Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4771

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
01-10-2020
Zaaknummer
13-221175-20, 13-158826-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ISD-maatregel voor de duur van twee jaar voor twee diefstallen bij supermarkt, zonder aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13-221175-20 (A), 13-158826-20 (B) (ttg)

Datum uitspraak: 25 september 2020

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaken tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Justitieel Complex [locatie] te [plaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 september 2020.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. J.H. van der Meij, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.C. van Megen, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlasteleggingen

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij

ten aanzien van zaak A:

op of omstreeks 31 augustus 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een fles Pinot Grigio, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan Albert Heijn B.V., gelegen aan de [adres], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

ten aanzien van zaak B:

1.

op of omstreeks 15 juni 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, twee, althans één of meer blikjes bier, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan het winkelbedrijf Albert Heijn, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.

op of omstreeks 15 juni 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten lokaal, te weten een winkel gelegen aan de [adres], in gebruik bij (het winkelbedrijf) AH To Go, althans bij een ander of anderen dan bij hem, verdachte, welk binnendringen bestond uit het betreden van die winkel tegen de wil van de rechthebbende, immers nadat door of vanwege de rechthebbende aan hem, verdachte op 6 juni 2020 een besluit om hem, verdachte, de toegang tot die/dat winkelbedrijf te ontzeggen voor de duur van 24 maanden, was uitgereikt.

3 Waardering van het bewijs

3.1

De standpunten

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van alle drie ten laste gelegde feiten, namelijk twee diefstallen en een overtreding van een winkelverbod.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de in zaak B, onder 2 ten laste gelegde overtreding van het winkelverbod en van de in zaak A ten laste gelegde diefstal.

3.2

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in zaak B, onder 2 ten laste gelegde feit en spreekt hem daarvan vrij. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit de stukken niet blijkt of het winkelverbod daadwerkelijk aan verdachte is uitgereikt en dat er onvoldoende bewijs is om aan te nemen dat verdachte op de hoogte was van het winkelverbod.

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de in zaak A en in zaak B, onder 1 ten laste gelegde diefstallen. De rechtbank overweegt ten aanzien van de diefstal in zaak A in het bijzonder dat uit het dossier is gebleken dat verdachte in de Albert Heijn een fles wijn, die van het merk Pinot Grigio bleek te zijn, onder zijn jas heeft gedaan en zonder deze te betalen de winkel heeft verlaten. Toen verdachte zag dat de beveiliger naar hem toe kwam, heeft hij de fles aan een man naast hem gegeven, maar dit neemt niet weg dat verdachte de fles wijn heeft gestolen. Hij heeft deze immers aan het zicht van de winkel onttrokken en onder zijn heerschappij gehad.

3.3

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van zaak A:

op 31 augustus 2020 te Amsterdam een fles Pinot Grigio, dat toebehoorde aan Albert Heijn B.V., gelegen aan de [adres], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

ten aanzien van zaak B:

1.

op 15 juni 2020 te Amsterdam twee blikjes bier, die toebehoorden aan het winkelbedrijf Albert Heijn, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

4 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

7.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van 2 jaren. De officier van justitie heeft ter onderbouwing van haar vordering betoogd dat verdachte een verslaafde veelpleger is met veel recidive, dat verdachte ondanks de hem geboden hulp blijft stelen en dat hij voldoet aan alle voorwaarden voor oplegging van de ISD-maatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft als strafmaatverweer primair naar voren gebracht dat niet wordt voldaan aan de harde criteria voor oplegging van de ISD-maatregel, omdat één van de zaken die meegeteld wordt voor de harde criteria, de zaak is waarvoor hij al eerder een ISD-maatregel kreeg opgelegd. Bovendien zijn niet alle feiten die worden meegeteld onherroepelijk en geëxecuteerd. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet wordt voldaan aan de zachte criteria voor de ISD-maatregel, omdat aan verdachte na zijn vorige ISD-maatregel niet de nodige hulp en passende begeleiding op de juiste plek zijn geboden. De raadsvrouw heeft benadrukt dat verdachte gemotiveerd is voor een klinische opname en dat een voorwaardelijke ISD-maatregel met bijzondere voorwaarden toereikend is.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de ISD-maatregel kan worden opgelegd en heeft bij de beslissing tot het opleggen van die maatregel gelet op de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen, beide uit de supermarkt Albert Heijn. Winkeldiefstallen zijn hinderlijke strafbare feiten die veel schade en overlast bezorgen aan de winkels die worden bestolen. Daar heeft verdachte met zijn gedrag aan bijgedragen.

De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte zoals die tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van het Leger des Heils, Jeugdbescherming & Reclassering van 4 september 2020, opgemaakt door A. Neslo.

Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

Verdachte staat geregistreerd als zeer actieve veelpleger die reeds twee keer de onvoorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd heeft gekregen, te weten in 2011 en in 2015. Hij voldoet wederom aan de criteria om de ISD-maatregel opgelegd te krijgen.

Gebleken is dat verdachte een man is met een verstandelijke beperking en een alcoholproblematiek, hetgeen van invloed is op zijn delictgedrag. Het is hem in de loop der jaren niet gelukt om stabiliteit in zijn leefomstandigheden te realiseren ter voorkoming van recidive.

Diverse interventies binnen een voorwaardelijk strafdeel hebben tot op heden ook niet geleid tot recidivemindering of stabilisatie. Binnen het huidige reclasseringstoezicht inzake het parketnummer 13-245031-19 blijkt dat verdachte zich onvoldoende heeft gehouden aan zijn meldplicht en bijzondere voorwaarden. Dit maakt dat een ambulant hulpverleningstraject stagneert dan wel niet van de grond komt. Het ontbreekt verdachte vooralsnog aan huisvesting, een structureel inkomen, een dagbesteding en een steunend sociaal netwerk. Bij verdachte lijkt sprake te zijn van een grote mate van onmacht, wat bijdraagt aan delictgedrag. Ook ontbreekt het hem aan intrinsieke motivatie gericht op gedragsverandering, waardoor het recidiverisico onverminderd hoog blijft. Kort na zijn schorsing uit voorlopige hechtenis is verdachte gerecidiveerd.

Verdachte blijkt niet meer gemotiveerd te zijn voor een klinische opname en voor een reclasseringstoezicht. Daarom is een onvoorwaardelijke ISD-maatregel onvermijdelijk, ook al als dit enkel zal dienen ter bescherming van de maatschappij. Binnen een ISD-maatregel kan verdachte alsnog gemotiveerd worden voor een klinische opname. Bij een veroordeling adviseren wij een onvoorwaardelijke ISD-maatregel.

Om het recidiverisico te doen verminderen, is het noodzakelijk dat verdachte een adequate intensieve behandeling ondergaat binnen een strak juridisch kader met structuur in een gesloten setting. Het opstellen van een adequaat begeleidingsplan, waarin aandacht besteed wordt aan alle criminogene factoren, in het kader van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel heeft momenteel meer kans van slagen. Het is echter raadzaam dat in het begintraject van de ISD maatregel duidelijkheid komt over de ernst van middelenproblematiek en dat er psychologisch onderzoek wordt verricht, zodat er ten behoeve van de extramurale fase een gedegen plan van aanpak kan worden opgesteld. Indien verdachte zich binnen de ISD-setting niet meewerkend opstelt dan zal de ISD-maatregel enkel ter bescherming van de maatschappij dienen.

Ter terechtzitting van 11 september 2020 heeft de rechtbank toezichthouder en reclasseringswerker M. Palatta, verbonden aan het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering te Amsterdam, als deskundige gehoord. Hij heeft naar voren gebracht dat het toezicht van verdachte niet goed is verlopen, dat het niet mogelijk is afspraken met verdachte te maken omdat hij ze niet nakomt en dat hij niet te bereiken is voor de reclassering. De deskundige heeft benadrukt dat er hard is gewerkt door de reclassering om verdachte de juiste hulp en begeleiding te bieden en dat voor hem huisvesting was geregeld in de vorm van dag- en nachtopvang, maar dat verdachte een paar dagen later weer in delictgedrag verviel en dat verdachte, wanneer hij vastzit, van alles belooft, maar zodra hij weer vrij is, niks met de reclassering te maken wil hebben en weer in de gevangenis belandt. Verdachte is niet alleen verslaafd, maar ook beperkt in zijn geestelijke vermogens. Ambulante behandeling van die problematiek zal daarom niet lukken. Volgens de deskundige is daarvoor het strakke kader van de ISD-maatregel nodig.

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel justitiële documentatie van

8 september 2020 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de pleegdatum van het laatst gepleegde feit, te weten 31 augustus 2020, meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf/maatregel, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen/maatregelen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte weer een misdrijf zal begaan. Dat een van de veroordelingen van verdachte al heeft meegeteld bij de oplegging van een eerdere ISD-maatregel, maakt niet dat deze in de onderhavige zaak niet weer kan worden meegeteld, zoals door de raadsvrouw is betoogd.

Blijkens het voornoemde strafblad van verdachte is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.

Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten. Zoals uit het reclasseringsrapport en de verklaring van de deskundige blijkt, heeft verdachte voldoende kansen gekregen in het hulpverleningskader, maar heeft tot nu toe niets geholpen om hem van zijn delictgedrag te weerhouden. De problematiek van verdachte en de overlast die hij veroorzaakt zijn dermate omvangrijk, dat alleen een klinische behandeling in het kader van de ISD-maatregel als oplossing overblijft en tot vermindering van recidive kan leiden.

De rechtbank ziet daarom geen reden om deze maatregel niet op te leggen en zal de officier van justitie in haar vordering volgen.

Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak B onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A en in zaak B onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.3 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het in zaak A en in zaak B onder 1 bewezen geachte:

telkens: diefstal.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,

mrs. F. Dekkers en R.J. Bartels, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F. Coşkun, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 september 2020.

mr. Bartels is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.