Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4744

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
13/997042-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft vonnis in onderzoeken 13Puurs (brandstichting bij het Telegraafgebouw) en 26Wheeling (criminele organisatie).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/997042-18

Datum uitspraak: 28 september 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] ,

[woonplaats] ,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “ [naam] ” te [plaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9, 11 en 12 maart 2020, 1 april 2020, 16 en 25 juni 2020 en 17 augustus 2020. Het onderzoek is gesloten ter terechtzitting van 28 september 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. B.C. Niks en Z. Trokic1, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.W.E. Luiten, naar voren hebben gebracht.

2 Inleiding

2.1

Megazaak, politieonderzoeken en verdachten

Deze zaak vloeit voort uit twee politieonderzoeken, genaamd 26Wheeling en 13Puurs.

Het onderzoek 26Wheeling ziet – kort samengevat – op voertuigcriminaliteit, witwassen, valsheid in geschrift, voorbereiding van ontploffing/brandstichting en moord, en een met deze feiten samenhangende criminele organisatie.

Het onderzoek 13Puurs ziet – kort samengevat – op de brandstichting bij het gebouw waarin Mediahuis NL BV, voorheen Telegraaf Media Groep BV, is gevestigd (hierna: Telegraafgebouw) en daarmee samenhangende feiten.

In het onderzoek 26Wheeling zijn (onder meer) de volgende personen als verdachte in beeld gekomen.

- [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] );

- [verdachte] (hierna: [verdachte] of verdachte);

- [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] );

- [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] );

- [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] );

- [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] );

- [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] );

- [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7] ).

In het onderzoek 13Puurs zijn (onder meer) de volgende personen als verdachte in beeld gekomen:

- [medeverdachte 1] ;

- [verdachte] ;

- [medeverdachte 2] ;

- [medeverdachte 8] (hierna: [medeverdachte 8] );

- [medeverdachte 9] (hierna: [medeverdachte 9] );

- [medeverdachte 10] (hierna: [medeverdachte 10] ).

De zaken tegen de hiervoor genoemde – in totaal elf – verdachten zijn door de rechtbank als een zogenoemde megazaak behandeld.

2.2

Beschuldiging tegen [verdachte]

Verdachte wordt naar aanleiding van het onderzoek 26Wheeling beschuldigd van drie strafbare feiten:

- deelneming aan een criminele organisatie, die tot oogmerk had het plegen van (gekwalificeerde) diefstallen, heling, witwassen, valsheid in geschrift en voorbereiding van ontploffing/brandstichting en moord, in de periode van 1 december 2017

tot en met 8 april 2019;

  • -

    (mede)plegen van heling van een Seat Leon Cupra en kentekenplaten in de periode van 1 mei 2018 tot en met 17 juni 2018;

  • -

    (mede)plegen van diefstal van een BMW 3-serie station in de periode van 25 juli 2018 tot en met 26 juli 2018 (primair) dan wel (mede)plegen van heling van die auto in de periode van 25 juli 2018 tot en met 22 september 2018 (subsidiair).

Verdachte wordt naar aanleiding van het onderzoek 13Puurs beschuldigd van drie strafbare feiten:

  • -

    (mede)plegen van diefstal van een Volkswagen Caddy in de periode van 21 juni 2018 tot en met 22 juni 2018 (primair) dan wel heling van die auto in de periode van 21 juni 2018 tot en met 26 juni 2018 (subsidiair);

  • -

    (mede)plegen van het teweeg brengen van een ontploffing dan wel brandstichting bij/in het Telegraafgebouw op 26 juni 2018 (primair) dan wel medeplichtigheid daarbij/daartoe in de periode van 25 juni 2018 tot en met 26 juni 2018 (subsidiair);

  • -

    (mede)plegen van opzettelijke brandstichting door een Audi in brand te steken op 27 juni 2018 (primair) dan wel medeplichtigheid daarbij/daartoe in de periode van 25 juni 2018 tot en met 27 juni 2018 (subsidiair).

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Bewijs

De rechtbank zal eerst de feiten in het onderzoek 26Wheeling bespreken en daarna de feiten in het onderzoek 13Puurs.

4.1

Standpunt van de officier van justitie inzake 26Wheeling

De officier van justitie acht de in onderzoek 26Wheeling onder 4, 5 en 82 primair ten laste gelegde feiten bewezen, respectievelijk:

  • -

    het deelnemen aan een criminele organisatie, die tot oogmerk had het plegen van gekwalificeerde diefstallen, heling, witwassen en valsheid in geschrift;

  • -

    medeplegen met [medeverdachte 1] van heling van een Seat Leon Cupra;

  • -

    medeplegen met [medeverdachte 1] van diefstal van een BMW 3-serie station.

De officier van justitie heeft gemotiveerd uiteengezet waarom hij tot de conclusie komt dat bewezen kan worden dat er sprake is geweest van een criminele organisatie zoals omschreven in de tenlastelegging.

Bewezen kan worden, aldus de officier van justitie, dat verdachte deelnemer is van de organisatie. Hij is niet de gehele periode van de tenlastelegging in beeld, maar als hij in beeld is, dan ook meteen prominent. Verdachte was min of meer de rechterhand van [medeverdachte 1] . Ze hadden onderling veel contact. Ze gingen samen vaak naar de garageboxen waar gestolen voertuigen in staan. Verdachte is daar ook alleen geweest en hij beschikte over een sleutel. Bij het verlaten van de garage plaatste verdachte triggers op de garagedeur. Hij leverde met [medeverdachte 1] een gestolen auto af in Woerden. Er zijn aanwijzingen dat verdachte bij meer helingen/diefstallen was betrokken dan er op zijn dagvaarding staan. Verdachte was in de positie om anderen aan te sturen. Verder neemt verdachte samen met [medeverdachte 1] deel aan observaties van personen. Dit alles bij elkaar is naar oordeel van het OM ruim voldoende om hem als deelnemer maar net onvoldoende om hem aan te merken als leider van de organisatie; wat in het dossier van hem zichtbaar is geworden, verschilt daarvoor net teveel met de zichtbare positie van [medeverdachte 1] .

4.2

Standpunt van de raadsman inzake 26Wheeling

Verdachte heeft zijn betrokkenheid bij de afzonderlijke feiten in het onderzoek 26Wheeling en de criminele organisatie met klem ontkend. De raadsman heeft betoogd dat verdachte van alle ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van de criminele organisatie heeft de raadsman daartoe onder meer het volgende naar voren gebracht. Verdachte en [medeverdachte 1] waren voorafgaand aan en binnen de tenlastegelegde periode vrienden, maar uit vriendschap en vele contacten in dat kader blijkt echter niet van wetenschap en instemming met eenzelfde oogmerk. Het oogmerk in de zin van artikel 140 Sr behelst het naaste doel, datgene wat ieder van de personen in de vaste kern zich afzonderlijk als direct gewild doel voorstelt. Voorwaardelijk opzet is onvoldoende, er zal moeten worden bewezen dat er een gemeenschappelijk direct gewild doel was, bij zowel verdachte als [medeverdachte 1] : zij moeten er beiden mee bekend zijn, het beiden direct willen en dat in een zekere structuur en duurzaamheid willen doen.

Verdachte komt in het gros van de zaken in het onderzoek Wheeling niet voor. [medeverdachte 1] komt zelfstandig voor in zaken waarbij voertuigen worden gestolen of geheeld zonder dat verdachte daarin voor komt of een rol van betekenis heeft. En ook in de contacten over de garageboxen (valsheid in geschrifte) of kentekens (idem: valsheid in geschrifte) komt alleen [medeverdachte 1] voor. En dat wijst dus niet op een organisatorisch verband.

De rol van verdachte is niet prominent te noemen en grosso modo schittert hij door afwezigheid: verdachte komt in 2 van de 15 zaaksdossiers voor, zijn rol daarbinnen is niet prominent, hij wordt ‘slechts’ in zaaksdossier 02, 03 en 05 bij de garageboxen gezien, bij hem wordt geen inbrekersgereedschap aangetroffen, hij komt via de taps of OVC-gesprekken niet voorbij als iemand die zich conformeert aan het plegen van diefstallen of helingen van voertuigen. Niet kan worden gesteld dat er tussen verdachte en [medeverdachte 1] een gemeenschappelijk direct gewild doel was om op een duurzame gestructureerde wijze in organisatorisch verband diefstallen en helingen te plegen.

Het oogmerk valsheid in geschrifte ziet overwegend op zaaksdossier 12. Daarin komt verdachte niet als verdachte naar voren: niet in de zin dat hij valse kentekens voorhanden heeft gehad en kentekens heeft verwisseld en/of wetenschap had van de wijze waarop de garageboxen waren gehuurd. Er blijkt ook niet dat verdachte wetenschap had over de manier waarop de garageboxen werden gehuurd. Laat staan dat verdachte zich daaraan conformeerde en dat als een gewild doel had.

Van het oogmerk op witwassen of gewoontewitwassen en het verrichten van voorbereidingshandelingen die zien op moord en/of brandstichting blijkt niet.

Voor betrokkenheid van verdachte bij de tenlastegelegde diefstal van een BMW ontbreekt volgens de raadsman bewijs. Voor de subsidiair tenlastegelegde heling daarvan, alsmede voor de heling van een Seat Cupra en kenteken platen, heeft de raadsman kort gezegd aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de criminele herkomst hiervan.

4.3

Oordeel van de rechtbank inzake 26Wheeling

De rechtbank acht in het onderzoek 26Wheeling bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, maar niet dat hij de oprichter, leider of bestuurder van die organisatie was, welke strafverzwarende omstandigheid hem wel ten laste is gelegd (feit 4). Daarnaast acht de rechtbank bewezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen met [medeverdachte 1] van opzetheling van een Seat Leon Cupra en kentekenplaten (feit 5) en van een BMW 3-serie station (feit 8 subsidiair). Het stelen van de BMW 3-serie station kan niet worden bewezen (feit 8 primair).

De rechtbank zal hieronder eerst de feiten 5 en 8 bespreken, daarna feit 4 en eindigen met de vrijspraak en bewezenverklaring.

Feit 5, Opzetheling van een auto, Seat Leon Cupra (ZD02)

Op 20/21 februari 2018 is de Seat Leon Cupra met voertuigidentificatienummer (VIN) [nummer] , met origineel kenteken [kenteken] , gestolen, zo blijkt uit de aangifte van de heer [naam 1] , gedaan namens de eigenaar van de auto.3

Tijdens een inkijk in de garagebox aan de [adres garagebox] op 3 mei 2018 treft de politie een Seat Leon Cupra, voorzien van kentekenplaat met kentekennummer [kenteken] , aan. Het VIN, behorend bij de gestolen Seat met origineel kenteken [kenteken] , wordt op deze auto waargenomen door de politie.4

[medeverdachte 1] en verdachte worden bij observaties van de box aan de [adres garagebox] op 8, 9, 12, 13, 15, 16 en 17 juni 20185 samen gezien. Ze zijn onder meer bezig met het verwijderen en opnieuw plaatsen van autobanden. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een keer heeft geholpen met banden wisselen en dat hij moest helpen met de banden van de Seat af te halen.6 Uit het dossier blijkt dat verdachte op 12 juni 2018 met [medeverdachte 1] belt en hem vraagt of hij ‘ze’ toch wel heeft opgehaald.7 Verdachte heeft ter zitting erkend dat hij hier spreekt over de banden en verklaard dat hij dat alleen vroeg om te kijken of hij het misschien tussendoor kon doen.8 Verdachte probeert met zijn verklaring over zijn betrokkenheid bij de banden zijn rol bewust klein te maken, is de indruk van de rechtbank. Verder valt op dat zowel [medeverdachte 1] als verdachte zogenoemde triggers plaatsen bij de box. De verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij daarbij alleen [medeverdachte 1] nadeed, ziet de rechtbank als een verder voorbeeld van de manier waarop verdachte telkens zijn rol klein probeert te maken. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hem is gevraagd op 17 juni 2018 in de VW Polo van [medeverdachte 1] naar Woerden te rijden, om vervolgens [medeverdachte 1] terug naar Amsterdam te rijden. Bij observaties bij de box in Amstelveen op 17 juni 2018 ziet de politie [medeverdachte 1] en verdachte samen bij de box. [medeverdachte 1] rijdt weg in de Seat Leon. Op de voorzijde van de Seat Leon zit op dat moment het kenteken [kenteken] bevestigd.9 De politie ziet [medeverdachte 1] en verdachte later op 17 juni 2018 ook samen in Woerden. Eerst ziet de politie dat de Seat Leon voorzien van kenteken [kenteken] is geparkeerd in Woerden. De politie ziet [medeverdachte 1] naar het terrein van een tankstation lopen en even later komt de VW Polo van [medeverdachte 1] dat terrein oprijden met verdachte als bestuurder. De VW Polo rijdt even later weg met [medeverdachte 1] en verdachte erin.10

Op grond van het voorgaande kan worden bewezen dat [medeverdachte 1] en verdachte nauw en bewust hebben samengewerkt bij het klaar maken voor aflevering van de Seat op 17 juni 2018 en bij die aflevering zelf. Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat de Seat was gestolen. De rechtbank acht echter wel bewezen dat verdachte wist dat de Seat van misdrijf afkomstig was. Hij plaatste, net als [medeverdachte 1] , immers triggers bij de garagebox toen de Seat in die box was gestald. Dat was kennelijk nodig omdat die Seat daar heimelijk, want van misdrijf afkomstig, werd gestald. Voor die wetenschap bij verdachte vindt de rechtbank ook van belang dat zij bewezen acht dat verdachte samen met [medeverdachte 1] op 22 juni 2018 betrokken was bij een diefstal van een voertuig (feit 3, 13Puurs) en op 27 juli 2018 bij heling van een voertuig (feit 8, 26Wheeling). De rechtbank zal dat hierna nog nader toelichten. Dat verdachte binnen een korte periode betrokken was bij meerdere gestolen voertuigen duidt er ook op dat verdachte zich bewust bezig hield met voertuigcriminaliteit en dus ook wist van de criminele herkomst van de Seat. Het medeplegen van opzetheling door [medeverdachte 1] en verdachte in de vorm van het voorhanden hebben en overdragen van de gestolen Seat acht de rechtbank dan ook bewezen.

Naast de heling van de Seat is ook heling van de kentekenplaten [kenteken] en [kenteken]11 en [kenteken] ten laste gelegd. De eerst- en laatstgenoemde kentekenplaten zijn waargenomen op de Seat, zoals hiervoor al is weergegeven, op momenten dat ook verdachte daar is gezien. De kentekenplaat [kenteken] is los aangetroffen in de box in Amstelveen.12 Alle drie de kentekenplaten zijn afkomstig uit een reeks van gestolen blanco kentekenplaten.13 De rechtbank acht in het licht van het voorgaande ook bewezen dat [medeverdachte 1] en verdachte zich samen schuldig hebben gemaakt aan opzetheling van de kentekenplaten die op de Seat zijn waargenomen. [medeverdachte 1] wordt daarnaast ook schuldig bevonden aan opzetheling van de kentekenplaat die los is aangetroffen in de box in Amstelveen. De rechtbank ziet voor de wetenschap van verdachte ten aanzien van (de herkomst van) die kentekenplaat onvoldoende aanwijzingen.

De raadsman heeft in het kader van dit feit een voorwaardelijk verzoek tot het horen van [medeverdachte 1] als getuige gedaan. Dat verzoek is gegrond op de veronderstelling van de officier van justitie dat verdachte het kenteken [kenteken] heeft bevraagd, welke veronderstelling zou zijn gebaseerd op ZD02, bijlagen, pag. 106. De rechtbank gebruikt deze veronderstelling niet voor het bewijs. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan het nemen van een beslissing op het voorwaardelijke verzoek van de raadsman.

Feit 8 (ZD05)

Op 26 juli 2018 doet de heer [naam 2] aangifte van diefstal van zijn BMW 3-serie met kenteken [kenteken] . Hij verklaart dat zijn auto tussen 25 juli 2018 18:00 uur en 26 juli 2018 10:30 uur moet zijn gestolen.14

Op camerabeelden bij de box in Amstelveen is te zien dat [medeverdachte 1] en verdachte op 26 juli 2018 omstreeks 01:59 uur naar de box lopen, dat [medeverdachte 1] de deur opent, dat ze beiden naar binnen lopen en na enkele minuten weer naar buiten lopen.15 Verder is te zien dat verdachte op 27 juli 2018 omstreeks 01:08 uur de box opent, naar binnen gaat en de deur dicht doet. Omstreeks 01:12 uur komt een donkerkleurige stationwagen aanrijden, vermoedelijk een BMW. Verdachte opent de garagedeur en de stationwagen rijdt naar binnen. Als de auto naar binnen is gereden, sluit verdachte de garagedeur. Omstreeks 01:26 uur wordt de garagedeur geopend en komt verdachte samen met [medeverdachte 1] naar buiten. Nadat [medeverdachte 1] de garagedeur heeft dichtgedaan, is te zien dat verdachte iets aan de rechterzijde van de deur stopt, vermoedelijk triggers. Verder is te zien dat [medeverdachte 1] iets aan de linkerzijde van deur stopt, vermoedelijk ook triggers.16 Op camerabeelden is te zien dat [medeverdachte 1] op 12 augustus 2018 en 19, 20, 21 en 22 september 2018 naar de box in Amstelveen gaat. Op 22 september 2018 rijdt [medeverdachte 1] een BMW stationwagen uit de garagebox en laat deze achter op de [adres garagebox] .17 Op 22 september 2018 sleept de politie het voertuig af en stelt vast dat het de op 25/26 juli 2018 gestolen BMW 3-serie met kenteken [kenteken] is.18

Uit het voorgaande blijkt dat [medeverdachte 1] zo’n 24 uur na de diefstal de gestolen BMW de box in rijdt en dat verdachte daar ook bij betrokken is. Uit het dossier kan ook worden opgemaakt dat de bakengegevens van de VW Polo van [medeverdachte 1] en de telefoon van verdachte ten tijde van de diefstal in de buurt van de plek van de diefstal uitpeilen. Uit tapgesprekken volgt verder dat [medeverdachte 1] en verdachte toen samen waren.

De rechtbank vindt, anders dan de officier van justitie en met de raadsman, voormelde gegevens onvoldoende om te bewijzen dat [medeverdachte 1] met verdachte de BMW heeft weggenomen. In dat verband is van belang dat verdachte de diefstal heeft ontkend. Verder is de BMW gestolen vlakbij de woning van [medeverdachte 1] . De peilbakengegevens moeten ook in dat licht worden bekeken en hoeven er dus niet zonder meer op te wijzen dat [medeverdachte 1] en verdachte de auto hebben gestolen. Verder is de BMW niet direct na de diefstal naar de box in Amstelveen gereden. Dat is pas zo’n 24 uur later gebeurd, door [medeverdachte 1] . Dit laat de reële mogelijkheid open dat de auto is weggenomen door iemand anders dan [medeverdachte 1] en/of verdachte en dat de auto vervolgens aan [medeverdachte 1] is overgedragen. Gezien het voorgaande acht de rechtbank de primair ten laste gelegde diefstal niet bewezen.

Wel kan opzetheling van de BMW door [medeverdachte 1] en verdachte worden bewezen. De rechtbank acht bewezen dat [medeverdachte 1] de BMW voorhanden heeft gehad van het moment van het inrijden in de box op 27 juli 2018 tot het moment van het uitrijden van de box en achterlaten op de [adres garagebox] op 21 september 2018. Verdachte heeft op 27 juli 2018 de auto ook enige tijd tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] voorhanden gehad. Er is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking bij het de box in rijden van de BMW, zoals hiervoor weergegeven. Die samenwerking blijkt ook uit de omstandigheid dat [medeverdachte 1] en verdachte de nacht ervoor ook al samen bij de box waren. Ook verdachte moet hebben geweten dat de BMW van misdrijf afkomstig was. Hij plaatst immers ook triggers bij de deur van de box. Verder was hij al eerder betrokken bij diefstal van een voertuig met [medeverdachte 1] en heling van de Seat samen met [medeverdachte 1] . Zoals hiervoor al besproken, is genoegzaam gebleken dat verdachte bewust bezig was met voertuigcriminaliteit.

Feit 4 deelneming aan een criminele organisatie(ZD00)

Beoordelingskader

Voor een veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie moet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een organisatie, dat die organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat de verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen. Er moet sprake zijn van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.

Voor ‘deelneming’ aan de organisatie is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet vereist is dat hij wetenschap heeft van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd of dat zijn opzet is gericht op het plegen van die misdrijven, ook niet wanneer het gaat om misdrijven van uiteenlopende aard. De verdachte hoeft niet bij meerdere misdrijven van de organisatie betrokken te zijn geweest. Het gaat er immers niet om of zijn opzet was gericht op het plegen van (meer) misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (reeds binnen de organisatie gepleegde) misdrijven, maar of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het opzet van de verdachte moet dus zijn gericht op het deelnemen aan de organisatie. Volgt uit de bewijsvoering dat de verdachte een aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie bijdragende of ondersteunende handeling heeft verricht, dan ligt daarin zijn wetenschap met betrekking tot dat oogmerk besloten. Volgt daarentegen uit de bewijsvoering slechts dat de verdachte voor deelnemers van een criminele organisatie hand- en spandiensten heeft verricht zonder dat daaruit kan worden afgeleid dat hij daarbij handelde in de wetenschap dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, dan staat daarmee niet vast dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat die organisatie bedoeld oogmerk had en levert het handelen van de verdachte geen deelneming aan een criminele organisatie op.

Bestaan criminele organisatie

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen aan de hand van het hiervoor weergegeven beoordelingskader vast dat in de aan verdachte ten laste gelegde periode (van 1 december 2017 tot en met 8 april 2019), sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, bestaande uit twee of meer personen, die tot oogmerk had het plegen van diefstallen, heling en valsheid in geschrifte. Deelnemers aan deze organisatie waren in ieder geval [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] en tussen hen was sprake van een zekere rolverdeling. Ook [medeverdachte 6] heeft gedurende een periode deelgenomen aan deze criminele organisatie. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

[medeverdachte 1] was de leider van deze organisatie en was ook betrokken bij de uitvoering van strafbare feiten waar het oogmerk van de criminele organisatie op was gericht. De rechtbank acht namelijk bewezen dat [medeverdachte 1] in de periode van 13 maart 2018 tot en met 2 februari 2019 drie keer een voertuig heeft gestolen19en zes keer een voertuig geheeld.20 Daarnaast blijkt uit het dossier dat hij contact had met alle hierna te bespreken deelnemers aan de organisatie.

Uit de genoemde bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 1] gestolen en geheelde voertuigen stalde in garageboxen in Amersfoort, Amstelveen en Zaandam en dat kentekenplaten van de voertuigen werden vervangen door gestolen dan wel vervalste kentekenplaten.

[medeverdachte 1] huurde die boxen van [medeverdachte 5] .21De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 5] bij de verhuur een katvanger22 heeft gebruikt. Uit het gebruik van die katvanger leidt de rechtbank af dat hij wist dat [medeverdachte 1] de boxen ging gebruiken voor criminele activiteiten en [medeverdachte 5] om die reden wilde verhullen dat hij degene was die de boxen (onder)verhuurde. De wetenschap van [medeverdachte 5] dat de boxen werden gebruikt voor criminele activiteiten blijkt ook uit door [medeverdachte 5] met [medeverdachte 2] gevoerde WhatsApp-gesprekken in augustus en september 2018 en april 2019.23 De gesprekken gaan over criminele activiteiten met betrekking tot voertuigen, zo concludeert de rechtbank. Het opzet van [medeverdachte 5] op het deelnemen aan de criminele organisatie is daarmee voldoende gebleken.

Voor [medeverdachte 2] geldt dat hij een rol speelde bij het regelen van de boxen voor [medeverdachte 1] . Hij was op een gegeven moment tussenpersoon tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] .24 Uit de gesprekken tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] leidt de rechtbank af dat hij het vertrouwen genoot van [medeverdachte 1] en dat hij op de hoogte was van de activiteiten van [medeverdachte 1] op het gebied van het helen en stelen van voertuigen en het stallen in boxen. In dit verband zijn van belang telefonische gesprekken tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 19 juli 201825, 20 juli 201826, 23 juli 201827, 14 augustus 201828, 19 augustus 201829 en 3 november 201830 en gesprekken op 27 oktober 201831, 17 februari 201932 en 1 maart 201933 tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (en een onbekende man) in de VW Polo van [medeverdachte 1] . In die gesprekken doet [medeverdachte 2] bijvoorbeeld suggesties over te stelen auto’s en levert op die manier een bijdrage aan de criminele activiteiten van de organisatie. Uit zijn rol bij het regelen van de boxen blijkt dat het niet alleen bij gesprekken is gebleven. De rechtbank acht de rol van [medeverdachte 2] , mede gelet op de relatief lange duur dat hij in beeld komt, van voldoende gewicht om hem als deelnemer aan de criminele organisatie aan te merken.

De rechtbank merkt verder [medeverdachte 6] aan als deelnemer aan deze criminele organisatie. Hij heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan opzetheling van een voertuig, waarbij hij heeft samengewerkt met [medeverdachte 1] .34 [medeverdachte 6] heeft daarmee bijgedragen aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Hoewel deze feiten in een relatief korte periode zijn gepleegd, vindt de rechtbank de rol van [medeverdachte 6] wel groot en duurzaam genoeg om hem als deelnemer aan de organisatie aan te merken. Voor zijn opzet op het deelnemen aan de criminele organisatie is van belang dat hij wist dat [medeverdachte 1] zich structureel bezig hield met voertuigcriminaliteit: niet alleen was [medeverdachte 1] betrokken bij de door [medeverdachte 6] verrichte handelingen met de voertuigen, ook wist [medeverdachte 6] dat [medeverdachte 1] de beschikking had over garageboxen en dat daarin de gestolen voertuigen werden gestald.

Oogmerk

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het oogmerk van de organisatie in ieder geval was gericht op het plegen van voertuigcriminaliteit: het stelen en helen van voertuigen en, door het plaatsen van gestolen of valse kentekens op die voertuigen, valsheid in geschrift.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat het oogmerk van de organisatie daarnaast ook was gericht op voorbereidingshandelingen voor brandstichting, ontploffing en/of moord, (gewoonte)witwassen en andere vormen van valsheid in geschrift. In het dossier wordt op basis van diverse onderzoeksresultaten de verdenking geuit dat bij de organisatie, in ieder geval bij [medeverdachte 1] , bekend was dat de kans zeer wel aanwezig was dat de door de organisatie gestolen en geheelde auto’s bestemd waren voor zware, georganiseerde criminaliteit. De rechtbank laat echter in het midden hoe daar tegen aan moet worden gekeken, nu hoe dan ook niet is gebleken van voldoende bewijs dat andere deelnemers dat oogmerk van voorbereidingshandelingen voor brandstichting, ontploffing en moord, deelden of daar wetenschap van hadden. Daarmee valt al de grondslag weg voor bewijs voor een criminele organisatie met dat oogmerk.

Ten aanzien van de deelneming van verdachte

De rechtbank merkt ook verdachte aan als deelnemer aan die organisatie. Zoals hierboven is uiteengezet acht de rechtbank bewezen dat verdachte twee opzethelingen van voertuigen heeft gepleegd, waarbij hij heeft samengewerkt met [medeverdachte 1] . Daarnaast gaat hij met [medeverdachte 1] mee naar verschillende boxen waar gestolen auto’s in staan, zoals bij de hiervoor genoemde helingen. Hij plaatst net als [medeverdachte 1] triggers bij de boxen.35Bij hem thuis zijn onder andere een gps tracker en een SD kaart gevonden waarop de politie (verwijderde) beelden heeft aangetroffen van de gevel van een wooncomplex. De politie brengt deze voorwerpen in verband met een observatie op [slachtoffer] . Verdachte heeft ter terechtzitting van 12 maart 2020 verklaard dat deze spullen die bij hem thuis zijn aangetroffen in een tas zaten en dat die uit de box aan de [adres garagebox] moest worden gehaald.36 Nu [medeverdachte 1] die box huurde, gaat de rechtbank er vanuit dat hij verdachte heeft gevraagd de tas mee naar huis te nemen. Niet is gebleken dat verdachte betrokken was bij de door de politie veronderstelde observatie. Wel beschouwt de rechtbank deze voorwerpen als spullen die belastend zijn voor de eigenaar en daarom niet zomaar in vreemde handen moeten komen. Dat verdachte deze voorwerpen heeft meegekregen, onderstreept naar het oordeel van de rechtbank het vertrouwen dat hij bij [medeverdachte 1] genoot.

Ook maken [medeverdachte 1] en verdachte gebruik van elkaars telefoon.37 Uit getapte gesprekken blijkt dat verdachte zelfstandig auto’s huurt voor en op naam van [medeverdachte 1] .38 Verdachte heeft dit ter terechtzitting bevestigd.39 Niet blijkt dat hij hierbij aansturing krijgt van [medeverdachte 1] , in tegenstelling tot andere personen in het dossier. Dat hij (met [medeverdachte 1] ) oprichter, leider of bestuurder was van de organisatie is echter onvoldoende gebleken, zodat de rechtbank hem daarvan zal vrijspreken.

Slotsom

De rechtbank spreekt verdachte vrij van feit 8 primair.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 4

in de periode van 1 december 2017 tot en met 8 april 2019 te Amsterdam en/of Amstelveen en/of Zaandam en/of Utrecht, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie,

bestaande uit hem, verdachte en andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- het plegen van (gekwalificeerde) diefstallen (als bedoeld in artikel 311 Wetboek van Strafrecht) en

- het plegen van opzetheling (als bedoeld in artikel 416 Wetboek van Strafrecht) en

- valsheid in geschrift en/of opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift en/of opzettelijk een vals of vervalst geschrift afleveren en/of voorhanden hebben (met betrekking tot valse en/of vervalste kentekenplaten (als bedoeld in artikel 225 lid 1 en lid 2 Wetboek van Strafrecht);

ten aanzien van feit 5

in de periode van 1 mei 2018 tot en met 17 juni 2018 te Amstelveen en/of Woerden tezamen en in vereniging met een ander

- een personenauto (merk: Seat Leon Cupra met voertuigidentificatienummer [nummer] ) en

- kentekenplaten met de kentekens [kenteken] en [kenteken]

voorhanden heeft gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen of overdragen wisten dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

ten aanzien van feit 8 subsidiair

op 27 juli 2018 te Amstelveen tezamen en in vereniging met een ander een auto (BMW 3-serie station) met kenteken [kenteken] voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het hiervoor bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals die hiervoor zijn weergegeven. In de voetnoten is verwezen naar de vindplaats in het dossier. Het betreft telkens wettige bewijsmiddelen.

4.4

Standpunt van de officier van justitie inzake 13Puurs

De officier van justitie acht de in het onderzoek 13Puurs onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten bewezen, respectievelijk:

  • -

    het tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 9] opzettelijk een ontploffing teweegbrengen en brand stichten bij/in het Telegraafgebouw en beschadigen/vernielen van het Telegraafgebouw, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

  • -

    het medeplegen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 2] van de ontploffing/brandstichting van een Audi, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

  • -

    het medeplegen met [medeverdachte 1] van diefstal van een Volkswagen Caddy.

4.5

Standpunt van de raadsman inzake 13Puurs

De raadsman heeft vrijspraak van alle feiten ten aanzien van het onderzoek 13Puurs op de tenlastelegging bepleit. De raadsman heeft daarbij in de kern aangevoerd dat de bewijsredenering van de officier van justitie instabiel is, en dat de schuld van verdachte niet buiten redelijke twijfel kan worden aangetoond door de onderzoeksresultaten.

4.6

Oordeel van de rechtbank inzake 13Puurs

De rechtbank acht in het onderzoek 13Puurs bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid tot brandstichting bij en beschadiging van het Telegraafgebouw (feit 1 subsidiair) en medeplegen met [medeverdachte 1] van diefstal van een Volkswagen Caddy (feit 3 primair). Bij feit 1 acht de rechtbank de primair ten laste gelegde medeplegen variant niet bewezen en ook strafbare betrokkenheid bij het in brand steken van de Audi (feit 2) acht de rechtbank niet bewezen.

De rechtbank zal een en ander hierna motiveren en eindigen met de vrijspraak en bewezenverklaring.

Vaststaande feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten, die ook niet worden betwist.

Op 26 juni 2018 even voor 4 uur ’s nachts rijdt een Volkswagen Caddy (hierna: de Caddy) tot tweemaal toe tegen de pui van het Telegraafgebouw aan de [adres Telegraafgebouw] . Een man stapt uit de Caddy, opent de achterdeur van de auto en gooit iets naar binnen. Hierdoor vliegt de Caddy in brand. In de Caddy zijn later meerdere versmolten jerrycans aangetroffen.40 De brand slaat over naar het Telegraafgebouw en goederen in het gebouw.41 Door die brand, en doordat de Caddy door de centrale toegangspui het gebouw deels binnen is gereden, ontstaat forse schade aan het gebouw.42 Op het moment van de brand is één beveiliger in het gebouw aanwezig. Hij ziet de gebeurtenissen via camerabeelden en slaat direct alarm, maar raakt niet gewond.

De Caddy blijkt een paar dagen eerder, in de nacht van 22 juni 2018, te zijn gestolen uit de Saaftingestraat in Amsterdam.43 Op de camerabeelden van de momenten kort voor de brand op 26 juni 2018 is te zien dat de Caddy komt aanrijden over de Basisweg. Vóór de Caddy rijdt dan een zwarte auto die het fietspad oprijdt en daar met gedoofde lichten blijft staan. De Caddy komt er naast staan. Er lijkt even contact te zijn tussen de beide bestuurders en daarna rijdt de Caddy het terrein van de Telegraaf op. Nadat de bestuurder van de Caddy de auto in brand heeft gestoken, rent hij naar de zwarte auto en stapt in aan de passagierskant. De zwarte auto rijdt weg.44

Die zwarte auto blijkt een Audi te zijn, die op dat moment het kenteken [kenteken] draagt.45 Diezelfde Audi wordt de volgende nacht (27 juni 2018) uitgebrand aangetroffen op een parkeerplaats aan de Noordkaperweg in Amsterdam Noord, waar meerdere voertuigen geparkeerd stonden.46 De bus die naast de Audi stond heeft schade aan het rubber bij de deuren, zo vertelt de bewoner van [adres bewoner] .47 In de Audi worden meerdere jerrycans aangetroffen.48 De Audi is een Audi RS5 en is in maart van dat jaar gestolen in Woerden.49 Uit het politieonderzoek dat direct na de brand start, blijkt dat de Audi kort tevoren, op 18 en 19 juni 2018, in België is geweest50 en in de avond van 25 juni 2018 door [medeverdachte 9] vanuit Breda naar Amsterdam is gereden.51

Identiteit van de daders; aard van het bewijsmateriaal

Verdachte heeft iedere betrokkenheid bij de brandstichting en de daarmee samenhangende feiten ontkend.

Het onderzoek 13Puurs heeft geen direct bewijs opgeleverd over de identiteit van degenen die verantwoordelijk zijn voor de brandstichting bij het Telegraafgebouw, de diefstal van de Caddy en het in brand steken van de Audi in Amsterdam Noord. Zo is op de Caddy, de Audi en bij het gebouw van de Telegraaf geen forensisch bewijs gevonden, zoals vingerafdrukken of DNA, dat valt te herleiden tot een bepaalde verdachte. De getuigen die zijn gehoord hebben niemand herkend en geen namen genoemd en het is niet mogelijk gebleken aan de hand van de beschikbare camerabeelden vast te stellen wie de bestuurder van de Caddy is. Verder zijn de diefstal van de Caddy en de brandstichting in de Audi niet gefilmd.

Wel heeft het politieonderzoek veel indirecte informatie opgeleverd, bijvoorbeeld in de vorm van telecomgegevens, gegevens van peilbakens en afgeluisterde telefoongesprekken en camerabeelden. Veel van die informatie is afkomstig uit het onderzoek 26Wheeling, dat al enige maanden liep toen het onderzoek 13Puurs startte.

Identiteit van de daders; conclusies van de officier van justitie

[medeverdachte 1] , verdachte, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] worden door de officier van justitie als medeplegers verantwoordelijk gehouden voor de brandstichting bij het Telegraafgebouw op 26 juni 2018. [medeverdachte 1] en verdachte worden daarnaast verantwoordelijk gehouden voor het medeplegen van de diefstal van de Caddy op 22 juni 2018, die is gebruikt bij de brandstichting bij het Telegraafgebouw. Voor het op 27 juni 2018 in brand steken van de Audi RS5, zijnde de vluchtauto bij de brandstichting bij het Telegraafgebouw, worden [medeverdachte 1] , verdachte, [medeverdachte 8] en [medeverdachte 2] als medeplegers verantwoordelijk gehouden. [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] worden door de officier van justitie verantwoordelijk gehouden voor het medeplegen van opzetheling van de Audi op 25 juni 2018, voorafgaand aan de brandstichting bij het Telegraafgebouw. De officier van justitie komt tot die conclusies op basis van zijn uitleg van de onderzoeksgegevens. Die uitleg is door de officier van justitie ook in de vorm van een audiovisuele presentatie op zitting getoond. Daarin zijn conclusies getrokken over de toedracht, die de officier van justitie op basis van de samenhang tussen de onderzoeksresultaten aannemelijk vindt.

Identiteit van de daders; de beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie veel van zijn conclusies baseert op telecomgegevens. In dat verband is van belang, met uitzondering van [medeverdachte 8] , de verdachten in 13Puurs niet hebben betwist dat zij gebruik hebben gemaakt van de telefoonnummers die de politie aan hen heeft toegeschreven. De rechtbank vindt dat de politie voldoende heeft onderbouwd dat [medeverdachte 8] inderdaad de gebruiker is van het telefoonnummer eindigend op [nummer] . De rechtbank gaat dan ook uit van de toeschrijvingen van telefoonnummers door de politie. Bij de weergave van gesprekken in het dossier is veelal ook vermeld dat de deelnemers aan die gesprekken door stemherkenning zijn geïdentificeerd. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het telefoonnummer eindigend op [nummer] , dat de politie aan hem heeft toegeschreven, van hem is.52

Huur van achtereenvolgens Kona en Peugeot in de periode van 21 tot 28 juni 2018

[medeverdachte 1] huurt van 21 tot 28 juni 2018 een auto. Eerst een felblauwe Hyundai Kona met kenteken [kenteken] die op 22 juni 2018 wordt ingewisseld voor een grijze Peugeot 208 met kenteken [kenteken] .53 De eigen VW Polo van [medeverdachte 1] staat in die week geparkeerd in de buurt van zijn huis op de [adres 1] en verplaatst zich in die week sporadisch en alleen in de directe omgeving van die straat.54 Bij het huren van de Kona en het wisselen van die Kona voor een Peugeot 208 is verdachte nauw betrokken. Weliswaar staan de gehuurde auto’s op naam van [medeverdachte 1] , maar verdachte heeft meermalen telefonisch contact met autoverhuurbedrijven over het type auto dat gehuurd moet worden en hij maakt uiteindelijk de afspraak om een Hyundai Kona op te halen op 21 juni 2018. Verdachte noemt zich in die gesprekken [medeverdachte 1] .55 Verdachte heeft dit ter terechtzitting erkend.56 De rechtbank vindt deze manier van handelen opvallend. Als de kleur van de Kona niet blijkt te bevallen, belt verdachte met het verhuurbedrijf om een andere auto te vragen.57 Verdachte belt op 21 juni 2018 ook met de telefoon van [medeverdachte 1] . Hij stelt zich dan voor met zijn eigen naam [verdachte] . Dat vindt de rechtbank opvallend, gelet op de verklaring van verdachte dat hij zich in gesprekken rond de huur van de auto [medeverdachte 1] noemde om verwarring bij het verhuurbedrijf te voorkomen. Verdachte vraagt het autoverhuurbedrijf in dit gesprek dan heel specifiek om een VW Polo.58 De rechtbank vindt ook dat opvallend, omdat [medeverdachte 1] op dat moment immers zelf een VW Polo heeft, die de hele week staat geparkeerd in de buurt van zijn huis. De Kona wordt uiteindelijk op 22 juni 2018 omgeruild voor een Peugeot 208.59

[medeverdachte 1] betrokken bij brandstichting vluchtauto Audi op 27 juni 2020

De rechtbank gelooft niet dat [medeverdachte 1] de Kona en de Peugeot 208 gedurende die week alleen heeft gehuurd om een onschuldige reden zoals hij zelf heeft gezegd, namelijk om mee te showen. Deze verklaring valt niet te rijmen met de informatie uit het dossier. Zo blijkt dat die Peugeot 208 precies op het moment dat de Audi RS5 midden in de nacht op de Noordkaperweg in brand wordt gestoken op 27 juni 2018, daar aanwezig is.60 Ondanks zeer uitgebreid politieonderzoek komen er geen andere auto’s in beeld die in verband kunnen worden gebracht met die brandstichting, dan de door [medeverdachte 1] gehuurde Peugeot 208. Een getuige die vlak voor de brand op de parkeerplaats aan de Noordkaperweg is, verklaart dat hij daar toen mogelijk iemand heeft zien bewegen achter de bestelbus die naast de Audi stond geparkeerd.61 In het vonnis tegen [medeverdachte 1] heeft de rechtbank, mede vanwege de ontwijkende en daarmee kennelijk verhullende verklaring van [medeverdachte 1] ter terechtzitting, [medeverdachte 1] voor deze brandstichting verantwoordelijk gehouden.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte bij dit feit betrokken is, omdat het dossier daarvoor geen bewijs biedt.

Door [medeverdachte 1] gehuurde Peugeot 208 als tweede vluchtauto betrokken bij de brandstichting bij het Telegraafgebouw op 26 juni 2018

De rechtbank leidt verder uit de bewijsmiddelen af dat de door [medeverdachte 1] gehuurde Peugeot 208 ook in de nacht van de brandstichting bij het Telegraafgebouw, dus op 26 juni 2018, bij de Noordkaperweg is geweest. Op 26 juni 2018, om 03:57:59 uur, enkele minuten na de brandstichting bij het Telegraafgebouw, reed de Audi RS5 die als vluchtauto bij die brandstichting is gebruikt, over de Verlengde Stellingweg in Amsterdam Noord.62 Dat is hemelsbreed 50 meter van de parkeerplaats op de Noordkaperweg waar die Audi de volgende nacht in brand is gestoken.63 Dat die Audi daar zo kort na de brand bij het Telegraafgebouw reed, blijkt uit de registratie van de Vialispaal aan de Verlengde Stellingweg. Auto’s die vanaf die kant naar het parkeerterrein op de Noordkaperweg rijden, zijn te zien op camerabeelden van een fitnesscentrum op de Noordkaperweg. Op die beelden is te zien dat om 03:58:26 uur een auto met verhoogde snelheid over de verkeersdrempel rijdt in de richting van de parkeerplaats aan de Noordkaperweg. Gezien de contouren en de kleur van de auto is het heel goed mogelijk dat het een Audi RS5 is.64 Gelet op alle onderzoeksbevindingen en hun onderlinge samenhang, komt de rechtbank tot de conclusie dat dit de Audi RS5 is, die als vluchtauto is gebruikt. Nu de Audi RS5 na 26 juni 2018 te 03:57:59 uur niet meer wordt geregistreerd in het Vialis-systeem en nu getuigen hebben verklaard dat zij de uitgebrande Audi RS5 op 26 juni 2018 ook al op de parkeerplaats aan de Noordkaperweg hebben zien staan65, gaat de rechtbank er vanuit dat deze vluchtauto/Audi RS5 direct na de brandstichting bij het Telegraafgebouw, op de Noordkaperweg is achtergelaten.

Op 26 juni 2018 is kort achter die Audi RS5, om 03:59:12 uur, een donkerkleurige auto te zien op de beelden van het fitnesscentrum.66 Een paar minuten later, om 04:03:58 uur, is een personenauto te zien die de andere kant op rijdt. Gelet op de contouren van de achterkant van die auto, denkt de politie dat het om een Peugeot 208 gaat.67 Uit de Vialisregistratie blijkt dat tussen 03:50 en 04:10 uur die nacht, vier voertuigen vanaf de afrit A10 Amsterdam Noord in zijn gereden. Eén daarvan is de Audi RS5 die als vluchtauto is gebruikt na de brandstichting bij het Telegraafgebouw.68 De andere drie geregistreerde auto’s, geen Peugeots, zijn door de politie niet in verband gebracht met deze zaak. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de auto die om 04:03:58 uur op de beelden van het fitnesscentrum te zien is, niet één van die geregistreerde auto’s is. Dat een auto niet is geregistreerd in het Vialissysteem, wil niet zeggen dat die auto er niet heeft gereden. Zo wordt in Amsterdam alleen de rechterrijstrook bij een cameraopstelling geregistreerd. De Vialispalen die in dit onderzoek van belang zijn, staan allemaal op meerbaanswegen. Dat betekent dat auto’s die zich op een andere rijstrook dan de rechterrijstrook bevinden, niet worden geregistreerd. Ook andere omstandigheden, zoals de vorm van het kenteken, eventuele afscherming achter een vrachtauto of inhaalmanoeuvres, kunnen leiden tot het niet registreren door een Vialispaal van een kenteken dat er wel rijdt.69

De door [medeverdachte 1] gehuurde Peugeot 208 wordt op 26 juni 2018 om 04:11:51 uur geregistreerd door een verkeerscamera op de Cornelis Lelylaan.70 De reistijd met de auto vanaf de Noordkaperweg tot aan dat punt is ongeveer 8 minuten.71 Dit tijdsbestek past naadloos bij het waarnemen op beelden om 04:03:58 uur van een auto (vermoedelijk een Peugeot) komend vanaf de Noordkaperweg en het waarnemen van de door [medeverdachte 1] gehuurde Peugeot 208 op de Cornelis Lelylaan om 04:11:51 uur. Op grond van dit alles gaat de rechtbank er vanuit dat de door [medeverdachte 1] gehuurde Peugeot 208 kort na de brandstichting bij het Telegraafgebouw is weggereden vanaf de Noordkaperweg, waar kort tevoren de Audi RS5 (vluchtauto) is geparkeerd. Kennelijk zijn de inzittenden van de Audi RS5 opgehaald met de Peugeot 208, die daarmee als tweede vluchtauto heeft gefungeerd. De rechtbank wordt in die conclusie gesterkt door de verklaring van [medeverdachte 1] , die als getuige in de zaak tegen verdachte ter zitting heeft verklaard dat het zou kunnen dat hij in de nacht van 25 op 26 juni 2018 in de Peugeot bij de Cornelis Lelylaan zat.72

[medeverdachte 1] en [verdachte] hebben op 22 juni 2018 de Caddy gestolen

Verdachte komt ook in beeld bij de diefstal van de Caddy, waarmee is ingereden op het gebouw van de Telegraaf. De Caddy is gestolen vanuit de Saaftingestraat in Amsterdam, op 22 juni 2018. Dat gebeurde kennelijk om even voor 04:00 uur want om 03:56 uur is de Caddy op camerabeelden te zien, rijdend op de Saaftingestraat, rechts afslaand via de Osdorperban uiteindelijk richting de Ookmeerweg in Amsterdam.73 Uit telecomgegevens blijkt dat [medeverdachte 1] een half uurtje eerder, om 03:18 uur, een telefoonmast aanstraalt in de Saaftingestraat.74 De door [medeverdachte 1] gehuurde Kona bevond zich tussen 03:20 uur en 04:01 uur niet ver van de Saaftingestraat. De Kona verplaatste zich rond 03:56 uur, waarbij de Kona om 03:56:12 uur bij de Cornelis Lelylaan in Amsterdam en om 04:00:56 uur bij de Haarlemmerweg in Amsterdam geregistreerd werd door een verkeerscamera.75 De route van de Kona komt niet overeen met de route die [medeverdachte 1] lijkt te volgen gelet op zijn telefoongegevens. Zijn telefoon straalt om 03:59:37 uur aan bij de Slotermeerlaan in Amsterdam en om 04:07:28 uur bij de Koningsbergerstraat in Amsterdam.76 [medeverdachte 1] belt om 03:59:37 uur met verdachte en regelt dat zij elkaar even later zullen treffen bij de blauwe zone. Verdachte zegt dat hij er al bijna is.77 De telefoon van verdachte straalt dan een zendmast op de Staalmeesterslaan in Amsterdam aan.78 Dat past bij de route die de Kona rijdt. Om 04:07 uur stralen [medeverdachte 1] en verdachte allebei dezelfde zendmast aan de Koningsbergerstraat in Amsterdam aan.79 Dat is nabij de Haarlemmerweg. Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij [medeverdachte 1] bij de blauwe zone heeft ontmoet.80 Tien minuten later, om 04:17:18 uur, belt [medeverdachte 1] met [naam 3] en zegt dat hij morgen naar Europcar moet ‘om die shit te regelen’.81 Uit het dossier blijkt dat verdachte, die zich dan voorstelt als [medeverdachte 1] , die ochtend inderdaad meermalen contact heeft met Europcar om te regelen dat de Kona wordt omgeruild voor een andere auto, omdat hij niet tevreden is over de kleur.82 Dat lukt uiteindelijk, de Kona kan worden geruild voor een Peugeot 208, zoals hiervoor weergegeven. [medeverdachte 1] vertelt dat later ook aan [naam 3] .83 In die nacht, nog voordat de Kona wordt omgeruild, wordt om 05:04 uur de Kona geregistreerd op de Vialislocatie Basisweg.84 Dat is dicht bij het gebouw van de Telegraaf. [medeverdachte 1] is, zo blijkt uit zijn telefoongegevens, dan in de directe omgeving. Hij straalt dan namelijk eerst een zendmast aan op de La Guardiaweg, vanaf 04:58 uur en daarna een zendmast op de Naritaweg, vanaf 05:06 uur.85

Op basis van al deze gegevens komt de rechtbank tot de conclusie dat [medeverdachte 1] vlak vóór de ontmoeting met verdachte bij de blauwe zone niet in de Kona reed, en daarna weer wel. De enige andere persoon die in het dossier naar voren komt in relatie tot de Kona is verdachte. Hij regelt immers de huur van die auto en regelt dat de Kona, de ochtend na de diefstal van de Caddy, wordt omgeruild voor een auto met een minder opvallende kleur. Als de rechtbank al deze informatie in samenhang beschouwt, komt zij tot de conclusie dat verdachte diezelfde nacht direct na de diefstal van de Caddy in de Kona heeft gereden, terwijl [medeverdachte 1] op dat moment niet in de Kona zat. Kennelijk zat [medeverdachte 1] in de Caddy. Dit alles maakt dat de rechtbank [medeverdachte 1] en verdachte samen verantwoordelijk houdt voor de diefstal van de Caddy. Zij zijn samen in de Kona naar de Saaftingstraat gereden, waarna [medeverdachte 1] met de Caddy is weggereden en verdachte met de Kona. Zij ontmoeten elkaar dan bij de blauwe zone, waarna [medeverdachte 1] weer beschikt over de Kona. Hoewel verdachte waarschijnlijk niet de feitelijke wegnemingshandeling heeft verricht, duidt de rechtbank zijn rol wel als medepleger. Dat komt omdat de rechtbank uit de contacten tussen verdachte en [medeverdachte 1] direct voor en na de diefstal, alsmede uit de nauwe bemoeienis van verdachte met het huren van de Kona en het omruilen van de Kona, afleidt dat verdachte als vertrouweling van [medeverdachte 1] van de hoed en de rand wist. Er was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking bij de diefstal van de Caddy. Hun rollen waren inwisselbaar, wat nog wordt onderstreept door het gegeven dat verdachte zich voordoet als [medeverdachte 1] .

De rechtbank kan niet vaststellen of de toegang tot de Caddy tot stand is gekomen door braak of verbreking. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van dat onderdeel van de tenlastelegging.

Verdachte loodst op 25 juni 2018 vluchtauto Audi RS5 naar Amsterdam

Verdachte is ook nadrukkelijk in beeld bij het naar Amsterdam loodsen van de Audi RS5 die als vluchtauto is gebruikt na de brandstichting bij de Telegraaf. Verdachte heeft daarover in de avond van 25 juni 2018 intensief contact met [medeverdachte 9] .86 [medeverdachte 9] heeft vrij kort na zijn aanhouding verklaard dat verdachte hem had gevraagd die Audi op te halen in Breda.87 Verdachte heeft daar veel later, namelijk pas op 5 december 2019 en nadat hij het hele dossier heeft kunnen bestuderen, over verklaard dat iemand hem heeft gevraagd om een auto op te halen, dat hij dat heeft geweigerd en dat [medeverdachte 9] toen zelf heeft aangeboden om de auto op te halen. Verdachte zegt over zijn eigen rol dat hij onbewust een soort tussenpersoon was. De rechtbank hecht geen geloof aan de verklaring die verdachte daarover geeft en gelooft wat [medeverdachte 9] daarover heeft gezegd. Uit de inhoud van de uitgelezen en afgeluisterde contacten komt verdachte duidelijk als sturend richting [medeverdachte 9] naar voren. De inhoud van de communicatie past niet bij het plaatje van verdachte als een willoos werktuig die alleen boodschappen van een ander doorgeeft. Als er nog iemand op de achtergrond bij verdachte aanwezig was zoals hij zelf heeft verklaard, dan moet verdachte het vertrouwen van die persoon hebben gehad en van de bedoelingen met de Audi RS5 hebben geweten, om te kunnen opereren zoals hij heeft gedaan, zoals blijkt uit de communicatie.

Tussenconclusies

De rechtbank stelt vast dat:

  • -

    [medeverdachte 1] op 22 juni 2018 samen met verdachte de Caddy, die is gebruikt bij de brandstichting bij het Telegraafgebouw, heeft gestolen;

  • -

    Verdachte op 25 juni 2018 de Audi RS5, die is gebruikt als vluchtauto bij de brandstichting bij het Telegraafgebouw, naar Amsterdam heeft geloodst;

  • -

    Verdachte, op naam van [medeverdachte 1] , van 21 tot 28 juni 2018 een auto (Kona) heeft gehuurd en vervolgens heeft geregeld dat deze kon worden ingewisseld voor een Peugeot 208;

  • -

    de door [medeverdachte 1] gehuurde Peugeot 208 is gebruikt als tweede vluchtauto bij de brandstichting bij het Telegraafgebouw;

  • -

    [medeverdachte 1] op 27 juni 2018 de Audi RS5, die is gebruikt als vluchtauto bij de brandstichting bij het Telegraafgebouw, in brand heeft gestoken.

Betrokkenheid verdachte bij brandstichting/vernieling Telegraafgebouw op 26 juni 2018

Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte in uitvoerende zin betrokken is geweest bij de brandstichting bij het Telegraafgebouw. Hij heeft wel een belangrijke bijdrage geleverd aan cruciale onderdelen van de voorbereiding daarvan, bestaande uit de diefstal van de Caddy en het naar Amsterdam loodsen van de Audi RS5/vluchtauto. Die Audi RS5 is pas kort voor de brandstichting naar Amsterdam overgebracht en verdachte was als coördinator degene die aan [medeverdachte 9] liet weten waar hij de Audi RS5 naar toe moest brengen. Dit duidt er op dat verdachte ook moet hebben geweten dat hij een bijdrage leverde aan de brandstichting bij het Telegraafgebouw. Ook zijn samenwerking en het nauwe contact met [medeverdachte 1] , die de rechtbank hierna wel als medepleger van de brandstichting zal aanmerken, duidt op die wetenschap. In dat verband is een gesprek dat verdachte op 1 juli 2018 voert met [naam 4] van belang. Verdachte zegt dan: ‘Onze waggie is in beslag genomen’ en ‘Auto gehuurd en hij is in beslag genomen door skotoe.’88 Verdachte heeft het over de door [medeverdachte 1] gehuurde Peugeot 208, die op 28 juni 2018 door [medeverdachte 1] was ingeleverd en daarna door de politie in beslag is genomen, zo stelt de rechtbank vast. [medeverdachte 1] is namelijk over de inbeslagname op 29 juni 2018 gebeld door Europcar.89 Dat verdachte het heeft over ‘onze waggie’ en kennelijk door [medeverdachte 1] op de hoogte was gebracht over de inbeslagname, is illustratief voor de nauwe samenwerking en het nauwe contact tussen verdachte en [medeverdachte 1] in het kader van de brandstichting bij het Telegraafgebouw. Uit het dossier blijkt kortom dat verdachte op cruciale momenten zeer dicht op [medeverdachte 1] zit, en dat zij een zeer regelmatig en op het oog gelijkwaardig contact hebben. Dat gelijkwaardige contact blijkt bij uitstek uit zijn rol bij het huren van de Kona en de Peugeot 208. Omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte in uitvoerende zin betrokken is geweest bij de brandstichting bij het Telegraafgebouw en zijn activiteiten die wel kunnen worden vastgesteld liggen in de voorbereiding en aanloop tot – kort gezegd - die brandstichting, ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten hem als medepleger voor de brandstichting aan te merken. Wel ziet de rechtbank hem als medeplichtig bij die brandstichting, vanwege zijn hiervoor toegelichte coördinerende rol waardoor hij behulpzaam is geweest bij de uitvoering.

Weliswaar acht de rechtbank ook bewezen dat verdachte, door samen met [medeverdachte 1] de Caddy te stelen, behulpzaam is geweest bij het regelen van een auto voor de dader van de brandstichting bij het Telegraafgebouw, maar dit is vóór de ten laste gelegde periode van 25-26 juni 2018 geweest. De rechtbank zal verdachte daarom van dit onderdeel (vierde gedachtestreepje) van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde vrijspreken.

De rechtbank vindt dan ook bewezen dat [verdachte] als medeplichtige opzettelijk behulpzaam is geweest tot de brandstichting/beschadiging bij/van het Telegraafgebouw.

Betrokkenheid [medeverdachte 1] bij brandstichting/vernieling Telegraafgebouw op 26 juni 2018

[medeverdachte 1] was betrokken bij het stelen van de Caddy en het in brand steken van de eerste vluchtauto (Audi RS5), de door hem gehuurde Peugeot 208 is als tweede vluchtauto gebruikt. Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 1] ook in de nacht van 26 juni 2018, rondom het tijdstip van de brandstichting bij het Telegraafgebouw, activiteiten heeft verricht. De rechtbank zal die hierna bespreken.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat bij de brandstichting bij het Telegraafgebouw ten minste drie personen feitelijk betrokken waren: de bestuurder van de Caddy, de bestuurder van de eerste vluchtauto (de Audi RS5) en de bestuurder van de tweede vluchtauto (de Peugeot 208). Deze drie personen moeten hun activiteiten die nacht met elkaar hebben afgestemd. Zij moeten nauw en bewust hebben samengewerkt en moeten alle drie op de hoogte zijn geweest van de brandstichting bij het Telegraafgebouw.

Wat de rechtbank ten aanzien van [medeverdachte 1] kan vaststellen, is dat hij op 26 juni 2018 om 03:01 uur in een telefoongesprek met [medeverdachte 8] heeft gezegd dat hij met een half uur klaar is en dat het nog doorgaat.90 [medeverdachte 1] heeft om 03:20:51 uur nog een telefoongesprek met [medeverdachte 8] . Hij zegt dan dat [medeverdachte 8] naar ‘Atlas’ moet komen.91 Daarna maakt de telefoon van [medeverdachte 1] geen gebruik meer van een Cell ID tussen 03:24 uur en 04:25 uur.92 Dit duidt er op dat [medeverdachte 1] rondom de brandstichting bij het Telegraafgebouw actief was, waarbij hij kennelijk ongeveer een half uur vóór de brandstichting bij het Telegraafgebouw nog contact heeft gehad met [medeverdachte 8] over een ontmoeting. Over die ontmoeting biedt het dossier geen nadere informatie, zodat de rechtbank die ontmoeting niet nader kan duiden. Wat [medeverdachte 1] bedoelt met ‘dat hij met een half uur klaar is’ kan de rechtbank evenmin concreet invullen op basis van het dossier. Hij zegt dit in ieder geval bijna een uur voordat de brand bij het Telegraafgebouw wordt gesticht. Gelet op de al vastgestelde rol van [medeverdachte 1] voorafgaand aan de brandstichting en daarna, en het tijdstip van de activiteiten, gaat de rechtbank er vanuit dat deze activiteiten van [medeverdachte 1] verband houden met de uitvoering van de brandstichting bij het Telegraafgebouw.

Dat [medeverdachte 1] niet alleen de door hem gehuurde Peugeot 208 ter beschikking heeft gesteld als tweede vluchtauto, maar ook zelf actief was als de bestuurder daarvan in de nacht van 26 juni 2018, is een mogelijk scenario.

De rechtbank houdt het op basis van het dossier ook voor mogelijk dat [medeverdachte 1] de bestuurder van de Caddy was. Het signalement van de dader past, gelet op postuur, lengte en kleding, goed bij het signalement van [medeverdachte 1] . In dat scenario zou hij ook feitelijk de brand bij het Telegraafgebouw hebben gesticht, waarna hij in de Audi RS5 zou zijn gevlucht en later met de door hem gehuurde Peugeot 208 zijn opgepikt bij de Noordkaperweg. Iemand anders zou dan de Peugeot 208 naar de Noordkaperweg hebben gereden. Het signalement van de bestuurder van de Caddy is echter niet zo onderscheidend dat de rechtbank [medeverdachte 1] op grond daarvan als de bestuurder van de Caddy en de brandstichter kan aanwijzen.

Het dossier bevat geen concrete aanwijzingen dat [medeverdachte 1] de bestuurder van de Audi RS5 was op 26 juni 2018.

De rechtbank kan dus niet vaststellen wat de rol van [medeverdachte 1] precies is geweest bij de uitvoering van de aanslag op het Telegraafgebouw op 26 juni 2018. In ieder geval heeft hij ook die nacht activiteiten verricht die de rechtbank in verband brengt met de aanslag. Gelet hierop en zijn hiervoor al vastgestelde betrokkenheid bij het stelen van de Caddy, het in brand steken van de eerste vluchtauto en het beschikbaar stellen van de door hem gehuurde Peugeot 208 als tweede vluchtauto, was zijn rol in ieder geval van voldoende gewicht om hem als medepleger bij de brandstichting bij het Telegraafgebouw aan te merken.

De rechtbank ziet hierbij geen bewijs in het dossier dat sprake is geweest van een ontploffing, zoals de officier van justitie heeft betoogd. De rechtbank ziet evenmin bewijs dat bij de brand gemeen gevaar voor personen is ontstaan. Verdachte zal dus van dat deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Slotsom

De rechtbank spreekt verdachte vrij van feit 1 primair en feit 2.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1 subsidiair

[medeverdachte 1] en anderen op 26 juni 2018 te Amsterdam opzettelijk brand hebben gesticht door de in de centrale toegangspui van het gebouw (bedrijfspand) van/in gebruik bij de Telegraaf Media Group (TMG), gevestigd aan de [adres Telegraafgebouw] , gereden gestolen personenauto (Volkswagen Caddy), voorzien van jerrycans gevuld met brandbare vloeistof, in brand te steken,

waardoor een brand ontstond, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemd gebouw en de zich daarin bevindende goederen, te duchten was

tot het plegen van welk misdrijf verdachte als medeplichtige opzettelijk behulpzaam is geweest en een middel heeft verschaft, door in of omstreeks de periode van 25 juni 2018 tot en met 26 juni 2018 te Amsterdam en/of in andere plaatsen in Nederland

- een coördinerende rol in te nemen bij het mogelijk maken van de vlucht van de dader van de aanslag op het Telegraaf gebouw met gebruikmaking van de vluchtauto (de Audi RS5) door telefonisch contact te hebben met een medeverdachte.

en

[medeverdachte 1] op 26 juni 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen een gebouw, te weten het gebouw (bedrijfspand) van/in gebruik bij de Telegraaf Media Group (TMG), gevestigd aan de [adres Telegraafgebouw] , opzettelijk heeft/hebben beschadigd, immers is een van voornoemde personen tweemaal opzettelijk met een gestolen personenauto (een witte Volkswagen Caddy), ingereden op de centrale toegangspui van voornoemd gebouw, waardoor de auto zich in het gebouw boorde) en heeft hij de gestolen personenauto (Volkswagen Caddy), voorzien van jerrycans met brandbare vloeistof, vervolgens in brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemd gebouw en de zich daarin bevindende goederen te duchten was

tot het plegen van welk misdrijf verdachte als medeplichtige opzettelijk een

middel heeft verschaft, door in of omstreeks de periode van 25 juni 2018 tot en met 26 juni 2018 te Amsterdam en/of in andere plaatsen in Nederland

- een coördinerende rol in te nemen bij het mogelijk maken van de vlucht van de dader van de aanslag op het Telegraaf gebouw met gebruikmaking van de vluchtauto (de Audi RS5) door telefonisch contact te hebben met een medeverdachte.

ten aanzien van feit 3 primair

op 22 juni 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening een auto, te weten een Volkswagen Caddy met originele kentekenplaten [kenteken] , heeft weggenomen, die aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorde.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het hiervoor bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals die hiervoor zijn weergegeven. In de voetnoten is verwezen naar de vindplaats in het dossier. Het betreft telkens wettige bewijsmiddelen.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaren, met aftrek van voorarrest.

De rechtbank acht minder en minder zware feiten bewezen dan de officier van justitie. Zo komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van medeplichtigheid bij de brandstichting bij het Telegraafgebouw, waar de officier van justitie medeplegen bewezen acht en acht de rechtbank ten aanzien van de BMW 3-serie station heling bewezen, terwijl de officier van justitie diefstal bewezen acht. Verder acht de rechtbank, anders dan de officier van justitie, niet bewezen dat het oogmerk van de criminele organisatie waarin verdachte deelnam ook gericht was op het voorbereiden van kort gezegd brandstichting en moord. De rechtbank zal bij de strafoplegging dan ook aanzienlijk naar beneden afwijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

Een gevangenisstraf van vier jaar en zes maanden, met aftrek van voorarrest, vindt de rechtbank in overeenstemming met de ernst van de bewezen geachte feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Uit het dossier komt naar voren dat verdachte zich heeft beziggehouden met voertuigcriminaliteit. Hij heeft geen respect getoond voor andermans eigendommen. Verdachte heeft een en ander in het georganiseerde verband van een criminele organisatie gedaan. Criminele organisaties werken ontwrichtend in de maatschappij. Verdachte heeft daar aan meegewerkt.

Verdachte had ook een rol bij de brandstichting bij het Telegraafgebouw. Verdachte was daar bij betrokken door de auto te stelen die is gebruikt bij de brandstichting en een rol te vervullen bij het regelen van een vluchtauto voor de daders van de brandstichting. Brandstichting is een zeer ernstig feit dat de rechtsorde schokt. Door de brandstichting is veel schade aan het gebouw toegebracht. Er zijn (gelukkig) geen mensen gewond geraakt, maar dat had ook zomaar anders kunnen aflopen.

Deze brandstichting was bovendien een doelgerichte actie en professioneel voorbereid.

Het dagblad De Telegraaf is de bekendste gebruiker van het gebouw en het hele gebouw wordt daarmee geassocieerd. Het woord ‘telegraaf” staat met grote letters op de pui, recht boven de plek waar de Caddy op het gebouw is in gereden. De Telegraaf publiceert al jaren regelmatig (kritische) artikelen over (georganiseerde) criminaliteit en criminelen. De rechtbank ziet de brandstichting bij het gebouw waarin De Telegraaf was gevestigd in dat licht als een tegenactie van de georganiseerde criminaliteit specifiek gericht op De Telegraaf. Daarbij is ook van belang dat uit het onderzoek niet is gebleken van enig ander motief voor de brandstichting bij het Telegraafgebouw. Dat de brandstichting zou zijn gericht tegen een ander blad dan de Telegraaf, bijvoorbeeld vanwege onvrede met een recensie op Botenkoop.nl of vanwege een stukgelopen relatie ontstaan via relatieplanet.nl, zoals door de raadsman van de medeverdachte is geopperd, vindt geen enkele steun in het dossier en zou dan ook pure speculatie zijn. Dat de brandstichting het werk zou zijn van een pyromaan of een ontevreden werknemer is gelet op hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld over de professionele voorbereiding, waarbij meerdere mensen betrokken waren, niet aannemelijk.

Verdachte heeft geen openheid van zaken gegeven over zijn beweegredenen. Wat de rechtbank kan vaststellen, is dat medeverdachte [medeverdachte 1] deel uitmaakte van een criminele organisatie en banden onderhield met andere criminelen, uit de georganiseerde criminaliteit. Daarmee is de link naar de georganiseerde criminaliteit gegeven. De precieze achtergrond van de brandstichting blijkt niet uit het dossier, maar de brandstichting is hoe dan ook bedreigend voor alle mensen die werkzaam zijn in het gebouw, en dan met name voor de journalisten van De Telegraaf. De rechtbank ziet de brandstichting dan ook als een poging tot het beïnvloeden van de pers en daarmee als een aanval op de persvrijheid. In een democratische samenleving is de persvrijheid een groot goed. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij heeft bijgedragen aan die poging om de persvrijheid aan te tasten.

De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden of proceshouding van verdachte geen aanleiding voor strafmatiging. Verdachte heeft geen openheid van zaken gegeven en heeft op de punten waarover hij heeft verklaard, telkens getracht zijn rol zo klein mogelijk voor te spiegelen. Verder heeft hij slechts spijt betuigd ten aanzien van zijn rol bij het regelen van de Audi RS5, die als vluchtauto bij de brandstichting bij het Telegraafgebouw is gebruikt. Verdachte heeft toegegeven dat het stom is wat hij heeft gedaan, omdat hij wel door had dat het geen zuivere koffie was. Verdachte heeft verder echter vooral aandacht gevraagd voor de impact die de zaak en zijn detentie op hem zelf heeft.

8 Beslag

De rechtbank heeft in deze zaak meerdere malen een beslaglijst ontvangen van het Openbaar Ministerie. De meest recente beslaglijst dateert van 20 mei 2020. De rechtbank gaat uit van die beslaglijst. Daarbij stelt de rechtbank vast dat de voorwerpen 18 tot en met 24 dubbel zijn opgenomen op de beslaglijst. De rechtbank zal alleen een beslissing over die voorwerpen nemen onder de nummers waaronder zij als eerste op de beslaglijst zijn vermeld.

De raadsman heeft geen opmerkingen gemaakt over het beslag.

De rechtbank zal ten aanzien van de voorwerpen waarover de officier van justitie een standpunt heeft ingenomen, beslissen conform de vordering van de officier van justitie.

Ten aanzien van de voorwerpen 6 en 7 op die beslaglijst heeft de officier van justitie geen standpunt ingenomen en met betrekking tot de voorwerpen 5, 13, 15, 16 en 17 slechts opgemerkt dat er conservatoir beslag op ligt. De rechtbank zal beslissen dat die voorwerpen moeten worden bewaard voor de rechthebbende.

Voor zover de officier van justitie over voorwerpen heeft opgemerkt dat geen beslissing nodig is, gaat de rechtbank daar, bij het ontbreken van een gemotiveerde betwisting door de raadsman, vanuit.

9. Ten aanzien van de benadeelde partij Mediahuis NL BV (voorheen Telegraaf Media Groep BV) en de schadevergoedingsmaatregel (feit 1)

De benadeelde partij Mediahuis NL BV (voorheen Telegraaf Media Groep BV) vordert € 205.443,12 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de bepleite vrijspraak voor verdachte. De raadsman heeft de vordering daarnaast niet inhoudelijk betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (26 juni 2018).

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De rechtbank acht ook medeverdachte [medeverdachte 1] aansprakelijk voor de schade en zal daarom bepalen dat verdachte en [medeverdachte 1] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor vergoeding van de schade.

In het belang van Mediahuis NL BV (voorheen Telegraaf Media Groep BV) voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman deze maatregel niet op te leggen af. De jurisprudentie waarnaar de raadsman heeft verwezen, vormt voor de rechtbank geen reden de maatregel niet op te leggen. De raadsman heeft verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Limburg (ECLI:NL:RBLIM:2017:9544), waarin die rechtbank heeft overwogen oplegging van de maatregel niet opportuun te achten, omdat de benadeelde bankinstelling zelf voor incasso van de schade kon zorgdragen. In deze zaak gaat het echter om een mediabedrijf. De advocaat van Mediahuis NL BV heeft ter terechtzitting opgemerkt dat Mediahuis NL BV geen juridische afdeling heeft die zich bezig houdt met schadeverhaal.

De raadsman heeft ook gesteld dat sprake is van een vermoeden van betalingsonmacht in geval van oplegging van een langdurige gevangenisstraf aan verdachte, gelet op zijn financiële mogelijkheden. Daarom heeft hij verzocht in geval van oplegging van de maatregel af te zien van gijzeling bij gebreke van betaling en verhaal. De rechtbank zal ook dat verzoek afwijzen. Het is mogelijk bij betalingsonmacht af te zien van de toepassing van gijzeling. Het is niet aan de rechtbank daarop vooruit te lopen en af te zien van oplegging van de mogelijkheid van gijzeling bij gebreke van betaling en verhaal. Nog daargelaten dat de raadsman de betalingsonmacht onvoldoende heeft onderbouwd, is het aan het Openbaar Ministerie om in voorkomende gevallen te beslissen een bevel tot gijzeling uit te vaardigen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 36f, 47, 48, 55, 57, 140, 157, 170, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 primair, 2 en 8 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 3, 4, 5 en 8 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1 subsidiair

de eendaadse samenloop van:

medeplichtigheid tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

medeplichtigheid tot opzettelijk enig gebouw beschadigen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

feit 3 primair

diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 4

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

feit 5

medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd.

feit 8 subsidiair

medeplegen van opzetheling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaar en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

- voorwerpen 1, 8, 9, 10, 11 en 12 op de beslaglijst.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- voorwerp 14 op de beslaglijst.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

- voorwerpen 5, 6, 7, 13, 15, 16 en 17 op de beslaglijst.

Wijst de vordering van de benadeelde partij Mediahuis NL BV (voorheen Telegraaf Media Groep BV) toe tot een bedrag van € 205.443,12 (tweehonderdvijfduizend vierhonderd drieënveertig euro en twaalf cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (26 juni 2018), aan vergoeding van materiële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan Mediahuis NL BV (voorheen Telegraaf Media Groep BV) voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij Mediahuis NL BV (voorheen Telegraaf Media Groep BV) gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van Mediahuis NL BV (voorheen Telegraaf Media Groep BV), aan de Staat € 205.443,12 (tweehonderdvijfduizend vierhonderd drieënveertig euro en twaalf cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (26 juni 2018), te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 365 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.A. Spoel, voorzitter,

mrs. M.A.E. Somsen en I. Mannen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 september 2020.

1 In het vervolg zullen zij gezamenlijk worden aangeduid als ‘de officier van justitie’.

2 Het feit volgend op feit 5 op de tenlastelegging is feit 8. Er is dus geen sprake van feiten 6 en 7 op de tenlastelegging.

3 ZD02, bijlagen pag. 1-4.

4 ZD02, bijlagen, pag. 9.

5 ZD02, bijlagen, pag. 40-46, 52-56, 58-69

6 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 11 maart 2020.

7 ZD02, bijlagen pag. 51.

8 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 11 maart 2020.

9 ZD02, bijlagen, pag. 67.

10 ZD02, bijlagen, pag. 74.

11 In de tenlastelegging is één van de kentekenplaten aangeduid met kenteken: [kenteken] . Uit het dossier volgt dat de laatste letter van het kenteken een V in plaats van een G moet zijn.

12 ZD02, relaas, pag. 10.

13 ZD02, relaas, pag. 10 en 13.

14 ZD05, bijlagen, pag. 1-4.

15 ZD05, bijlagen, pag. 7-10.

16 ZD05, bijlagen pag. 11-13.

17 ZD05, bijlagen pag. 14-25 en 27-29.

18 ZD05, bijlagen, pag. 30.

19 ZD06, ZD07 en ZD 11, relaas en bijlagen.

20 ZD01, ZD 2, ZD3, ZD04, ZD05 en ZD09.

21 PD [medeverdachte 5] , pag. 64.

22 PD [naam 5] , pag. 37-40.

23 ZD00, pag. 581-632 (WhatsAppgesprekken), PD [medeverdachte 5] pag. 9 en 10 (toeschrijving telefoonnummer [nummer] aan [medeverdachte 5] ) en PD [medeverdachte 2] pag. 6 (toeschrijving telefoonnummer [nummer] aan [medeverdachte 2] ). De telefoonnummers eindigend op [nummer] en [nummer] schrijft de rechtbank ook toe aan [medeverdachte 2] , omdat die onder dezelfde naam ‘ [opgeslagen naam] ’ zijn opgeslagen in de telefoon, die is onderzocht. Het dossier bevat verder ook meerdere gesprekken gevoerd met het telefoonnummer eindigend op [nummer] , waarbij de gebruiker door stemherkenning is geïdentificeerd als [medeverdachte 2] .

24 PD [medeverdachte 5] , pag. 64.

25 ZD00, pag. 83-84.

26 ZD00, pag. 150-151.

27 ZD00, pag. 74-75.

28 ZD00, pag. 91-92.

29 ZD00, pag. 160-161.

30 ZD00, pag. 180.

31 ZD00, pag. 76-77 en pag. 82

32 ZD00, pag. 93-94, pag. 154-155.

33 ZD00, pag. 170-171.

34 ZD06, relaas en bijlagen en ZD07, relaas en bijlagen.

35 Zie bijvoorbeeld ZD02 pag. 68-69 en ZD05 pag. 12

36 Verklaring verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 12 maart 2020.

37 Verklaring verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 9 maart 2020 (in het onderzoek 13Puurs) en 12 maart 2020 (in het onderzoek 26Wheeling).

38 Dossier 13Puurs, ZD06 pag. 0008-0013.

39 Verklaring verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 9 maart 2020 (in het onderzoek 13Puurs).

40 ZD08 pag. 01 0087.

41 ZD05 pag. 0050 en 0051.

42 ZD02 pag. 0001-0004 en ZD08 pag. 01 0055-0058.

43 ZD05 pag. 0158-0161 en ZD08 pag. 01 0087.

44 ZD05 pag. 0050-0051.

45 ZD05 pag. 0012-0013.

46 ZD05 pag. 0003-0004 en ZD05 pag. 0201-0202.

47 ZD03 pag. 0011.

48 ZD08 pag. 01 0014-0015.

49 ZD05 pag. 0164-0166 en 0202 en ZD08 01 0014.

50 ZD05 pag. 01 0001.

51 ZD05 pag. 0100 en PD [medeverdachte 9] pag. 04 04 0012-0017.

52 Verklaring verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 9 maart 2020.

53 ZD05 pag. 0090-0091.

54 ZD05 pag. 0207.

55 ZD06 pag. 0008, 0009.

56 Verklaring verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 9 maart 2020.

57 ZD06 pag. 0010, 0011.

58 ZD06 pag. 0027.

59 ZD05 pag. 0091 en ZD06 pag. 0010, 0011.

60 ZD05 pag. 0105.

61 ZD03 pag. 0019-0020.

62 ZD05 pag. 0128.

63 ZD05 pag. 0202.

64 ZD05 pag. 0084.

65 ZD03 pag. 0009-0010 (getuige [adres getuige 1] ), ZD 03 pag. 0010 (getuige [adres getuige 2] ).

66 ZD05 pag. 0084-0085.

67 ZD05 pag. 0085.

68 ZD05 pag. 0083.

69 ZD05 pag. 0146-0148.

70 ZD05 pag. 0105.

71 ZD05 pag. 0172.

72 Verklaring getuige [medeverdachte 1] ter terechtzitting van 9 maart 2020.

73 ZD05 pag. 0078.

74 ZD01 pag. 0175.

75 ZD05 pag. 0174-0175.

76 ZD05 pag. 0174 en 0175.

77 ZD06 pag. 0030.

78 ZD05 pag. 0175.

79 ZD05 pag. 0175.

80 Verklaring verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 9 maart 2020.

81 ZD06 pag. 0031.

82 ZD06 pag. 0009, 0010 en 0011.

83 ZD06 pag. 0033.

84 ZD05 pag. 0149.

85 ZD06 pag. 0075.

86 ZD06 pag. 0184-0192 en ZD06 pag. 0114-0116.

87 PD [medeverdachte 9] pag. 04 04 0012-0015.

88 ZD06 pag. 0058.

89 ZD06 pag. 0060.

90 ZD05 0180-0181.

91 ZD05 0181.

92 ZD05 0182.