Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4721

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
13-10-2020
Zaaknummer
8003956 cv19-18521
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

flitskrediet, totale kosten van het krediet, geen kredietwaardigheidstoets, sanctie; vernietiging en gelet op specifieke omstandigheden geen terugbetaling geleend bedrag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2021/82
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 8003956 CV EXPL 19-18521

vonnis van: 22 september 2020

fno.: 393

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de vennootschap naar buitenlands recht Palden Finance OÜ Lietuvos Filialas

gevestigd te Vilnius, in Litouwen

eiseres

gemachtigde: E.A.P. van Lith

t e g e n

[gedaagde]

wonende te Amsterdam

gedaagde

niet verschenen

Verloop van de procedure

Bij exploot van dagvaarding van 13 augustus 2019 heeft eiseres gevorderd dat gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 150,00 met nevenvordering(en), één en ander zoals in de dagvaarding nader omschreven.

Gedaagde heeft niet (tijdig) geantwoord en evenmin uitstel gevraagd, zodat tegen deze verstek is verleend.

Gedaagde is consument, althans wordt vermoed consument te zijn.


Bij tussenvonnis van 1 oktober 2019 is eiseres in de gelegenheid gesteld om het bijgevoegde informatieformulier in te vullen, dit ingevulde formulier en de daarin aangeven stukken in het geding te brengen en een kopie hiervan aan gedaagde te sturen met de mededeling dat deze hierop kan reageren.

Eiseres heeft op 5 september 2019 een akte ingediend.

Gedaagde heeft niet gereageerd.

Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

Gronden van de beslissing

Eiseres vordert onder meer betaling van € 153,00 aan hoofdsom en rente, vermeerderd met de wettelijke rente.

Eiseres stelt het volgende:

Zij is met gedaagde een kleine, kortlopende, lening overeengekomen. Een lening kon worden aangevraagd via de website van eisende partij; “loanrider”. De aanvrager dient een account aan te maken, een aanvraagformulier in te vullen en diverse stukken over te leggen. Wanneer de aanvraag akkoord wordt bevonden, krijgt de aanvrager hiervan bericht en wordt het bedrag meteen overgeboekt op het opgegeven rekeningnummer en ontvangt gedaagde partij een factuur met het terug te betalen bedrag.

Om het risico op financiële schade te verlagen, heeft eiseres een garantiestelling verplicht gesteld, zodat voor eiseres gegarandeerd is dat klanten het geleende bedrag terugbetalen. Bij het aangaan van een lening met eiseres heeft gedaagde de keuze gehad te kiezen voor een persoonlijke garantstelling of een betaalde garantstelling. Gedaagde gaat dan separaat met de garantsteller een garantstellingsovereenkomst aan. Eiseres staat hier geheel los van, zij biedt alleen leningen aan.
Nu het feitelijke bedrag zeer gering is en eiseres voor nakoming van de betalings-verplichtingen een garantsteller verplicht heeft gesteld is een kredietwaardigheidstoets niet van toepassing, zo stelt eiseres.

Onderhavige kredietovereenkomst is een lening met een vooraf afgesproken einddatum en aflosdatum. Het saldo is dus niet vervroegd opgeëist. Er is geen sprake van een variabele rente of rentewijzigingsbeding. Zij maakt geen aanspraak op de overeengekomen vergoeding of vertragingsvergoeding.

Gedaagde heeft op of omstreeks 12 maart 2018 op deze wijze een bedrag van € 150,00 van eiseres te leen gekregen. Het geleende geld diende inclusief de daarover verschuldigde rente binnen 30 dagen te worden terugbetaald. Gedaagde heeft het bedrag en de rente ondanks aanmaning niet aan eiseres terugbetaald. Eiseres kon met betrekking tot de met gedaagde gesloten lening echter geen aanspraak maken op de garantstelling, vermoedelijk omdat gedaagde de garantstellingskosten niet heeft betaald.

Eisende partij heeft de volgende producties overgelegd:

- een ongedateerde kopie van de kredietovereenkomst en algemene voorwaarden;

- een foto van een pagina van een Zilveren Kruis ziektekostenpolis op naam van gedaagde;

- een foto van gedaagde met zijn ID kaart in zijn hand;

- een aanmaning.

Beoordeling

Partijen zijn een kortlopende lening overeengekomen. Gedaagde is een consument.

Gedaagde woont in Amsterdam, zodat de kantonrechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen. De vordering zal worden beoordeeld naar Nederlands recht.

Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat richtlijn 2008/48 om een afdoende beschermingsniveau te waarborgen, de (nationale) rechter verplicht de nationale bepalingen waarin de richtlijn is omgezet, ambtshalve toe te passen. (HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:236 met verwijzing naar HvJ EU 4 oktober 2007, C-429/05, ECLI:EU:C:2007:575 en HvJ EU 16 november 2010, C-76/10 ECLI:EU:C:2010:685). Dat wil zeggen dat de bepalingen van Titel 7:2A BW ook moeten worden toegepast als de consument daar geen beroep op doet.

Partijen zijn een kredietovereenkomst aangegaan op grond waarvan gedaagde het krediet binnen 30 dagen moet terugbetalen.
Gelet op de hoogte van de overeengekomen rente van 13,989075 % per jaar, is er naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van het in rekening brengen van onbetekenende kosten. Mitsdien valt onderhavige overeenkomst onder de reikwijdte van Titel 7:2A BW en is eiseres gebonden aan regels omtrent de maximale kredietvergoedingen.

kosten van het krediet

Op grond van artikel 3 onder g Richtlijn consumentenkrediet vallen onder het begrip kredietvergoeding alle beloningen en vergoedingen, in welke vorm ook, die de kredietgever of de leverancier van de goederen of diensten ter zake van een kredietovereenkomst bedingt, in rekening brengt of aanvaardt, HvJ EU C-686/19, Sohogroup, 16 juli 2020 ECLI:C:2020: 582.

garantstelling

Om in aanmerking te komen voor de lening moest gedaagde een door een derde gegeven garantie hebben. Dat gedaagde de mogelijkheid had te kiezen voor een (kosteloze) persoonlijke garantstelling acht de kantonrechter niet doorslaggevend, omdat die keuze in feite ‘voor de vorm’ wordt geboden. Als een consument in zijn persoonlijke omgeving iemand heeft die voor een bepaald bedrag garant wil staan, kan hij (zeker als het gaat om een dergelijke kortlopende lening) dat bedrag net zo goed van die persoon lenen. Bij een organisatie als die van eiseres komt een consument in de praktijk alleen uit als hij geen andere mogelijkheden heeft. Daarmee wordt de consument (zij het indirect) gedwongen de dure commerciële garantstelling af te nemen.

Uit de stellingen van eiseres blijkt ook dat gedaagde heeft gekozen voor een commerciële garantstelling.
Dat de garantstelling feitelijk aan een andere organisatie moet worden betaald is niet relevant, omdat de verhouding met die derde moet worden gekwalificeerd als een verplichte nevendienst in de zin van artikel 7:57 lid 2 BW.

De verplichte kosten voor deze garantstelling moeten daarom geacht worden onderdeel te zijn van de kredietvergoeding, zie ook rechtbank Rotterdam 13 juli 2018, ECLI:NL: RBROT: 2018:5661en rechtbank Den Haag, 11 december 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018: 14636.

maximaal toegestane kosten van het krediet

Gelet op de hoogte van de bedongen kredietvergoeding (afgerond 14%) wordt met de kosten voor de garantstelling, ongeacht de hoogte daarvan, de op grond van artikel 11 Besluit Kredietvergoeding wettelijk maximaal toegestane kredietvergoeding overschreden. Dat gedaagde deze kosten voor de garantstelling uiteindelijk niet heeft voldaan is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet van belang.

kredietwaardigheid

Vaststaat dat eiseres voor het aangaan van de kredietovereenkomst de kredietwaardigheid van gedaagde niet heeft getoetst. De door eiseres vereiste garantstelling kan geen vervanger zijn van een kredietwaardigheidstoets; daarmee beschermt eiseres immers alleen haar eigen belangen. De stelling van eiseres dat voor kleine leningen geen kredietwaardigheidstoets nodig is, vindt geen steun in de wet.
Op grond van artikel 2 onder c zijn de bepalingen van de richtlijn consumentenkrediet weliswaar niet van toepassing op de kredieten tot € 200,00, maar de richtlijn laat de mogelijkheid open dat lidstaten in de nationale wet bepalen dat de bepalingen van de richtlijn toch op die kredietovereenkomsten van toepassing zijn (overweging 10 van de preambule van de richtlijn).

De wetgever heeft van deze mogelijkheid gebruikt gemaakt en bij implementatie van de richtlijn consumentenkrediet bewust gekozen om (onder andere) kredietovereenkomsten waarbij een krediet wordt verleend voor een gering bedrag (minder dan € 200,00) ook onder de door de richtlijn geboden bescherming te brengen (MvT 2009-2010,32 339 nr 3).

De wijze van contracteren van eiseres voldoet derhalve niet aan de wettelijke vereisten van een kredietovereenkomst.

Mitsdien zal de kantonrechter de kredietovereenkomst op grond van artikel 3:40 lid 2 BW ambtshalve vernietigen.

gevolgen van vernietiging

Ingevolge artikel 3:53 jo. 6:203 BW moet gedaagde bij vernietiging van de overeenkomst in beginsel het geleende geld terugbetalen aan eiseres en moet eiseres de betalingen terugbetalen aan gedaagde partij.
Dat betekent dat er geen grondslag is voor het bij gedaagde partij in rekening brengen van kosten en rente.

Gedaagde dient in beginsel op grond van artikel 6:203 BW het geleende bedrag terug te betalen, waarop de reeds in rekening gebrachte rente en kosten en betalingen in mindering worden gebracht. Zoals hiervoor overwogen komt een consument in de praktijk alleen uit bij een kredietverstrekker als eiseres, als hij geen andere mogelijkheden heeft om geld te lenen. Bij gebreke van een onderbouwde stelling van eiseres over de kredietwaardigheid van gedaagde ten tijde van het afsluiten van de overeenkomst, wordt het ervoor gehouden dat gedaagde de kredietwaardigheidstoets niet zou hebben doorstaan. Eiseres heeft het door haar handelswijze ook onmogelijk gemaakt dit (achteraf|) te toetsen. Aldus heeft eiseres in strijd gehandeld met de doelstellingen van de richtlijn consumentenkrediet, zie overweging 26 van de preambule van de richtlijn consumentenkrediet: in de zich uitbreidende kredietmarkt is het met name belangrijk dat kredietgevers zich niet inlaten met onverantwoordelijke leningpraktijken of kredieten toestaan zonder de kredietwaardigheid vooraf te hebben beoordeelden, zie arrest OPR finance, C-679/18, EU:C:2020:167. Bovendien heeft eisende partij meer dan de wettelijke toegestane kosten voor het krediet berekenend. De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde in dit geval het geleende bedrag niet terug hoeft te betalen. Enige andere sanctie zou gedaagde immers in een situatie kunnen brengen dat alsnog een schuld zou bestaan bij eiseres, terwijl de financiële situatie van gedaagde dat niet toeliet en eiseres dat heeft bewerkstelligd. Deze sanctie acht de kantonrechter gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en het geringe bedrag dat is uitgeleend, doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig. Het enkel niet in rekening brengen van de kosten van het krediet is, mede gelet op de doelstelling van de richtlijn, het beschermende karakter daarvan en de absolute omvang van die kosten, onvoldoende doeltreffend.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt eiseres in de kosten van het geding, aan de zijde van gedaagde tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2020, in tegenwoordigheid van de griffier.