Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4741

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
13/997023-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft vonnis in onderzoek 26Wheeling (criminele organisatie).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/997023-19

Datum uitspraak: 28 september 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] ,

[plaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9, 11 en 12 maart 2020 en 16 en 17 juni 2020. Het onderzoek is gesloten ter terechtzitting van 28 september 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. B.C. Niks en Z. Trokic1, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E.M.J. van Nieuwenhuizen, naar voren hebben gebracht.

2 Inleiding

2.1

Megazaak, politieonderzoek en verdachten

Deze zaak vloeit voort uit het politieonderzoek 26Wheeling.

Het onderzoek 26Wheeling ziet – kort samengevat – op voertuigcriminaliteit, witwassen, valsheid in geschrift, voorbereiding van ontploffing/brandstichting en moord, en een met deze feiten samenhangende criminele organisatie.

In het onderzoek 26Wheeling zijn (onder meer) de volgende personen als verdachte in beeld gekomen.

- [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] );

- [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] );

- [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] );

- [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] );

- [verdachte] (hierna: verdachte);

- [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] );

- [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] );

- [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7] ).

De zaken tegen de hiervoor genoemde verdachten zijn door de rechtbank als een zogenoemde megazaak behandeld. Daarbij zijn ook de zaken tegen nog eens drie verdachten in een aanverwant politieonderzoek (13Puurs) behandeld. Verdachte [verdachte] is in dat onderzoek niet als verdachte in beeld gekomen.

2.2

Beschuldiging tegen verdachte

Verdachte wordt naar aanleiding van het onderzoek 26Wheeling beschuldigd van twee strafbare feiten:

- deelneming aan een criminele organisatie, die tot oogmerk had het plegen van (gekwalificeerde) diefstallen, heling, witwassen, valsheid in geschrift en voorbereiding van ontploffing/brandstichting en moord, in de periode van 1 december 2017

tot en met 8 april 2019;

- ( (mede)plegen van heling van een Suzuki AN400 in de periode van 24 mei 2018 tot en met 13 augustus 2018.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Bewijs

4.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten bewezen, respectievelijk:

  • -

    de deelneming aan een criminele organisatie, die tot oogmerk had het plegen van gekwalificeerde diefstallen, heling, witwassen en valsheid in geschrift;

  • -

    heling van een Suzuki AN400.

4.2

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit.

4.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (feit 1), maar wel dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan heling van de Suzuki AN400 (feit 2).

De rechtbank zal eerst feit 2 bespreken, gevolgd door feit 1.

Bewezenverklaring feit 2

Verdachte heeft ter terechtzitting van 11 maart 2020 verklaard dat hij op verzoek van [medeverdachte 1] op 13 augustus 2018 een motorscooter van de garagebox in Zaandam naar Amsterdam heeft gereden en dat [medeverdachte 1] op hetzelfde moment ook naar Amsterdam is gereden, met de auto.2

De motorscooter blijkt in april 2018 te zijn gestolen.3

Verdachte stelt dat hij niet wist dat de motorscooter was gestolen en dat ook niet hoefde te vermoeden. De rechtbank ziet dat anders. Uit het dossier blijkt namelijk dat [verdachte] al eerder, in april 2018, wist van activiteiten van [medeverdachte 1] met gestolen voertuigen, die het daglicht niet konden verdragen. Verdachte heeft hierover ter terechtzitting van 11 maart 2020 verklaard dat hij toen alleen gesprekken met [medeverdachte 1] daarover heeft gevoerd.4 Hij had te horen gekregen dat [medeverdachte 1] de beschikking had over een voertuig en dat hij dat voertuig wilde verkopen. Verdachte vond het een vaag gesprek. Hij had aanvankelijk niet het idee dat het voertuig gestolen was. Naarmate het gesprek vorderde kreeg hij een onderbuikgevoel. Hij verklaart dat hij het had kunnen weten.5 De rechtbank begrijpt dat verdachte hiermee bedoelt dat hij had kunnen weten dat het voertuig waar het gesprek in april 2018 over ging, een criminele herkomst had.

Verdachte was dus een gewaarschuwd man toen hij op 13 augustus 2018 - op verzoek van [medeverdachte 1]6 - de rit met de motorscooter maakte. Daar komt bij dat hij de avond daarvoor (12 augustus) ook met [medeverdachte 1] bij de box in Zaandam was geweest. Hij heeft dat ter terechtzitting van 11 maart 2020 ook verklaard.7 Uit de beschrijving van de camerabeelden in het dossier blijkt dat hij dan met [medeverdachte 1] bij de box is. Hij gaat met [medeverdachte 1] de box binnen, waar de motorscooter in staat. [medeverdachte 1] verricht zowel bij het openen van de box als bij het afsluiten van de box handelingen bij het slot van de garagedeur.8 De rechtbank begrijpt dat [medeverdachte 1] daar zogenoemde triggers plaatst. Dit moet ook voor verdachte zichtbaar zijn geweest. Die triggers doen vermoeden dat in de box heimelijk voertuigen werden gestald. Al die omstandigheden maken dat verdachte niet met de motorscooter op pad had mogen gaan zonder zich er van te verzekeren dat de herkomst van die motorscooter in orde was. Nu hij dit niet heeft gedaan – verdachte heeft verklaard dat hij niet heeft gevraagd naar het doel van het naar Amsterdam rijden van de motorscooter9 – concludeert de rechtbank dat hij redelijkerwijs moest vermoeden dat de motorscooter van misdrijf afkomstig was. Schuldheling van die motorscooter door verdachte kan dus worden bewezen.

Vrijspraak van feit 1, deelneming aan een criminele organisatie.

Voor een veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Sr, moet – kort gezegd - worden vastgesteld dat sprake is geweest van een organisatie, dat die organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat de verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen. Het opzet van de verdachte moet zijn gericht op het deelnemen aan de organisatie. Voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

De rechtbank acht bewezen dat binnen de ten laste gelegde periode sprake was van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr, die tot oogmerk had het plegen van voertuigcriminaliteit in brede zin: stelen en helen van voertuigen, het plaatsen van gestolen of valse kentekens op die voertuigen. De rechtbank beschouwt [medeverdachte 1] als de leider van deze criminele organisatie. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] hebben, in verschillende rollen, ook aan de criminele organisatie deelgenomen.

De rechtbank merkt verdachte niet aan als deelnemer aan deze criminele organisatie en overweegt daartoe als volgt. Verdachte kan gelet op zijn hiervoor weergegeven rol bij de heling van de motorscooter in augustus 2018 wel in verband worden gebracht met de criminele organisatie. [medeverdachte 1] , de leider van de organisatie, was hierbij immers ook betrokken en de motorscooter was gestald in een box die door de organisatie werd gebruikt. Verdachte was daarvoor ook betrokken bij het overdragen van een gestolen BMW Alpina, waarover hij ook contact had met [medeverdachte 1] .

Verdachte heeft ontkend dat hij wetenschap had van het bestaan van een criminele organisatie waarvan [medeverdachte 1] deel uitmaakte. De rechtbank acht al met al de handelingen van verdachte die in verband kunnen worden gebracht met de criminele organisatie zeer beperkt. Het dossier biedt ook verder geen aanwijzingen dat verdachte weet had van de criminele organisatie. De rechtbank concludeert dan ook dat onvoldoende is komen vast te staan dat hij wetenschap had van de organisatie en het criminele oogmerk daarvan, zoals ook door zijn raadsvrouw is bepleit. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van deelneming aan een criminele organisatie.

Slotsom

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van feit 1.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 2

op 13 augustus 2018 te Zaandam en Amsterdam een motorscooter, merk Suzuki, AN400 met kenteken [kenteken] voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen

redelijkerwijs moest vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

6 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van voorarrest.

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, niet bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Gelet hierop zal de rechtbank bij de strafoplegging aanzienlijk afwijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. Met de raadsvrouw vindt de rechtbank oplegging van een taakstraf passend voor de bewezen geachte schuldheling. De rechtbank zal de duur van de taakstraf bepalen op 120 uren. Dat is in overeenstemming met de ernst van de bewezen geachte schuldheling, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. Dat niet is gebleken dat verdachte de motorscooter zelf voor langere tijd wilde gaan gebruiken maakt de heling niet minder strafwaardig. Hij heeft allereerst geen respect getoond voor andermans eigendom. Daarnaast heeft hij, door het verplaatsen van de motorscooter, het risico genomen een bijdrage te leveren aan mogelijke nadere criminele activiteiten met die motorscooter. Verdachte wist immers niet wat het doel was van de verplaatsing en heeft daar naar eigen zeggen ook niet naar gevraagd. Dat verdachte dat risico voor lief heeft genomen, rekent de rechtbank verdachte zeker ook aan.

9 Beslag

De rechtbank heeft in deze zaak meerdere beslaglijsten ontvangen. De meest recente dateert van 20 mei 2020 en zal door de rechtbank als uitgangspunt worden genomen bij de te nemen beslissingen.

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht te beslissen dat de GPS-tracker (voorwerp 4) aan verdachte moet worden teruggegeven. De officier van justitie vindt dat dit voorwerp verbeurd moet worden verklaard. De rechtbank zal het verzoek van de raadsvrouw inwilligen, nu de rechtbank geen grondslag voor verbeurdverklaring ziet.

De raadsvrouw heeft geen opmerkingen gemaakt over de overige voorwerpen op de beslaglijst. Mede daarom zal de rechtbank ten aanzien van deze voorwerpen conform de vordering van de officier van justitie beslissen.

De raadsvrouw heeft de rechtbank wel nog verzocht te beslissen over een aantal voorwerpen die niet op de beslaglijst staan: telefoons en een USB-stick. Daarbij heeft zij opgemerkt van het OM te hebben vernomen dat deze voorwerpen zijn vernietigd. De officier van justitie heeft dit ter terechtzitting bevestigd. Hij heeft opgemerkt dat een last tot teruggave aan verdachte van deze voorwerpen is verstrekt. De voorwerpen zijn niet daadwerkelijk aan verdachte teruggegeven, omdat hij niet heeft gereageerd op een schriftelijke oproep de voorwerpen op te komen halen, waarna de voorwerpen zijn vernietigd, aldus de officier van justitie. Nu er al een last tot teruggave aan verdachte van deze voorwerpen is verstrekt, wat niet door de verdediging is betwist, komt de rechtbank niet meer toe aan het nemen van een beslissing over deze voorwerpen.

10 Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon]

vordert € 1.095,- aan vergoeding van materiële schade aan de motorscooter Suzuki Burgman [kenteken] , te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank stelt vast dat de gevorderde bedragen bij elkaar opgeteld in totaal een bedrag van € 995,- opleveren. Voorts merkt de rechtbank op dat er door de benadeelde partij stukken ter onderbouwing zijn nagezonden, op basis waarvan de vordering zou neerkomen op een schadebedrag van € 1.034,63.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen. Daarbij heeft hij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

De raadsvrouw van verdachte heeft opgemerkt dat verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan heling van de motorscooter en dat hij geen schade aan de motorscooter heeft gezien. Zij heeft de rechtbank verzocht de vordering af te wijzen.

De rechtbank merkt op dat de vordering is ingediend door de broer van de eigenaar van de motorscooter en dat geen machtiging van de eigenaar van de motorscooter voor het indienen van de vordering is overgelegd. Verder kan de rechtbank niet vaststellen dat de schade is veroorzaakt door het door verdachte gepleegde feit, te weten de schuldheling van de motorscooter. De rechtbank gaat er vanuit dat de motorscooter door een ander dan verdachte is gestolen en de schade is mogelijk bij die diefstal ontstaan. Dat maakt dat (gebruik passage indien geheel of gedeeltelijk niet van eenvoudige aard)niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het [,] onder 2 bewezen verklaarde feit [.] . Gelet op het voorgaande zal [persoon] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

[persoon] en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.3 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

schuldheling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen.

Verklaart verbeurd:

- voorwerpen 1 en 2 op de beslaglijst.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- voorwerpen 6 en 7 op de beslaglijst.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- voorwerpen 3, 4 en 5 op de beslaglijst.

Verklaart [persoon] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.A. Spoel, voorzitter,

mrs. M.A.E. Somsen en I. Mannen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 september 2020.

1 In het vervolg zullen zij gezamenlijk worden aangeduid als ‘de officier van justitie’.

2 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 maart 2020.

3 ZD03 pag. 1 e.v.

4 ZD01 pag. 8-14.

5 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 maart 2020.

6 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 maart 2020.

7 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 maart 2020.

8 ZD03 pag. 41 e.v.

9 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 maart 2020.