Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4678

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
24-09-2020
Zaaknummer
13-306933-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van twaalf maanden voor het bezit van een vuurwapen en munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13-306933-19 (Promis)

Datum uitspraak: 25 augustus 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [verdachte] op [geboortedag] 1979,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres verdachte] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 augustus 2020. Verdachte was niet bij de terechtzitting aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.A. van der Vlugt en van wat de raadsman van verdachte, mr. J.M. Keizer, naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 28 december 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Glock, type 43, kaliber 9mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, en/of munitie van categorie III, te weten meerdere, tenminste één, patro(o)n(en) van het merk Sellier & Bellot, type volmantel rondneus, kaliber 9mm, voorhanden heeft gehad.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het voorhanden hebben van een Glock pistool met munitie wettig en overtuigend kan worden bewezen op basis van de bekennende verklaring van verdachte en de overige stukken in het dossier.

3.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het voorhanden hebben van het wapen en de munitie bewezen kan worden. Verdachte heeft het wapen van een derde afgepakt bij een ruzie en heeft het vervolgens een korte tijd in zijn bezit gehad. De raadsman heeft ten aanzien van het bewijs dan ook geen verweer gevoerd.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat het voorhanden hebben van een Glock pistool en patronen bewezen kan worden. Gezien de standpunten van de officier van justitie en de raadsman behoeft dit oordeel geen verdere motivering.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage I vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 28 december 2019 te Amsterdam, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Glock, type 43, kaliber 9mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, en munitie van categorie III, te weten meerdere patronen van het merk Sellier & Bellot, type volmantel rondneus, kaliber 9mm, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft primair gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek van voorarrest. Bij deze strafeis heeft de officier van justitie meegewogen dat de verklaring van verdachte over de wijze waarop hij het wapen voorhanden heeft gekregen, ongeloofwaardig is. Voor de strafoplegging heeft de officier van justitie gekeken naar de Amsterdamse oriëntatiepunten voor vuurwapens.

Subsidiair, indien de rechtbank de verklaring van verdachte volgt, vordert de officier van justitie een taakstraf van tweehonderd uur in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht om te volstaan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, in combinatie met een taakstraf. Voor wat betreft de hoogte van de taakstraf refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. Als belangrijke omstandigheid moet worden meegewogen dat verdachte het wapen kort voordat hij werd aangehouden heeft afgepakt bij een ruzie en zich juist heldhaftig heeft gedragen. Daarmee heeft hij het wapen slechts voor zeer geringe tijd voorhanden gehad. Voor het geval de rechtbank niet uitgaat van de verklaring van verdachte dat hij het wapen even daarvoor van een ander had afgepakt, heeft de raadsman een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen als getuige van de melder die in het dossier wordt genoemd (p. 13).

Daarnaast is verdachte sinds 2009 niet meer veroordeeld voor een strafbaar feit. Deze omstandigheden moeten worden meegewogen bij de strafoplegging en om die reden wordt verzocht om, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, geen aansluiting te zoeken bij de Amsterdamse oriëntatiepunten voor vuurwapens.

Als de rechtbank het standpunt van de verdediging over het moment van het voorhanden krijgen van het wapen niet volgt, wordt verzocht om een straf op te leggen zoals subsidiair door de officier van justitie is gevorderd.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een geladen vuurwapen terwijl hij het onder handbereik bij zich droeg in de openbare ruimte.

Het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie is kwalijk, omdat het mogelijk gevaarzettend is. Het ongecontroleerde voorhanden hebben en gebruik van vuurwapens moet dan ook krachtig worden bestreden. Verdachte heeft verklaard dat hij het vuurwapen slechts kort voor zijn aanhouding van een derde had afgepakt bij een ruzie. De rechtbank vindt dat die verklaring van verdachte op grond van het dossier niet aannemelijk is geworden. Uit de verklaringen van de verbalisanten en uit de camerabeelden blijkt niet dat verdachte het wapen van iemand afgepakt heeft of een ruzie heeft gesust. Anders dan de raadsman ziet de rechtbank daarin dus geen aanleiding voor strafmatiging. De rechtbank ziet evenmin de noodzaak om de melder (voor zover diens gegevens al bekend zijn) als getuige te horen. Het voorwaardelijke verzoek hiertoe wordt afgewezen.

De rechtbank Amsterdam hanteert eigen oriëntatiepunten voor vuurwapenbezit. Daartoe bestaat aanleiding, omdat in het bijzonder in Amsterdam het vuurwapenbezit en gebruik een groot en toenemend maatschappelijk probleem is. Deze Amsterdamse oriëntatiepunten vermelden een gevangenisstraf van twaalf maanden voor het voorhanden hebben van een pistool in de openbare ruimte. De rechtbank neemt deze Amsterdamse oriëntatiepunten als uitgangspunt voor de straftoemeting in deze zaak. Dit uitgangspunt kan worden verhoogd als sprake is van een aantal strafverzwarende omstandigheden, bijvoorbeeld als het wapen onder handbereik en/of geladen is. Omdat verdachte blijkens zijn Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van 22 juli 2020 sinds 2009 niet is veroordeeld voor strafbare feiten, ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding tot verdere strafverzwaring van het eerdergenoemde uitgangspunt en acht zij een gevangenisstraf van 12 maanden passend en geboden.

Vordering tot gevangenneming

De officier van justitie heeft de gevangenneming van verdachte gevorderd. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat – net als ten tijde van de raadkamer gevangenhouding – geen gronden voor de voorlopige hechtenis aanwezig zijn. De vordering tot gevangenneming wordt om die reden afgewezen.

Beslag

Onder verdachte zijn een pistool, een wapen en patronen in beslag genomen.


De officier van justitie heeft gevorderd de inbeslaggenomen voorwerpen te onttrekken aan het verkeer en de raadsman heeft hierover geen standpunt ingenomen.

De rechtbank oordeelt dat nu met betrekking tot deze voorwerpen het bewezen geachte is begaan en/of zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, de voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

36b, 36c, 36d, 57 van het Wetboek van Strafrecht.

26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

1. STK Pistool, merk Glock (5858305);

2. 1 STK Patroon (5858470);

3. 1 STK Wapen, merk Ko (5858334).

Dit vonnis is gewezen door

mr. N.J. Koene, voorzitter,

mrs. A.A. Fase en E.G.C. Groenendaal, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Lier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 augustus 2020.