Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4716

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-09-2020
Datum publicatie
21-10-2020
Zaaknummer
C/13/688571 / KG ZA 20-733
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering voortzetten bankrelatie (gebruik betaalrekening) toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2021/79
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/688571 / KG ZA 20-733 HH/MB

Vonnis in kort geding van 24 september 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SINT JORIS VASTGOED B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

eiseres bij dagvaarding van 28 augustus 2020,

advocaat mr. P.W.H. Stassen te Eindhoven,

tegen

de naamloze vennootschap

VAN LANSCHOT KEMPEN WEALTH MANAGEMENT N.V.,

gevestigd te Den Bosch,

gedaagde,

advocaat mr. S. Winkels-Koerselman te Best.

Partijen zullen hierna Sint Joris en Van Lanschot worden genoemd.

1 De procedure

Ter zitting van 10 september 2020 heeft Sint Joris de vordering zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. Van Lanschot heeft verweer gevoerd.

Beide partijen hebben schriftelijke stukken en hun standpunt doen toelichten aan de hand van een pleitnota.

Ter zitting waren aanwezig:

aan de kant van Sint Joris: [betrokkene eiseres 1] , [functie 1] , [betrokkene eiseres 2] , [functie 2] , mr. Stassen en zijn kantoorgenoot mr. M.A.J. Kemps;

aan de kant van Van Lanschot: [betrokkene gedaagde 1] , [functie 3] van de afdeling Zakelijke Kredieten, [betrokkene gedaagde 2] , [functie 4] , mr. [betrokkene gedaagde 3] , [functie 5] van de afdeling Bijzonder Beheer en mr. Winkels-Koerselman.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Sint Joris is opgericht in 1986 en heeft volgens een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 13 juli 2020 als activiteiten: handel in eigen onroerend goed, en aan- en verkoop daarvan. [betrokkene eiseres 1] is sinds 11 april 1996 enig bestuurder van Sint Joris. Tot 2008 was [betrokkene eiseres 1] vermogend, daarna zijn (andere) vennootschappen van hem failliet gegaan; in 2014 ook [betrokkene eiseres 1] in privé. Eind 2019 is dat faillissement opgeheven en ontplooit [betrokkene eiseres 1] weer activiteiten op het gebied van vastgoed.

2.2.

Van Lanschot is een Nederlandse bankinstelling. Sint Joris heeft bij Van Lanschot, in ieder geval sinds 23 augustus 2000, een betaalrekening met nummer [nummer betaalrekening] (hierna: de bankrekening). Op de overeenkomst tussen partijen zijn de algemene bankvoorwaarden en de voorwaarden zakelijk bankieren van toepassing.

2.3.

Bij brief van 1 juli 2016 heeft Van Lanschot aan Sint Joris meegedeeld de

bankrelatie met haar te willen beëindigen per 1 november 2016. Sint Joris heeft daar destijds tegen geprotesteerd.

2.4.

In een e-mail van 26 oktober 2016 heeft Van Lanschot aan Sint Joris geschreven:

Indien het inderdaad zo is dat onze wederzijdse relatie geen betaalrekening kan openen bij een andere bank, dan kunnen wij niet anders dan de rekening continueren. Echter alvorens een beslissing daartoe te nemen ontvang ik graag kopieën van tenminste twee afwijzingsbrieven.”

2.5.

Op 28 oktober 2016 heeft Sint Joris Van Lanschot twee brieven gezonden van respectievelijk Rabobank en ING, waarin deze het verzoek van Sint Joris om bij (een van) hen te kunnen bankieren afwijzen.

2.6.

In een e-mail van 24 november 2016 heeft Van Lanschot aan Sint Joris meegedeeld ‘na ampele overweging’ te hebben besloten de bankrelatie met haar te continueren.

2.7.

Vanaf medio 2019 heeft overleg plaatsgevonden tussen ( [betrokkene gedaagde 1] van) Van Lanschot en ( [betrokkene eiseres 1] van) Sint Joris, naar aanleiding van mutaties op de bankrekening. Van Lanschot heeft onder meer verzocht om opheldering van door Diman B.V. aan Sint Joris betaalde (hoge) bedragen.

2.8.

Op 30 januari 2020 heeft [betrokkene eiseres 1] aan Van Lanschot een (ongedateerde) Overeenkomst van Winstdeling tussen Diman en Sint Joris toegezonden (de Winstdelingsovereenkomst), alsook een Akte van levering van aandelen van 5 november 2019.

In de Winstdelingsovereenkomst staat onder meer dat Diman aan Sint Joris 50% van de netto meeropbrengsten uit het project [projectnaam] zal uitkeren, een vastgoedproject in Den Haag, en bevat daarnaast de volgende passage:

De door partijen te realiseren aankoop courtage zal als volgt worden gedeeld:

Partijen zijn genoeglijk bekend met de afkoop van EUR 200.000 aan een derde partij. Het resterende bedrag vervalt aan partij 2 (Sint Joris, vzr.) (verwachte courtage bedrag EUR 1,2 miljoen)

2.9.

Op 24 februari 2020 heeft [betrokkene eiseres 1] in een e-mail aan [betrokkene gedaagde 1] de relatie met en de betalingen van Diman aan Sint Joris verder toegelicht.

2.10.

In een e-mail van 13 maart 2020 heeft [betrokkene gedaagde 1] aan [betrokkene eiseres 1] (onder meer) geschreven:

(…) dank voor de toelichting rondom de transacties op de bankrekening van Sint Joris Vastgoed BV en het verstrekken van ondersteunende stukken daarbij. Dat is voor ons doel voldoende.”

2.11.

Bij brief van 20 mei 2020 heeft Van Lanschot aan Sint Joris meegedeeld de bankrelatie met haar per 20 augustus 2020 te willen beëindigen. Ter toelichting daarop staat in de brief het volgende:

Van Lanschot treedt op als poortwachter in het kader van de Wft (Wet financieel toezicht) en de Wwft (wet ter voorkoming van witwassen). Hierbij is voor u relevant om te weten dat het betalingsverkeer op uw bankrekening bij Van Lanschot onderwerp van onderzoek is geweest. Hierbij zijn de inkomende betalingen die u van het bedrijf Diman B.V. heeft ontvangen opvallend te noemen. Desgevraagd verklaarde u aan Van Lanschot dat het hier ging om vergoedingen uit onroerend goed transacties. Deze verklaring overtuigt Van Lanschot niet; het betreft hier immers dusdanig hoge vergoedingen dat deze niet in verhouding kunnen staan tot de door u geleverde diensten. Ook acht Van Lanschot uw verklaring inzake de door u genoemde winstdelingsovereenkomst niet aannemelijk.

Uw verklaringen ter zake kunnen volgens Van Lanschot de norm toets zoals bedoeld in bovenvermelde wetgeving niet doorstaan. (…)

2.12.

Bij brief van 12 juni 2020 aan Van Lanschot heeft Sint Joris tegen de voorgenomen beëindiging van de bankrelatie geprotesteerd. Sint Joris heeft in deze brief, verwijzend naar gesprekken met Van Lanschot, de betalingen van Diman B.V. die onder meer gebaseerd zouden zijn op de in kopie aan Van Lanschot toegezonden winstdelingsovereenkomst, verder toegelicht.

2.13.

Bij brief van 1 juli 2020 heeft Van Lanschot gereageerd en meegedeeld dat de verklaring van Sint Joris voor de ‘ongebruikelijk hoge betalingen’ van Diman B.V. voor Van Lanschot niet toereikend is. Aan Sint Joris wordt een termijn van drie maanden gegeven om een andere bank te zoeken.

2.14.

In een e-mail van 29 juli 2020 heeft (de raadsman van) Sint Joris Van Lanschot verzocht om toezending van het volledige dossier in deze zaak.

Bij e-mail van 10 augustus 2020 heeft Van Lanschot als volgt geantwoord:

Het dossier waarnaar door cliënte wordt gerefereerd (…) is niet fysiek, doch ziet op de kennis van de betrokken medewerkers bij Van Lanschot omtrent de inhoud van de (mondelinge) gesprekken die met uw cliënte hebben plaatsgevonden. (…) Toezending van een fysiek dossier (…) is aldus niet mogelijk.”

3 Het geschil

3.1.

Sint Joris vordert – samengevat – veroordeling Van Lanschot om de bankrelatie met Sint Joris voort te zetten, met dien verstande dat Sint Joris de bankrekening kan blijven gebruiken, zolang het saldo daarop toereikend is. Sint Joris heeft daartoe, kort samengevat, het volgende gesteld. Van Lanschot heeft geen deugdelijke grond de overeenkomst op te zeggen, wat voor een rechtmatige beëindiging van een duurovereenkomst als deze wel is vereist. Beëindiging van de overeenkomst is in strijd met de zorgplicht van Van Lanschot en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Sint Joris heeft een groot en spoedeisend belang bij behoud van de betaalrekening, aangezien zij zonder geen zaken kan doen, terwijl van een reëel (reputatie)risico voor Van Lanschot of van strijd met wet- en regelgeving geen sprake is. Ook een belangenafweging dient dus in het voordeel van Sint Joris uit te vallen.

3.2.

Van Lanschot voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Anders dan Van Lanschot heeft bepleit, heeft Sint Joris een spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen, aangezien voldoende aannemelijk is dat het beschikken over een bankrekening voor haar zakelijke activiteiten onontbeerlijk is en dat zij daarvoor niet bij een vergelijkbare bank terecht kan. Er is onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat de situatie ten opzichte van 2016 ten gunste van vastgoedhandelaren gewijzigd is, dus de omstandigheid dat Sint Joris geen recente afwijzingsbrieven van andere banken heeft overgelegd, doet aan haar spoedeisend belang niet af.

4.2.

De vordering van Sint Joris in dit kort geding kan alleen worden toegewezen, indien voldoende aannemelijk is dat de rechter deze in een eventuele bodemprocedure ook zou toewijzen.

4.3.

Partijen zijn het erover eens dat op hun rechtsverhouding de Algemene Bankvoorwaarden (ABV) van toepassing zijn. In artikel 35 daarvan is vermeld dat beide partijen de relatie kunnen opzeggen. Van Lanschot kan de overeenkomst dus in beginsel beëindigen. Ook dat is tussen partijen niet in geschil. De vragen die hier centraal staan zijn of Van Lanschot een gegronde reden voor de beëindiging heeft, dan wel of deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.4.

Bij de beoordeling daarvan komt enerzijds gewicht toe aan de in artikel 2 lid 1 ABV neergelegde zorgplicht, op grond waarvan Van Lanschot bij haar dienstverlening de nodige zorgvuldigheid in acht dient te nemen en daarbij naar beste vermogen met de belangen van Sint Joris rekening dient te houden.

Anderzijds is Sint Joris ingevolge artikel 2 lid 2 ABV verplicht rekening te houden met de belangen van Van Lanschot, die op haar beurt moet kunnen voldoen aan haar verplichtingen jegens toezichthouders op grond van onder meer de Wft (Wet financieel toezicht) en de Wwft (Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terroristische activiteiten).

In artikel 3 Wft is een en ander uitgebreid omschreven. Zo bepaalt artikel 3:10 Wft dat een bank gehouden is om een adequaat beleid te voeren dat de integere uitoefening van haar bedrijf waarborgt en onder meer tegengaat dat wegens haar klanten het vertrouwen in de bank of de financiële sector kan worden geschaad. Blijkens artikel 3:17 Wft dient dit beleid zich te vertalen in een daarbij passende inrichting van de bedrijfsvoering, welke inrichting nader is uitgewerkt in de artikelen 10 t/m 16 van het Besluit prudentiële regels Wft (Bpr). Zo verplicht artikel 14 Bpr een bank om nauwkeurig onderzoek te doen naar haar klanten en mag zij geen relaties onderhouden met cliënten die het vertrouwen in de bank of in de financiële sector kunnen schaden.

Ook ingevolge artikel 3 Wwft is de bank verplicht om cliëntenonderzoek te verrichten. Op grond van artikel 5 lid 1 Wwft is het de bank verboden om transacties voor een cliënt te verrichten zolang het cliëntenonderzoek niet met succes kan worden voltooid. Als zij niet aan die verplichting kan voldoen, moet zij op grond van artikel 5 lid 3 Wwft de relatie beëindigen.

4.5.

Van Lanschot stelt de overeenkomst te hebben opgezegd op grond van artikel 5 lid 3 Wwft. Zij heeft zich daarbij in de eerste plaats beroepen op de hoge bedragen die Sint Joris heeft ontvangen van Diman BV. In de pleitnota heeft zij een aantal andere zaken genoemd die volgens haar niet door de beugel kunnen.

4.6.

[betrokkene eiseres 1] is in het verleden actief geweest in de vastgoedbranche. Voldoende aannemelijk is dat hij daaraan gerelateerde activiteiten na een aantal jaren, naar zijn zeggen ten gevolge van de crisis in 2008 in zwaar weer te hebben verkeerd, via zijn vennootschap Sint Joris weer heeft opgepakt. Voldoende aannemelijk is ook, mede op basis van de onder 2.8 genoemde Winstdelingsovereenkomst, dat Sint Joris betrokken was bij het zogenoemde project [projectnaam] , waarmee tientallen miljoenen euro’s gemoeid waren. Sint Joris heeft de hierover gerezen vragen van Van Lanschot in diverse gesprekken en e-mail- correspondentie beantwoord. Van Lanschot heeft aanvankelijk niet aan Sint Joris kenbaar gemaakt dat de vragen niet naar tevredenheid zouden zijn beantwoord en/of dat Sint Joris nadere gegevens moest verstrekken. Integendeel, in de onder 2.10 genoemde e-mail heeft Van Lanschot aan Sint Joris meegedeeld dat de toelichting rondom de transacties op de bankrekening van Sint Joris Vastgoed BV en het verstrekken van ondersteunende stukken daarbij ‘voor ons doel’ – het onderzoek –

‘voldoende’ waren. Van Lanschot stelt inmiddels dat de transacties nog steeds ondoorzichtig zijn en geen bevredigende verklaring vormen voor de zeer hoge bedragen die aan Sint Joris zijn uitgekeerd. Sint Joris heeft op haar beurt toegelicht hoe die bedragen zijn berekend en dat de hoogte daarvan samenhing met de omvang van het project, dat huurwoningen betrof en zeer winstgevend was. Voorshands heeft Van Lanschot tegen de achtergrond van deze uitleg onvoldoende gesteld om aan te nemen dat op grond van de door Diman aan Sint Joris betaalde bedragen, sprake is van een risico van witwassen of van transacties die om andere redenen niet in de haak zouden zijn.

4.7.

Inmiddels heeft Van Lanschot een aantal andere punten dan het project [projectnaam] aangekaart die Sint Joris/ [betrokkene eiseres 1] volgens haar in dubieus daglicht plaatsen, waaronder de reputatie van [betrokkene eiseres 1] , aan Sint Joris verstrekte leningen, en een aantal overmakingen van Sint Joris aan Gassan Diamonds. Zij heeft deze zaken echter niet eerder bij [betrokkene eiseres 1] aan de orde gesteld en/of daarover vragen gesteld. [betrokkene eiseres 1] heeft ter zitting op deze punten gereageerd. Anders dan Van Lanschot stelt, zijn deze punten op het eerste gezicht van onvoldoende gewicht om in de gegeven omstandigheden definitieve beëindiging van de bankrelatie te rechtvaardigen. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat de omschrijving in de Kamer van Koophandel van de activiteiten van Sint Joris (aan- en verkoop van onroerend goed) nu zij zelf geen onroerend goed bezit, niet geheel overeenstemt met de feitelijke activiteiten (bemiddeling bij aan- en verkoop van onroerende zaken). Van Lanschot heeft ook nog aangevoerd dat [betrokkene eiseres 1] zijn activiteiten ook als eenmanszaak zou kunnen verrichten, in plaats van door middel van zijn vennootschap. Dat kan zo zijn, maar in beginsel is het aan [betrokkene eiseres 1] om te kiezen welke rechtsvorm hij voor zijn onderneming wil hanteren. Dat zou dus geen rol moeten spelen bij het opzeggen van de rekening. Daar komt bij dat een deel van deze punten al bekend was vóór 2016, terwijl in oktober 2016 nog is besloten de dienstverlening aan Sint Joris voort te zetten. Anderzijds dient Sint Joris/ [betrokkene eiseres 1] inmiddels nader gerezen vragen van Van Lanschot naar behoren en met onderbouwing van de benodigde documentatie te beantwoorden.

4.8.

Al met al wordt geoordeeld dat Van Lanschot bij de huidige stand van zaken onvoldoende valide gronden heeft om de bankrekening op te zeggen, zodat (voldoende aannemelijk is dat de rechter in een eventuele bodemprocedure zou oordelen dat) de beëindiging van de relatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hierbij speelt een rol dat het belang van Van Lanschot bij de opzegging voorshands niet opweegt tegen het belang van Sint Joris bij voortzetting van de bankrekening, omdat aannemelijk is dat er weinig alternatieven voor haar beschikbaar zijn. Mocht Sint Joris op nader gestelde vragen geen bevredigende antwoorden geven en/of komen bij nader onderzoek zaken aan het licht waardoor Van Lanschot niet aan haar verplichtingen op grond van de Wwft kan voldoen, dan zou dat kunnen leiden tot een andere beslissing. Vooralsnog is niet gebleken dat het verrichten van nader onderzoek niet mogelijk zou zijn en Sint Joris heeft zich bereid verklaard daaraan mee te werken. Beëindiging op grond van artikel 5 lid 3 Wwft is dan ook (nog) niet aan de orde.

4.9.

Het voorgaande leidt tot toewijzing van de vordering van Sint Joris, met veroordeling van Van Lanschot, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt Van Lanschot om de bankrelatie met Sint Joris te continueren, in die zin dat zij het gebruik van de bankrekening met nummer

[nummer betaalrekening] op de gebruikelijke wijze voortzet,

5.2.

veroordeelt Van Lanschot in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van Sint Joris begroot op:

– € 87,99 aan explootkosten,

– € 656,- aan griffierecht en

– € 980,- aan salaris advocaat,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Hoogeveen, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Balk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2020.1

1 type: MB coll: MA