Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4789

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
01-10-2020
Zaaknummer
13/153824-20 + 13/701423-18 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met aftrek en met bijzondere voorwaarden voor oplichting, bedreiging en dragen van een nep vuurwapen. T.a.v. TUL: verlenging proeftijd met één jaar. Vorderingen BP toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/153824-20 + 13/701423-18 (TUL) (Promis)

Datum uitspraak: 10 september 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] ,

[plaats 1] ,

gedetineerd in JJI [locatie] te [plaats 2] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 september 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Hoekstra en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J.F. van der Brugge naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. flessentrekkerij en/of oplichting op 9 juni 2020 bij [naam restaurant] in Amsterdam;

2. bedreiging van [persoon] op 9 juni 2020 in Amsterdam;

3. dragen van een gasdrukwapen, dat zodanig lijkt op een vuurwapen dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, op 9 juni 2020 in Amsterdam.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tweede deel van de onder 1 en de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde aangevoerd dat enkel oplichting bewezen kan worden verklaard, en niet (ook) flessentrekkerij. Van een gewoonte is immers geen sprake. Voor het overige heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten bewezen. Gezien het standpunt van de officier van justitie en de raadsman behoeft dit oordeel geen verdere motivering. Wel spreekt de rechtbank verdachte vrij van het eerste gedeelte van het onder 1 ten laste gelegde, te weten flessentrekkerij, nu de rechtbank van oordeel is dat van een gewoonte op dit moment geen sprake is.

De rechtbank acht op grond van de inhoud van de als bijlage II aan dit vonnis gehechte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van feit 1

op 9 juni 2020 te Amsterdam, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, een of meer medewerk(st)ers van [naam restaurant] (gevestigd aan de [adres 2] ) heeft bewogen tot de afgifte van meerdere etenswaren en drinkwaren met een totale waarde van 107,75 euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid zich tegenover die medewerk(st)ers voorgedaan en uitgegeven als bonafide en betalende klant, waardoor die medewerk(st)ers werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

ten aanzien van feit 2

op 9 juni 2020 te Amsterdam, [persoon] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

- de dreigende woorden toe te voegen: "Volg me niet, anders ga ik je drukken."

en

- vervolgens een zwartkleurig nepvuurwapen uit zijn broekband te pakken

en

- vervolgens in de richting van die [persoon] te lopen en

- vervolgens het nepvuurwapen richting die [persoon] te richten;

ten aanzien van feit 3

op 9 juni 2020 te Amsterdam, een wapen van categorie IV, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een gasdrukwapen dat zodanig geleek op een vuurwapen dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was heeft gedragen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

5 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

6 Motivering van de straf en maatregel

6.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft tevens gevorderd dat de bijzondere voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de reclassering aan verdachte worden opgelegd. Ook de elektronische controle dient volgens de officier van justitie als bijzondere voorwaarde aan verdachte te worden opgelegd.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om verdachte een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest. De raadsman heeft verzocht de voorlopige hechtenis vandaag op te heffen. Ook heeft de raadsman de rechtbank gevraagd om aan verdachte de bijzondere voorwaarden op te leggen zoals die zijn geformuleerd door de reclassering.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan drie ernstige feiten, te weten oplichting, het dragen van een nepvuurwapen en bedreiging. Verdachte heeft eten en drinken besteld in [naam restaurant] terwijl hij wist dat hij geen geld bij zich had. Verdachte wist dus bij voorbaat dat hij niet voor het eten en drinken zou kunnen betalen Toen de rekening hem gepresenteerd werd en het niet lukte om zonder te betalen weg te lopen, heeft verdachte de heer [persoon] , medewerker bij het restaurant, bedreigd met het nepvuurwapen dat verdachte bij zich droeg. Door zo te handelen heeft verdachte het vertrouwen van de medewerkers in het restaurant misbruikt en de heer [persoon] in een zeer beangstigende situatie gebracht. Verdachte heeft alleen oog gehad voor zijn eigen (financiële) belangen. Bovendien vormt het dragen van een gasdrukwapen een bedreiging voor de veiligheid van personen in de samenleving en maakt het een ernstige inbreuk op de rechtsorde.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat acht geslagen op het strafblad van verdachte van 13 augustus 2020, waaruit blijkt dat verdachte zich eerder schuldig heeft gemaakt aan oplichting en bedreiging. De rechtbank houdt hier in strafverzwarende zin rekening mee.

De rechtbank heeft daarnaast gekeken naar het rapport van de reclassering van 8 mei 2020, waarin geadviseerd wordt om verdachte bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname), begeleid wonen of maatschappelijke opvang, meewerken aan schuldhulpverlening en meewerken aan een dagbestedingstraject.

De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. De rechtbank acht het van belang dat wordt gewerkt aan de problematiek van verdachte en legt om die reden ook de hierna te noemen bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering, aan verdachte op. De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om ook de elektronische controle als bijzondere voorwaarde op te leggen en zal daar dus van afzien.

7 De benadeelde partijen

7.1.

Benadeelde partij [persoon]

7.1.1.

De vordering

De benadeelde partij [persoon] vordert € 900,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.1.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de gehele vordering, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, dient te worden toegewezen.

7.1.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de vordering niet betwist.

7.1.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank oordeelt als volgt. Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De benadeelde partij is enorm geschrokken toen hij het wapen op zich gericht kreeg en voelt zich nog altijd angstig. Dat de benadeelde partij hierdoor psychisch letsel heeft opgelopen, is evident. Een nadere (medische) onderbouwing is daartoe dus niet vereist. De hoogte van de vordering is naar het oordeel van de rechtbank redelijk. De gevorderde schadevergoeding zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van [persoon] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. De rechtbank bepaalt de duur van de eventueel op grond van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering toe te passen gijzeling op 18 dagen.

7.2.

Benadeelde partij [naam restaurant]

7.2.1.

De vordering

De benadeelde partij [naam restaurant] vordert € 107,75 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.2.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de gehele vordering, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, dient te worden toegewezen.

7.2.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de vordering niet betwist.

7.2.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank oordeelt als volgt. Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Verdachte heeft voor € 107,75 eten en drinken besteld en gekregen en vervolgens daarvoor niet betaald. De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding in het geheel zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van [naam restaurant] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. De rechtbank bepaalt de duur van de eventueel op grond van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering toe te passen gijzeling op 2 dagen.

8 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 21 augustus 2020 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/701423-18, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 20 november 2018 van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met bevel dat het voorwaardelijke deel van de straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op drie jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden. Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijden aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis.

De rechtbank acht het voor verdachte en de maatschappij echter van belang dat het toezicht en de hulpverlening zo snel mogelijk worden opgestart zodat aan de problematiek van verdachte kan worden gewerkt . Tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf zou dat proces vertragen. De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging dan ook afwijzen. De rechtbank acht wel termen aanwezig de proeftijd op grond van artikel 14f van het Wetboek van Strafrecht met één jaar te verlengen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14f, 36f, 57, 285 en 326 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 27 en 54 van de Wet wapens en munitie.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

oplichting

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarde houdt:

Stelt als algemene voorwaarde dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

- zich uiterlijk maandag 14 september 2020 om 12:00 uur meldt bij reclassering Inforsa op het volgende adres: [adres, te plaats] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

- zich laat behandelen door Inforsa forensisch Jeugd ACT of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling is reeds gestart. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Bij aanleiding die zich kan voordoen, bijvoorbeeld terugval in middelengebruik of overmatig middelengebruik ontstaat een grote kans op risicovolle situaties. Dan kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie en stabilisatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;

- verblijft in een Beschermd wonen of een andere instelling voor beschermd wonen of

maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden en het traject bewindvoering;

- meewerkt aan een dagbestedingstraject. Veroordeelde zal toewerken aan het verkrijgen van zinvolle dagbesteding voor meerdere werkdagen per week.

De reclassering wordt daarbij opdracht gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt.

Van rechtswege geldende voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt. Bovendien verleent veroordeelde medewerking aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken.

Vordering benadeelde partij [persoon]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon] toe tot een bedrag van € 900,00 (negenhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon] aan de Staat € 900,00 (negenhonderd euro) aan immateriële schade te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 18 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Vordering benadeelde partij [naam restaurant]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam restaurant] toe tot een bedrag van € 107,75 (honderdzeven euro en vijfenzeventig cent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam restaurant] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam restaurant] aan de Staat € 107,75 (honderdzeven euro en vijfenzeventig cent) aan materiële schade te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 2 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling 13/701423-18

De rechtbank verlengt in de zaak met parketnummer 13/701423-18 de proeftijd met één jaar.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter,

mrs. B.M. Visser en J.M.R. Vastenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.R. Hofstee, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 september 2020.

[…]