Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4748

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
13/997019-19, 13/741041-17 (TUL) en 23/001740-16 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Betreft vonnis in onderzoek 26Wheeling (criminele organisatie).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/997019-19, 13/741041-17 (TUL) en 23/001740-16 (TUL)

Datum uitspraak: 28 september 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres]

.

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9, 11 en 12 maart 2020 en 16 en 17 juni 2020. Het onderzoek is gesloten ter terechtzitting van 28 september 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. B.C. Niks en Z. Trokic1, en van wat verdachte en zijn de raadsman, mr. J.B. van Faassen, naar voren hebben gebracht.

2 Inleiding

2.1

Megazaak, politieonderzoek en verdachten

Deze zaak vloeit voort uit het politieonderzoek 26Wheeling.

Het onderzoek 26Wheeling ziet – kort samengevat – op voertuigcriminaliteit, witwassen, valsheid in geschrift, voorbereiding van ontploffing/brandstichting en moord,

en een met deze feiten samenhangende criminele organisatie.

In het onderzoek 26Wheeling zijn (onder meer) de volgende personen als verdachte in beeld gekomen.

- [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] );

- [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] );

- [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] );

- [verdachte] (hierna: verdachte);

- [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] );

- [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] );

- [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] );

- [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7] ).

De zaken tegen de hiervoor genoemde verdachten zijn door de rechtbank als een zogenoemde megazaak behandeld. Daarbij zijn ook de zaken tegen nog eens drie verdachten in een aanverwant politieonderzoek (13Puurs) behandeld. Verdachte [verdachte] is in dat onderzoek niet als verdachte in beeld gekomen.

2.2

Beschuldiging tegen verdachte

Verdachte wordt naar aanleiding van het onderzoek 26Wheeling beschuldigd van twee strafbare feiten:

- deelneming aan een criminele organisatie, die tot oogmerk had het plegen van (gekwalificeerde) diefstallen, heling, witwassen, valsheid in geschrift en voorbereiding van ontploffing/brandstichting en moord, in de periode van 1 december 2017

tot en met 8 april 2019;

- ( (mede)plegen van diefstal van een auto (BMW 5-serie) op 4 februari 2019.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten en oplegging van een gevangenisstraf van 254 dagen, met aftrek van voorarrest, gevorderd.

5 Vrijspraak

De rechtbank acht, met de raadsman, de ten laste gelegde feiten niet bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Ten aanzien van feit 2, de diefstal van de auto, BMW 5-serie met kenteken [kenteken] , op 4 februari 2019 (ZD11)

Uit het dossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting komt naar voren dat verdachte een rol heeft gehad bij de ten laste gelegde diefstal van de auto (BMW 5-serie), met origineel kenteken [kenteken] (hierna: de BMW5) op 4 februari 2019. Verdachte is met [medeverdachte 1] in de VW Polo van [medeverdachte 1] naar de plek gereden waar de BMW 5 was geparkeerd. Hij wist dat [medeverdachte 1] die BMW5 wilde stelen. De rechtbank acht bewezen dat [medeverdachte 1] deze auto ook heeft weggenomen. Na deze diefstal is verdachte met de VW Polo teruggereden en is [medeverdachte 1] met de BMW5 weggereden. De rechtbank stelt vast dat verdachte geen rol heeft gehad bij de uitvoering van de diefstal. Evenmin blijkt uit het dossier dat hij bij de voorbereiding van de diefstal betrokken was of dat hij na de diefstal op enig moment over de BMW 5 heeft beschikt. Dit is in lijn met de verklaring van verdachte dat hij [medeverdachte 1] slechts een slinger heeft gegeven. De rechtbank vindt, anders dan de officier van justitie, niet dat de rollen van verdachte en [medeverdachte 1] uitwisselbaar zijn. De bijdrage van verdachte bij de diefstal is niet van voldoende gewicht geweest om te kunnen spreken van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking gericht op het plegen van het strafbare feit, dat dit medeplegen oplevert. Verdachte was behulpzaam bij de door [medeverdachte 1] gepleegde diefstal. Zijn handelingen zijn daarom te kwalificeren als medeplichtigheid bij de diefstal. Dit is echter niet aan hem ten laste gelegd. De rechtbank spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde medeplegen van de diefstal.

Ten aanzien van feit 1, de deelneming aan een criminele organisatie

Voor een veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Sr, moet – kort gezegd - worden vastgesteld dat sprake is geweest van een organisatie, dat die organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat de verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen. Het opzet van de verdachte moet zijn gericht op het deelnemen aan de organisatie. Voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

De rechtbank acht bewezen dat binnen de ten laste gelegde periode sprake was van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr, die tot oogmerk had het plegen van voertuigcriminaliteit in brede zin: stelen en helen van voertuigen, het plaatsen van gestolen of valse kentekens op die voertuigen. De rechtbank beschouwt [medeverdachte 1] als de leider van deze criminele organisatie. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] hebben, in verschillende rollen, ook aan de criminele organisatie deelgenomen.

De rechtbank merkt verdachte niet aan als deelnemer aan deze criminele organisatie en overweegt daartoe als volgt. Verdachte kan gelet op zijn hiervoor weergegeven rol bij de diefstal van de BMW 5-serie wel in verband worden gebracht met de criminele organisatie. Hij is [medeverdachte 1] , de leider van de organisatie, immers behulpzaam geweest bij het stelen van een auto op 4 februari 2019. Verdachte komt in het dossier daarnaast nog een keer in beeld als degene die een slinger geeft bij het stelen van een auto. Dat is in september 2018. Ook erkent verdachte dat hij weleens heeft meegepraat over het stelen van een auto. Dat komt ook naar voren in het dossier, zij het slechts incidenteel. Verdachte ontkent dat hij van het bestaan van een criminele organisatie heeft geweten. De raadsman heeft er in dit verband op gewezen dat verdachte een deel van de medeverdachten al heel lang kent uit zijn sociale netwerk en met hen ook wel eens sprak over het plegen van strafbare feiten.

Al met al zijn naar het oordeel van de rechtbank de handelingen van verdachte die in verband kunnen worden gebracht met de criminele organisatie zeer beperkt. De rechtbank concludeert daarom, en bij gebrek aan ander bewijs, dat onvoldoende is komen vast te staan dat hij wetenschap had van de organisatie en het criminele oogmerk daarvan. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van deelneming aan een criminele organisatie.

6 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordelingen

De officier van justitie heeft op 11 maart 2020 in de zaken met parketnummers 13/741041-17 en 23/001740-16 vorderingen tot tenuitvoerlegging van (gedeeltelijk) voorwaardelijk opgelegde straffen ingediend. De inhoudelijke behandeling van de strafzaak – het onderzoek ter terechtzitting – was toen al aangevangen, namelijk op 9 maart 2020. De raadsman is van mening dat de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen. De rechtbank passeert dit verweer. De verdediging is in deze zaak, waarbij de inhoudelijke behandeling is verspreid over meerdere zittingsdagen gedurende een langere periode, namelijk voldoende in de gelegenheid geweest een standpunt te bepalen inzake de vorderingen. De rechtbank zal de vorderingen wel afwijzen gelet op de vrijspraak van de in de strafzaak ten laste gelegde en aan de vorderingen ten grondslag gelegde feiten.

7 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende:

- voorwerp 2 op de beslaglijst (van 20 mei 2020).

Wijst af de vorderingen tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordelingen in de zaken met parketnummers 13/741041-17 en 23/001740-16.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.A. Spoel, voorzitter,

mrs. M.A.E. Somsen en I. Mannen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 september 2020.

1 In het vervolg zullen zij gezamenlijk worden aangeduid als ‘de officier van justitie’.