Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4768

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-08-2020
Datum publicatie
01-10-2020
Zaaknummer
13/118145-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het voorhanden hebben van een vuurwapen, het aanwezig hebben van hoeveelheden hard- en softdrugs en witwassen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/118145-20 (Promis)

Datum uitspraak: 24 augustus 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres 1],

gedetineerd in “Justitieel Complex [locatie]” te [plaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 augustus 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R.W. van Zanten en van wat verdachte en zijn raadsman mr. B. Hartman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij op 30 april 2020 in Amsterdam:

1. een vuurwapen en/of twee patronen voorhanden heeft gehad;

2. een geldbedrag van (ongeveer) € 4.795,- heeft witgewassen;

3. een hoeveelheid van (ongeveer) 127,41 gram hasj opzettelijk aanwezig heeft gehad;

4. een hoeveelheid van (ongeveer) 5,25 gram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.

De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage (bijlage I) die aan dit vonnis is gehecht.

3 Het oordeel van de rechtbank

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt dat alle feiten bewezen kunnen worden. Er is een hoeveelheid van 122,2 gram hasj, een hoeveelheid van 4,08 gram cocaïne en een (omgebouwd) revolver met daarin twee patronen bij verdachte aangetroffen. Verdachte heeft deze feiten bekend. Ook zat in de schoudertas van verdachte een geldbedrag van € 4.795,-. De verklaring van verdachte over de mogelijke legale herkomst van dit geldbedrag is niet verifieerbaar gebleken of aannemelijk geworden. Daarom kan ook het witwassen worden bewezen, aldus de officier.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van witwassen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat een geldbedrag van € 1.595,- in de dagen voorafgaand aan de aanhouding van verdachte van zijn bankrekening is opgenomen nadat zijn salaris en Wajong-uitkering waren gestort. Dit wordt gestaafd door de transactiegegevens. Een bedrag van € 3.200,- is cash geld afkomstig uit de nalatenschap van de oma van verdachte. Zijn moeder heeft hem verzocht dit geld af te storten en om daarmee onderdelen van de begrafenis van zijn oma te betalen. Deze verklaring is voldoende concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Dat de moeder van verdachte niet als getuige kon worden gehoord omdat zij niks met de zaak te maken wil hebben, mag niet tot de conclusie leiden dat de verklaring niet verifieerbaar is. Er is dus geen sprake van een situatie waarbij het niet anders kan zijn dan dat het geld van enig misdrijf afkomstig moet zijn.

Verdachte heeft het onder feit 1, 3 en 4 ten laste gelegde bekend. De raadsman heeft ten aanzien van die feiten geen bewijsverweren gevoerd.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

Inleiding

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 30 april 2020 kregen verbalisanten van collega’s in burger te horen dat een aantal personen in wisselende samenstelling plaatsnam in een geparkeerd staand voertuig ter hoogte van de Schinkelkade te Amsterdam. De gedragingen gaven aanleiding om deze personen te controleren. In het betreffende voertuig, een VW Golf met kenteken [kenteken], zaten [persoon 1] als bestuurder, [persoon 2] als bijrijder voorin en verdachte als bijrijder achterin. Uit de politiesystemen kwam naar voren dat verdachte recent voorkwam met betrekking tot vuurwapenbezit en meerdere antecedenten had op het gebied van handel in drugs. Dat, tezamen met de eerdere waarnemingen van de collega’s in burger, maakte dat verbalisanten het vermoeden kregen dat verdachte zich mogelijk met andere inzittenden schuldig maakte aan overtreding van de Opiumwet. Hierop is overgegaan tot fouillering. In de rechterjaszak van verdachte werden een blok vermoedelijk hasj, een klein blokje vermoedelijk hasj, een klein wit blokje vermoedelijk cocaïne, een weegschaaltje en een vuurwapen aangetroffen. Verbalisant [verbalisant] zag dat de schoudertas van verdachte, die open stond, vol zat met contant geld en dat dit een groot geldbedrag betrof. Dit bleek een geldbedrag van € 4.795,- te zijn, bestaande uit voornamelijk 50 euro biljetten en daarbij nog coupures van 20, 10 en 5 euro.

3.3.2

Feit 1, feit 3 en feit 4

3.3.2.1 Het voorhanden hebben van het vuurwapen (feit 1)

Nader onderzoek naar het onder verdachte aangetroffen en inbeslaggenomen vuurwapen, heeft uitgewezen dat het een (omgebouwd) revolver van het merk BBM, type Olympic 38 betreft, waarmee kaliber .22 long rifle munitie kan worden verschoten. In het vuurwapen bleken twee .22 long rifle patronen aanwezig. Verdachte heeft op de zitting bekend dat hij dit vuurwapen en de patronen voorhanden heeft gehad. De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde dan ook bewezen.

3.3.2.2 Het voorhanden hebben van de drugs (feit 3 en feit 4)

De in de jaszak van verdachte aangetroffen verdovende middelen zijn in het laboratorium nader onderzocht. Uit de rapporten blijkt dat de blokjes hasj een nettogewicht hadden van 97,5 en 26,7 gram. Dat maakt totaal 124,2 gram. Het blokje met een nettogewicht van 4,08 gram bevat cocaïne. Gelet op het voorgaande en de bekennende verklaring van verdachte op de zitting, acht de rechtbank het onder 3 en 4 tenlastegelegde bewezen.

Omdat verdachte de feiten 1, 3 en 4 heeft bekend en de raadsman ten aanzien van deze feiten geen vrijspraak heeft bepleit, kan ingevolge artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van deze feiten worden volstaan met een opgave van de gebruikte bewijsmiddelen die zijn opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht. Gelet op de standpunten van de officier van justitie en de raadsman, is het niet nodig dit oordeel nader te motiveren.

3.3.3

Feit 2 (witwassen)

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis, eerste lid, onder a Sr opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, toch bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat – het niet anders kan zijn dan dat – het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.

De rechtbank overweegt als volgt. De omstandigheden waaronder het geldbedrag onder verdachte is aangetroffen – de hoogte van het bedrag, contant en in coupures van 50, 20, 10 en 5 euro, in een schoudertasje, terwijl bij verdachte verder hasj, cocaïne en een weegschaaltje zijn aangetroffen – rechtvaardigen zonder meer het vermoeden dat dit geld een illegale herkomst heeft. In dat geval mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp een legale herkomst heeft.

Verdachte heeft over de herkomst van het geldbedrag een aantal verklaringen afgelegd. Verdachte heeft € 3.200,- tot € 3.300,- van zijn moeder gekregen om dit bedrag op zijn rekening te storten om kosten van de begrafenis van zijn oma van te betalen. Dat geld had hij sinds donderdag in zijn bezit (de rechtbank begrijpt donderdag 30 april 2020). Bij de politie heeft hij verklaard dat dit geld van zijn moeder is. Enkele dagen na het politieverhoor heeft verdachte bij de rechter-commissaris verklaard dat dit geld uit de nalatenschap van zijn oma afkomstig is. Op de vraag van de rechter-commissaris waarom het geld op zijn rekening moest, heeft hij verklaard dat zijn moeder dat vroeg. De rest van het geld was van hemzelf en heeft hij, nadat zijn salaris en Wajong-uitkering op zijn rekening waren gestort, gepind. Het geld van zijn Wajong-uitkering heeft hij op 23 april 2020 gepind.

De rechtbank waardeert de verklaring van verdachte dat hij een deel van het geldbedrag heeft gepind na storting van zijn salaris en Wajong-uitkering, als voldoende concreet, verifieerbaar en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk. Het openbaar ministerie heeft terecht nader onderzoek verricht naar de banktransacties van verdachte. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 29 juni 2020 dat hierover is opgemaakt, leidt de rechtbank af dat verdachte op 23 april 2020 een bedrag van € 1.000,- heeft opgenomen, nadat op diezelfde dag zijn Wajong-uitkering van € 1.013,96 is gestort.1 Van deze € 1.000,- kan naar het oordeel van de rechtbank daarom niet worden vastgesteld dat het niet anders kan zijn dan dat dit geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – uit enig misdrijf afkomstig is. In zoverre kan niet worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen en wordt hij hiervan vrijgesproken.

Voor wat betreft het resterende geldbedrag ziet de rechtbank dit anders. Verdachte heeft het openstaande bedrag aan begrafeniskosten op geen enkele wijze nader kunnen specificeren of onderbouwen. Verdachte heeft bovendien wisselend verklaard over of dit geld van zijn moeder is, of dat het cash geld uit de nalatenschap van zijn oma betreft. Uit het onderzoek ter zitting is verder gebleken dat verdachte een periode geen (of geen goed) contact had met zijn moeder. De moeder van verdachte heeft desgevraagd geweigerd om een verklaring af te leggen. Zij verklaarde absoluut niets met de zaak te maken willen hebben. Mede gelet op de eerdere slechte verhouding tussen verdachte en zijn moeder en haar reactie op het verzoek om als getuige te worden gehoord, vindt de rechtbank het niet aannemelijk dat zijn moeder hem een relatief groot geldbedrag heeft gegeven om te bewaren of om af te storten, terwijl overigens ook onvoldoende is gebleken waarom zij dit geldbedrag niet op haar eigen rekening zou kunnen storten, of eventuele begrafeniskosten niet zelf zou kunnen voldoen. Verdachte heeft met zijn verklaring ten aanzien van het geldbedrag van € 3.795,- het witwasvermoeden niet ontzenuwd. Er bestond voor het openbaar ministerie onvoldoende aanleiding tot het verrichten van nader onderzoek. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat dit geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – uit enig misdrijf afkomstig is. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. De rechtbank acht het witwassen van een geldbedrag van

€ 3.795,- bewezen.

Gelet op het voorgaande, wordt het voorwaardelijke verzoek van de raadsman om de moeder van verdachte als getuige te horen, afgewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

1. op 30 april 2020 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver (omgebouwd), van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22 LR en twee patronen, type loden projectiel, kaliber .221r, voorhanden heeft gehad;

2. op 30 april 2020 te Amsterdam 3.795,00 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist, dat voornoemd geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf;

3. op 30 april 2020 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 124,2 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj);

4. op 30 april 2020 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 4,08 gram van een materiaal bevattende cocaïne.

De taal- en/of schrijffouten die in de tenlastelegging stonden, zijn verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast vordert hij de oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, te weten: een meldplicht en het houden aan voorwaarden, meewerken aan verdiepingsdiagnostiek, ambulante behandeling en begeleid wonen of maatschappelijke opvang.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd dan 5 maanden, zodat verdachte op tijd in vrijheid kan worden gesteld om de geboorte van zijn tweede kind bij te kunnen wonen. Deze straf kan worden gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld de voorwaarden zoals voorgesteld door de reclassering. Verdachte heeft immers een duidelijke hulpvraag en wil daadwerkelijk gedragsverandering teweeg brengen. Verdachte ziet in dat hij structuur en begeleiding nodig heeft om dat te kunnen bewerkstelligen. Naast een gevangenisstraf met een voorwaardelijk deel, kan eventueel nog een langdurige taakstraf worden opgelegd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Hiermee heeft verdachte een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen doen ontstaan. Tegen vuurwapenbezit wordt dan ook krachtig opgetreden. Ook heeft verdachte hasj en cocaïne voorhanden gehad. Deze drugs zijn voor de volksgezondheid schadelijke stoffen. Ook heeft verdachte een geldbedrag witgewassen. Het witwassen van criminele gelden vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het witwassen van crimineel geld werkt bovendien het voortbestaan van verschillende vormen van criminaliteit in de hand, omdat witwassen het gebruik van uit criminaliteit verkregen inkomsten mogelijk maakt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de afspraken die rechtbanken onderling hebben gemaakt over de hoogte van de op te leggen straffen voor deze feiten. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de Amsterdamse oriëntatiepunten inzake straffen voor vuurwapenbezit, die hoger zijn dan de landelijke afspraken. De rechtbank vindt het meedragen van een wapen en ook nog eens in de openbare ruimte in een dichtbevolkte stad als Amsterdam, onacceptabel. Bij dit gedrag geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden. De straf kan worden verhoogd in het geval er sprake is van strafverzwarende omstandigheden. In dit geval weegt de rechtbank als strafverhogende factoren mee dat verdachte blijkens zijn strafblad eerder voor vuurwapenbezit is veroordeeld, dat er patronen in het vuurwapen aanwezig waren en dat verdachte het vuurwapen binnen handbereik, in zijn jaszak, bij zich droeg.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op een reclasseringsadvies van 10 juli 2020 betreffende verdachte. Uit dit rapport volgt onder meer dat, hoewel het gezien het delictverleden van verdachte de vraag is of hij zijn gedragspatronen (ook voor de lange termijn) kan veranderen, de reclassering een ingang ziet om verdachte te begeleiden binnen een reclasseringstoezicht. Daarbij vindt de reclassering het nodig dat wordt onderzocht of sprake is van onmacht. De reclassering adviseert oplegging van een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, het zich houden aan aanwijzingen, meewerken aan verdiepingsdiagnostiek, ambulante behandeling en begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij open staat voor begeleiding en behandeling door de reclassering. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om een deel van de straf in voorwaardelijke vorm op te leggen.

Gelet op de omstandigheden van dit geval, waaronder de hierboven vermelde strafverhogende omstandigheden, en andere vergelijkbare zaken in ogenschouw nemend, acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor langere duur onontkoombaar. Het voorstel van de raadsman voor de strafoplegging, doet onvoldoende recht aan de aard en de ernst van deze feiten. Alles afwegende, acht de rechtbank een gevangenisstraf, voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk zullen worden opgelegd met een proeftijd van 2 jaren en daarbij algemene voorwaarden en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

7.4

Beslag

Onder verdachte zijn verschillende voorwerpen in beslag genomen. Deze staan op een beslaglijst die als bijlage (bijlage III) aan dit vonnis is gehecht.

Verbeurdverklaring

Omdat een deel van het geldbedrag aan verdachte toebehoort en met betrekking tot dit voorwerp het onder feit 2 bewezen geachte is begaan, wordt het geldbedrag tot de hoogte van het bewezenverklaarde bedrag, te weten € 3.795,-, verbeurd verklaard (nr. 1 t/m 4). Het onder verdachte aangetroffen weegschaaltje (nr. 10) behoort hem toe. Met behulp hiervan is het onder feit 3 bewezen geachte voorbereid. Ook dit voorwerp wordt verbeurd verklaard.

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank zal de inbeslaggenomen revolver (nr. 8) en twee stuks munitie (nr. 9) onttrekken aan het verkeer, omdat het onder feit 1 bewezen geachte met betrekking tot deze voorwerpen is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. De inbeslaggenomen munitie (nr. 6) en het pistool (nr. 7), worden op diezelfde gronden onttrokken aan het verkeer.

Teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 1.000,- (nr. 1).

Bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van het geldbedrag van € 1.600,- (nr. 5).

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en de maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 57, 420bis van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Ten aanzien van feit 2:

witwassen

Ten aanzien van feit 3:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven

verbod

Ten aanzien van feit 4:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. Meldplicht

Verdachte meldt zich binnen 3 werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering

Nederland op het adres [adres 2]. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

2. Andere voorwaarden het gedrag betreffende

Verdachte houdt zich aan de aanwijzingen die de reclasseringsinstelling hem geeft.

3. Meewerken aan verdiepingsdiagnostiek

Verdachte zal meewerken aan verdiepingsdiagnostiek gericht op een onderzoek naar zijn verstandelijke vermogens en zijn persoonlijkheid. Dit verdiepingsonderzoek kan worden verricht door Inforsa of een soortgelijke instelling. Verdachte werkt tevens mee aan de hieruit mogelijk voortvloeiende indicaties voor aanvullende ondersteunende (behandel-)gesprekken.

4. Ambulante behandeling

Verdachte laat zich behandelen door Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

5. Begeleid wonen en maatschappelijke opvang

Verdachte verblijft in HVO Querido of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

Geeft aan reclassering Nederland (Leger des Heils) de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn ook dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Verklaart verbeurd:

  • -

    2.950 EUR van het totaal van 3.950 EUR (5913708) (nr. 1)

  • -

    400 EUR (5913709) (nr. 2)

  • -

    430 EUR (5913712) (nr. 3)

  • -

    15 EUR (5913714) (nr. 4)

  • -

    1 STK Weegschaal (5913730) (nr. 10)

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

  • -

    1 DV Munitie (5913780) (nr. 6)

  • -

    1 STK Pistool (5913777, merk: ekol) (nr. 7)

  • -

    1 STK Revolver (5913677) (nr. 8)

  • -

    2 STK Munitie (5913683) (nr. 9)

Gelast de teruggave aan verdachte van:

1.000 EUR van het totaal van 3.950 EUR (5913708) (nr. 1)

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

1.600 EUR (5913795) (nr. 5)

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. N.J. Koene en F.W. Pieters, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. van Breukelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 augustus 2020.

[...]

1 [...]

[...]

[...]

1 Zie het proces-verbaal van bevindingen van 29 juni 2020 met nummer PL1300-2020090525-104, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar] met bijlagen.