Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4829

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-08-2020
Datum publicatie
13-10-2020
Zaaknummer
RK 20/2195
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek ex artikel 6:6:26 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering afgewezen, geen sprake van betalingsonmacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/666888-10 en 23/001616-14

RK: 20/2195

Beschikking op het verzoek ex artikel 6:6:26 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteland] ,

verblijvende op het adres [adres] ,

verder te noemen: verzoeker.

1 Procesgang

Het verzoekschrift is op 30 april 2020 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

De rechtbank heeft op 13 augustus 2020 verzoeker, zijn raadsman,

mr. W.B.O. van Soest, en de officier van justitie, mr. F.R. Bons, in openbare raadkamer gehoord.

2 Inhoud verzoekschrift

Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank het bedrag van € 807.587,61 dat aan verzoeker bij maatregel opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat zal kwijtschelden dan wel verminderen.

Het verzoekschrift houdt - kort gezegd – het volgende in. Verzoeker zit een gevangenisstraf uit voor de duur van 6,5 jaar. Het Centraal Justitieel Incasso Bureau (hierna: CJIB) heeft aan verzoeker een betaalverplichting opgelegd van een bedrag ter hoogte van € 4.500,- per maand. Doordat verzoeker in de penitentiaire inrichting verblijft, ontvangt hij geen inkomen. Verzoeker heeft bovendien geen bezittingen of enig spaargeld. Verzoeker is daarom niet in staat aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Hij verzoekt om aanpassing van een betalingsregeling of financiële kwijtschelding.

Verzoeker wenst na het uitzitten van de gevangenisstraf een nieuw leven op te bouwen, een baan en een woonhuis te vinden. Verzoeker ziet geen mogelijkheden om aan de zijn verplichtingen voortvloeiende uit de opgelegde ontnemingsmaatregel te voldoen.

De raadsman heeft op zitting ter aanvulling op het verzoekschrift het volgende aangevoerd. Op dit moment is verzoeker gedetineerd in de [detentieadres] voor onder andere de aan hem opgelegde schadevergoedingsmaatregel, die hem is opgelegd in de strafzaak met parketnummer 23/001201-14, waarvoor hij gegijzeld is. Hij heeft veelvuldig contact gehad met het CJIB. Het CJIB is een betalingsregeling overeen gekomen met verzoeker. Het CJIB heeft er echter ook voor gekozen dat verzoeker alsnog te gijzelen. Het probleem is dat verzoeker enige tijd gegijzeld blijft en mogelijk in de toekomst weer gegijzeld wordt. Zolang de detentie van verzoeker voortduurt, is er echter sprake van betalingsonmacht. De stelling dat er ergens nog geld zou kunnen liggen, is gebaseerd op vermoedens en aannemelijkheden, maar niet op concrete feiten.

Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat tijdens de zitting van de strafzaak al naar voren is gekomen dat hij gespaard geld, € 20.000,-, bij zijn zus had onderbracht. Dit geld heeft zij echter gebruikt voor boetes en het betalen van rekeningen. Verzoeker heeft verder de strafbare feiten ontkend en dat doet hij nog steeds, ondanks dat hij voor die feiten onherroepelijk is veroordeeld.

3 Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft in raadkamer verklaard zich te verzetten tegen kwijtschelding van de aan verzoeker bij maatregel opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat en kort samengevat het volgende aangevoerd. Er is nog sprake van een kennelijke verdiencapaciteit. De officier van justitie verwijst daarbij naar de schriftelijke toelichting van het CJIB van 4 juni 2020. Als iemand nooit meer geld kan verdienen, is er mogelijk een reden om deel van het bedrag of het geheel kwijt te schelden. Dit is in deze zaak niet aan de orde. Er moet nog ergens geld zijn. Als er al betalingsonmacht is, is dat van tijdelijke duur. Verzoeker heeft na detentie de tijd om te werken en kan dan het bedrag betalen. Het is overigens niet de bedoeling van het Openbaar Ministerie om verzoeker nodeloos vast te zetten.

4 Beoordeling

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Aan verzoeker is bij beslissing van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 7 april 2014 de verplichting opgelegd tot betaling van € 579.474,60 aan de Staat ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel. In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam dit bedrag op 4 mei 2017 bijgesteld tot een bedrag van € 807.587,61,-.

Uit de schriftelijke toelichting van het CJIB van 4 juni 2020 blijkt dat in het kader van de op te leggen ontnemingsmaatregel conservatoir beslag is gelegd op een contant geldbedrag van € 5.500,05. Bij brief van 23 augustus 2019 heeft het CJIB aangegeven dat om aflossing van de ontnemingsmaatregel binnen de voor de onderhavige zaak geldende executieverjaringstermijn te realiseren een maandelijkse aflossing ter hoogte van € 4.450,- (in totaal 24 maandelijkse termijnen van minimaal € 4.450,-) een vereiste is en dat aan het verzoek tot verlaging van het termijnbedrag naar een bedrag van € 12,50 per maand niet kan worden voldaan. Verzoeker komt de betalingsregeling van € 50,- per maand vanwege openstaande Muldersancties na. Volgens het CJIB is het niet aannemelijk dat er sprake is van betalingsonmacht en het forse financiële voordeel dat verzoeker volgens de rechter heeft genoten is opgesoupeerd. Er wordt in deze brief verwezen naar het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ex. art. 36e lid 1 en 2 Wetboek van Strafrecht” van 15 mei 2013. Uit dat rapport volgt dat verzoeker veel geld heeft verdiend, dit kennelijk heeft versluierd en voor een groot deel heeft weggezet. De versluiering kan volgens dit rapport geconcludeerd worden uit het feit dat verzoeker anderen bankrekeningen op hun naam liet openen waarvan rekeningen werden betaald voor verzoeker, hij voor zijn aanhouding contant geld bij zijn zus heeft ondergebracht en dit volgens verklaringen vaker heeft gedaan. Het CJIB vindt het aannemelijk dat dit financiële voordeel naar het buitenland is gevloeid. Zo blijkt onder meer uit diverse open bronnen dat het aannemelijk is dat verzoeker voordat hij werd aangehouden op Curaçao een goed leven leidde. De vordering tot gijzeling voor drie jaren is verder tot op heden nog niet ingediend. Volgens het CJIB dient het verzoek te worden afgewezen, nu niet aannemelijk is dat er sprake is van betalingsonmacht en de executieverjaringstermijn op 16 oktober 2034 is (nog op te schorten met de duur van de huidige detentie), zodat verzoeker alle gelegenheid heeft om met een passende betalingsregeling tot betaling van de opgelegde ontnemingsmaatregel over te gaan.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier en het verhandelde in raadkamer blijkt niet dat er sprake is van betalingsonmacht. Verzoeker zal nader contact moeten hebben met het CJIB over betalingsregelingen. Er zijn op dit moment echter geen omstandigheden van verzoeker die aanleiding geven tot kwijtschelding/matiging van het bedrag. Het verzoek dient dan ook te worden afgewezen.

5 Beslissing

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

De rechtbank wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven door

mr. C.M. Degenaar, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. R. Stockmann, griffier,

en op 13 augustus 2020 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze beslissing staat voor verzoeker geen rechtsmiddel open.