heeft klager onvoldoende naar voren gebracht om te kunnen vaststellen dat hij redelijkerwijs als rechthebbende van het geldbedrag kan worden aangemerkt. Voordat het klaagschrift werd ingediend heeft hij niet aangegeven dat het geld aan hem toebehoort. Hij heeft zich ook niet bij de politie gemeld om uitleg te geven over de situatie waarin het geldbedrag is aangetroffen en over de herkomst van het geld. Klager dient daarom niet-ontvankelijk in zijn beklag te worden verklaard. De rechtbank komt verder niet aan een inhoudelijk oordeel van het rekest toe.

5 De beslissing

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

De rechtbank verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag.

Deze beslissing is gegeven door

mr. C.M. Degenaar, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. R. Stockmann, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2020.

Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open,

in te stellen bij de griffie van deze rechtbank,

binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.