Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4625

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4560
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wmo. Afwijzing verzoek om persoonsgebonden budget. Ongegrond.

Eiseres heeft recht op ambulante ondersteuning. Eiseres wenst de maatwerkvoorziening toegekend te krijgen in de vorm van een pgb; de gemeente heeft dit verzoek afgewezen. Uit de wetsgeschiedenis van de Wmo 2015 blijkt dat de wetgever aan zorgvragende burgers een volledige vrijheid heeft willen bieden als het gaat om de keuze tussen ZIN en PGB-zorg. De rechtbank is in dit geval echter van oordeel dat de gemeente met de inhoud van de (medische) adviezen voldoende heeft onderbouwd dat zowel de zoon van eiseres als eiseres zelf onvoldoende in staat is tot een redelijke waardering van de belangen van eiseres dan wel dat hij/zij onvoldoende in staat is te achten om de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren. De gemeente heeft het pgb-beheer door zowel eiseres zelf als door de zoon daarom in redelijkheid kunnen afwijzen. Het beroep is ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBJ-Wmo/2020/023 met annotatie van mr. Renske Imkamp
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/4560

zittingsdatum: 14 juli 2020

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: [naam] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(hierna: de gemeente)

(gemachtigde: [naam] ).

Conclusie

1. De rechtbank stelt [eiseres] (eiseres) niet in het gelijk. De gemeente mocht de aanvraag van eiseres om een persoonsgebonden budget (pgb) afwijzen. De rechtbank legt hieronder uit waar deze zaak over gaat en hoe zij tot haar oordeel is gekomen.

Wat was de aanleiding voor deze rechtszaak en wat was de procedure tot nu toe?

2.1.

Eiseres ondervindt beperkingen in haar lichamelijke en geestelijke gezondheid, waardoor zij verminderd zelfredzaam is. Zij heeft een pgb aangevraagd voor ambulante ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor zes uren per week.

2.2.

De gemeente heeft in het primaire besluit van 26 februari 2019 overwogen dat eiseres wel in aanmerking komt voor de maatwerkvoorziening ambulante ondersteuning, maar dat zij hiervoor geen pgb kan krijgen. Nadat eiseres hiertegen bezwaar maakte, hield de gemeente de afwijzing in stand in het besluit op bezwaar van 18 juli 2019. Eiseres is het hier niet mee eens en startte daarom deze procedure bij de rechtbank.

Wat oordeelt de rechtbank?

Het beoordelingskader

3. Niet in geschil is dat eiseres recht heeft op ambulante ondersteuning. De vraag die bij de rechtbank voorligt is of de gemeente het verzoek van eiseres om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb toe te kennen, heeft mogen afwijzen.

4. De rechtbank overweegt dat een persoonsgebonden budget op grond van de regelgeving1 wordt verstrekt als iemand, al dan niet met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel in staat is te achten om de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren. Het gaat er volgens de regelgeving om of dit naar het oordeel van de gemeente het geval is. Dit betekent dat de rechtbank terughoudend moet zijn bij het toetsen van de overwegingen van de gemeente hierover.

5. De rechtbank merkt hierbij op dat de voornoemde voorwaarden kracht van wet hebben gekregen en dus gelden. Dit neemt niet weg dat bij de beoordeling hiervan niet uit het oog mag worden verloren dat uit de wetsgeschiedenis van de Wmo 2015 blijkt dat de wetgever aan zorgvragende burgers een volledige vrijheid heeft willen bieden als het gaat om de keuze tussen ZIN en PGB-zorg.2 Dit betekent dat niet lichtvaardig kan worden overgegaan tot weigering van een pgb.

Kan het pgb worden beheerd door eiseres of haar zoon?

6.1.

In het pgb-plan (en in het beroepschrift) heeft eiseres aangegeven dat haar zoon (hierna: de zoon) op zal treden als pgb-vertegenwoordiger. Daarnaast is in de bezwaarfase en op de zitting de mogelijkheid genoemd dat de zoon van eiseres het financiële deel van het pgb-beheer op zich neemt en eiseres zelf de overige taken. De (beoogd) zorgverlener gaf hierover op de zitting aan dat eiseres mondig is en heel goed in staat is om te bepalen wat zij aan zorg wil en nodig heeft. Zij kan de regie over de zorg voeren en de zorg controleren, aldus de zorgverlener.

6.2.

Tussen partijen is niet in geschil is dat de zoon van eiseres in staat is om de financiële kant van het pgb-beheer op zich te nemen. Het geschilpunt ziet dan ook alleen op de vraag of eiseres of de zoon in staat is om zorg te organiseren, waaronder onder meer het voeren van de regie en het aansturen van de zorgverlener valt.

6.3.

De gemeente heeft zich laten adviseren door het Indicatie Advies Bureau (IAB); dit is het medisch adviesorgaan van de gemeente. Het IAB heeft op 11 februari 2019 een negatief advies uitgebracht voor wat betreft de toekenning van het pgb, om de volgende reden.

‘Tijdens het onderzoek blijkt dat de zoon van cliënt gebruik maakt van een Wmo-maatwerkvoorziening. Client vertelt tijdens het huisbezoek dat de zoon tijdelijk als pgb-vertegenwoordiger op zal treden, totdat er een andere oplossing komt. Tijdens het huisbezoek is de zoon getoetst op zijn pgb-vaardigheden. Het pgb-plan is met ondersteuning van de ambulant ondersteuner van de zoon opgesteld. Ik acht de zoon in staat om facturen te controleren, echter is onvoldoende aangetoond dat hij in staat is om de zorgverlening op inhoud van de zorg voor zijn moeder te toetsen en aan te sturen. Een deel van de ondersteuningsvraag voor zowel cliënt als voor de zoon is gericht op het herstel van de moeder-zoon relatie, mijns inziens kan de rol van pgb-vertegenwoordiger het bereiken van de gestelde doelen in de weg staan.’

6.4.

In de bezwaarfase heeft de gemeente aan de indicatie-adviseur van het IAB gevraagd hoe de zoon op zijn pgb-vaardigheden is getoetst. Ook is gevraagd om een nadere onderbouwing op het punt dat – kortgezegd – een deel van de ondersteuningsvraag voor zowel eiseres als de zoon is gericht op het herstel van de moeder-zoon-relatie. De indicatie-adviseur heeft hierop het volgende geantwoord:

‘De zoon van cliënt is getoetst op zijn pgb-vaardigheden door hem meerdere vragen te stellen over de rechten en plichten:

  • -

    Op welke wijze wordt de voortgang getoetst van de geleverde ondersteuning?

  • -

    Welke doelen wilt u bereiken met de geleverde ondersteuning?

  • -

    Welke actie gaat u ondernemen als de zorgverlener de afspraken niet nakomt of als de ondersteuning niet aansluit?

  • -

    Wie heeft het pgb-plan ingevuld en wat staat er in het pgb-plan?

  • -

    Waarom is er voor pgb gekozen?

  • -

    Wat doet u als de indicatie bijna afloopt of niet meer passend is?

  • -

    Etc.

Met de vragen toets ik (de indicatie-adviseur) alle voorwaarden zoals deze gesteld zijn en ook in het pgb-plan staan genoemd.

De zoon van cliënt kon de vragen niet beantwoorden. De zoon kwam met moeite uit bed nadat cliënt hem meerdere malen heeft geroepen. Nadat hij op de bank zat, gaf hij mij hele korte antwoorden. Hij kon mij wel uitleggen dat hij facturen gaat controleren en insturen naar de Svb, echter dat is maar een deel van het Pgb-beheer. Er is geen sprake van regie. Het pgb-plan is ingevuld door de zorgverlener. Ook cliënt kon mij onvoldoende toelichten wat er in het pgb-plan staat. Dit is een aanwijzing dat de regie niet bij de zoon of cliënt ligt.

Tijdens het gesprek heb ik bij de zoon getoetst of hij de inhoud van de benodigde ondersteuning kan toelichten en dit kon hij niet. Ook cliënt zelf kon dit niet toelichten. De zorgverlener heeft mij telefonisch toelichting gegeven. Wanneer de zoon de zorgvraag van moeder niet goed weet, is het m.i. ook niet mogelijk om in te schatten wat de juiste zorg is. De zorgverlener was al in huis vanwege de ondersteuning voor de zoon, de zoon heeft geen rol gehad in het zoeken/vinden van geschikte ondersteuning. Het initiatief voor het inzetten van de ondersteuning lag bij de zorgverlener en cliënt. De zorgverlener en cliënt vertelden beiden dat de relatie tussen cliënt en moeder niet soepel verloopt, er ontstaan met regelmaat conflicten. Moeder vindt het moeilijk om zoon los te laten / zich met hem te bemoeien en zoon heeft wel behoefte aan die ruimte. Er wordt toegelicht dat een deel van de ambulante ondersteuning in huis daar ook op ingezet wordt. Wanneer de zoon het pgb gaat beheren gaat dit juist weer bemoeienis creëren een dat was nu juist niet de bedoeling. Aan de ene kant wordt er ondersteuning ingezet om de relatie gezonder te krijgen, een meer natuurlijke relatie tussen cliënt en een volwassen zoon. Deze ondersteuningsdoelen zijn nog niet bereikt. En aan de ander kant gaat de zoon bemoeienis krijgen met pgb en ondersteuning van cliënt, dit brengt een verandering in de verhouding tussen cliënt en zoon met zich mee.’

6.5.

De rechtbank is van oordeel dat de voornoemde adviezen van het IAB zijn aan te merken als een deskundigenadvies, omdat zij onpartijdig, objectief en inzichtelijk zijn en zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De gemeente kon ze dan ook ten grondslag leggen aan haar besluitvorming.

6.6.

De rechtbank is van oordeel dat de gemeente met de inhoud van de adviezen voldoende heeft onderbouwd dat zowel de zoon van eiseres als eiseres zelf onvoldoende in staat is tot een redelijke waardering van de belangen van eiseres dan wel dat hij/zij onvoldoende in staat is te achten om de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren. Gebleken is dat eiseres en haar zoon niet zelf het pgb-plan hebben ingevuld en dat ze aan de indicatie-adviseur niet konden toelichten wat erin stond. Hieruit leidt de rechtbank af dat de regie niet bij hen ligt. Ook op de zitting bleek dat het initiatief voor de zorgverlening bij de zorgverlener ligt en dat hij de regie lijkt te hebben. De zorgverlener het pgb-beheer in handen geven is echter volgens het beleid van de gemeente niet toegestaan. Naar het oordeel van de gemeente moet ook voorkomen worden dat de zorgverlener in de praktijk deze rol op zich neemt. Een zorgverlener zou niet moeten gaan over de vraag of de verleende zorg adequaat is; het is immers juist de zorgverlener die door de pgb-beheerder – tot op zekere hoogte – gecontroleerd en eventueel bijgestuurd moet worden. De stelling van de zorgverlener, namens eiseres, dat zij hiertoe zelf in staat is, is niet onderbouwd. Dit vormt dan ook geen concreet aanknopingspunt van twijfel aan de adviezen van het IAB. De stelling van de gemeente dat iemand die zelf ambulante ondersteuning krijgt, zoals in dit geval de zoon, niet in staat is om de zorg van een ander met ambulante ondersteuning inhoudelijk aan te sturen, volgt de rechtbank niet. Er hoeft immers niet per definitie overlap te zijn voor wat betreft de resultaatgebieden. Zo kan de een ambulante ondersteuning nodig hebben voor zijn persoonlijk functioneren en een ander voor het opbouwen van een sociaal leven. In dit geval is – naast wat hiervoor is overwogen – dit echter geen mogelijkheid, omdat de relatie tussen eiseres en haar zoon een onderwerp is waarvoor zij allebei ambulante ondersteuning ontvangen.

6.7.

De gemeente heeft dan ook het pgb-beheer door zowel eiseres zelf als door de zoon in redelijkheid kunnen afwijzen. De rechtbank heeft er begrip voor dat eiseres door haar beperkingen moeite heeft met veranderingen en met het vertrouwen van mensen. En dat ze het daarom fijn vindt dat de zorgverlener, bij wie zij zorg wil inkopen, haar bekend is. De rechtbank wijst eiseres erop dat het mogelijk is om zelf een zorgverlener te kiezen, zodra zij een geschikte pgb-beheerder heeft gevonden. Zij zal in dat geval een nieuwe aanvraag moeten indienen bij de gemeente.

7. Het beroep is ongegrond. Omdat de rechtbank eiseres niet in het gelijk stelt, heeft zij geen recht op een vergoeding van de kosten die zij maakte voor deze procedure.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. den Toom, griffier.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

BIJLAGE – Wettelijk kader

Zoals dat gold op het moment van het bestreden besluit

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

Artikel 2.3.6

1. Indien de cliënt dit wenst, verstrekt het college hem een persoonsgebonden budget dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken.

2 Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien:

a. de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

b. de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen;

c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

(…)

Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015, versie 2019

Artikel 4.2 Aanvullende criteria persoonsgebonden budget

1. Het college kent in aanvulling op artikel 4.1 een persoonsgebonden budget toe als naar het oordeel van het college is vastgesteld dat:

a. cliënt, al dan niet met hulp uit zijn sociale netwerk dan wel een door cliënt aangewezen gemachtigde of een door de rechter aangewezen wettelijk vertegenwoordiger, in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel in staat is te achten om de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren;

b. is gemotiveerd dat een cliënt een persoonsgebonden budget wenst;

c. is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woonruimteaanpassingen en andere maatregelen die met het persoonsgebonden budget betaald moeten worden veilig, doeltreffend en cliëntgericht zijn.

Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2019

Paragraaf 4.2 Persoonsgebonden budget

a Productbeschrijving

Algemeen

In de Wmo 2015 is het persoonsgebonden budget (Pgb) een gelijkwaardig alternatief voor ondersteuning in natura. Een Amsterdammer die een geïndiceerde maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wenst, geeft dit gemotiveerd aan en hij stelt een zogenoemd Pgb-plan op (…).

1. Een persoonsgebonden budget kan worden verstrekt ten behoeve van een maatwerkvoorziening als bedoeld in hoofdstuk 4 A van de Wmo-verordening 2015.

2. Voor de aanvraag van een persoonsgebonden budget wordt gebruik gemaakt van het door het college vastgestelde formulier.

3. De motivatie en bekwaamheid van de aanvrager van een persoonsgebonden budget en de doelmatigheid van het zorginhoudelijke voorstel wordt getoetst aan de hand van een door de aanvrager ingevuld Pgb-plan als onderdeel van het gesprek als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wmo-verordening 2015.

4. Er is sprake van professionele hulp als de werkzaamheden beroepsmatig uitgevoerd worden en de persoon ingeschreven staat bij de Kamer van Koophandel. De omschrijving van de bedrijfsactiviteiten van de onderneming moet aansluiten bij de te leveren diensten voor het Pgb.

5. Als de cliënt het budgetbeheer met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger uitvoert, mag de laatstgenoemde niet tevens de zorgverlener van de cliënt zijn, tenzij hiervoor door de gemeente toestemming is verleend.

1 Zie artikel 2.3.6, tweede lid, aanhef en onder a van de Wmo en artikel 4.2, eerste lid, aanhef en onder a van de Verordening. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 oktober 2015 van Rechtbank Noord-Nederland, overweging 4.4.5, ECLI:NL:RBNNE:2015:5015 (te vinden via www.rechtspraak.nl). In deze uitspraak zijn ook verschillende verwijzingen naar de wetsgeschiedenis opgenomen.