Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4597

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-09-2020
Datum publicatie
23-09-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 6423
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand. Eiseres heeft geen rechtsmiddelen ingesteld tegen het intrekkingsbesluit zodat deze in rechte vaststaat. Gronden die zien op de intrekking kunnen dan niet ter beoordeling staan in de procedure tegen de terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/6423

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: [naam] ),

en

Burgemeester en Wethouders van Ouder-Amstel, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Met het besluit van 24 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder teveel verleende bijstand over de periode 1 oktober 2016 tot en met 31 december 2016 ter hoogte van

€ 3.736,62 bruto van eiseres teruggevorderd.

Met het besluit van 16 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de brutering over de maand december 2016 teruggedraaid. Voor het overige is het primaire besluit in stand gelaten.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft door middel van een skype-verbinding plaatsgevonden op

13 augustus 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Aanleiding van de procedure

1. Eiseres ontvangt vanaf 19 juli 2016 een uitkering op grond van de Participatiewet (PW). Met het besluit van 3 juli 2017 heeft verweerder de uitkering van eiseres met ingang van 1 oktober 2016 ingetrokken. Verweerder heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat eiseres inkomsten had naast haar uitkering die zij had moeten melden. Zij heeft daarmee de inlichtingenplicht geschonden. Verweerder heeft zijn conclusie gebaseerd op gegevens die hij heeft verkregen uit Suwinet. Hieruit bleek dat eiseres vanaf 1 oktober 2016 inkomsten heeft gehad uit een arbeidsovereenkomst met [naam] Eiseres heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.

Deze procedure

2. Verweerder heeft met het primaire besluit de teveel verleende bijstand over de periode 1 oktober 2017 tot en met 31 december 2016 ter hoogte van € 3.736,62 bruto teruggevorderd. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit heeft verweerder de brutering over de maand december 2016 teruggedraaid en voor het overige in stand gelaten.

3. Eiseres stelt zich in beroep op het standpunt dat haar uitkering ten onrechte is ingetrokken omdat de gegevens in Suwinet over de dienstbetrekking met [naam] , niet kloppen. Zij voert aan dat zij in bezwaar heeft aangetoond dat de gegevens in Suwinet onjuist zijn, althans dat verweerder niet zonder meer mocht uitgaan van deze gegevens, en dat verweerder haar bezwaren dienaangaande in het bestreden besluit had moeten betrekken.

4. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Uit vaste rechtspraak volgt dat indien geen rechtsmiddelen zijn ingesteld tegen een intrekkingsbesluit, deze in rechte vaststaat.1

Dit betekent dat bezwaren die zien op de intrekking (in dit geval de betwisting van inkomsten) dan niet meer meegenomen kunnen worden bij de beoordeling van het invorderingsbesluit. Verweerder heeft in de hoorzitting wel nog aandacht besteed aan de betwisting van de inkomsten, maar ook dit maakt niet dat dat verweerder bij de beslissing op bezwaar tegen de terugvordering aandacht zou moeten besteden aan de bezwaren tegen de intrekking.2

5. Eiseres heeft niet bestreden dat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de intrekking. Voorts wordt in het terugvorderingsbesluit expliciet gerefereerd aan het intrekkingsbesluit. Bovendien heeft verweerder in bezwaar bij brief van 4 maart 2019 nog uitdrukkelijk aangegeven dat tegen de intrekking geen bezwaar is gemaakt en dat het intrekkingsbesluit in rechte vast staat. Dit heeft eiseres noch in haar brief van 7 maart 2019, noch op enig ander moment in de bezwaarprocedure weersproken. Ook in beroep heeft eiseres niet weersproken dat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het intrekkingsbesluit. Zij betwist in het beroepschrift slechts dat dit feit essentieel is en zij stelt zich op het standpunt dat zij desondanks het hebben van inkomsten mag betwisten. Eerst op de zitting stelt eiseres dat zij het intrekkingsbesluit nooit heeft ontvangen. Nu eiseres dit standpunt op geen enkel eerder moment naar voren heeft gebracht, hoewel daartoe alle aanleiding bestond gezien het voorgaande, en dat standpunt ook niet met verifieerbare stukken heeft onderbouwd, acht de rechtbank het eerst op de zitting gestelde niet aannemelijk. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de intrekking in rechte vast staat.

6. De rechtbank volgt eiseres voorts niet in haar standpunt dat zij het hebben van inkomsten desondanks nog kan betwisten in het kader van de intrekking. Eiseres verwijst in dit verband naar de uitspraak van de CRvB van 15 maart 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:995). De rechtbank volgt eiseres niet in dit standpunt. Uit de aangehaalde uitspraak volgt – kort samengevat – dat ook na inwerkingtreding van de Wet aanscherping bij de terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB van ten onrechte verleende bijstand naar de alleenstaandennorm, rekening moet worden gehouden met het recht op bijstand naar de gehuwdennorm, indien de inlichtingenplicht niet zou zijn geschonden en de bijstandsgerechtigden dit aannemelijk maken. Naar het oordeel van de rechtbank is een dergelijke situatie in de onderhavige zaak niet aan de orde.

7. Omdat het besluit van 3 juli 2017 in rechte vaststaat en eiseres geen zelfstandige gronden heeft aangevoerd tegen de in het bestreden besluit genoemde periode noch het bedrag van de terugvordering is het beroep ongegrond.

8. Voor een veroordeling in de proceskosten en de andere door eiseres gestelde kosten is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van der Kroft, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 27 september 2011 ECLI:NL:CRVB:2011:BT6759

2 Zie bijvoorbeeld een uitspraak van de Raad van 18 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT3523