Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4740

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
13/997020-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft vonnis in onderzoeken 13Puurs (brandstichting bij het Telegraafgebouw) en 26Wheeling (criminele organisatie).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/997020-18

Datum uitspraak: 28 september 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] ,

[woonplaats] ,

gedetineerd in “ [naam] ” te [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9, 11 en 12 maart 2020, 1 april 2020, 16 en 22 juni 2020 en 17 augustus 2020. Het onderzoek is gesloten ter terechtzitting van 28 september 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. B.C. Niks en Z. Trokic1, en van wat verdachte en zijn opvolgend raadsman, mr. G.N. Weski, naar voren hebben gebracht. Verdachte is op 1 april 2020 en 17 augustus 2020 niet ter zitting verschenen. Voor zover hij afwezig was, heeft hij zijn raadsman uitdrukkelijk gemachtigd hem ter terechtzitting te verdedigen.

2 Inleiding

2.1

Megazaak, politieonderzoeken en verdachten

Deze zaak vloeit voort uit twee politieonderzoeken, genaamd 26Wheeling en 13Puurs.

Het onderzoek 26Wheeling ziet – kort samengevat – op voertuigcriminaliteit, witwassen, valsheid in geschrift, voorbereiding van ontploffing/brandstichting en moord, en een met deze feiten samenhangende criminele organisatie.

Het onderzoek 13Puurs ziet – kort samengevat – op de brandstichting bij het gebouw waarin Mediahuis NL BV, voorheen Telegraaf Media Groep BV, is gevestigd (hierna: Telegraafgebouw) en daarmee samenhangende feiten.

In het onderzoek 26Wheeling zijn (onder meer) de volgende personen als verdachte in beeld gekomen.

- [verdachte] (hierna: [verdachte] of verdachte);

- [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] );

- [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] );

- [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] );

- [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] );

- [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] );

- [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] );

- [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7] ).

In het onderzoek 13Puurs zijn (onder meer) de volgende personen als verdachte in beeld gekomen:

- [verdachte] ;

- [medeverdachte 1] ;

- [medeverdachte 2] ;

- [medeverdachte 8] (hierna: [medeverdachte 8] );

- [medeverdachte 9] (hierna: [medeverdachte 9] );

- [medeverdachte 10] (hierna: [medeverdachte 10] ).

De zaken tegen de hiervoor genoemde – in totaal elf – verdachten zijn door de rechtbank in een zogenoemde megazaak behandeld.

2.2

Beschuldiging tegen [verdachte]

Verdachte wordt naar aanleiding van het onderzoek 26Wheeling beschuldigd van elf strafbare feiten2:

- deelneming aan een criminele organisatie, die tot oogmerk had het plegen van (gekwalificeerde) diefstallen, heling, witwassen, valsheid in geschrift en voorbereiding van ontploffing/brandstichting en moord, in de periode van 1 december 2017

tot en met 8 april 2019;

  • -

    (mede)plegen van diefstal van een BMW Alpina op 13 maart 2018 (primair) dan wel (mede)plegen van heling van die auto en twee Duitse kentekenplaten (subsidiair);

  • -

    (mede)plegen van heling van een Seat Leon Cupra en kentekenplaten in de periode van 1 mei 2018 tot en met 17 juni 2018;

  • -

    (mede)plegen van voorbereiden van opzettelijke brandstichting in de periode van 16 juni 2018 tot en met 17 juni 2018;

  • -

    (mede)plegen van heling van een Suzuki AN400 in de periode van 24 mei 2018 tot en met 13 augustus 2018;

  • -

    (mede)plegen van heling van een Volkswagen Golf in de periode van 23 mei 2018 tot en met 23 september 2018;

  • -

    (mede)plegen van diefstal van een BMW 3-serie station in de periode van 25 juli 2018 tot en met 26 juli 2018 (primair) dan wel (mede)plegen van heling van die auto in de periode van 25 juli 2018 tot en met 22 september 2018 (subsidiair);

  • -

    (mede)plegen van diefstal van een BMW 3-serie in de periode van 1 augustus 2018 tot en met 5 oktober 2018 (primair) dan wel (mede)plegen van heling van die auto in de periode van 23 september 2018 tot en met 1 oktober 2018 (subsidiair);

  • -

    (mede)plegen van diefstal van een BMW 3-serie op 15 oktober 2018;

  • -

    (mede)plegen van heling van een BMW 540 I station in de periode van 22 oktober 2018 tot en met 30 oktober 2018;

  • -

    (mede)plegen van diefstal van een BMW 5-serie op 4 februari 2019.

Verdachte wordt naar aanleiding van het onderzoek 13Puurs beschuldigd van drie strafbare feiten:

  • -

    (mede)plegen van diefstal van een Volkswagen Caddy in de periode van 21 juni 2018 tot en met 22 juni 2018 (primair) dan wel heling van die auto in de periode van 21 juni 2018 tot en met 26 juni 2018 (subsidiair);

  • -

    (mede)plegen van de aanslag op het Telegraafgebouw op 26 juni 2018 (primair) dan wel medeplichtigheid daarbij/daartoe in de periode van 25 juni 2018 tot en met 26 juni 2018 (subsidiair);

  • -

    (mede)plegen van opzettelijke brandstichting door een Audi in brand te steken op 27 juni 2018 (primair) dan wel medeplichtigheid daarbij/daartoe in de periode van 25 juni 2018 tot en met 27 juni 2018 (subsidiair).

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Bewijs

De rechtbank zal eerst de feiten in het onderzoek 26Wheeling bespreken en daarna de feiten in het onderzoek 13Puurs.

4.1

Standpunt van de officier van justitie inzake 26 Wheeling

De officier van justitie acht de in onderzoek 26Wheeling onder 4, 5 primair, 6, 7, 8, 9, 10 primair, 11 primair, 12, 13 en 14 ten laste gelegde feiten bewezen, respectievelijk:

  • -

    de deelneming aan een criminele organisatie, die tot oogmerk had het plegen van gekwalificeerde diefstallen, heling, witwassen en valsheid in geschrift;

  • -

    diefstal van een BMW Alpina;

  • -

    het medeplegen met [medeverdachte 1] van heling van een Seat Leon Cupra;

  • -

    voorbereiding van het opzettelijk in brand steken van de Seat Leon Cupra;

  • -

    heling van een Suzuki AN400;

  • -

    heling van een Volkswagen Golf;

  • -

    het medeplegen met [medeverdachte 1] van diefstal van een BMW 3-serie station;

  • -

    diefstal van een BMW 3-serie;

  • -

    het medeplegen van diefstal van een BMW 3-serie;

  • -

    heling van een BMW 540 I station;

  • -

    het medeplegen met [medeverdachte 3] van diefstal van een BMW 5-serie.

De officier van justitie ziet verdachte daarbij als de meest actieve deelnemer aan de criminele organisatie en als leider daarvan. Verdachte is als pleger of medepleger bij vrijwel alle zaken betrokken en staat in contact met alle deelnemers aan de organisatie en is de verbindende factor.

4.2

Standpunt van de raadsman inzake 26Wheeling

De raadsman heeft zich ten aanzien van de ten laste gelegde feiten 5 subsidiair, 6, 8, 10 subsidiair en 11 subsidiair in het onderzoek 26Wheeling, onder verwijzing naar de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Van de overige ten laste gelegde feiten in het onderzoek 26Wheeling moet verdachte volgens de raadsman worden vrijgesproken. Voor wat betreft de tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie heeft de raadsman onder meer aangevoerd dat het bestaan van een duurzaam of gestructureerd samenwerkingsverband niet bewezen kan worden. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet meer dan van het gezamenlijk plegen van helingen en mogelijk hoogstens een diefstalletje, aldus de raadsman. Voor voorbereidingshandelingen voor brandstichting/ontploffing en voorbereidingshandelingen voor moord is geen bewijs.

4.3

Oordeel van de rechtbank inzake 26Wheeling

De rechtbank acht in het onderzoek 26Wheeling bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie en dat hij daarvan de leider was (feit 4). Ook de onder 11 primair, 12 en 14 ten laste gelegde diefstal van voertuigen en de onder 5 subsidiair, 6, 8, 9, 10 subsidiair en 13 ten laste gelegde heling van voertuigen kan worden bewezen. De onder 5 primair en 10 primair ten laste gelegde diefstal van voertuigen en de onder 7 ten laste gelegde voorbereiding van brandstichting kunnen niet worden bewezen.

De rechtbank zal hieronder eerst de feiten 5 tot en met 14 bespreken, daarna de met deze feiten samenhangende deelneming aan een criminele organisatie (feit 4) en eindigen met de vrijspraken en bewezenverklaring.

Feit 5, Opzetheling van een auto, BMW Alpina (ZD01)

In de vroege ochtend van 13 maart 2018 is de BMW Alpina met kenteken [kenteken] in Houten gestolen, zo volgt uit de aangifte van de heer [naam 1] .3

De rechtbank is, met de raadsman en anders dan de officier van justitie, van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte deze BMW Alpina heeft gestolen. Verdachte heeft ontkend dat hij dit heeft gedaan. Het aanstralen van een zendmast door zijn telefoon in de buurt van de plek waar de auto is gestolen rondom het tijdstip van de diefstal, is onvoldoende om op grond daarvan te bewijzen dat hij de auto heeft weggenomen. Verdachte heeft hierover verklaard dat het kan dat hij in Houten is geweest, omdat hij wel vaker bij zijn neef [naam neef] op bezoek is geweest. Dat verdachte in april 2018 zou hebben gesproken over een afnemer voor de auto, kan evenmin dienen als bewijs voor het wegnemen van de auto door verdachte. Uit die gesprekken valt immers niet af te leiden dat verdachte de besproken auto zelf had gestolen. Tot slot is ook het door de officier van justitie aangehaalde gesprek dat verdachte in september 2018 heeft gevoerd onvoldoende om hem als de dief aan te merken. Verdachte praat dan over een door hem met een andere persoon gepakte auto en die auto lijkt, gelet hetgeen verdachte daarover zegt, inderdaad dezelfde kenmerken te hebben als de gestolen BMW Alpina. Het gesprek is echter ruim een half jaar na de diefstal van de BMW Alpina gevoerd. De rechtbank kan gelet hierop niet vaststellen dat het gesprek daadwerkelijk over deze BMW Alpina gaat waar de tenlastelegging op doelt. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van deze onder 5 primair ten laste gelegde diefstal.

Ter terechtzitting van 11 maart 2020 heeft verdachte verklaard dat hij wist dat de BMW Alpina was gestolen, dat hij toegang had tot de box in Amersfoort en de BMW Alpina, dat hij een keer in de Alpina heeft gezeten en dat hij die auto heeft geheeld.4 Gelet hierop acht de rechtbank opzetheling van de BMW Alpina door verdachte bewezen.

Verdachte wordt ook verweten dat hij twee Duitse kentekenplaten [kenteken] heeft geheeld. Hierover heeft hij geen verklaring afgelegd. De kentekenplaten blijken op 25 april 2018 in de kofferbak van de gestolen BMW Alpina te liggen. Een politieagent constateert dat nadat hij een melding had gekregen van een autobrand op 25 april 2018 omstreeks 03:48 uur en ter plaatse was gekomen. De brandende auto bleek de gestolen BMW Alpina te zijn.5 Uit de aangifte van de heer [naam 2] blijkt dat deze kentekenplaten tussen 10 en 20 maart 2018 zijn gestolen vanaf een Suzuki Swift.6 Uit heimelijke observaties van de politie in de box aan de [straatnaam] blijkt dat de gestolen BMW Alpina even daarvoor, op 24 april 2018 om 23:30 uur, nog in de box was en dat er toen geen kentekenplaat op de auto zat. Bijna twee uur later, op 25 april 2018 om 01:25 uur is de gestolen BMW Alpina in dezelfde box waargenomen, voorzien van kentekenplaat [kenteken]7. Deze kentekenplaat moet dus tussen 24 april 2018 om 23:30 uur en 25 april 2018 om 01:25 uur op de BMW Alpina zijn bevestigd. Op 25 april 2018 om 01:30 uur is de gestolen BMW Alpina weggereden uit de box met de kentekenplaat [kenteken] erop. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte de kentekenplaat op de auto heeft bevestigd en evenmin dat hij de auto heeft weggereden of daarbij aanwezig was. Verdachte huurde destijds de box echter wel en de kentekenplaten waren kennelijk aanwezig in de door hem gehuurde box. Verder heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij zich bezig hield met het verwisselen van kentekens.8 Gelet op het voorgaande acht de rechtbank ook bewezen dat hij wist dat de kentekenplaten in de door hem gehuurde box lagen, dat die van diefstal afkomstig waren en dat hij die dus heeft geheeld.

Feit 6, Opzetheling van een auto, Seat Leon Cupra (ZD02)

Op 20/21 februari 2018 is de Seat Leon Cupra met voertuigidentificatienummer (VIN) [nummer] , met origineel kenteken [kenteken] , gestolen, zo blijkt uit de aangifte van de heer [naam 3] , gedaan namens de eigenaar van de auto.9 Verdachte heeft ter terechtzitting over deze Seat onder meer verklaard dat de Seat door iemand anders in de box (de rechtbank begrijpt: de box aan de [straatnaam]) is gezet, dat hij wist dat de Seat in de box stond, dat hij de Seat op 17 juni 2018 naar Woerden heeft gereden en dat hij de Seat daar moest afleveren.10 Uit deze verklaring van verdachte volgt al dat hij de Seat voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen. Verdachte heeft verklaard dat hij een vermoeden had dat de Seat gestolen was. De rechtbank vindt dat sprake was van meer dan een vermoeden en acht bewezen dat verdachte wist dat de Seat van misdrijf afkomstig was. Verdachte heeft namelijk ook verklaard dat hij het kenteken [kenteken] op de Seat heeft gezet en dat hij op 17 juni 2018 met de Seat met dat kenteken er op naar buiten is gereden.11 Uit die handelwijze leidt de rechtbank af dat hij moet hebben geweten dat de Seat van misdrijf afkomstig was. Verdachte heeft zich dus schuldig gemaakt aan opzetheling van de Seat.

De rechtbank acht bewezen dat hij dit tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] heeft gedaan. Daartoe is van belang dat verdachte heeft verklaard dat hij op 16 juni 2018 met [medeverdachte 1] bij de box was en dat hij [medeverdachte 1] heeft gevraagd op 17 juni 2018 met hem naar Woerden te rijden.12 Verder worden verdachte en [medeverdachte 1] bij observaties van de box in Amstelveen op 8, 9, 12, 13, 15, 16 en 17 juni 201813 en bij de observatie in Woerden op 17 juni 201814 samen gezien. Ze zijn onder meer bezig met het verwijderen en opnieuw plaatsen van autobanden. Verder valt op dat zowel verdachte als [medeverdachte 1] zogenoemde triggers plaatsen bij de box. Als verdachte en [medeverdachte 1] samen bij de box worden gezien, is de Seat al enige tijd in de box gestald. Tijdens een inkijk in de box op 3 mei 2018 wordt het VIN, behorend bij de gestolen Seat, waargenomen door de politie op de Seat in de box. De Seat is dan voorzien van een kentekenplaat met nummer [kenteken] .15 Op grond van het voorgaande kan worden bewezen dat verdachte en [medeverdachte 1] nauw en bewust hebben samengewerkt bij het klaar maken voor aflevering van de Seat op 17 juni 2018 en bij die aflevering zelf. Het medeplegen van opzetheling in de vorm van het voorhanden hebben en overdragen van de gestolen Seat acht de rechtbank dan ook bewezen.

Naast de heling van de Seat is ook heling van de kentekenplaten [kenteken] en [kenteken]16 en [kenteken] ten laste gelegd. De eerst- en laatstgenoemde kentekenplaten zijn waargenomen op de Seat, zoals hiervoor al is weergegeven. De kentekenplaat [kenteken] is los aangetroffen in de box in Amstelveen.17 Alle drie de kentekenplaten zijn afkomstig uit een reeks van gestolen blanco kentekenplaten.18 De rechtbank acht in het licht van het voorgaande ook bewezen dat verdachte en [medeverdachte 1] zich schuldig hebben gemaakt aan medeplegen van opzetheling van de kentekenplaten die op de Seat zijn waargenomen. Verdachte wordt daarnaast ook schuldig bevonden aan opzetheling van de kentekenplaat die los is aangetroffen in de box in Amstelveen. De rechtbank ziet voor de wetenschap van [medeverdachte 1] ten aanzien van (de herkomst van) die kentekenplaat onvoldoende aanwijzingen, zodat verdachte ten aanzien van deze kentekenplaat zal worden vrijgesproken van het medeplegen.

Feit 7 , voorbereidingshandelingen voor brandstichting (ZD02)

Verdachte heeft ontkend dat hij strafbare voorbereidingen heeft getroffen om de hiervoor bij feit 6 besproken Seat in brand te steken. De rechtbank stelt vast dat in de Seat, na de aflevering daarvan door verdachte en [medeverdachte 1] , een jerrycan met benzine en een aansteker zijn aangetroffen. Er zijn daarop geen sporen aangetroffen die aan verdachte vallen te linken. De officier van justitie heeft erop gewezen dat op camerabeelden is te zien dat verdachte op 16 juni 2018 een voorwerp in een tas naar de Seat brengt. Nu niet is vastgesteld wat er in de tas zat, vindt de rechtbank deze waarneming onvoldoende concreet voor de constatering dat verdachte degene is geweest die de jerrycan en aansteker in de Seat heeft geplaatst. Verder ziet het door de officier van justitie in dit verband aangehaalde PGP-gesprek van 28 januari 2018, waarin verdachte het inderdaad lijkt te hebben over het plaatsen van een jerrycan en aansteker in een auto, niet op de Seat. Dit gesprek levert dus ook onvoldoende concreet bewijs op. [verdachte] wordt daarom van de onder 7 ten laste gelegde voorbereidingshandelingen voor brandstichting vrijgesproken.

Feit 8, opzetheling van een motorscooter, Suzuki Burgman (ZD03)

Op 29 april 2018 is aangifte gedaan van diefstal van een motorscooter (Suzuki AN400) met kenteken [kenteken] op 26 april 2018.19 Op 24 mei 2018 wordt een motorscooter van het merk Suzuki, type Burgman, tijdens een inkijk in de box in Zaandam aangetroffen.20 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de beschikking heeft gehad over de motorscooter die in de garagebox stond, dat hij wist dat die gestolen was en dat op 13 augustus 2018 een andere man wegreed met de motorscooter.21 De rechtbank acht gelet op het voorgaande bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van deze motorscooter.

De rechtbank acht bewezen dat [medeverdachte 4] de man was die op 13 augustus 2018 op de motorscooter wegreed naar, zo blijkt ook uit het dossier, Amsterdam. Uit het dossier kan de rechtbank niet afleiden dat hij, net als verdachte, wist dat de motorscooter gestolen was. Daarom zal de rechtbank medeplegen van opzetheling door verdachte en [medeverdachte 4] niet bewezen achten. De rechtbank acht wel bewezen dat [medeverdachte 4] redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de motorscooter van misdrijf afkomstig was, wat voor hem schuldheling oplevert.

Feit 9, Opzetheling van een auto, Volkswagen Golf (ZD04)

Op 13 februari 2018 doet de heer [naam 4] aangifte van diefstal van zijn Volkswagen Golf met kentekenplaat met nummer [kenteken] en VIN [nummer] op 12/13 februari 2018.22 Op 24 mei 2018 wordt deze gestolen auto, voorzien van kentekenplaat met nummer [kenteken] , door de politie aangetroffen in de box in Zaandam.23 Op camerabeelden ziet de politie dat verdachte in de avond van 23 september 2018 bij de box is met een onbekende man. Verdachte opent de box, waarna hij en de onbekende man naar binnen gaan. Na enige tijd opent verdachte de box weer en rijdt de onbekende man met de Volkswagen Golf weg.24 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij als vriendendienst de auto in de box in Zaandam heeft laten stallen, maar dat hij er wel iets voor heeft gekregen. Hij heeft ook verklaard dat de Volkswagen Golf tussendoor niet uit de box is geweest, niet dat hij weet.25 Hij heeft verder verklaard dat hij niet wist dat de auto van diefstal afkomstig was en dat hij niet wil verklaren of hij een vermoeden had dat de auto gestolen was. De rechtbank acht dat laatste wel bewezen. Van belang is dat verdachte het kenteken van de auto heeft bevraagd bij de RDW, zoals hij zelf ook ter terechtzitting heeft verklaard.26 Hij heeft ook verklaard dat hij regelmatig kentekens bevroeg via de site van de RDW.27 Dat dit verband hield met het helen en stelen van auto’s volgt ook uit het dossier. Dat verdachte, die zich op grote schaal bezig hield met helen en stelen van voertuigen, deze handelingen heeft verricht, vormt voor de rechtbank bewijs dat verdachte heeft geweten dat de auto van misdrijf afkomstig was. Gezien het voorgaande acht de rechtbank opzetheling van de Volkswagen Golf door verdachte bewezen.

Feit 10, opzetheling van een auto, BMW 3-serie (ZD05)

Op 26 juli 2018 doet de heer [naam 5] aangifte van diefstal van zijn BMW 3-serie met kenteken [kenteken] . Hij verklaart dat zijn auto tussen 25 juli 2018 18:00 uur en 26 juli 2018 10:30 uur moet zijn gestolen.28

Op camerabeelden bij de box in Amstelveen is te zien dat verdachte en [medeverdachte 1] op 26 juli 2018 omstreeks 01:59 uur naar de box lopen, dat verdachte de deur opent, dat ze beiden naar binnen lopen en na enkele minuten weer naar buiten lopen.29 Verder is te zien dat [medeverdachte 1] op 27 juli 2018 omstreeks 01:08 uur de box opent, naar binnen gaat en de deur dicht doet. Omstreeks 01:12 uur komt een donkerkleurige stationwagen aanrijden, vermoedelijk een BMW. [medeverdachte 1] opent de garagedeur en de stationwagen rijdt naar binnen. Als de auto naar binnen is gereden sluit [medeverdachte 1] de garagedeur. Omstreeks 01:26 uur wordt de garagedeur geopend en komt [medeverdachte 1] samen met verdachte naar buiten. Nadat verdachte de garagedeur heeft dichtgedaan, is te zien dat [medeverdachte 1] iets aan de rechterzijde van de deur stopt, vermoedelijk triggers. Verder is te zien dat verdachte iets aan de linkerzijde van deur stopt, vermoedelijk ook triggers.30 Op camerabeelden is te zien dat verdachte op 12 augustus 2018 en 19, 20, 21 en 22 september 2018 naar de box in Amstelveen gaat. Op 21 september 2018 rijdt verdachte een BMW stationwagen uit de garagebox. Later die avond is hij lopend te zien bij de garagebox. De BMW heeft hij onbeheerd op de [straatnaam] achtergelaten. 31 Op 22 september 2018 sleept de politie het voertuig af en stelt vast dat het de op 25/26 juli 2018 gestolen BMW 3-serie met kenteken [kenteken] is.32

Uit het voorgaande blijkt dat verdachte zo’n 24 uur na de diefstal de gestolen BMW de box in rijdt en dat [medeverdachte 1] daar ook bij betrokken is. Uit het dossier kan ook worden opgemaakt dat de bakengegevens van de VW Polo van verdachte en de telefoon van [medeverdachte 1] ten tijde van de diefstal in de buurt van de plek van de diefstal uitpeilen. Uit de inhoud van tapgesprekken volgt verder dat verdachte en [medeverdachte 1] toen samen waren.

De rechtbank vindt, anders dan de officier van justitie, voormelde gegevens onvoldoende om te bewijzen dat verdachte met [medeverdachte 1] de BMW heeft weggenomen. In dat verband is van belang dat verdachte de diefstal heeft ontkend. Verder is de BMW gestolen vlakbij de woning van verdachte. De peilbakengegevens moeten ook in dat licht worden bekeken en hoeven er dus niet zonder meer op te wijzen dat verdachte de auto heeft gestolen. Verder is de BMW niet direct na de diefstal naar de box in Amstelveen gereden, dat is pas zo’n 24 uur later gebeurd, door verdachte. Dit laat de reële mogelijkheid open dat de auto is weggenomen door iemand anders dan verdachte (en/of [medeverdachte 1] ) en dat de auto vervolgens aan verdachte is overgedragen. Gezien het voorgaande acht de rechtbank de primair ten laste gelegde diefstal niet bewezen.

Wel kan opzetheling van de BMW door verdachte worden bewezen. Dit feit heeft hij ter terechtzitting bekend.33 De rechtbank acht bewezen dat verdachte de BMW voorhanden heeft gehad van het moment van het inrijden in de box op 27 juli 2018 tot het moment van het rijden uit de box en achterlaten op de [straatnaam] op 21 september 2018. Op 27 juli 2018 heeft hij de auto ook enige tijd tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] voorhanden gehad. Er is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking bij het de box in rijden van de BMW, zoals hiervoor weergegeven. Die samenwerking blijkt ook uit de omstandigheid dat verdachte en [medeverdachte 1] de nacht ervoor ook al samen bij de box waren. Ook [medeverdachte 1] moet hebben geweten dat de BMW van misdrijf afkomstig was. Hij plaatst immers ook triggers bij de deur van de box. Verder was hij al eerder betrokken bij heling van de Seat samen met verdachte.

Feit 11, opzetheling van een auto, BMW 3-serie Touring (ZD06)

Mevrouw [naam 6] heeft op 8 oktober 2018 aangifte gedaan van diefstal van haar BMW type 3-serie voorzien van kenteken [kenteken] . Zij verklaart dat de auto is gestolen van de [adres 1] tussen 1 augustus 2018 00:00 uur en 5 oktober 2018 13:45 uur.34

De politie ziet op camerabeelden bij de box aan de [straatnaam] dat verdachte op 23 september 2018 omstreeks 22:03 uur een donkerkleurige stationwagen de box in rijdt. De politie betreedt vervolgens op 24 september 2018 heimelijk de betreffende box en treft een BMW 3-serie voorzien van kentekenplaat [kenteken] aan.35 Het gaat hier om een BMW type Touring 36. De rechtbank stelt op basis van deze gegevens vast dat verdachte op 23 september 2018 de van mevrouw [naam 6] gestolen BMW de box in Amstelveen in heeft gereden. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de beschikking had over de box en de BMW.37 Dat verdachte na de diefstal van de BMW over de gestolen BMW is gaan beschikken staat daarmee vast.

Verdachte heeft verklaard dat hij de BMW niet heeft gestolen. De rechtbank acht echter bewezen dat verdachte de BMW wel heeft gestolen.

De politie heeft de afluisterapparatuur geplaatst in de box in Amstelveen. In het dossier zijn afgeluisterde gesprekken, gevoerd op 26 september 2018 in deze box , weergegeven, waarbij verdachte volgens de politie één van de gespreksdeelnemers is. Hij zegt dan: ‘Hij is niet als gestolen opgegeven, niets. Ik denk dat ie op vakantie was. Want de grap is, ik had hem al een keer gevolgd, een middag.’ Ook zegt hij ‘De hele middag stond hij vol in de zon. Was ik, toen wist ik al dat hij op vakantie was. Dat is nu al 5 dagen geleden. Hij is nog steeds niet

*NTV*.’38 De rechtbank stelt vast dat verdachte het heeft over de van mevrouw [naam 6] gestolen BMW. Zij heeft immers verklaard dat zij langdurig in het buitenland was39, wat past bij hetgeen verdachte zegt. Verder voert verdachte het gesprek enkele dagen nadat hij met de BMW de box in Amstelveen in is gereden, terwijl hij in de box met daarin de gestalde BMW is. Ook dit duidt er op dat verdachte het over de van mevrouw [naam 6] gestolen BMW heeft. Uit hetgeen verdachte zegt, maakt de rechtbank op dat hij de BMW eerst heeft geobserveerd. Hij zegt ook nog ‘Hij had wel lijpe alarm.’ Hij zegt dat het ‘echt hard’ was.40 Kennelijk was verdachte erbij toen het alarm van de auto afging. Hij heeft het in het gesprek ook over het schoonmaken van het stuur en zegt dan onder meer: ‘Ik heb echt met handschoenen gewerkt.’41De rechtbank merkt nog op dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat het in algemene zin klopt als de politie zegt dat hij aan het woord is in OVC-gesprekken, zoals hiervoor weergegeven.42Uit het dossier blijkt ook dat het kenteken [kenteken] op 22 en 23 september 2018 is geraadpleegd vanaf het IP-adres dat op dat moment hoorde bij een internetaansluiting aan de [adres]43, het adres van verdachte.

Gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat verdachte de BMW van mevrouw [naam 6] eerst heeft geobserveerd, vervolgens heeft gestolen en die auto daarna de box te Amstelveen in heeft gereden.

Op één van de door de politie bij de inkijk in de box op 24 september 2018 gemaakte foto’s is te zien dat in de BMW een OBD-stekker is aangetroffen.44 OBD staat voor ‘On Board Diagnostics’ en een OBD-stekker biedt toegang tot de software in een auto, om die uit te kunnen lezen. De rechtbank concludeert dat de auto is gestolen met gebruikmaking van een OBD-stekker en dus door middel van een valse sleutel.

Feit 12, diefstal van een auto, BMW 3-serie (ZD07)

Op 15 oktober 2018 doet de heer [naam 7] aangifte van diefstal van zijn BMW 3-serie met kenteken [kenteken] . Hij verklaart dat zijn auto tussen 14 oktober 2018 19:00 uur en 15 oktober 2018 08:00 uur is gestolen en dat zijn auto geparkeerd stond voor zijn woning aan de [adres 2] .45

De politie neemt op camerabeelden bij de box te Zaandam waar dat een BMW met kenteken [kenteken] op 15 oktober 2018 omstreeks 02:53 uur de garagebox in wordt gereden. De bestuurder van de BMW wordt door de politie herkend als [verdachte] , verdachte. De politie ziet dat verdachte na het sluiten van de garagebox handelingen verricht bij de linker bovenhoek van de garagedeur. Hij zoekt vermoedelijk eerst naar voorwerpen op de grond, die hij vervolgens als trigger tussen de garagedeur en het kozijn plaatst.46

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het kan dat zijn VW Polo rond de [adres 2] is gesignaleerd, dat hij bij de diefstal van de BMW was, dat hij samen met een ander naar de box aan de [adres box] is gereden, dat hij de gestolen BMW bestuurde en dat hij de gestolen BMW de garagebox in heeft gereden.47 Hoewel verdachte heeft verklaard dat hij de BMW niet heeft gestolen, vindt de rechtbank dat uit zijn verklaring volgt dat hij medepleger van die diefstal was. Wellicht heeft hij de BMW niet weggenomen, maar hij was er wel bij en is meteen na het wegnemen van de BMW daarin weggereden en heeft die BMW gestald in een door hem gehuurde box. Ook was hij betrokken bij het plaatsen van een nieuw kenteken – het Belgische kenteken [kenteken] – op de BMW op 16 oktober 201848, waaruit te meer blijkt verdachte over de auto is gaan beschikken.

De nauwe en bewuste samenwerking tussen twee daders bij de diefstal is gelet op het voorgaande voldoende gebleken, zodat de rechtbank medeplegen bewezen acht.

Aangever [naam 7] heeft verklaard dat hij zijn auto met een afstandsbediening heeft afgesloten, dat de sloten goed functioneerden en dat hij alle sleutels nog had.49 Gelet hierop gaat de rechtbank uit van diefstal door middel van een valse sleutel. Van braakschade is namelijk niet gebleken.

Feit 13, opzetheling van een auto, BMW 5-serie (ZD09)

Op 25 oktober 2018 doet de heer [naam 8] aangifte van diefstal van zijn BMW 540 I met VIN [nummer] . Hij verklaart dat zijn auto is gestolen tussen 22 oktober 2018 19:00 uur en 25 oktober 2018 11:40 uur.50

De politie ziet op beelden opgenomen met de camera bij de box te Amstelveen dat op 24 oktober 2018 omstreeks 22:07 uur een BMW met kentekenplaat [kenteken] de box in wordt gereden. Hierbij zijn twee onbekende mannen betrokken. Eén van de mannen stopt na het sluiten van de box iets dat hij van de grond heeft geraapt linksboven in de hoek.51

Op 26 oktober 2018 betreedt de politie tijdens een inkijk de box in Amstelveen, treft de BMW met kentekenplaat [kenteken] aan, ziet op het voertuig het VIN [nummer] en ziet dat het slot van het linker portier was uitgetrokken.52 De rechtbank concludeert op grond van de hiervoor vermelde gegevens dat de gestolen BMW van de heer [naam 8] op 24 oktober 2018 in de box in Amstelveen is gestald en daar op 26 oktober 2018 nog stond. De politie ziet op camerabeelden bij de box dat de BMW 5-serie, dan voorzien van kentekenplaat [kenteken] , op 30 oktober 2018 omstreeks 01:46 uur de box uit wordt gereden. Daarbij zijn drie onbekende mannen betrokken.53

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 26 oktober 2018 bij de box in Amstelveen is geweest en de BMW daar in heeft zien staan. Hij heeft verklaard dat hij geen flauw idee heeft hoe de auto daar is gekomen en hij ontkent dat hij de auto heeft geheeld. De rechtbank is echter van oordeel dat dit wel kan worden bewezen. Verdachte heeft de auto immers gezien. Hij moet dus ook hebben gezien dat het slot van het linker portier was uitgetrokken. Dat duidt erop dat de auto van diefstal afkomstig was en verdachte, die de nodige ervaring had met het helen en stelen van auto’s, moet dit hebben geweten. Verder had hij de sleutel van de box en plaatste hij op 26 oktober 2018 triggers bij de garagedeur.54 De auto stond dus gestald in de box die verdachte op dat moment gebruikte en hij had daarmee ook (mede) de beschikkingsmacht over de auto. Hij had de auto dus ook voorhanden. De rechtbank acht bewezen dat verdachte de auto heeft geheeld tezamen en in vereniging met de hiervoor genoemde onbekende mannen. Die mannen waren, net als verdachte, op de hoogte van de bij de deur geplaatste triggers, wat duidt op samenwerking tussen hen. Een en ander is voor de rechtbank voldoende om een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de onbekend gebleven mannen aan te nemen.

Feit 14, diefstal met braak van een auto, BMW 5-serie (ZD11)

Op 4 februari 2019 doet de heer [naam 9] aangifte van diefstal van zijn BMW 5-serie met kenteken [kenteken] . Hij verklaart dat zijn auto tussen 3 februari 2019 18:10 uur en 4 februari 2019 07:00 uur is gestolen en dat de auto geparkeerd stond aan de [adres 3] .55

Verdachte heeft ontkend dat hij deze diefstal heeft gepleegd. De rechtbank acht echter bewezen dat verdachte deze auto heeft gestolen. Daartoe is het volgende van belang.

Op 26 januari 2019 omstreeks 02:15 uur bevindt de VW Polo van verdachte zich in de [adres 3] en op dat moment werd met de telefoon van verdachte het kenteken [kenteken] bij de RDW bevraagd.56 In die nacht voert verdachte gesprekken die, zo concludeert de rechtbank, gaan over het stelen van voertuigen. Zo heeft hij het over auto’s op opritten en dat er sommige mensen zijn die hem nooit dicht doen. Ook heeft hij het over ‘deur openmaken, kleppie eraf halen, erin stoppen’57 en bespreekt hij het afgaan van autoalarmen en de lampen van auto’s die kunnen aangaan, dat er sensoren in banden zitten en dat die werken op trillen. Er wordt gezegd: ‘Je trapt op de band, hij gaat af. De deur gaat open, hij gaat af.’58 Deze gesprekken zijn gevoerd in de VW Polo van verdachte en door de politie afgeluisterd (OVC-gesprekken). Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het in algemene zin klopt als de politie zegt dat hij aan het woord is in OVC-gesprekken.59 Nu verdachte niet heeft betwist dat hij deze gesprekken heeft gevoerd, gaat de rechtbank daar vanuit. De politie stelt vast dat de VW Polo van verdachte tussen 26 januari 2019 en

4 februari 2019 meerdere keren de [adres 3] bezoekt.60 Voorgaande onderzoeksgegevens kunnen, in onderling verband en samenhang bezien, niet anders worden geduid dan als het voorbereiden door verdachte van diefstal van de auto met het door hem bevraagde kenteken.

Op 4 februari 2019 omstreeks 01:00 uur bevindt de VW Polo van verdachte zich weer nabij de [adres 3] .61 In het dossier zijn enkele gesprekken weergegeven van rond dat tijdstip, die de politie toeschrijft aan verdachte en [medeverdachte 3] . Het gaat om OVC-gesprekken in de VW Polo van verdachte. Verdachte zegt onder meer ‘dingetje eruit’, ‘stickje van die contact eruit halen’62, ‘De ramen gaan zomaar open. We moeten terugkomen.’, ‘Die tank is helemaal leeg.’ Op 4 februari 2019 omstreeks 16:10 uur ziet de politie de BMW 5-serie met kenteken [kenteken] ter hoogte van de [adres 4] geparkeerd staan. Omstreeks 17:10 uur die dag ziet de politie de VW Polo met kenteken [kenteken] de [adres 4] inrijden tot aan de BMW 5-serie met kenteken [kenteken] en vervolgens omkeren en de

[adres 4] verlaten. De VW Polo met kenteken [kenteken] is op genoemde datum in het bezit van verachte, zo heeft hij ter terechtzitting ook verklaard.63 De onderzoeksgegevens van 4 februari 2019, bezien in het licht van de hiervoor benoemde voorbereidingshandelingen door verdachte, brengen de rechtbank tot de conclusie dat verdachte de BMW 5-serie met kenteken [kenteken] heeft gestolen.

Op 4 februari 2019 om 17:21 uur constateert de politie dat de cilinder van het slot van het linker portier van de BMW 5-serie met kenteken [kenteken] ontbreekt.64 Gelet hierop acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich de toegang tot de auto heeft verschaft door middel van braak.

Feit 4 (ZD00)

Beoordelingskader

Voor een veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie moet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een organisatie, dat die organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat de verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen. Er moet sprake zijn van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.

Voor ‘deelneming’ aan de organisatie is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet vereist is dat hij wetenschap heeft van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd of dat zijn opzet is gericht op het plegen van die misdrijven, ook niet wanneer het gaat om misdrijven van uiteenlopende aard. De verdachte hoeft niet bij meerdere misdrijven van de organisatie betrokken te zijn geweest. Het gaat er immers niet om of zijn opzet was gericht op het plegen van (meer) misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (reeds binnen de organisatie gepleegde) misdrijven, maar of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het opzet van de verdachte moet dus zijn gericht op het deelnemen aan de organisatie. Volgt uit de bewijsvoering dat de verdachte een aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie bijdragende of ondersteunende handeling heeft verricht, dan ligt daarin zijn wetenschap met betrekking tot dat oogmerk besloten. Volgt daarentegen uit de bewijsvoering slechts dat de verdachte voor deelnemers van een criminele organisatie hand- en spandiensten heeft verricht zonder dat daaruit kan worden afgeleid dat hij daarbij handelde in de wetenschap dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, dan staat daarmee niet vast dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat die organisatie bedoeld oogmerk had en levert het handelen van de verdachte geen deelneming aan een criminele organisatie op.

Bestaan criminele organisatie

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen aan de hand van het hiervoor weergegeven beoordelingskader vast dat in de aan verdachte ten laste gelegde periode (van 1 december 2017 tot en met 8 april 2019), sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, bestaande uit twee of meer personen, die tot oogmerk had het plegen van diefstallen, heling en valsheid in geschrifte. Verdachte speelde in die organisatie een cruciale rol. De rechtbank wijst er daarbij allereerst op dat, zoals hierboven is uiteengezet, verdachte in de periode van 13 maart 2018 tot en met 2 februari 2019 drie keer een voertuig heeft gestolen65en zes keer een voertuig heeft geheeld.66Verdachte opereerde daarbij niet alleen. Ook [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] waren hierbij naar het oordeel van de rechtbank op zodanige wijze betrokken, dat zij als deelnemer in de criminele organisatie kunnen worden aangemerkt, met verdachte als leider. Ter toelichting merkt de rechtbank het volgende op.

Uit de genoemde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte gestolen en geheelde voertuigen stalde in garageboxen in Amersfoort, Amstelveen en Zaandam en dat kentekenplaten van de voertuigen werden vervangen door gestolen dan wel vervalste kentekenplaten. Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij kentekenplaten verving.67

Verdachte huurde de garageboxen van [medeverdachte 5] .68De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 5] bij de verhuur een katvanger69 heeft gebruikt. Uit het gebruik van die katvanger leidt de rechtbank af dat hij wist dat verdachte de boxen ging gebruiken voor criminele activiteiten en [medeverdachte 5] om die reden wilde verhullen dat hij degene was die de boxen (onder)verhuurde. De wetenschap van [medeverdachte 5] dat de boxen werden gebruikt voor criminele activiteiten blijkt ook uit door [medeverdachte 5] met [medeverdachte 2] gevoerde WhatsApp-gesprekken in augustus en september 2018 en april 2019.70 De gesprekken gaan over criminele activiteiten met betrekking tot voertuigen, zo concludeert de rechtbank. Het opzet van [medeverdachte 5] op het deelnemen aan de criminele organisatie is daarmee voldoende gebleken. Wetenschap van concrete misdrijven van de organisatie is immers niet vereist. Verder is evenmin vereist dat [medeverdachte 5] zelf heeft deelgenomen aan misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie was gericht om als deelnemer te kunnen worden aangemerkt.

Uit de gesprekken tussen [medeverdachte 2] en verdachte leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 2] het vertrouwen genoot van verdachte en dat hij op de hoogte was van de activiteiten van verdachte op het gebied van het helen en stelen van voertuigen en het stallen in boxen. In dit verband zijn van belang telefonische gesprekken tussen verdachte en [medeverdachte 2] op 19 juli 201871, 20 juli 201872, 23 juli 201873, 14 augustus 201874, 19 augustus 201875 en 3 november 201876 en gesprekken op 27 oktober 201877, 17 februari 201978 en 1 maart 201979 tussen verdachte en [medeverdachte 2] (en een onbekende man) in de VW Polo van verdachte. In die gesprekken doet [medeverdachte 2] bijvoorbeeld suggesties over te stelen auto’s en levert op die manier een bijdrage aan de criminele activiteiten van de organisatie. Uit zijn rol bij het regelen van de boxen blijkt dat het niet alleen bij gesprekken is gebleven. De rechtbank acht de rol van [medeverdachte 2] , mede gelet op de relatief lange duur dat hij in beeld komt, van voldoende gewicht om hem als deelnemer aan de criminele organisatie aan te merken.

Ook [medeverdachte 1] kan als deelnemer aan die organisatie worden aangemerkt. Hij is betrokken bij twee criminele feiten die zien op het oogmerk van de organisatie. Hij heeft namelijk twee opzethelingen van voertuigen gepleegd, waarbij hij heeft samengewerkt met verdachte.80 Daarnaast gaat [medeverdachte 1] met verdachte mee naar verschillende boxen waar gestolen auto’s in staan, zoals bij de hiervoor genoemde opzethelingen. Hij plaatst ook zelf triggers bij de boxen.81

De rechtbank merkt verder [medeverdachte 6] aan als deelnemer aan deze criminele organisatie. Hij heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan opzetheling van een voertuig, waarbij hij heeft samengewerkt met verdachte.82 [medeverdachte 6] heeft daarmee bijgedragen aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Hoewel deze feiten in een relatief korte periode zijn gepleegd, vindt de rechtbank de rol van [medeverdachte 6] wel groot en duurzaam genoeg om hem als deelnemer aan de organisatie aan te merken. Voor zijn opzet op het deelnemen aan de criminele organisatie is van belang dat hij wist dat verdachte zich structureel bezig hield met voertuigcriminaliteit: niet alleen was verdachte betrokken bij de door [medeverdachte 6] verrichte handelingen met de voertuigen, ook wist [medeverdachte 6] dat verdachte de beschikking had over garageboxen en dat daarin de gestolen voertuigen werden gestald.

Het beeld dat uit het dossier en uit zijn verklaringen ter zitting oprijst van verdachte is dat van een man die full time met voertuigcriminaliteit bezig is. Bij die bezigheden heeft hij stelselmatig andere mensen betrokken, waarbij ook sprake was van een zekere rolverdeling. De rechtbank gaat dan ook niet mee in de stelling van de raadsman, dat geen sprake zou zijn van een criminele organisatie, maar slechts van het gezamenlijk plegen van strafbare feiten, te weten helingen en af en toe een diefstalletje, zoals de raadsman het aanduidde.

Dat verdachte de leider van de organisatie was, volgt allereerst uit zijn actieve deelname bij de feiten. Hij had een voortrekkersrol. Uit de gesprekken die hij in het kader van de feiten voert, volgt verder dat hij veelal een coördinerende rol had bij de uitvoering van de feiten. Daarnaast blijkt uit het dossier dat hij contact had met alle deelnemers aan de organisatie. Zijn leiderschap volgt ook uit het naar voren schuiven van [medeverdachte 2] als tussenpersoon tussen hem en [medeverdachte 5] bij het huren van de garageboxen.

Oogmerk

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het oogmerk van de organisatie in ieder geval was gericht op het plegen van voertuigcriminaliteit: het stelen en helen van voertuigen en, door het plaatsen van gestolen of valse kentekens op die voertuigen, valsheid in geschrift.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat het oogmerk van de organisatie daarnaast ook was gericht op voorbereidingshandelingen voor brandstichting, ontploffing en/of moord, (gewoonte)witwassen en andere vormen van valsheid in geschrift. In het dossier wordt op basis van diverse onderzoeksresultaten de verdenking geuit dat bij de organisatie, in ieder geval bij [verdachte] , bekend was dat de kans zeer wel aanwezig was dat de door de organisatie gestolen en geheelde auto’s bestemd waren voor zware, georganiseerde criminaliteit. De rechtbank laat echter in het midden hoe daar tegen aan moet worden gekeken, nu hoe dan ook niet is gebleken van voldoende bewijs dat andere deelnemers dat oogmerk van voorbereidingshandelingen voor brandstichting, ontploffing en moord, deelden of daar wetenschap van hadden. Daarmee valt al de grondslag weg voor bewijs voor een criminele organisatie met dat oogmerk.

Slotsom

De rechtbank spreekt verdachte vrij van de onder 5 primair en 10 primair ten laste gelegde diefstallen en de onder 7 ten laste gelegde voorbereiding van brandstichting.

De rechtbank acht voor wat betreft de feiten betreffende onderzoek Wheeling bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 4

in de periode van 1 december 2017 tot en met 8 april 2019 te Amsterdam en/of Amstelveen en/of Zaandam en/of Utrecht, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie,

bestaande uit hem, verdachte en andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- het plegen van (gekwalificeerde) diefstallen (als bedoeld in artikel 311 Wetboek van Strafrecht) en

- het plegen van opzetheling (als bedoeld in artikel 416 Wetboek van Strafrecht) en

- valsheid in geschrift en/of opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift en/of opzettelijk een vals of vervalst geschrift afleveren en/of voorhanden hebben (met betrekking tot valse en/of vervalste kentekenplaten (als bedoeld in artikel 225 lid 1 en lid 2 Wetboek van Strafrecht)

zulks terwijl hij, verdachte, leider van die organisatie was;

ten aanzien van feit 5 subsidiair

in de periode van 13 maart 2018 tot en met 25 april 2018 te Amersfoort een personenauto (BMW Alpina) met originele kentekenplaten [kenteken] en twee Duitse kentekenplaten ( [kenteken] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen

wist dat het een door diefstal verkregen goed betrof;

ten aanzien van feit 6

in de periode van 1 mei 2018 tot en met 17 juni 2018 te Amstelveen en/of Woerden tezamen en in vereniging met een ander een personenauto (merk: Seat Leon Cupra met VIN [nummer] en kentekenplaten met kenteken [kenteken] en [kenteken] heeft voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen wisten dat het door misdrijf verkregen goederen betrof en in de periode van 1 mei 2018 tot en met 17 juni 2018 te Amstelveen en/of Woerden kentekenplaten met kenteken [kenteken] 83 heeft voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

ten aanzien van feit 8

in de periode van 24 mei 2018 tot en met 13 augustus 2018 te Zaandam een motorscooter (Suzuki AN400) met kenteken [kenteken] voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het een door diefstal verkregen goed betrof;

ten aanzien van feit 9

in de periode van 23 mei 2018 tot en met 23 september 2018 te Zaandam een personenauto (Volkswagen Golf) met voertuigidentificatienummer [nummer] voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

ten aanzien van feit 10 subsidiair

in de periode van 25 juli 2018 tot en met 21 september 2018 te Amstelveen tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een auto (BMW 3-serie station) met kenteken [kenteken] voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen wisten dat het een door diefstal verkregen goed betrof.

ten aanzien van feit 11 primair

op enig moment in de periode van 01 augustus 2018 tot en met 23 september 2018 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (BMW 3-serie) met originele kentekenplaten [kenteken] , toebehorende aan [naam 6] , waarbij verdachte zich de toegang tot de auto heeft verschaft door middel van een valse sleutel;

ten aanzien van feit 12

op 15 oktober 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk

van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (BMW 3-serie) met kenteken [kenteken] , toebehorende aan [naam 7] , waarbij verdachte en zijn mededader die weg te nemen auto onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel;

ten aanzien van feit 13

in de periode van 24 oktober 2018 tot en met 30 oktober 2018 te Zaandam tezamen en in

vereniging met anderen een personenauto (BMW 540 I) met voertuigidentificatienummer [nummer] voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen wisten dat het een door diefstal, in elk geval een door misdrijf verkregen goed betrof;

ten aanzien van feit 14

op 4 februari 2019 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (BMW 5-serie) met originele kentekenplaten [kenteken] , toebehorende aan [naam 9] , waarbij verdachte zich de toegang tot de auto heeft verschaft door middel van braak.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het hiervoor bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals die hiervoor zijn weergegeven. In de voetnoten is verwezen naar de vindplaats in het dossier. Het betreft telkens wettige bewijsmiddelen.

4.4

Standpunt van de officier van justitie inzake 13Puurs

De officier van justitie acht de in onderzoek 13Puurs onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten bewezen, respectievelijk:

  • -

    het tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 9] opzettelijk een ontploffing teweegbrengen en brand stichten bij/in het Telegraafgebouw en beschadigen/vernielen van het Telegraafgebouw, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

  • -

    het medeplegen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 2] van de ontploffing/brandstichting van een Audi, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

  • -

    het medeplegen met [medeverdachte 1] van diefstal van een Volkswagen Caddy;

4.5

Standpunt van de raadsman inzake 13Puurs

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 tot en met 3 aan verdachte ten laste gelegde feiten in het onderzoek 13Puurs. Hij heeft in dat verband onder meer gewezen op de verschillen in werkwijze met hetgeen over verdachte naar voren komt in het onderzoek 26Wheeling en het feit dat ondanks dat verdachte destijds vol in de aandacht van justitie stond, er geen concreet bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij deze feiten is verzameld.

4.6

Oordeel van de rechtbank inzake 13Puurs

De rechtbank acht in het onderzoek 13Puurs bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (mede)plegen van brandstichting in en beschadiging van het Telegraafgebouw (feit 1 primair), het in brand steken van de Audi (feit 2 primair) en het medeplegen met [medeverdachte 1] van diefstal van een Volkswagen Caddy (feit 3 primair).

De rechtbank zal een en ander hieronder motiveren en eindigen met de bewezenverklaring.

Vaststaande feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten, die ook niet worden betwist. Op 26 juni 2018 even voor 4 uur ’s nachts rijdt een Volkswagen Caddy (hierna: de Caddy) tot tweemaal toe tegen de pui van het Telegraafgebouw aan de [adres Telegraafgebouw] . Een man stapt uit de Caddy, opent de achterdeur van de auto en gooit iets naar binnen. Hierdoor vliegt de Caddy in brand. In de Caddy zijn later meerdere versmolten jerrycans aangetroffen.84 De brand slaat over naar het Telegraafgebouw en goederen in het gebouw.85 Door die brand, en doordat de Caddy door de centrale toegangspui het gebouw deels binnen is gereden, ontstaat forse schade aan het gebouw.86 Op het moment van de brand is één beveiliger in het gebouw aanwezig. Hij ziet de gebeurtenissen via camerabeelden en slaat direct alarm, maar raakt niet gewond.

De Caddy blijkt een paar dagen eerder, in de nacht van 22 juni 2018, te zijn gestolen uit de Saaftingestraat in Amsterdam.87 Op de camerabeelden van de momenten kort voor de brand op 26 juni 2018 is te zien dat de Caddy komt aanrijden over de Basisweg. Vóór de Caddy rijdt dan een zwarte auto die het fietspad oprijdt en daar met gedoofde lichten blijft staan. De Caddy komt er naast staan. Er lijkt even contact te zijn tussen de beide bestuurders en daarna rijdt de Caddy het terrein van de Telegraaf op. Nadat de bestuurder van de Caddy de auto in brand heeft gestoken, rent hij naar de zwarte auto en stapt in aan de passagierskant. De zwarte auto rijdt weg.88

Die zwarte auto blijkt een Audi te zijn, die op dat moment het kenteken [kenteken] draagt.89 Diezelfde Audi wordt de volgende nacht (27 juni 2018) uitgebrand aangetroffen op een parkeerplaats aan de Noordkaperweg in Amsterdam Noord, waar meerdere voertuigen geparkeerd stonden.90 De bus die naast de Audi stond heeft schade aan het rubber bij de deuren, zo vertelt de bewoner van [adres bewoner] .91 In de Audi worden meerdere jerrycans aangetroffen.92 De Audi is een Audi RS5 en is in maart van dat jaar gestolen in Woerden.93 Uit het politieonderzoek dat direct na de brand start, blijkt dat de Audi kort tevoren, op 18 en 19 juni 2018, in België is geweest94 en in de avond van 25 juni 2018 vanuit Breda naar Amsterdam is gereden.95

Identiteit van de daders; aard van het bewijsmateriaal

Verdachte heeft iedere betrokkenheid bij de brandstichting en de daarmee samenhangende feiten ontkend.

Het onderzoek 13Puurs heeft geen direct bewijs opgeleverd over de identiteit van degenen die verantwoordelijk zijn voor de brandstichting bij de het Telegraafgebouw, de diefstal van de Caddy en het in brand steken van de Audi in Amsterdam Noord. Zo is op de Caddy, de Audi en bij het gebouw van de Telegraaf geen forensisch bewijs gevonden, zoals vingerafdrukken of DNA, dat valt te herleiden tot een bepaalde verdachte. De getuigen die zijn gehoord hebben niemand herkend en geen namen genoemd en het is niet mogelijk gebleken aan de hand van de beschikbare camerabeelden vast te stellen wie de bestuurder van de Caddy is. De diefstal van de Caddy en de brandstichting in de Audi zijn niet gefilmd.

Wel heeft het politieonderzoek veel indirecte informatie opgeleverd, bijvoorbeeld in de vorm van telecomgegevens, gegevens van peilbakens en afgeluisterde telefoongesprekken. Veel van die informatie is afkomstig uit het onderzoek 26Wheeling, dat al enige maanden liep toen het onderzoek 13Puurs startte.

Identiteit van de daders; conclusies van de officier van justitie

Verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] worden door de officier van justitie als medeplegers verantwoordelijk gehouden voor de brandstichting bij het Telegraafgebouw op 26 juni 2018. Verdachte en [medeverdachte 1] worden daarnaast verantwoordelijk gehouden voor het medeplegen van de diefstal van de Caddy op 22 juni 2018, die is gebruikt bij de brandstichting bij het Telegraafgebouw. Voor het op 27 juni 2018 in brand steken van de Audi, de vluchtauto bij de brandstichting bij het Telegraafgebouw, worden verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 2] als medeplegers verantwoordelijk gehouden. [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] worden door de officier van justitie verantwoordelijk gehouden voor het medeplegen van opzetheling van de Audi op 25 juni 2018, voorafgaand aan de brandstichting bij het Telegraafgebouw. De officier van justitie komt tot die conclusies op basis van zijn uitleg van de onderzoeksgegevens. Die uitleg is door de officier van justitie ook in de vorm van een audiovisuele presentatie op zitting getoond. Daarin zijn conclusies getrokken over de toedracht, die de officier van justitie op basis van de samenhang tussen de onderzoeksresultaten aannemelijk vindt.

Identiteit van de daders; de beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie veel van zijn conclusies baseert op telecomgegevens. In dat verband is van belang dat, met uitzondering van [medeverdachte 8] , de verdachten in 13Puurs niet hebben betwist, dat zij gebruik hebben gemaakt van de telefoonnummers die de politie aan hen heeft toegeschreven. De rechtbank vindt dat de politie voldoende heeft onderbouwd dat [medeverdachte 8] inderdaad de gebruiker is van het aan hem toegeschreven telefoonnummer eindigend op [nummer] . De rechtbank gaat dan ook uit van de toeschrijvingen van telefoonnummers door de politie. Bij de weergave van gesprekken in het dossier is veelal ook vermeld dat de deelnemers aan die gesprekken door stemherkenning zijn geïdentificeerd. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het telefoonnummer eindigend op [nummer] , dat de politie aan hem heeft toegeschreven, van hem is.96

Huur van achtereenvolgens Kona en Peugeot 208 in de periode van 21 tot 28 juni 2018

Verdachte huurt van 21 tot 28 juni 2018 een auto. Eerst een felblauwe Hyundai Kona met kenteken [kenteken] , die op 22 juni 2018 wordt ingewisseld voor een grijze Peugeot 208 met kenteken [kenteken] -S.97 Zijn eigen VW Polo staat in die week geparkeerd in de buurt van zijn huis op de [adres 5] en verplaatst zich in die week sporadisch en alleen in de directe omgeving van die straat.98 Verdachte heeft ter terechtzitting ook verklaard dat hij zijn VW Polo van 21 tot 26 juni 2018 niet heeft gebruikt.99 Bij het huren van de Kona en inwisselen van die Kona voor een Peugeot 208 is [medeverdachte 1] nauw betrokken. Weliswaar staan de gehuurde auto’s op naam van verdachte, maar [medeverdachte 1] heeft meermalen telefonisch contact met autoverhuurbedrijven over het type auto dat gehuurd moet worden en hij maakt uiteindelijk de afspraak om een Hyundai Kona op te halen op 21 juni 2018. [medeverdachte 1] noemt zich in die gesprekken [verdachte] .100 De rechtbank vindt dit opvallend. Als de kleur van de Kona niet blijkt te bevallen, belt [medeverdachte 1] met het verhuurbedrijf om een andere auto te vragen.101 Hij belt op 21 juni 2018 ook met de telefoon van verdachte en noemt zich dan wel [medeverdachte 1] . Hij vraagt in dat gesprek heel specifiek om een VW Polo.102 De rechtbank vindt ook dat opvallend, omdat verdachte immers zelf een VW Polo heeft, die de hele week staat geparkeerd in de buurt van zijn huis. De Kona wordt uiteindelijk op 22 juni 2018 omgeruild voor een Peugeot 208.103

[verdachte] betrokken bij brandstichting vluchtauto Audi op 27 juni 2020

De rechtbank gelooft niet dat verdachte De Kona en de Peugeot 208 gedurende die week alleen heeft gehuurd om een onschuldige reden, zoals hij zelf heeft gezegd, namelijk om mee te showen. Deze verklaring valt niet te rijmen met de informatie uit het dossier. Zo blijkt dat die Peugeot 208 precies op het moment dat de Audi RS5 midden in de nacht op de Noordkaperweg in brand wordt gestoken op 27 juni 2018, daar aanwezig is.104 Verdachte heeft toegegeven dat hij daar toen was, samen met iemand wiens naam hij niet wil noemen.105 Hij was daar toen, zo verklaart hij voor het eerst op de zitting van 9 maart 2020, om een BMW X6 te stelen die daar geparkeerd zou staan. Wanneer hij daar op zitting over wordt bevraagd, zegt hij eerst dat die BMW geparkeerd stond op hetzelfde parkeerterrein als de Audi, hij weet niet hoe ver van de brandende Audi en kan niet inschatten hoeveel parkeerplaatsen er tussen de BMW en de brandende Audi zaten. Nadat hij wordt geconfronteerd met de informatie van de officier van justitie dat alle kentekens die op het moment van de brand op de parkeerplaats stonden zijn genoteerd, en dat daar geen BMW X6 bij stond, verandert hij zijn verklaring. Verdachte zegt dan ineens dat de diefstal is mislukt omdat de BMW er niet stond. Als hij door de rechtbank hiermee wordt geconfronteerd, zegt hij dat hij heeft gezegd dat hij niet kon zeggen hoe ver de BMW van de Audi stond, en dat hij niet heeft gezegd dát de BMW er stond. De rechtbank vindt dit een ontwijkende, ongeloofwaardige verklaring.

Ondanks zeer uitgebreid politieonderzoek, komen er geen andere auto’s in beeld die in verband kunnen worden gebracht met die brandstichting, dan de door verdachte gehuurde Peugeot 208. Een getuige die vlak voor de brand op de parkeerplaats aan de Noordkaperweg is, verklaart dat hij daar toen mogelijk iemand heeft zien bewegen achter de bestelbus, die naast de Audi stond geparkeerd.106 Op grond van zijn eigen verklaring staat vast dat verdachte toen bij de parkeerplaats was.

Dit alles brengt de rechtbank tot de slotsom dat verdachte zo verklaart omdat hij de werkelijke reden dat hij daar was, namelijk om de Audi in brand te steken, wil verhullen. De rechtbank kan niet vaststellen of er daadwerkelijk iemand bij hem was op dat moment, zoals hij zelf heeft gezegd, en of die persoon een rol heeft gehad bij het in brand steken van de Audi. Dat verdachte voor deze brandstichting verantwoordelijk kan worden gehouden, vindt de rechtbank in ieder geval bewezen.

De rechtbank acht niet bewezen dat [medeverdachte 1] bij dit feit betrokken is, omdat het dossier daarvoor geen bewijs biedt.

Door [verdachte] gehuurde Peugeot 208 als tweede vluchtauto betrokken bij de brandstichting bij het Telegraafgebouw op 26 juni 2018

De rechtbank leidt verder uit de bewijsmiddelen af dat de door verdachte gehuurde Peugeot 208 ook in de nacht van de brandstichting bij het Telegraafgebouw, dus op 26 juni 2018, bij de Noordkaperweg is geweest. Op 26 juni 2018, om 03:57:59 uur, dus enkele minuten na de brandstichting bij het Telegraafgebouw, reed de Audi RS5, die als vluchtauto bij die brandstichting is gebruikt, over de Verlengde Stellingweg in Amsterdam Noord.107 Dat is hemelsbreed 50 meter van de parkeerplaats op de Noordkaperweg waar die Audi de volgende nacht in brand is gestoken.108 Dat die Audi daar zo kort na de brand bij de Telegraaf reed, blijkt uit de registratie van de Vialispaal aan de Verlengde Stellingweg. Auto’s die vanaf die kant naar het parkeerterrein op de Noordkaperweg rijden, zijn te zien op camerabeelden van een fitnesscentrum op de Noordkaperweg. Op die beelden is te zien dat om 03:58:26 uur een auto met verhoogde snelheid over de verkeersdrempel rijdt in de richting van de parkeerplaats aan de Noordkaperweg. Gezien de contouren en de kleur van de auto, is het heel goed mogelijk dat het een Audi RS5 is.109 Gelet op alle onderzoeksbevindingen en hun onderlinge samenhang, komt de rechtbank tot de conclusie dat dit de Audi is, die als vluchtauto is gebruikt. Nu de Audi later niet meer wordt geregistreerd in het Vialis-systeem en getuigen hebben verklaard dat zij de uitgebrande Audi op 26 juni 2018 ook al op de parkeerplaats aan de Noordkaperweg hebben zien staan110, gaat de rechtbank er vanuit dat deze vluchtauto/Audi direct na de brandstichting bij het Telegraafgebouw op de Noordkaperweg is achtergelaten.

Op 26 juni 2018 is kort achter die Audi, om 03:59:12 uur, een donkerkleurige auto te zien op de beelden van het fitnesscentrum.111 Een paar minuten later, om 04:03:58 uur, is een personenauto te zien die de andere kant op rijdt. Gelet op de contouren van de achterkant van die auto, denkt de politie dat het om een Peugeot 208 gaat.112 Uit de Vialisregistratie blijkt dat tussen 03:50 en 04:10 uur die nacht, vier voertuigen vanaf de afrit A10 Amsterdam Noord in zijngereden. Eén daarvan is de Audi die als vluchtauto is gebruikt na de brandstichting bij het Telegraafgebouw.113 De andere drie geregistreerde auto’s, geen Peugeots, zijn door de politie niet in verband gebracht met deze zaak. . De rechtbank gaat er daarom van uit dat de auto die om 04:03:58 uur op de beelden van het fitnesscentrum te zien is, niet één van die geregistreerde auto’s is. Dat een auto niet is geregistreerd in het Vialis systeem, wil niet zeggen dat die auto er niet heeft gereden. Zo wordt in Amsterdam alleen de rechterrijstrook bij een cameraopstelling geregistreerd. De Vialispalen die in dit onderzoek van belang zijn, staan allemaal op meerbaanswegen. Dat betekent dat auto’s die zich op een andere rijstrook dan de rechterrijstrook bevinden, niet worden geregistreerd. Ook andere omstandigheden, zoals de vorm van het kenteken, eventuele afscherming achter een vrachtauto of inhaalmanoeuvres, kunnen leiden tot het niet registreren door een Vialispaal van een kenteken dat er wel rijdt.114

De door verdachte gehuurde Peugeot 208 wordt op 26 juni 2018 om 04:11:51 uur geregistreerd door een verkeerscamera op de Cornelis Lelylaan.115 De reistijd met de auto vanaf de Noordkaperweg tot aan dat punt is ongeveer 8 minuten.116 Dit tijdsbestek past naadloos bij het waarnemen op beelden om 04:03:58 uur van een auto (vermoedelijk een Peugeot) komend vanaf de Noordkaperweg en het waarnemen van de door verdachte gehuurde Peugeot 208 op de Cornelis Lelylaan om 04:11:51 uur. Op grond van dit alles gaat de rechtbank er vanuit dat de door verdachte gehuurde Peugeot 208 kort na de brandstichting bij het Telegraafgebouw is weggereden vanaf de Noordkaperweg, waar kort tevoren de Audi (vluchtauto) is geparkeerd. Kennelijk zijn de inzittenden van de Audi opgehaald met de Peugeot 208, die daarmee als tweede vluchtauto heeft gefungeerd. De rechtbank wordt in die conclusie gesterkt door de verklaring van verdachte ter zitting dat het zou kunnen dat hij in de nacht van 25 op 26 juni 2018 in de Peugeot bij de Cornelis Lelylaan zat.117

[verdachte] en [medeverdachte 1] hebben op 22 juni 2018 de Caddy gestolen

Verdachte komt ook in beeld bij de diefstal van de Caddy, waarmee is ingereden op het gebouw van de Telegraaf. De Caddy is gestolen vanuit de Saaftingestraat in Amsterdam op 22 juni 2018. Dat gebeurde kennelijk om even voor 04:00 uur want om 03:56 uur is de Caddy namelijk op camerabeelden te zien, rijdend op de Saaftingestraat, rechts afslaand via de Osdorperban uiteindelijk richting de Ookmeerweg in Amsterdam.118 Uit telecomgegevens blijkt dat verdachte een halfuurtje eerder, om 03:18 uur, een telefoonmast aanstraalt in de Saaftingestraat.119 Daarmee geconfronteerd zegt hij dat het goed zou kunnen dat hij toen daar was.120 Hij komt dagelijks in Osdorp. Hij kan zich die avond niet herinneren en weet niet of hij toen in de door hem gehuurde Kona reed. Die Kona bevond zich tussen 03:20 uur en 04:01 uur niet ver van de Saaftingestraat. De Kona verplaatste zich rond 03:56 uur, waarbij de Kona om 03:56:12 uur bij de Cornelis Lelylaan in Amsterdam en om 04:00:56 uur bij de Haarlemmerweg in Amsterdam geregistreerd werd door een verkeerscamera.121 De route van de Kona komt niet overeen met de route die verdachte lijkt te volgen gelet op zijn telefoongegevens. Zijn telefoon straalt om 03:59:37 uur aan bij de Slotermeerlaan in Amsterdam en om 04:07:28 uur aan bij de Koningsbergerstraat in Amsterdam.122 Verdachte wordt daarmee geconfronteerd ter terechtzitting. Hij verklaart dat het wel zou kunnen dat hij die Kona aan iemand had uitgeleend. Verdachte belt om 03:59:37 uur met [medeverdachte 1] en regelt dat zij elkaar even later zullen treffen bij de blauwe zone. [medeverdachte 1] zegt dat hij er al bijna is.123 De telefoon van [medeverdachte 1] straalt dan een zendmast op de Staalmeesterslaan in Amsterdam aan.124 Dat past bij de route die de Kona rijdt. Om 04:07 uur stralen verdachte en [medeverdachte 1] allebei dezelfde zendmast aan de Koningsbergerstraat in Amsterdam aan.125 Dat is nabij de Haarlemmerweg. Tien minuten later, om 04:17:18 uur belt verdachte met [naam 10] en zegt dat hij morgen naar Europcar moet ‘om die shit te regelen’.126 Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 1] , die zich dan voorstelt als [verdachte] , die ochtend inderdaad meermalen contact heeft met Europcar om te regelen dat de Kona wordt omgeruild voor een andere auto, omdat hij niet tevreden is over de kleur.127 Dat lukt uiteindelijk, de Kona kan worden geruild voor een Peugeot 208, zoals hiervoor weergegeven. Verdachte vertelt dat later ook aan [naam 10] .128

In die nacht, nog voordat de Kona werd omgeruild, wordt om 05:04 uur de Kona geregistreerd op de Vialislocatie Basisweg.129 Dat is dicht bij het gebouw van de Telegraaf. Verdachte is, zo blijkt uit zijn telefoongegevens, dan in de directe omgeving. Hij straalt dan namelijk eerst een zendmast aan op de La Guardiaweg, vanaf 04:58 uur en daarna een zendmast op de Naritaweg, vanaf 05:06 uur.130 Op basis van al die gegevens komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte vlak vóór de ontmoeting met [medeverdachte 1] bij de blauwe zone niet in de Kona reed, en daarna weer wel. De enige andere persoon die in het dossier naar voren komt in relatie tot de Kona is [medeverdachte 1] . Hij regelt immers de huur van die auto, en regelt dat de Kona, de ochtend na de diefstal van de Caddy, wordt omgeruild voor een auto met een minder opvallende kleur. Als de rechtbank al deze informatie in samenhang beschouwt, komt zij tot de conclusie dat [medeverdachte 1] die nacht direct na de diefstal van de Caddy in de Kona heeft gereden, terwijl verdachte op dat moment niet in de Kona zat. Kennelijk zat verdachte in de Caddy. Dit alles maakt dat de rechtbank verdachte en [medeverdachte 1] samen verantwoordelijk houdt voor de diefstal van de Caddy. Zij zijn samen in de Kona naar de Saaftingstraat gereden, waarna verdachte met de Caddy is weggereden en [medeverdachte 1] met de Kona. Zij ontmoeten elkaar dan bij de blauwe zone, waarna verdachte weer beschikt over de Kona. Hoewel [medeverdachte 1] waarschijnlijk niet de feitelijke wegnemingshandeling heeft verricht, duidt de rechtbank zijn rol wel als medepleger. Dat komt doordat de rechtbank uit de contacten tussen [medeverdachte 1] en verdachte direct voor en na de diefstal, alsmede uit de nauwe bemoeienis van [medeverdachte 1] met het huren van de Kona en het omruilen van de Kona, afleidt dat [medeverdachte 1] als vertrouweling van verdachte van de hoed en de rand wist. Er was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking. Hun rollen waren op dit punt inwisselbaar, wat ook nog wordt onderstreept door het gegeven dat [medeverdachte 1] zich voordoet als [verdachte] .

De rechtbank kan niet vaststellen of de toegang tot de Caddy tot stand is gekomen door braak of verbreking. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van dat onderdeel van de tenlastelegging.

[medeverdachte 1] loodst op 25 juni 2018 vluchtauto Audi naar Amsterdam

[medeverdachte 1] is ook nadrukkelijk in beeld bij het naar Amsterdam loodsen van de Audi RS5 die als vluchtauto is gebruikt na de brandstichting bij de Telegraaf. [medeverdachte 1] heeft daarover in de avond van 25 juni 2018 intensief contact met [medeverdachte 9] .131 [medeverdachte 9] heeft vrij kort na zijn aanhouding verklaard dat [medeverdachte 1] hem had gevraagd die Audi op te halen in Breda.132 [medeverdachte 1] heeft daar veel later, namelijk pas op 5 december 2019 nadat hij het hele dossier heeft kunnen bestuderen, over verklaard dat hij door iemand is gevraagd om een auto op te halen, dat hij dat heeft geweigerd en dat [medeverdachte 9] zelf heeft aangeboden om de auto op te halen. [medeverdachte 1] zegt over zijn eigen rol dat hij onbewust een soort tussenpersoon was. De rechtbank hecht geen geloof aan de verklaring die [medeverdachte 1] daarover geeft en gelooft wat [medeverdachte 9] daarover heeft gezegd. Uit de inhoud van de contacten komt [medeverdachte 1] duidelijk als sturend richting [medeverdachte 9] naar voren. De inhoud van de communicatie past niet bij het plaatje dat [medeverdachte 1] van zichzelf schetst als een willoos werktuig die alleen boodschappen van een ander doorgeeft. Als er nog iemand op de achtergrond bij [medeverdachte 1] was, dan moet [medeverdachte 1] het vertrouwen van die persoon hebben gehad en van de bedoelingen met de Audi hebben geweten, om te kunnen opereren zoals hij heeft gedaan, zoals blijkt uit de communicatie. Dat [medeverdachte 1] niet naar waarheid over zijn rol heeft verklaard, sterkt de rechtbank in die overtuiging.

Tussenconclusies

De rechtbank stelt vast dat:

  • -

    verdachte op 22 juni 2018 samen met [medeverdachte 1] de Caddy, die is gebruikt bij de brandstichting bij het Telegraafgebouw, heeft gestolen;

  • -

    [medeverdachte 1] op 25 juni 2018 de Audi, die is gebruikt als vluchtauto bij de brandstichting bij het Telegraafgebouw, naar Amsterdam heeft geloodst;

  • -

    de door verdachte gehuurde en – naar eigen zeggen alleen door hem gebruikte – Peugeot 208 is gebruikt als tweede vluchtauto bij de brandstichting bij het Telegraafgebouw;

  • -

    verdachte op 27 juni 2018 de Audi, die is gebruikt als vluchtauto bij de brandstichting bij het Telegraafgebouw, in brand heeft gestoken.

Betrokkenheid [medeverdachte 1] bij brandstichting/vernieling Telegraafgebouw op 26 juni 2018

Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld dat [medeverdachte 1] in uitvoerende zin betrokken is geweest bij de brandstichting bij het Telegraafgebouw. Hij heeft wel een belangrijke bijdrage geleverd aan cruciale onderdelen van de voorbereiding daarvan door de diefstal van de Caddy en het naar Amsterdam loodsen van de Audi/vluchtauto. Die Audi is pas kort voor de brandstichting naar Amsterdam gebracht en [medeverdachte 1] was als coördinator degene die aan [medeverdachte 9] liet weten waar hij de Audi naar toe moest brengen. Dit duidt erop dat [medeverdachte 1] ook moet hebben geweten dat hij een bijdrage leverde aan de brandstichting bij het Telegraafgebouw. Ook zijn samenwerking en het nauwe contact met verdachte, die de rechtbank hierna wel als medepleger bij de brandstichting zal aanmerken, duidt op die wetenschap. In dat verband is een gesprek dat [medeverdachte 1] op 1 juli 2018 voert met [naam neef] van belang. [medeverdachte 1] zegt dan ‘Onze waggie is in beslag genomen’ en ‘Auto gehuurd en hij is in beslag genomen door skotoe’.133 [medeverdachte 1] heeft het over de door verdachte gehuurde Peugeot, die op 28 juni 2018 door verdachte was ingeleverd en daarna door de politie in beslag is genomen, zo stelt de rechtbank vast. Verdachte is namelijk over de inbeslagname op 29 juni 2018 gebeld door Europcar.134 Dat [medeverdachte 1] het heeft over ‘onze waggie’ en kennelijk door verdachte op de hoogte was gebracht over de inbeslagname, is illustratief voor de nauwe samenwerking en het nauwe contact tussen [medeverdachte 1] en verdachte in het kader van de brandstichting bij het Telegraafgebouw.

Uit het dossier blijkt kortom dat [medeverdachte 1] op cruciale momenten zeer dicht op verdachte zit, en dat zij een zeer regelmatig en op het oog gelijkwaardig contact hebben. Dat gelijkwaardige contact blijkt bij uitstek uit zijn rol bij het huren van de Kona en de Peugeot 208. Omdat niet kan worden vastgesteld dat [medeverdachte 1] in uitvoerende zin betrokken is geweest bij de brandstichting bij het Telegraafgebouw en zijn activiteiten die wel kunnen worden vastgesteld liggen in de voorbereiding en aanloop tot – kort gezegd - die brandstichting, ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten hem als medepleger voor de brandstichting aan te merken. Wel ziet de rechtbank hem als medeplichtig bij die brandstichting, vanwege zijn hiervoor toegelichte coördinerende rol waardoor hij behulpzaam is geweest bij de uitvoering. De rechtbank vindt dan ook dat [medeverdachte 1] als medeplichtige opzettelijk behulpzaam is geweest tot de brandstichting/beschadiging bij/van het Telegraafgebouw.

Betrokkenheid verdachte bij brandstichting/vernieling Telegraafgebouw op 26 juni 2018

Verdachte was betrokken bij het stelen van de Caddy, het in brand steken van de eerste vluchtauto en de door hem gehuurde Peugeot 208 is als tweede vluchtauto gebruikt. Uit het dossier blijkt dat verdachte ook in de nacht van 26 juni 2018, rondom het tijdstip van de brandstichting bij het Telegraafgebouw, activiteiten heeft verricht. De rechtbank zal die hierna bespreken.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat bij de brandstichting bij het Telegraafgebouw ten minste drie personen feitelijk betrokken waren: de bestuurder van de Caddy, de bestuurder van de eerste vluchtauto (de Audi RS5) en de bestuurder van de tweede vluchtauto (de Peugeot 208). Deze drie personen moeten hun activiteiten die nacht met elkaar hebben afgestemd. Zij moeten nauw en bewust hebben samengewerkt en moeten alle drie op de hoogte zijn geweest van de brandstichting bij het Telegraafgebouw. In het hele complex van feiten komt verdachte niet alleen naar voren als degene die de Caddy heeft gestolen en de Audi later in brand heeft gestoken, maar hij neemt ook telkens op cruciale momenten deel aan communicatie waarvan zeer aannemelijk is geworden dat die betrekking heeft op de brandstichting bij het Telegraafgebouw. De rechtbank merkt hierbij op dat uit het dossier ook naar voren komt dat er geen communicatie door verdachte is vastgesteld op zowel het moment van de diefstal van de Caddy als de momenten van de brandstichting bij het Telegraafgebouw en het in brand steken van de Audi/vluchtauto.

Wat de rechtbank ten aanzien van verdachte kan vaststellen, is dat hij op 26 juni 2018 om 03:01 uur in een telefoongesprek met [medeverdachte 8] heeft gezegd dat hij met een half uur klaar is en dat het nog doorgaat.135 Verder heeft verdachte om 03:20:51 uur nog een telefoongesprek met [medeverdachte 8] . Hij zegt dan dat [medeverdachte 8] naar ‘Atlas’ moet komen.136 Daarna maakt de telefoon van verdachte geen gebruik meer van een Cell ID tussen 03:24 uur en 04:25 uur.137 Dit duidt er op dat verdachte rondom de brandstichting bij het Telegraafgebouw actief was, waarbij hij kennelijk ongeveer een half uur voor de brandstichting bij het Telegraafgebouw [medeverdachte 8] nog heeft ontmoet. Over die ontmoeting biedt het dossier geen nadere informatie, zodat de rechtbank die ontmoeting niet nader kan duiden. Wat verdachte bedoelt met ‘dat hij met een half uur klaar is’ kan de rechtbank evenmin concreet invullen op basis van het dossier. Hij zegt dit in ieder geval bijna een uur voordat de brand bij het Telegraafgebouw wordt gesticht. Gelet op de al vastgestelde rol van verdachte voorafgaand aan de brandstichting en daarna, en het tijdstip van de activiteiten, gaat de rechtbank er vanuit dat deze activiteiten van verdachte verband houden met de uitvoering van de brandstichting bij het Telegraafgebouw.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij die nacht bij de Lelylaan was. Hij denkt ook dat hij in de Peugeot 208 reed omdat hij deze Peugeot heeft gehuurd en hij die auto niet aan iemand heeft uitgeleend.138 Dat verdachte niet alleen de door hem gehuurde Peugeot 208 ter beschikking heeft gesteld als tweede vluchtauto, maar ook zelf actief was als de bestuurder daarvan in de nacht van 26 juni 2018, is in het licht van die verklaring een mogelijk scenario. Verdachte heeft zelf overigens ontkend dat de door hem gehuurde Peugeot 208 is ingezet als tweede vluchtauto. De rechtbank acht in ieder geval dit deel van zijn verklaring in het licht van hetgeen hiervoor is vastgesteld, onder meer over de rol van de Peugeot 208, ongeloofwaardig.

De rechtbank houdt op basis van het dossier ook voor mogelijk dat verdachte de bestuurder van de Caddy was. Het signalement van de dader past, gelet op postuur, lengte en kleding, goed bij het signalement van verdachte. In dat scenario zou hij ook feitelijk de brand bij het Telegraafgebouw hebben gesticht, waarna hij in de Audi zou zijn gevlucht en later met de door hem gehuurde Peugeot 208 zijn opgepikt bij de Noordkaperweg. Iemand anders zou dan de Peugeot naar de Noordkaperweg hebben gereden. Het signalement van de bestuurder van de Caddy is echter niet zo onderscheidend dat de rechtbank verdachte op grond daarvan als de bestuurder van de Caddy en de brandstichter kan aanwijzen.

Het dossier bevat geen concrete aanwijzingen dat verdachte de bestuurder van de Audi was op 26 juni 2018.

De rechtbank kan dus niet vaststellen wat de rol van verdachte precies is geweest bij de uitvoering van de brandstichting bij het Telegraafgebouw op 26 juni 2018. In ieder geval heeft verdachte ook die nacht activiteiten verricht die de rechtbank in een direct verband brengt met de brandstichting. Gelet hierop en zijn hiervoor al vastgestelde betrokkenheid bij het stelen van de Caddy, het in brand steken van de eerste vluchtauto en het beschikbaar stellen van de door hem gehuurde Peugeot 208 als tweede vluchtauto, was zijn rol in ieder geval van voldoende gewicht om hem als medepleger bij de brandstichting/vernieling bij het Telegraafgebouw aan te merken.

De rechtbank ziet hierbij geen bewijs in het dossier dat sprake is geweest van een ontploffing, zoals de officier van justitie heeft betoogd. De rechtbank ziet evenmin bewijs dat bij de brand gemeen gevaar voor personen is ontstaan. Verdachte zal dus van dat deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Slotsom

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1 primair

op 26 juni 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk brand heeft gesticht, door de in de centrale toegangspui van het gebouw (bedrijfspand) van/in gebruik bij de Telegraaf Media Group (TMG), gevestigd aan de [adres Telegraafgebouw] , gereden gestolen personenauto (Volkswagen Caddy), voorzien van jerrycans gevuld met brandbare vloeistof, in brand te steken, waardoor brand ontstond, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemd gebouw en de zich daarin bevindende goederen, te duchten was

en

op 26 juni 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen een gebouw, te weten het gebouw (bedrijfspand) van/in gebruik bij de Telegraaf Media Group (TMG), gevestigd aan de [adres Telegraafgebouw] , opzettelijk heeft beschadigd, immers is verdachte of zijn mededader tweemaal opzettelijk met een gestolen personenauto (een witte Volkswagen Caddy), ingereden op de centrale toegangspui van voornoemd gebouw, waardoor de auto zich in het gebouw boorde, en heeft verdachte of zijn mededader de gestolen personenauto (Volkswagen Caddy), voorzien van jerrycans met brandbare vloeistof, vervolgens in brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemd gebouw en de zich daarin bevindende goederen, te duchten was;

ten aanzien van feit 2 primair

op 27 juni 2018 te Amsterdam opzettelijk brand heeft gesticht door op de Noordkaperweg te Amsterdam een gestolen personenauto (een Audi RS5 met kenteken [kenteken] ), voorzien van jerrycans gevuld met brandbare vloeistof, in brand te steken, terwijl daarvan gemeen

gevaar voor goederen, die zich op het moment van de brandstichting in de nabijheid van de plek waar de brandstichting plaatsvond, bevonden, te duchten was;

ten aanzien van feit 3 primair

op 22 juni 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening een auto, te weten een Volkswagen Caddy met

originele kentekenplaten [kenteken] , heeft weggenomen, die aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorde.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het hiervoor bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals die hiervoor zijn weergegeven. In de voetnoten is verwezen naar de vindplaats in het dossier. Het betreft telkens wettige bewijsmiddelen.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaar, met aftrek van voorarrest.

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie feit 7 (voorbereiding van brandstichting) niet bewezen en tweemaal een heling van een voertuig bewezen waar de officier van justitie de diefstal bewezen acht. Verder acht de rechtbank, anders dan de officier van justitie, niet bewezen dat het oogmerk van de criminele organisatie waaraan verdachte leiding gaf ook gericht was op het voorbereiden van kort gezegd brandstichting en moord. De rechtbank zal bij de strafoplegging dan ook naar beneden afwijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank vindt oplegging van een gevangenisstraf van tien jaar in overeenstemming met de ernst van de bewezen geachte feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Uit het dossier komt naar voren dat verdachte in de periode waar het in deze zaak om gaat heeft gekozen voor een criminele levensstijl. Daarbij heeft hij zich vooral beziggehouden met voertuigcriminaliteit. Hij heeft geen enkel respect getoond voor andermans eigendommen. De gesprekken die hij voert over de te stelen en helen auto’s laten zien hoe doelbewust hij bepaalde auto’s uitkiest voor zijn criminele praktijken. Het lijkt hem niets te interesseren dat hij daarmee veel schade en overlast aanricht voor de eigenaars van de auto’s. Hij is puur en alleen bezig met zijn eigen belang en dat van de afnemers van de gestolen auto’s. Verdachte heeft een en ander in het georganiseerde verband van een criminele organisatie gedaan. Criminele organisaties werken ontwrichtend in de maatschappij. Verdachte was de spil om wie het draaide en heeft daar als leider van de organisatie, in grote mate aan meegewerkt.

Verdachte had ook een essentiële rol bij de uitvoering van de brandstichting bij het Telegraafgebouw en de daarmee samenhangende diefstal van de Caddy en de brandstichting in de vluchtauto. Brandstichting is een zeer ernstig feit dat de rechtsorde schokt. Door de brandstichting is veel schade aan het gebouw toegebracht. Er zijn (gelukkig) geen mensen gewond geraakt, maar dat had ook zomaar anders kunnen aflopen.

Deze brandstichting was bovendien een doelgerichte actie en professioneel voorbereid.

Het dagblad De Telegraaf is de bekendste gebruiker van het gebouw en het hele gebouw wordt daarmee geassocieerd. Het woord ‘telegraaf” staat met grote letters op de pui, recht boven de plek waar de Caddy op het gebouw is in gereden. De Telegraaf publiceert al jaren regelmatig (kritische) artikelen over (georganiseerde en zware) criminaliteit en criminelen. De rechtbank ziet de brandstichting bij het gebouw waarin De Telegraaf is gevestigd in dat licht als een tegenactie van de georganiseerde criminaliteit specifiek gericht op De Telegraaf. Daarbij is ook van belang dat uit het onderzoek niet is gebleken van enig ander motief voor de brandstichting bij het Telegraafgebouw. Dat de brandstichting zou zijn gericht tegen een ander blad dan de Telegraaf, bijvoorbeeld vanwege onvrede met een recensie op Botenkoop.nl of vanwege een stukgelopen relatie ontstaan via relatieplanet.nl, zoals de raadsman heeft geopperd, vindt geen enkele steun in het dossier en zou dan ook pure speculatie zijn. Dat de brandstichting het werk zou zijn van een pyromaan, zoals de raadsman ook heeft geopperd, is gelet op hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld over de professionele voorbereiding, waarbij meerdere mensen betrokken waren, niet aannemelijk. Om diezelfde reden verwerpt de rechtbank ook de mogelijkheid dat bijvoorbeeld een ontevreden werknemer deze brandstichting zou hebben gepleegd.

Verdachte heeft in ieder geval geen openheid van zaken gegeven over zijn beweegredenen. Wat de rechtbank kan vaststellen, is dat verdachte deel uitmaakte van een criminele organisatie en banden onderhield met andere criminelen, uit de georganiseerde zware criminaliteit. Daarmee is de link naar de georganiseerde zware criminaliteit gegeven. De precieze achtergrond van de brandstichting blijkt niet uit het dossier, maar de brandstichting is hoe dan ook bedreigend voor alle mensen die werkzaam zijn in het gebouw, en dan met name voor de journalisten van De Telegraaf. De rechtbank ziet de brandstichting dan ook als een poging tot het beïnvloeden van de pers en daarmee als een aanval op de persvrijheid. In een democratische samenleving is de persvrijheid een groot goed. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij een belangrijke rol heeft gespeeld bij die poging om de persvrijheid aan te tasten.

Gelet op de hiervoor omschreven ernst van de door verdachte gepleegde misdrijven is oplegging van een langdurige gevangenisstraf passend.

De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden of proceshouding van verdachte geen aanleiding voor strafmatiging. Verdachte heeft weliswaar enkele helingen bekend, maar echt openheid van zaken heeft hij niet gegeven. Evenmin heeft hij spijt betuigd. Hij heeft vooral aandacht gevraagd voor de impact die de zaak en zijn detentie op hem zelf heeft.

8 Beslag

De rechtbank heeft in deze zaak meerdere malen een beslaglijst ontvangen van het Openbaar Ministerie. De meest recente beslaglijst dateert van 20 mei 2020. De rechtbank gaat uit van die beslaglijst.

De raadsman heeft geen opmerkingen gemaakt over het beslag.

De rechtbank zal beslissen conform de vordering van de officier van justitie.

Voor zover de officier van justitie over voorwerpen heeft opgemerkt dat geen beslissing nodig is, gaat de rechtbank daar, bij het ontbreken van een gemotiveerde betwisting door de raadsman, vanuit.

9 Benadeelde partijen

9.1

Mediahuis NL BV (voorheen Telegraaf Media Groep BV) (feit 1)

De benadeelde partij Mediahuis NL BV (voorheen Telegraaf Media Groep BV) vordert € 205.443,12 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen. Daarbij heeft hij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de bepleite vrijspraak voor verdachte. De raadsman heeft de vordering daarnaast niet inhoudelijk betwist.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 primair bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (26 juni 2018).

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De rechtbank acht ook medeverdachte [medeverdachte 1] aansprakelijk voor de schade en zal daarom bepalen dat verdachte en [medeverdachte 1] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor vergoeding van de schade.

In het belang van Mediahuis NL BV (voorheen Telegraaf Media Groep BV) voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9.2

[naam 11] (feit 8)

De heer [naam 11] vordert € 1.095,- aan vergoeding van materiële schade aan de motorscooter Suzuki Burgman [kenteken] , te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank stelt vast dat het gevorderde totaalbedrag bij elkaar opgeteld € 995,- is. Voorts merkt de rechtbank op dat er door de benadeelde partij stukken ter onderbouwing zijn nagezonden, op basis waarvan de vordering zou neerkomen op een schadebedrag van

€ 1.034,63.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen. Daarbij heeft hij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

De raadsman van verdachte heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank merkt op dat de vordering is ingediend door de broer van de eigenaar van de motorscooter en dat geen machtiging van de eigenaar van de motorscooter voor het indienen van de vordering is overgelegd. Verder kan de rechtbank niet vaststellen dat de schade is veroorzaakt door het door verdachte gepleegde feit, te weten de heling van de motorscooter. De rechtbank gaat er vanuit dat de motorscooter door een ander dan verdachte is gestolen en de schade is mogelijk bij die diefstal ontstaan. Dat maakt dat (gebruik passage indien geheel of gedeeltelijk niet van eenvoudige aard)niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het (maak een keuze)(vul feitnummers in)onder 8 bewezen verklaarde feit(maak een keuze). Gelet op het voorgaande zal de heer [naam 11] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

De heer [naam 11] en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 36f, 47, 55, 57, 140, 157, 170, 310, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 5 primair, 7 en 10 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4, 5 subsidiair, 6, 8, 9, 10 subsidiair, 11 primair, 12, 13 en 14 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1 primair

de eendaadse samenloop van:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

medeplegen van opzettelijk enig gebouw beschadigen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

feit 2 primair

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

feit 3 primair

diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 4

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl hij de leider van die organisatie was;

feit 5 subsidiair

opzetheling, meermalen gepleegd;

feit 6

medeplegen van opzetheling en opzetheling, meermalen gepleegd;

feiten 8 en 9

opzetheling, meermalen gepleegd;

feit 10 subsidiair

medeplegen van opzetheling en opzetheling;

feit 11 primair

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels;

feit 12

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

feit 13

medeplegen van opzetheling;

feit 14

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

- voorwerpen 4, 7, 9, 10, 12 tot en met 33 en 35 tot en met 57 op de beslaglijst.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- voorwerpen 8, 58, 59 en 60 tot en met 63 op de beslaglijst.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

- voorwerpen 2, 3, 11 en 34 op de beslaglijst.

Wijst de vordering van de benadeelde partij Mediahuis NL BV (voorheen Telegraaf Media Groep BV) toe tot een bedrag van € 205.443,12 (tweehonderdvijfduizend vierhonderd drieënveertig euro en twaalf cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (26 juni 2018), aan vergoeding van materiële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan Mediahuis NL BV (voorheen Telegraaf Media Groep BV) voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij Mediahuis NL BV (voorheen Telegraaf Media Groep BV) gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van Mediahuis NL BV (voorheen Telegraaf Media Groep BV), aan de Staat € 205.443,12 (tweehonderdvijfduizend vierhonderd drieënveertig euro en twaalf cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (26 juni 2018), te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 365 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart [naam 11] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij [naam 11] en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.A. Spoel, voorzitter,

mrs. M.A.E. Somsen en I. Mannen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 september 2020.

1 In het vervolg zullen zij gezamenlijk worden aangeduid als ‘de officier van justitie’.

2 Dat is zonder de feiten 15 en 16 op de oorspronkelijke dagvaarding. Deze feiten zijn op verzoek van de officier van justitie afgesplitst, zoals bedoeld in artikel 285, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

3 ZD01, bijlagen pag. 1-3.

4 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 11 maart 2020.

5 ZD01, bijlagen pag. 37.

6 ZD01, bijlagen pag. 30-32

7 ZD01, bijlagen pag. 20-29.

8 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 12 maart 2020.

9 ZD02, bijlagen pag. 1-4.

10 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 11 maart 2020.

11 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 11 maart 2020.

12 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 11 maart 2020.

13 ZD02, bijlagen pag. 40-46, 52-56, 58-69.

14 ZD02, pag. 74.

15 ZD02, bijlagen, pag. 9.

16 In de tenlastelegging is één van de kentekenplaten aangeduid met kenteken: [kenteken] . Uit het dossier volgt dat de laatste letter van het kenteken een V in plaats van een G moet zijn.

17 ZD02, relaas, pag. 10.

18 ZD02, relaas, pag. 10 en 13.

19 ZD03, bijlagen pag. 1-3.

20 ZD03, bijlagen, pag. 9.

21 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 11 maart 2020.

22 ZD04, bijlagen, pag. 1-4

23 ZD04, bijlagen, pag. 5.

24 ZD04, bijlagen, pag. 19-20.

25 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 11 maart 2020.

26 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 11 maart 2020.

27 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 11 maart 2020.

28 ZD05, bijlagen, pag. 1-4.

29 ZD05, bijlagen, pag. 7-10.

30 ZD05, bijlagen pag. 11-13.

31 ZD05, bijlagen pag. 22-25 en 27-29.

32 ZD05, bijlagen, pag. 30.

33 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 11 maart 2020.

34 ZD06, bijlagen, pag. 1-3.

35 ZD06, bijlagen, pag. 33.

36 ZD06, bijlagen, pag. 30.

37 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 11 maart 2020.

38 ZD06, bijlagen, pag. 13.

39 ZD06, bijlagen, pag. 1.

40 ZD06, bijlagen, pag. 14.

41 ZD06, bijlagen, pag. 17.

42 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 11 maart 2020.

43 ZD06, bijlagen, pag. 32.

44 ZD06, bijlagen, pag. 40.

45 ZD07, bijlagen, pag. 1-4.

46 ZD07, bijlagen, pag. 5-6.

47 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 11 maart 2020.

48 ZD07, bijlagen, pag. 20-21.

49 ZD07, bijlagen, pag. 1-4.

50 ZD09, bijlagen, pag. 1-4.

51 ZD09, bijlagen, pag. 5-6.

52 ZD09, bijlagen, pag. 17.

53 ZD09, bijlagen 12-14.

54 ZD09, bijlagen, pag. 10-11.

55 ZD11, bijlagen, pag. 1-4.

56 ZD11, relaas, pag. 4 en ZD11, bijlagen pag. 5.

57 ZD11, bijlagen, pag. 6.

58 ZD11, bijlagen, pag. 7.

59 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 11 maart 2020.

60 ZD11, relaas, pag. 5.

61 ZD11, relaas, pag. 5.

62 ZD11, bijlagen pag. 9.

63 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 11 maart 2020.

64 ZD11, bijlagen, pag. 13.

65 ZD06, ZD07 en ZD 11, relaas en bijlagen.

66 ZD01, ZD 2, ZD3, ZD04, ZD05 en ZD09.

67 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 12 maart 2020.

68 PD [medeverdachte 5] , pag. 64 en verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 maart 2020.

69 PD [naam 12] , pag. 37-40.

70 ZD00, pag. 581-632 (WhatsAppgesprekken), PD [medeverdachte 5] pag. 9 en 10 (toeschrijving telefoonnummer [nummer] aan [medeverdachte 5] ) en PD [medeverdachte 2] pag. 6 (toeschrijving telefoonnummer [nummer] aan [medeverdachte 2] ). De telefoonnummers eindigend op [nummer] en [nummer] schrijft de rechtbank ook toe aan [medeverdachte 2] , omdat die onder dezelfde naam ‘ [opgeslagen naam] ’ zijn opgeslagen in de telefoon, die is onderzocht. Het dossier bevat verder ook meerdere gesprekken gevoerd met het telefoonnummer eindigend op [nummer] , waarbij de gebruiker door stemherkenning is geïdentificeerd als [medeverdachte 2] .

71 ZD00, pag. 83-84.

72 ZD00, pag. 150-151.

73 ZD00, pag. 74-75.

74 ZD00, pag. 91-92.

75 ZD00, pag. 160-161.

76 ZD00, pag. 180.

77 ZD00, pag. 76-77 en pag. 82

78 ZD00, pag. 93-94, pag. 154-155.

79 ZD00, pag. 170-171.

80 ZD02, relaas en bijlagen en ZD05, relaas en bijlagen.

81 Zie bijvoorbeeld ZD02 pag. 68-69 en ZD05 pag. 12.

82 ZD06, relaas en bijlagen en ZD07, relaas en bijlagen.

83 In de tenlastelegging is één van de kentekenplaten aangeduid met kenteken: [kenteken] . Uit het dossier volgt dat de laatste letter van het kenteken een V in plaats van een G moet zijn. De rechtbank heeft deze typefout verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

84 ZD08 pag. 01 0087.

85 ZD05 pag. 0050 en 0051.

86 ZD02 pag. 0001-0004 en ZD08 pag. 01 0055-0058.

87 ZD05 pag. 0158-0161 en ZD08 pag. 01 0087.

88 ZD05 pag. 0050-0051.

89 ZD05 pag. 0012-0013.

90 ZD05 pag. 0003-0004 en ZD05 pag. 0201-0202.

91 ZD03 pag. 0011.

92 ZD08 pag. 01 0014-0015.

93 ZD05 pag. 0164-0166 en 0202 en ZD08 pag. 01 0014.

94 ZD05 pag. 01 0001.

95 ZD05 pag. 0100 en PD [medeverdachte 9] pag. 04 04 0012-0017.

96 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 9 maart 2020.

97 ZD05 pag. 0090-0091.

98 ZD05 pag. 0207.

99 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 9 maart 2020.

100 ZD06 pag. 0008, 0009.

101 ZD06 pag. 0010, 0011.

102 ZD06 pag. 0027.

103 ZD05 pag. 0091 en ZD06 pag. 0010, 0011.

104 ZD05 pag. 0105.

105 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 9 maart 2020.

106 ZD03 pag. 0019-0020.

107 ZD05 pag. 0128.

108 ZD05 pag. 0202.

109 ZD05 pag. 0084.

110 ZD03 pag. 0009-0010 (getuige [adres getuige 1] ), ZD 03 pag. 0010 (getuige [adres getuige 2] ).

111 ZD05 pag. 0084-0085.

112 ZD05 pag. 0085.

113 ZD05 pag. 0083.

114 ZD 05 pag. 0146-0148.

115 ZD05 pag. 0105.

116 ZD05 pag. 0172.

117 Verklaring verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 9 maart 2020.

118 ZD05 pag. 0078.

119 ZD01 pag. 0175.

120 Verklaring verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 9 maart 2020.

121 ZD05 pag. 0174-0175.

122 ZD05 pag. 0174 en 0175.

123 ZD06 pag. 0030.

124 ZD05 pag. 0175.

125 ZD05 pag. 0175.

126 ZD06 pag. 0031.

127 ZD06 pag. 0009, 0010 en 0011.

128 ZD06 pag. 0033.

129 ZD05 pag. 0149.

130 ZD06 pag. 0075.

131 ZD06 pag. 0184-0192 en ZD06 pag. 0114-0116.

132 PD [medeverdachte 9] pag. 04 04 0012-0015.

133 ZD06 pag. 0058.

134 ZD06 pag. 0060.

135 ZD05 pag. 0180-0181.

136 ZD05 pag. 0181.

137 ZD05 pag. 0182.

138 Verklaring verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 9 maart 2020.