Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4738

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
05-10-2020
Zaaknummer
13.007252.19
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Dwingen tot dulden van ontuchtige handelingen door achter gebukt staande supermarkt medewerkster te gaan staan en haar bij haar heupen vast te pakken en zijn onderlichaam tegen haar billen aan te drukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13.007252.19

Datum uitspraak: 9 september 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

wonende op het adres [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 september 2020. Verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.M. Niemer, advocaat te Amsterdam, waren daarbij aanwezig. Ook aanwezig was de benadeelde partij, mevrouw [persoon].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.E. Woudman, en van wat verdachte, zijn raadsvrouw en de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan aanranding van [persoon] op 15 december 2018 te Amsterdam.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt dat het tenlastegelegde feit kan worden bewezen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat sprake was van ongewenst aanraken van het slachtoffer. Verdachte heeft daarbij geen geweld gebruikt en heeft het slachtoffer niet tegengehouden zich aan zijn gedrag te onttrekken.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte de tenlastegelegde aanranding heeft begaan. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft het feit duidelijk en ondubbelzinnig bekend. De rechtbank acht dit feit, mede gelet op het overige bewijs in het dossier, bewezen. Nu de verdediging hiervoor ook geen vrijspraak heeft bepleit, zal de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering voor dit feit volstaan met een opgave van bewijsmiddelen in bijlage II.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de in bijlage II vermelde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 15 december 2018 te Amsterdam door een andere feitelijkheid [persoon] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers is hij verdachte achter die gebukt staande [persoon] gaan staan en heeft hij [persoon] bij haar heupen vastgepakt en heeft hij zijn onderlichaam tegen de billen van [persoon] aangedrukt.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw kan zich vinden in de eis van de officier van justitie.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding van een jonge vrouw. Hij heeft hiermee een inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Verdachte heeft dit gedaan, terwijl het slachtoffer nietsvermoedend haar werk uitvoerde. Zij heeft op de zitting verklaard dat wat verdachte haar heeft aangedaan nog steeds diep in haar zit en haar nog steeds pijn doet. Daarnaast geeft zij aan veel last van schaamte te hebben. Zij werkt nu in een andere supermarkt en durft door het incident niet meer met klanten te praten of met jongens om te gaan, omdat zij bang is dat zij weer wordt aangerand. Ook buiten is zij bang. Daar waar zij eerst een sociaal meisje was, is zij nu erg teruggetrokken. Zij bezoekt een psycholoog en heeft zich ingeschreven bij een psychiater.

Een dergelijk delict vraagt in beginsel om een forse werkstraf en een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft ook gekeken naar het strafblad van verdachte van 23 augustus 2020. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. De rechtbank weegt dit mee als strafverhogende omstandigheid. In strafverlagende zin houdt de rechtbank rekening met de recente veroordelingen van 18 februari 2020 en 7 juli 2020 van de politierechter, waarbij al flinke straffen en een verplicht reclasseringscontact zijn opgelegd. Ook weegt de rechtbank mee dat verdachte ter terechtzitting spijt heeft betuigd en zijn excuses heeft aangeboden aan het slachtoffer. De rechtbank heeft de indruk dat verdachte de ernst van zijn handelen inziet en zich realiseert dat hij fout is geweest.

Ook betrekt de rechtbank bij de strafoplegging dat verdachte een ander pad lijkt te zijn ingeslagen. Hij is op eigen initiatief gestart met aversiemedicatie tegen alcohol en de reclassering verwacht dat verdachte een positieve invulling zal geven aan het reclasseringstoezicht dat onlangs is opgestart. De rechtbank vindt het van belang dat dit reclasseringstoezicht gecontinueerd wordt. De door de officier van justitie geëiste straf is gelet op al het voorgaande dan ook passend en geboden.

8 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij, [persoon], heeft een verzoek tot immateriële schadevergoeding ingediend zonder daarbij een bedrag te noemen. Op de zitting heeft zij verklaard dat zij een schadevergoeding wil.

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat de vordering van de benadeelde partij moet worden toegewezen tot een bedrag van 250,- euro.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen voor een bedrag van 250,- euro. De rechtbank zal voor dat bedrag eveneens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de immateriële schade die door het bewezen verklaarde feit is toegebracht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van een maand.

Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Wijst de vordering van de benadeelde partij, [persoon], toe tot een bedrag van 250,- (tweehonderdvijftig) euro, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, aan vergoeding van immateriële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon].

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon] aan de Staat 250,- (tweehonderdvijftig) euro, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van vijf dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B. Vogel, voorzitter,

mrs. A.A. Fase, A.H.E. van der Pol, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.G.R. Becker, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 september 2020.

[...]