Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4673

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
25-09-2020
Zaaknummer
13/112007-20 (A); 13/164554-20 (B); 13/285395-19 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 22-jarige man is veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf waarvan 2 maanden voorwaardelijk omdat hij samen met anderen in april 2020 motoren stal in Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/112007-20 (A); 13/164554-20 (B); 13/285395-19 (TUL)

Datum uitspraak: 23 september 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [woonplaats] ,

gedetineerd in het [naam] te [plaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 september 2020. Verdachte was hierbij aanwezig.

De rechtbank heeft de zaken die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna zaak A en zaak B genoemd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. A.M. Ruijs, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.B. Stenger, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

zaak A:

1. diefstal in vereniging van een Ducati motor op 21 april 2020;

2. diefstal in vereniging van een Yamaha motor op 9 april 2020;

zaak B:

1. rijden zonder rijbewijs op 9 juni 2020;

2. het negeren van een stopteken op 9 juni 2020.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de tenlastegelegde feiten op grond van het procesdossier kunnen worden bewezen.

3.2.

Standpunt van de verdediging

Verdachte moet worden vrijgesproken van de in zaak A onder 1 ten laste gelegde diefstal van de Ducati motor. Uit de aangifte blijkt dat de motor op 1 april in de ochtend is gestolen. Verdachte komt pas in aanraking met de motor rond vijf uur in de middag, zo blijkt uit de getuigenverklaring. Dit is onvoldoende om vast te kunnen stellen dat hij medepleger is van de diefstallen. Hij is alleen aanwezig geweest bij het inladen van de motor in het busje, dit is onvoldoende voor een bewezenverklaring.

De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van de in zaak A onder 2 ten laste gelegde diefstal van de Yamaha motor en het in zaak B ten laste gelegde rijden zonder rijbewijs en het negeren van een stopteken.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de diefstal van de Ducati motor

Uit de bewijsmiddelen volgt dat tussen 19 april 2020 en 21 april 2020 een motor van het merk Ducati Monster is gestolen uit een afgesloten parkeergarage aan de [adres garage] . Op foto’s, die door een omstander zijn gemaakt op 21 april 2020 omstreeks 17.00 uur, is te zien dat deze motorfiets vanaf de openbare weg in een bestelbus wordt geladen. Op de foto’s zijn vier personen te zien, waaronder verdachte.

De rechtbank merkt het inladen van de motorfiets in het bestelbusje aan als een wegnemingshandeling. Door zo te handelen, is als heer en meester beschikt over de motorfiets die niet van hen was en daarmee is het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening gegeven. Dat levert diefstal op. Dat de motorfiets op een eerder moment, al dan niet door dezelfde of andere daders, uit de parkeergarage is weggenomen, doet hieraan niet af.

De rechtbank merkt verdachte aan als medepleger van de diefstal. Zijn handelen, zoals dat blijkt uit zijn verklaring op de terechtzitting, wijst immers op een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders gericht op het inladen (wegnemen) van de motorfiets in het bestelbusje. De rol van verdachte daarbij is van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarbij weegt mee dat bij de onder 2 ten laste gelegde diefstal volgens dezelfde modus operandi, met in ieder geval één zelfde mededader, is gehandeld. Het bewijsverweer wordt verworpen.

Ten aanzien van de overige feiten

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat diefstal van de Yamaha motor, het rijden zonder rijbewijs en het negeren van het stopteken bewezen kunnen worden.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

zaak A:

1. op 21 april 2020 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een motorfiets, merk Ducati, type Monster, kenteken [kenteken] , toebehorende een ander dan aan verdachte en zijn mededaders;

2. op 9 april 2020 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een motorfiets, merk Yamaha, type YZF-R1, kenteken [kenteken] , toebehorende aan [naam 1] ;

zaak B:

1. op 9 juni 2020 te Amsterdam, als bestuurder van een motorrijtuig, een motor, heeft gereden op de weg, het Millingenhof, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

2. op 9 juni 2020 te Amsterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 184 Wetboek van Strafrecht, gedaan door een ambtenaar, te weten, [naam 2] , belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem had gevorderd te stoppen, hieraan geen gevolg te geven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de misdrijven wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan twee maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaar. Aan die proeftijd kunnen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering met dien verstande dat de officier van justitie het niet nodig acht dat verdachte een locatiegebod krijgt opgelegd. Ook is het niet nodig om de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Van belang is dat verdachte in de eerste plaats wordt afgestraft. Hij heeft immers al meerdere kansen gehad. Van belang is daarnaast dat hij voor begeleiding en behandeling terecht kan bij de reclassering en terecht kan in een begeleid wonen traject zodat daar toezicht en controle kan worden uitgevoerd. Voor de overtreding, het rijden zonder rijbewijs, moet een geldboete worden opgelegd van vierhonderdveertig euro.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de strafeis, gelet op de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, te matigen. Het is belangrijk dat verdachte voor begeleiding en training terecht kan bij Inforsa. Hij moet weg uit de omgeving waarin hij zich nu bevindt. Verdachte is jong en er is nog geen sprake van verharding. Er zijn dus mogelijkheden om zijn gedrag in positieve zin te beïnvloeden.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstallen van motorvoertuigen. Dit soort feiten zijn niet alleen hinderlijk, maar veroorzaken ook veel schade voor de gedupeerden. Verdachte en zijn mededaders zijn daarbij bovendien zeer brutaal te werk gegaan door de motoren op klaarlichte dag, onder het oog van diverse omstanders, in te laden in een gehuurde bestelbus. De rechtbank vindt dit strafverzwarend. Met zijn gedrag toont verdachte lak te hebben aan de regels, geen rekening te houden met anderen en puur te handelen uit eigen financieel gewin. Verdachte heeft er geen blijk van gegeven enige wroeging of mededogen te hebben richting slachtoffers van wie iets kostbaars is afgepakt. Ook heeft verdachte geen inzicht gegeven in wat hij met een van de gestolen motoren van plan was. Kennelijk heeft hij redenen om hierover niet het achterste van zijn tong te laten zien. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het rijden zonder rijbewijs en het negeren van een stopteken. Dit gedurende een schorsing van zijn voorlopige hechtenis. Ook hiermee heeft verdachte laten zien zich niets aan te trekken van regels en zich niet om de veiligheid van andere verkeersdeelnemers te bekommeren.

De rechtbank heeft ook gekeken naar het reclasseringsrapport van 27 augustus 2020 waaruit blijkt dat sprake is van een delictpatroon op het gebied van vermogensdelicten. Verdachte maakt deel uit van de Top600. Er zijn risicofactoren geconstateerd op verschillende leefgebieden die aandacht blijven behoeven. De woonomgeving van verdachte vormt een risico, net zoals zijn sociale netwerk. Daarnaast is er sprake van hoge openstaande boetes bij het CJIB en is het de vraag in hoeverre verdachte in staat is om met een bepaald budget om te gaan. Door de jaren heen is er veel hulpverlening ingezet, die tot op heden niet heeft geleid tot recidive verlaging. Verdachte heeft een pro criminele houding en het is de reclassering niet geheel duidelijk wat hieraan ten grondslag ligt. Daarom is het aan te bevelen dat er diagnostiek zal plaatsvinden op dit gebied en, indien geïndiceerd, er een passende behandeling opgestart zal worden. Positieve factoren zijn dat verdachte graag zijn opleiding wil afronden en gemotiveerd is om met ondersteuning van Funtrax een dagbesteding te vinden aansluitend op zijn opleiding en wensen. Hij lijkt verder voldoende stabiele factoren om zich heen te hebben die er voor zouden moeten kunnen zorgen dat hij afstand neemt van de criminaliteit. Ook toont hij zich responsief ten aanzien van de begeleiding die hem geboden wordt. Verdachte heeft op 13 juli 2020 een intakegesprek voor een behandeling bij Inforsa en deze behandeling kan starten na de detentie. Daarom adviseert de reclassering een deels voorwaardelijke straf met oplegging van bijzondere voorwaarden die zien op onder andere een ambulante behandeling, medewerking aan begeleid wonen bij Multi Plus Zorg, het volgen van een opleiding en meewerken aan een schuldhulp traject.

Uit het strafblad van verdachte van 11 augustus 2020 blijkt daarnaast dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat verdachte de onderhavige feiten heeft gepleegd tijdens een lopende proeftijd van een eerdere voorwaardelijke veroordeling. Deze voorwaardelijke straf heeft de verdachte er dus kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank heeft ook gekeken naar wat er in vergelijkbare zaken voor straffen zijn opgelegd. Op basis van dit alles ziet de rechtbank geen reden om af te wijken van de door de officier van justitie geëiste straf. De rechtbank legt daarom voor de misdrijven een gevangenisstraf op van acht maanden, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan de proeftijd worden de bijzondere voorwaarden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van het locatiegebod en bijbehorend elektronisch toezicht. De rechtbank ziet geen redenen om de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast legt de rechtbank een geldboete op van € 440,00 voor de overtreding van de Wegenverkeerswet.

8 Beslag

Onder verdachte is in zaak B 1 STK motorfiets (Omschrijving: goednr. 5928225, yamaha) in beslag genomen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de motor verbeurd moet worden verklaard omdat met behulp van de motorfiets het onder B bewezen geachte is begaan.

De verdediging heeft verzocht de motorfiets terug te geven aan verdachte. Gelet op de geringe ernst van het feit waarvoor het beslag is gelegd, de overtreding van de Wegenverkeerswet, gaat het te ver om de motor verbeurd te verklaren. Dit was de eerste keer dat hij op de motor heeft gereden.

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen motorfiets moet worden teruggegeven aan verdachte. Het verbeurd verklaren van de motor staat niet in verhouding tot de daarmee gepleegde overtreding en levert daarmee een onevenredige bestraffing op.

9 Vorderingen van de benadeelde partijen

9.1.

Vordering van [naam 3]

De benadeelde partij, [naam 3] , vordert € 2.378,71 aan materiële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft verzocht om de vordering gedeeltelijk toe te wijzen, voor een bedrag van € 764,32 vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige moet de benadeelde partij niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De dagwaarde is inmiddels uitgekeerd en de gederfde inkomsten van de vriend van de benadeelde partij staan niet in rechtstreeks verband met het feit.

De verdediging heeft verzocht aan te sluiten bij hetgeen door de officier van justitie is aangevoerd.

De rechtbank oordeelt als volgt. Het staat vast dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde gederfde inkomsten van de vriend van de benadeelde partij staan echter in een te ver verwijderd verband om als rechtstreekse schade als bedoeld in artikel 51f Wetboek van Strafrecht aan te kunnen merken. Dit onderdeel komt niet voor toewijzing in aanmerking. De overige onderdelen van de vordering zijn door de verdediging niet betwist. Deze komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen daarom worden toegewezen

De rechtbank wijst de vordering daarom gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 764,32, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 april 2020, het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De benadeelde partij wordt voor het overige niet ontvankelijk verklaard in de vordering.

In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Omdat de vordering van de benadeelde partij (gedeeltelijk) wordt toegewezen, wordt de verdachte veroordeeld in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

9.2.

Vordering van [naam 1]

De benadeelde partij, [naam 1] , vordert € 2.392,12,- aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Gesteld is dat de schade bestaat uit € 2.475,75 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade en dat daarvan € 2.083,63 door de verzekeraar is vergoed. Daarnaast vordert de benadeelde partij vergoeding van de gemaakte proceskosten voor een bedrag van € 70,-.

De officier van justitie heeft verzocht om de vordering alleen toe te wijzen voor dat deel dat ziet op het eigen risico van € 300,- omdat de overige materiële schade al is vergoed door de verzekeraar en de motor op dezelfde dag van de diefstal ook is teruggevonden. De vordering is wat betreft de immateriële schade en de proceskosten onvoldoende onderbouwd. De vordering kan daarom voor € 300,- worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij moet voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

De verdediging heeft bepleit de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in de vordering omdat niet duidelijk is wat de daadwerkelijke schade is geweest en niet duidelijk is of de motor ook is gerepareerd. Daarnaast is er al een bedrag uitgekeerd door de verzekeraar. Voor de overige posten ontbreekt een onderbouwing.

De rechtbank oordeelt als volgt. Het staat vast dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 2 bewezenverklaarde feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Of de reparatie ook daadwerkelijk is uitgevoerd, is daarbij niet relevant. De schade is immers geleden. De materiële schade is door de verzekeraar vergoed tot een bedrag van € 2.083,63. Door de benadeelde partij is een bedrag van € 300,- aan eigen risico betaald. De gevorderde materiële schadevergoeding van € 300,- komt de rechtbank dan ook niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2020, het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De vordering tot vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen. De gestelde schade is geen schade die op grond van artikel 6:106 BW voor vergoeding in aanmerking komt.

Omdat de vordering van de benadeelde partij (gedeeltelijk) wordt toegewezen, wordt verdachte veroordeeld in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt. Deze proceskosten worden tot op heden begroot op nihil, omdat de door de benadeelde partij gestelde proceskosten onvoldoende zijn onderbouwd. Verdachte wordt tevens veroordeeld in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9 Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken zit de op 21 augustus 2020 op de griffie van deze rechtbank ontvangen vordering tenuitvoerlegging van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/285395-19. Deze betreft het onherroepelijk geworden vonnis van 11 maart 2020 van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen met aftrek, en met bevel dat van deze straf 26 dagen niet tenuitvoergelegd zullen worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op de grond dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd.

De verdediging heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen of het ten uitvoerleggen van de straf in mindering te brengen op de op te leggen straf in de strafzaken.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan vier strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 36f, 57, 62, 184 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 107 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het in zaak A onder 1 en 2 ten laste gelegde:

diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde:

overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

ten aanzien van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde:

opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar belast met het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte voor de misdrijven tot een gevangenisstraf van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat van deze straf 2 (twee) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaar.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

  • -

    Meldplicht bij reclassering: veroordeelde meldt zich bij Reclassering Nederland op het adres Wibautstraat 12 te Amsterdam. Hij blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren. Veroordeelde werkt mee aan het toezicht en de begeleiding door de reclassering, zolang de reclassering dat nodig vindt. Hieronder valt ook het meewerken aan huisbezoeken;

  • -

    Ambulante behandeling: veroordeelde werkt mee aan een behandeling gericht op delictanalyse en -preventie bij de Forensisch Ambulante Zorg van Inforsa of een soortgelijke instelling. Hij houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

  • -

    Begeleid wonen of maatschappelijke opvang: veroordeelde wordt verplicht zijn medewerking te verlenen aan begeleid of beschermd wonen bij Multi Plus Zorg of een soortgelijke instelling, met als doel hem voor te bereiden op een zelfstandig bestaan;

  • -

    Volgen van een opleiding: veroordeelde volgt een opleiding ROC TOP of bij een soortgelijke instelling;

  • -

    Overige voorwaarden: veroordeelde wordt verplicht om de volgende bijkomende bijzondere voorwaarden na te leven en zich te houden aan de opdrachten van de reclasseringsorganisatie die in het kader van het toezicht op de naleving van deze voorwaarden noodzakelijk zijn:

o beschikken over een structurele dagbesteding, zoals het volgen van een opleiding of werk(traject) van Wet Participatie en Inkomen (WPI) of vergelijkbare instantie;

o meewerken aan een schuldhulp-traject;

o meewerken aan het begeleidingstraject van Funtrax.

Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Veroordeelt verdachte voor de in zaak B onder 1 bewezenverklaarde overtreding, tot een geldboete van € 440,- (vierhonderdveertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 8 (acht) dagen.

Beslag:

Gelast de teruggave aan verdachte van:

1. STK Motorfiets (Omschrijving: goednr. 5928225, yamaha)

Vordering benadeelde partij Gertner-Shabanli:

Wijst gedeeltelijk toe de vordering van de benadeelde partij [naam 3] tot een bedrag van € 764,32 (zevenhonderdvierenzestig euro en tweeëndertig cent) aan vergoeding, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 21 april 2020, het moment dat de schade is ontstaan tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 3] voornoemd.

Veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt en voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen worden gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 3] , aan de Staat
€ 764,32 (zevenhonderdvierenzestig euro en tweeëndertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 21 april 2020, het moment dat de schade is ontstaan tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 15 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Vordering benadeelde partij [naam 1] :

Wijst gedeeltelijk toe de vordering van de benadeelde partij [naam 1] tot een bedrag van € 300,- (driehonderd euro) aan vergoeding, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 april 2020, het moment dat de schade is ontstaan tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt en voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen worden gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 1] , aan de Staat
€ 300,- (driehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 april 2020, het moment dat de schade is ontstaan tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 6 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering ten aanzien van de immaterieel gevorderde schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in de vordering.

Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling:

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 11 maart 2020 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een gevangenisstraf van 26 (zesentwintig) dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Djebali, voorzitter,

mrs. N.J. Koene en M. Smit, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Mud, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 september 2020.