Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4808

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-09-2020
Datum publicatie
06-10-2020
Zaaknummer
13/146924-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het plegen van een woninginbraak in vereniging. Oplegging van en gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/146924-20 (Promis)

Datum uitspraak: 18 september 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 september 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. G.P. Sholeh en van wat verdachte en zijn raadsman mr. N. Hendriksen naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 2 juni 2020 heeft schuldig gemaakt aan diefstal in vereniging door middel van braak en/of verbreking uit een woning aan de [adres 2] in Amsterdam van een paar schoenen en/of een tas (merk Ted Baker) en/of een (namaak Rolex) horloge toebehorende aan [persoon 1] . Subsidiair is het medeplegen van heling van een tas (merk Ted Baker) en/of een paar schoenen op 2 juni 2020 in Amsterdam ten laste gelegd.

De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage (bijlage I) die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde kan worden bewezen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte van het hem primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte voldoet niet aan het door de meldster opgegeven signalement. Er is geen forensisch bewijs dat verdachte in de woning plaatst en er is geen inbrekerswerktuig onder hem aangetroffen. Uit de aangifte blijkt dat uit de woning meer spullen zijn weggenomen, maar ook die zijn niet bij verdachte aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat hij de tas met de gestolen schoenen van zijn vriend [persoon 2] heeft gekregen. Tussen het moment waarop de personen in de omgeving van de woning zijn gezien en het tijdstip van de aanhouding van verdachte, had [persoon 2] voldoende tijd om de tas aan verdachte over te dragen.

Voor wat betreft het subsidiair ten laste gelegde refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank met dien verstande dat geen sprake is van opzetheling en medeplegen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 2 juni 2020 rond 09.30 uur komt bij de politie de melding binnen om naar de [adres 2] in Amsterdam te gaan. Twee jongens zouden zich verdacht ophouden bij de percelen op nrs. [perscelen] . Ter plaatse gekomen bij het perceel [perceel] , zagen verbalisanten braakschade aan een raam aan de rechterkant van de voordeur van de woning en aan het slot, de deurklink en de dagschoot van de achterdeur. In de woning waren lades uit de kast getrokken. Ondertussen keken andere eenheden uit naar de twee mannen, een man met een Noord-Afrikaans uiterlijk, kort opgeschoren haar, zwarte sweater met witte letters op de buik en een blauwe spijkerbroek en een man met als signalement: licht getint. 1.70 – 1.80m lang, kapsel met overloop, gezichtsbeharing, zwart/witte jas met witte capuchon en zwarte trainingsbroek. Verbalisanten zagen op de Snelleveldstraat twee personen lopen die aan de signalementen voldeden en besloten om hen, met hulp van andere eenheden, in te sluiten. De persoon met de zwarte trui met witte opdruk en blauwe spijkerbroek werd aangehouden. Deze persoon was verdachte. Ter hoogte van de [adres 2] werd de man aangehouden die voldeed aan het andere signalement. Deze persoon was [medeverdachte] , de broer van verdachte. De meldster heeft verklaard dat zij jongens al vanaf 08.10 uur die ochtend in de straat heen en weer heeft zien lopen en dat zij ook voor de woning op nummer [perceel] waren en een rondje achter de woning hebben gemaakt. Vervolgens ging een jongen met kort opgeschoren haar met een zwarte sweater en een blauwe spijkerbroek waarschijnlijk op de uitkijk staan, terwijl een andere jongen met kort opgeschoren haar en een witte capuchon richting de woning liep, aldus meldster.

Verdachte had ten tijde van de aanhouding een tas bij zich van het merk Ted Baker met daarin een paar schoenen met metalen puntachtige versieringen op de neus. In zijn broeksband werden zwarte handschoenen aangetroffen. De heer [persoon 1] is de bewoner van de woning gelegen aan de [adres 2] en heeft aangifte gedaan van inbraak uit zijn woning waarbij een Ted Baker tas en schoenen zijn buit gemaakt. Aangever heeft de onder verdachte aangetroffen schoenen herkend als zijn schoenen.

Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij die nacht met [persoon 2] naar een huisfeest was geweest en hem daarnaartoe (de rechtbank begrijpt: naar de S-buurt) moest brengen met de auto. [persoon 2] moest achterin de wijk zijn. Verdachte is ondertussen op zijn broer gaan wachten, met wie hij aan de voorkant van de wijk had afgesproken omdat zijn broer hem zou komen ophalen. Verdachte kreeg ruzie met zijn broer, waarna zijn broer is vertrokken. Verdachte is vervolgens naar de brug toegelopen en heeft de tas van [persoon 2] aangenomen. Kort daarna werd hij aangehouden.

De rechtbank acht de lezing van verdachte onwaarschijnlijk en ongeloofwaardig. Verdachte liep rond in een woonwijk waar hij zelf niet woont. Door de meldster is gezien dat een persoon die voldeed aan de uiterlijke kenmerken van verdachte zich samen met een ander, die voldeed aan de uiterlijke kenmerken van zijn broer, nabij de woning van perceel [perceel] ophield. Vervolgens worden verdachte en zijn broer samen gezien door de ter plaatse gekomen verbalisanten en worden verdachte en zijn broer aangehouden. Dit correspondeert niet met de verklaring van verdachte dat verdachte vooraan in de wijk op zijn broer heeft gewacht en zijn broer al weg was toen hij de tas kreeg. Verdachte kan evenmin verklaren waarom [persoon 2] hem een tas met gestolen spullen heeft gegeven. Overigens heeft verdachte verder niet over [persoon 2] willen verklaren anders dan dat hij [persoon 2] heet en hem een tas heeft gegeven.

Alles in onderling verband bezien en met het uitblijven van een aannemelijke verklaring van verdachte, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich samen met een ander heeft schuldig gemaakt aan een woninginbraak. Dat er geen inbrekerswerktuig (buiten zwarte handschoenen) en andere uit de woning weggenomen goederen onder verdachte zijn aangetroffen, doet daar – anders dan de raadsman stelt – niet aan af. De verweren van de raadsman worden dan ook verworpen. De rechtbank concludeert dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Uit de bewijsmiddelen is, in onderlinge samenhang bezien, af te leiden dat verdachte zich vóór het moment waarop de inbraak heeft plaatsgevonden en ook daarna samen met zijn broer nabij de woning is. Hoewel uit de verklaring van de meldster volgt dat verdachte vermoedelijk degene was die op enig moment op de uitkijk stond terwijl de broer van verdachte naar de woning toeliep, leidt de rechtbank uit de het voorgaande en gezien de gegeven omstandigheden dat onder verdachte de buitgemaakte goederen en ook handschoenen zijn aangetroffen, af dat zijn rol zodanig is geweest dat kan worden bewezen dat hij de inbraak in vereniging heeft gepleegd.

Het primair ten laste gelegde feit is daarmee bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 2 juni 2020 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander uit een woning, gelegen aan de [adres 2] , een paar schoenen en een tas merk Ted Baker die toebehoorden aan [persoon 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak van een keukenraam en raamkozijn en een slot en deurklink en dagschoot van de achterdeur van voornoemde woning.

De taal- en/of schrijffouten die in de tenlastelegging stonden, zijn verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde. Mocht de rechtbank tot een veroordeling komen, heeft hij verzocht om aan verdachte een gevangenisstraf van niet meer dan twee maanden op te leggen, eventueel met een voorwaardelijk deel en daaraan gekoppeld alleen algemene voorwaarden of een taakstraf.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan inbraak uit een woning. Zij hebben het keukenraam aan de voorzijde van de woning en het slot aan de achterkant geforceerd. In de woning is van alles overhoop gehaald. Woninginbraken geven mensen het gevoel niet meer veilig te zijn in hun eigen woning. Ook bij omwonenden zorgen deze feiten voor onrust en gevoelens van onveiligheid. Verdachte heeft met geen ander doel gehandeld dan zijn eigen financiële gewin en heeft geen rekening gehouden met de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer.

Uit het strafblad van verdachte van 4 september 2020 volgt dat verdachte zich eerder heeft schuldig gemaakt aan vermogensdelicten, waaronder diefstal met braak.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 21 augustus 2020, opgemaakt door I. Hassing, betreffende verdachte. Hieruit komt naar voren dat de reclassering in het verleden zonder resultaat bij verdachte betrokken is geweest. Verdachte blijft evenwel recidiveren, komt zijn afspraken met de reclassering niet na en wil niet meewerken aan een behandeling. Het recidiverisico wordt daarom hoog ingeschat. De reclassering ziet geen mogelijkheden om tot gedragsverandering te komen en zien geen meerwaarde in het opleggen van interventies. De rechtbank heeft mevrouw Hassing op de zitting als deskundige gehoord en zij heeft in aanvulling op het rapport verklaard dat verdachte niet mee wil werken aan diagnostiek, terwijl dit wel nodig is voordat kan worden bepaald welk traject voor verdachte aangewezen zou kunnen zijn.

Verdachte heeft op de zitting duidelijk laten blijken dat hij niet in gesprek wil met een gedragsdeskundige en ook niet wil meewerken aan reclasseringstoezicht.

De rechtbank ziet gelet op het advies van de reclassering en de houding van verdachte geen reden om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank acht geslagen op de door de rechtspraak geformuleerde oriëntatiepunten voor strafmeting. Voor een woninginbraak waarbij sprake is van recidive wordt als oriëntatiepunt een gevangenisstraf van vijf maanden genoemd. De rechtbank ziet geen reden om van dit oriëntatiepunt af te wijken en zal verdachte daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden opleggen, met aftrek van voorarrest.

Voorlopige hechtenis

Op 15 juni 2020 heeft de raadkamer in onderhavige zaak de gevangenhouding van de verdachte bevolen voor de duur van 90 dagen. De voorlopige hechtenis is bij bevel van de raadkamer van 3 augustus 2020 geschorst met ingang van de dag dat de aan verdachte in de zaak met parketnummer 23/002171-15 opgelegde onherroepelijke gevangenisstraf ten uitvoer zal worden gelegd. De rechtbank bepaalt dat het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis zal worden opgeheven op de laatste dag van executie van de gevangenisstraf in de zaak met parketnummer 23/002171-15, zodat in aansluiting daarop direct de in dit vonnis aan verdachte opgelegde gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, kan worden geëxecuteerd.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. M.A.E. Somsen en S. Djebali, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. van Breukelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 september 2020.

[...]