Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4534

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
06-10-2020
Zaaknummer
C/13/662501 / HA ZA 19-240
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Samenlevers deels mèt, deels zonder samenlevingsovereenkomst. Moet de overwaarde boot en ligplaats (op naam man) bij helfte verrekend worden? Rb vindt van niet. Vrouw onvoldoende onderbouwd dat zij recht heeft op meer dan het bedrag dat de man erkend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/662501 / HA ZA 19-240

Vonnis van 23 september 2020

in de zaak van

[eiseres]

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.M. Spronk te Utrecht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. M.S.J. Supicic te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit, voor zover relevant:

  • -

    de dagvaarding van 18 december 2018;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, conclusie van eis in reconventie ;

  • -

    het tussenvonnis van 27 november 2019, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen,;

  • -

    conclusie van antwoord in reconventie tevens akte vermeerdering van eis in conventie, ingekomen op 15 januari 2020;

  • -

    akte uitlating vermeerdering van eis en uitlaten producties van de zijde van de man, ingekomen op 11 februari 2020;

  • -

    akte overleggen producties van de zijde van de vrouw, ingekomen op 6 maart 2020;

  • -

    akte inhoudende wijziging van eis/inbreng producties ten behoeve van de comparitie van de zijde van de man, ingekomen op 10 maart 2020;

  • -

    aanvullende producties van de zijde van de vrouw, ingekomen op 16 juni 2020;

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 30 juni 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gekregen medio 1994.

2.2.

De man heeft een woonboot genaamd de [naam woonboot] (hierna: de [naam woonboot] ) geleverd gekregen op 17 november 1997 voor een koopsom van Fl. 105.750. Bij besluit van 24 juni 1998 is een vergunning verleend aan de man voor de ligplaats aan de [adres] (hierna: ligplaats [adres] ) voor de [naam woonboot] .

2.3.

Partijen zijn in september 1999 gaan samenwonen op de [naam woonboot] .

2.4.

Tijdens hun relatie is op [geboortedatum] 2000 hun thans meerderjarige dochter [minderjarige] geboren.

2.5.

Het schip [naam schip] (hierna: [naam schip] ) is aan de vrouw geleverd op 15 augustus 2001. Dit schip is eerst aan de ligplaats [adres ligplaats schip] (hierna: ligplaats [adres ligplaats schip] ) gelegd, de ligplaats vergund aan de vrouw bij vergunning van 10 augustus 2001.

2.6.

In 2001 is het schip de [naam gezamenlijk schip] (hierna: de [naam gezamenlijk schip] ) aangeschaft door beide partijen.

2.7.

In 2000/2001 is de ligplaats aan het [adres ligplaats gezamenlijk schip] (hierna: de gezamenlijke ligplaats [adres ligplaats gezamenlijk schip] ) door beide partijen aangekocht.

2.8.

De [naam gezamenlijk schip] is na de vergunningverlening op 13 november 2001 op de [adres ligplaats schip] te [plaats] aangelegd (in plaats van de [naam schip] ).

2.9.

Na de verkoop van de [naam schip] hebben partijen de [naam gezamenlijk schip] aan de ligplaats [adres] gelegd en de [naam woonboot] naar de ligplaats [adres ligplaats schip] verplaatst.

2.10.

In het kader van hun samenleving zijn partijen op 31 december 2002 te Amsterdam een samenleefcontract aangegaan, inhoudende onder meer:

“(…)

De comparanten verklaarden dat tussen hen een affectieve relatie bestaat, welke niet is geregeld door het aangaan van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap;

Dat zij in het kader van die relatie vanaf één mei tweeduizendtwee met elkander samenleven en een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren;

Dat zij mede op grond van hun wederzijdse zorgplicht, met betrekking tot de vermogensrechtelijke gevolgen van de relatie in het algemeen, alsmede voor het geval deze eindigt door verbreking of door het overlijden van één van hen zijn overeengekomen als volgt:

(…)

ALGEMEEN

Artikel 1

1. Noch het feit van samenleven noch het enkele bestaan van deze overeenkomst verschaft een van partijen enig recht op goederen die door de andere partij ongeacht wanneer en krachtens welke titel, zijn verkregen, behoudens het hierna bepaalde;

2. Partijen verplichten zich naar evenredigheid van hun netto-inkomen bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. (…)

4. Indien slechts een van partijen inkomsten heeft, komen de kosten van de gemeenschappelijke huishouding geheel ten laste van die partij;

5. Indien de inkomsten niet toereikend zijn is iedere partij gehouden naar evenredigheid van zijn/haar netto–vermogen het tekort aan te vullen.

6. Ieder van partijen is met uitsluiting van de ander aansprakelijk en draagplichtig voor de schulden die hij of zij alleen heeft aangegaan of die op andere wijze alleen in zijn of haar persoon zijn ontstaan, behoudens hetgeen hierboven is bepaald.

(…)

8. Met betrekking tot de kosten van de gemeenschappelijke financiering geldt het volgende:

a. ongeacht de verhouding met derden-schuldeisers verdelen partijen de rentelasten en overige aftrekbare kosten van gemeenschappelijke financieringen, waarin begrepen hypothecaire geldleningen naar de verhouding van hun onzuivere inkomens, exclusief die aftrek.

b. indien partijen een andere verdeling overeenkomen, zal degene die het meerdere in aftrek brengt dat meerdere ook daadwerkelijk voor zijn rekening nemen en derhalve geen recht hebben op terugvordering van de wederpartij (afstand van regresrecht).

(…)

Artikel 2

(…)

3 a. Tevens zijn de comparanten tezamen, ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van:

1. een perceel grond en water met ligplaats aan het [adres ligplaats gezamenlijk schip] (…), welk registergoed thans belast is met een eerste hypotheek ten behoeve van de naamloze vennootschap SNS Bank Randstad N.V. (…) en de naamloze vennootschap SNS Bank Nederland N.V. (…), in hoofdsom groot (…) (€ 53.772,00);

2. een staalijzeren motorwoonschip, type klipper, genaamd “ [naam gezamenlijk schip] ”,(…) thans gelegen aan de [adres ligplaats schip] te (…) [woonplaats 1] (…) welk registergoed thans belast is met een eerste hypotheek ten behoeve van de naamloze vennootschap SNS Bank Randstad N.V.(…) en de naamloze vennootschap SNS Ban Nederland N.V. (…) , in hoofdsom groot (…) (€ 117.982,86);

b. partijen hebben voor het overige gedeelte van de koopprijs en de kosten voor de aanschaf van dit registergoed uit eigen middelen bijgedragen;

c. de hoogte van de door ieder van hen uit eigen middelen betaalde bijdrage alsmede later gedane investeringen, zal blijken uit door beide partijen getekende overzichten. De door beide partijen uit eigen middelen geïnvesteerde bedragen voor de aanschaf en verbeteringen van het registergoed, hierna te noemen de investeringen.

ONTBINDING

Artikel 3

Deze overeenkomst wordt ontbonden:

a. door opzegging van een van de partijen op het tijdstip tegen welke de opzegging is gedaan. (…)

VERBREKING

Artikel 4

Indien de gemeenschappelijke huishouding tussen partijen anders dan door het huwen van partijen, het aangaan van een geregistreerd partnerschap van partijen of het overlijden van een der partijen eindigt, komen partijen als volgt overeen:

1. Met betrekking tot de mede-eigendom van het bovengenoemde registergoed, danwel de registergoederen die alsdan hun gemeenschappelijk eigendom zullen zijn:

a. (…)

b. Indien partijen tot verkoop van het registergoed overgaan, wordt de opbrengst als volgt verdeeld:

I. Voor het geval de opbrengst hoger is dan de som van de pro resto hypothecaire schuld en de investering: allereerst wordt de hypotheekhouder voldaan, daarna ontvangt ieder van partijen zijn investering terug en hetgeen overblijft wordt door partijen bij helfte verdeeld;

II. voor het geval de opbrengst hoger is dan de pro resto hypothecaire schuld, doch lager is dan de som van de pro resto hypothecaire schuld en de investering: allereerst wordt de hypotheekhouder voldaan, daarna ontvangt ieder van partijen het restant van de opbrengst een gedeelte dat evenredig is aan het door hem betaalde gedeelte van de investeringen; (…)

2. De overige gemeenschappelijke goederen worden verdeeld met toepassing van de beginselen van redelijkheid en billijkheid (…)

2.11.

Nadat de [naam woonboot] was verplaatst, is deze met de ligplaats [adres ligplaats schip] verkocht op 16 maart 2004. In de koopovereenkomst zijn partijen gezamenlijk als verkoper aangeduid.

2.12.

De gezamenlijke ligplaats te [adres ligplaats gezamenlijk schip] is verkocht op 30 maart 2004.

2.13.

De man heeft vervolgens het schip de [schip gedaagde] (hierna:de [schip gedaagde] ) op 16 september 2004 op zijn naam gekocht. Op 30 september 2004 is de man ten behoeve van de [schip gedaagde] een hypothecaire geldlening aangegaan van € 400.000.

2.14.

De vergunning om ligplaats te nemen aan de [adres] is bij besluit van 13 januari 2014 ingetrokken met gelijktijdige vergunningverlening om met de [schip gedaagde] ligplaats te nemen aan de [adres schip gedaagde] (hierna: ligplaats [adres schip gedaagde] ).

2.15.

De [naam gezamenlijk schip] is op 2 september 2008 – separaat- verkocht.

2.16.

In een brief van 19 september 2016 heeft de man het volgende verklaard:

Hierbij verklaar ik; [gedaagde] De manDe man (…), dat [eiseres] De vrouw financieel mede eigenaar is van het kadastergoed de [schip gedaagde] en wel te weten voor 11/75e deel van € 750.000. Tevens verklaar ik dat zij juridisch eigenaar is voor 50% van dat zelfde vastgoed. Dit is vastgesteld op basis van haar wens welke zij geuit heeft tijdens het mediation traject volgend op de geplande scheiding 1-1-2014.

Dit onder de voorwaarde dat zij voor 50% mede verantwoordelijk en hoofdelijk aansprakelijk is voor de drie hypoheek delen waarmee de [schip gedaagde] belast is.

Dit eigendom, zowel juridisch als financieel, zal komen te vervallen als ondergetekende haar financieel schadeloos stelt voor bovengenoemde deel vermeerderd met 50% van de waardevermeerdering en/of vermindering in het geval dat het kadastergoed meer of minder waard is geworden.

Aldus opgesteld in vrije wil”.

2.17.

De man heeft de samenleefovereenkomst per 31 december 2013 schriftelijk opgezegd.

2.18.

Partijen zijn nadien samen blijven wonen.

2.19.

Op de [schip gedaagde] is een B&B ingericht die partijen tot medio 2013/2014 samen exploiteerden. De vrouw heeft in 2013 de B&B als eenmanszaak ingeschreven in de Kamer van Koophandel. Vanaf 2013 heeft de vrouw de vaste lasten van de [schip gedaagde] , de kosten van de huishouding en de kosten van [minderjarige] , voldaan uit de inkomsten van de B&B.

2.20.

De [schip gedaagde] is in maart 2020 verkocht tegen een verkoopprijs van € 1.275.101,-

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De vrouw vordert samengevat – na vermeerdering van eis, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

1. voor recht te verklaren dat partijen ten aanzien van de [schip gedaagde] en de ligplaats aan de [adres schip gedaagde] moeten handelen alsof dit hun gemeenschappelijk eigendom is;

2. voor recht te verklaren dat partijen gezamenlijk, ieder voor de helft, gerechtigd zijn tot de overwaarde van de [schip gedaagde] en de ligplaats, welke overwaarde als volgt moet worden berekend: verkoopprijs [schip gedaagde] ad € 1.275.101,00 -/- hypotheek -/- de door de vrouw goedgekeurde verkoopkosten (niet zijnde de makelaarskosten en de kosten werfgang);

3. de man te veroordelen aan de vrouw haar deel van de overwaarde als berekend in 2 te voldoen;

4. de man te veroordelen in de kosten van de procedure;

3.2.

De vrouw heeft aan haar vorderingen het volgende ten grondslag gelegd. De vrouw heeft recht op de helft van de overwaarde van de [schip gedaagde] omdat partijen hebben gehandeld alsof de [schip gedaagde] een gemeenschappelijk goed was; partijen een stilzwijgende overeenkomst hebben gesloten op grond waarvan partijen gehouden zijn de overwaarde van de [schip gedaagde] op 50/50 basis met elkaar te verrekenen dan wel dat een verrekening anders dan 50/50 in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid die ook van toepassing is op de contractuele relatie tussen partijen.

3.3.

De man concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met dien verstande dat hij in reconventie een redelijke afwikkeling van de samenleving vordert. De man heeft betwist dat partijen zouden hebben geleefd alsof zij waren gehuwd in gemeenschap van goederen of dat er sprake zou zijn geweest van een stilzwijgende overeenkomst inhoudende dat partijen alles gezamenlijk, en dus ook de overwaarde van de [schip gedaagde] 50/50 zouden delen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

De man vordert samengevat –, na wijziging van eis, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

1. een redelijke afwikkeling van de samenleving tussen partijen vast te stellen. Zoals omschreven in de conclusie van antwoord onder punt 55;

2. de vrouw te veroordelen het bedrag van € 11.312,14 aan de man te betalen;

3. de vrouw te veroordelen inzage te verschaffen in alle opbrengsten en uitgaven van de B&B, en ook in die van de filmdagen in mei 2019 aan boord van de [schip gedaagde] , althans de vrouw te veroordelen tot het overleggen van alle jaarstukken van de B&B vanaf 2013 en het contract met de filmproducent, met daarin de (financiële) afspraken;

4. de vrouw te veroordelen de helft van de netto winst aan de man te betalen, nadat alle vaste lasten van de [schip gedaagde] en de kosten van [minderjarige] (dochter van partijen) zijn betaald;

5. althans een beslissing onder de punten 1,2, 3 en 4, zoals de rechtbank in goede justitie redelijk acht;

Kosten rechtens, in conventie en reconventie.

3.6.

De man heeft aan zijn vorderingen onder 2 tot en met 4 het volgende ten grondslag gelegd. De vrouw is verplicht aan de man een vergoeding te betalen voor het gebruik van zijn schip. De man heeft recht op inzage in de stukken en op de helft van de netto winst van de B&B, nadat daarvan de lasten van de [schip gedaagde] en kosten van de huishouding en de dochter van partijen zijn betaald, omdat de B&B wordt gerund op het schip van de man. De vrouw moet verder de vergoeding van de filmploeg die zonder toestemming van de man van zijn schip gebruik heeft gemaakt aan hem betalen omdat hij de eigenaar van het schip is.

3.7.

De vrouw concludeert tot afwijzing van de vorderingen. De man heeft niet aangegeven wat de juridische grondslag is van zijn vorderingen. De vrouw heeft wel degelijk een maandelijkse gebruiksvergoeding aan de man betaald. Er bestaat geen juridische grondslag op grond waarvan de vrouw meer aan de man zou moeten vergoeden, dan wel de man inzage zou moeten verlenen in de cijfers van haar eenmanszaak en/of de netto winst zou moeten delen met de man. Voor wat betreft de filmploeg betwist de vrouw dat de man tegen toelating van de filmploeg bezwaar heeft gemaakt.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie

De [schip gedaagde]

4.1.

De rechtbank zal de vorderingen van partijen in conventie en reconventie, voor zover deze de verrekening van de overwaarde van de [schip gedaagde] betreffen hieronder gezamenlijk bespreken nu deze zien op dezelfde juridische vraag.

4.2.

Partijen verschillen van mening over de vraag met welke sleutel de overwaarde van de inmiddels verkochte [schip gedaagde] dient te worden verrekend tussen partijen.

4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet vast komen te staan partijen tijdens de samenleving hebben gehandeld alsof de [schip gedaagde] een gemeenschappelijk goed was, dan wel dat partijen een stilzwijgende overeenkomst hebben gesloten op grond waarvan de overwaarde van de [schip gedaagde] bij helfte gedeeld zou worden.

4.4.

De stelling van de vrouw dienaangaande is door de man gemotiveerd weersproken. Zo heeft de man betwist dat alles van partijen altijd “op één hoop” belandde en dat partijen de door hen aangekochte schepen en ligplaatsen, en uiteindelijk de [schip gedaagde] op de ligplaats aan de [adres schip gedaagde] , altijd hebben behandeld alsof deze aan hen gezamenlijk in eigendom toebehoorden. Daarbij heeft de man, naar het oordeel van de rechtbank terecht, een beroep gedaan op de samenlevingsovereenkomst waarin partijen de mogelijkheid expliciet hebben uitgesloten dat de samenleving ertoe zou leiden dat de ene partij recht zou krijgen op goederen van de ander (artikel 1). In de overeenkomst is ook een regeling opgenomen voor gedane privé investeringen in de gemeenschappelijke goederen (artikel 2 en 4), waarmee nu juist zou worden voorkomen dat alles “op één hoop” zou belanden. De goederen die op dat moment privé waren zijn ook niet als gemeenschappelijk in de overeenkomst opgenomen. De stelling van de vrouw dat de privégoederen niet zouden zijn opgenomen omdat partijen van plan zouden zijn geweest om deze te verkopen en met de opbrengsten een gezamenlijk nieuw project (de [schip gedaagde] ) aan te gaan in de verhouding 50/50, verhoudt zich naar het oordeel van de rechtbank eenvoudigweg niet met het (tijdstip van het) aangaan van genoemde samenlevingsovereenkomst en de inhoud daarvan, omdat de privégoederen toen al door partijen waren aangeschaft. Als partijen de bedoeling hadden om de opbrengst van die goederen te besteden aan een gezamenlijk project, zonder vergoedingsrecht van de individuele investeringen, althans met de bedoeling om alles in het nieuwe project te investeren, dan hadden zij dit zo kunnen opnemen in de samenlevingsovereenkomst.

4.5.

De omstandigheid dat partijen na de verkoop van de ligplaats te [adres ligplaats gezamenlijk schip] en de [naam gezamenlijk schip] , de opbrengst niet onderling hebben verdeeld, na aftrek van de privéinvesteringen, zoals in de samenlevingsovereenkomst was opgenomen, kan (ook) niet leiden tot de vergaande conclusie van de vrouw dat partijen vanaf dat moment de uitgangspunten van de samenlevingsovereenkomst hebben verlaten. Partijen hebben, zo is onweersproken gesteld, ervoor gekozen een groot deel van de opbrengst te consumeren. Niet is vast komen te staan of en zo ja welk deel van de opbrengst is besteed aan de aankoop van de [schip gedaagde] . De [schip gedaagde] is tenslotte op naam van de man aangeschaft en alleen de man werd aansprakelijk voor de hypothecaire geldlening. Een en ander verhoudt zich niet met de stelling van de vrouw.

4.6.

Ook de stelling van de vrouw dat zij in het kader van de regeling huishoudelijke kosten heeft meebetaald aan rentebetalingen, mogelijk meer dan haar naar rato aandeel, maakt nog niet dat daarmee vast is komen te staan dat partijen een regeling van 50-50 voorstonden. Partijen zijn voor de kosten van de huishouding, waarvan rentelasten betreffende een echtelijke woning onderdeel plegen uit te maken, immers een regeling overeengekomen in de samenlevingsovereenkomst. En er is geen verrekenplicht in de overeenkomst opgenomen voor het geval de ene partij meer zou hebben betaald dan de ander. Zelfs ten aanzien van de hypotheeklasten zijn partijen overeengekomen dat er geen regresmogelijkheid bestaat. Ook staat vast dat er tijdens de samenleving niet is afgelost op de hypothecaire lening die was verbonden aan de [schip gedaagde] . De omstandigheid dat partijen een B&B hebben ingericht op de [schip gedaagde] en deze in eerste instantie gezamenlijk zijn gaan runnen en dat de inkomsten zijn besteed aan de vaste lasten van de [schip gedaagde] , kan evenmin tot de conclusie leiden dat partijen de bedoeling hadden de overwaarde van de [schip gedaagde] 50-50 te delen.

4.7.

De door de vrouw aangehaalde uitspraak ECLI:NL:GHAMS:2003:AR5527 kan de vrouw niet baten, omdat in de onderhavige zaak partijen, anders dan in genoemde uitspraak, nu juist wèl een samenlevingsovereenkomst hebben opgesteld waarin nota bene gezamenlijkheid en een 50/50 basis is uitgesloten terwijl anders dan in de genoemde uitspraak, uitdrukkelijk is betwist dat er aanzienlijke privé investeringen door de vrouw zijn gedaan in de [schip gedaagde] . Dat beide partijen grote investeringen zouden hebben gedaan staat in de onderhavige zaak niet vast. Bovendien gaat het in de onderhavige zaak om een registergoed waar partijen samenleefden en waarover zij een regeling hebben getroffen waar het ging om de woonlasten. In de aangehaalde uitspraak ging het om een woning in het buitenland waar partijen hun vakanties doorbrachten.

4.8.

Partijen zijn het in de onderhavige zaak al lange tijd, volgens de vrouw sinds 2004, oneens over de door partijen over en weer gestelde privé investeringen in de [schip gedaagde] , zodat ook om die reden moeilijk volgehouden kan worden dat partijen aldoor hebben gehandeld alsof de [schip gedaagde] gemeenschappelijk was dan wel dat partijen stilzwijgend zijn overeengekomen dat zij ieder voor de helft recht hadden op de overwaarde.

4.9.

In zoverre de vrouw heeft gesteld dat zij financieel en fysiek evenveel heeft bijgedragen als de man in de aankoop en de verbouwing van de [schip gedaagde] en dat zij om die reden op grond van de redelijkheid en billijkheid aanspraak kan maken op de helft van de overwaarde, overweegt de rechtbank als volgt.

4.10.

De stelling van de vrouw is door de man betwist. Hij heeft weersproken dat de vrouw aanzienlijke financiële investeringen en fysieke arbeid zou hebben geleverd. De man heeft daartegen het schip voor eigen rekening en risico afgebouwd. De ligplaats [adres schip gedaagde] die met de [schip gedaagde] is verkocht, stond ook op zijn naam en kende een aanzienlijke waarde, aldus de man. De man erkent echter wèl dat er aanleiding bestaat om op grond van de redelijkheid en billijkheid de overwaarde van de [schip gedaagde] te verrekenen met de vrouw omdat zij haar aandeel heeft gehad in de samenleving en haar steentje heeft bijgedragen in het project [schip gedaagde] . Zo heeft de vrouw zich onder meer enorm ingespannen om een verplaatsingsvergunning te verkrijgen van de [schip gedaagde] naar de [adres schip gedaagde] . De man heeft in de brief genoemd onder 2.16, ook verklaard dat de vrouw recht heeft op een aandeel van de overwaarde van de [schip gedaagde] . Bij gelegenheid van de comparitie heeft de man het aandeel in (de waarde van) de [schip gedaagde] waarop de vrouw recht kan doen gelden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gesteld op een bedrag van maximaal € 377.000.

4.11.

De rechtbank is van oordeel dat het gegeven de betwisting door de man op de weg van de vrouw ligt om haar stelling dat zij recht heeft op verrekening van een hoger bedrag dan de door de man gestelde € 377.000 nader te concretiseren en onderbouwen. De stelling van de vrouw dat er tijdens de samenleving van de en/of rekening bedragen zijn besteed aan de [schip gedaagde] , volstaat niet omdat een volledig overzicht van de bedragen waarmee deze rekening is gevoed en de verrichte uitgaven ontbreekt. De vrouw is er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd om concreet te maken waar haar investeringen in de [schip gedaagde] precies op zagen. Zij heeft daaromtrent te weinig gesteld, zodat de rechtbank ook niet toekomt aan een bewijsopdracht.

4.12.

Nu niet is komen vast te staan dat de vrouw méér heeft ingebracht aan financiële middelen en/of (fysieke) arbeid dan het bedrag waarvan de man stelt dat de vrouw daarop recht heeft, te weten het bedrag van € 377.000, zal de rechtbank de vordering in conventie van de vrouw en de vordering in reconventie van de man toewijzen tot het bedrag dat de man heeft erkend. De rechtbank zal de man veroordelen om dat bedrag aan de vrouw te voldoen, een en ander als na te melden.

4.13.

Nu de man zal worden veroordeeld tot betaling van het bedrag waarmee hij zelf akkoord gaat, ziet de rechtbank geen aanleiding om de uitvoer bij voorraadverklaring achterwege te laten.

4.14.

De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, omdat zij ex-partners zijn.

5 De beoordeling in reconventie

Gebruiksvergoeding/ vergoeding van kosten [schip gedaagde] /kosten van de huishouding

5.1.

Uit de standpunten van de man blijkt dat partijen het erover eens zijn dat de vrouw vanaf het vertrek van de man van de [schip gedaagde] , de vrouw een gebruiksvergoeding aan de man moest betalen. De vrouw heeft bij gelegenheid van de comparitie aangevoerd dat zij alle maanden een gebruiksvergoeding van € 600 per maand heeft voldaan. Nu de man dat niet heeft weersproken, zal de rechtbank de vordering in zoverre afwijzen.

5.2.

De vraag is of de vrouw verplicht is om aan de man te vergoeden meer dan de gebruiksvergoeding van € 600 per maand voor het gebruik van de [schip gedaagde] tot aan de verkoop en levering daarvan. Het gaat daarbij volgens het overzicht van de man om premies verzekeringspolissen, hypotheekrente, energiekosten, gemeentebelasting en internetkosten.

5.3.

De rechtbank zal de vordering afwijzen. Redengevend daartoe is het volgende.

5.4.

De man heeft de samenleefovereenkomst per 31 december 2013 opgezegd. Vanaf dat moment zijn partijen op de [schip gedaagde] blijven wonen, maar niet langer op basis van de afspraken in de samenlevingsovereenkomst. Vanaf dat moment was er naar het oordeel van de rechtbank ook geen sprake meer van een gemeenschappelijke huishouding waarin partijen verplicht waren bij te dragen. De man die zich aldoor op het standpunt heeft gesteld het alleen eigendom te hebben van de [schip gedaagde] , heeft ermee ingestemd dat de vrouw en de dochter van partijen op het schip bleven wonen en dat de vrouw de B&B bleef runnen. Als niet weersproken staat vast dat de vrouw de B&B sinds 2013 zelfstandig is gaan exploiteren. Zij heeft deze ook als eenmanszaak in de Kamer van Koophandel ingeschreven en de inkomsten zijn ook op haar privérekening bijgeschreven. Vaststaat ook dat de vrouw vanaf 2013 uit de inkomsten van de B&B de vaste lasten van de [schip gedaagde] , de kosten van de huishouding en kosten van de minderjarige dochter van partijen volledig is gaan voldoen. Kennelijk was dit de afspraak tussen partijen. Mogelijk heeft de man geprotesteerd tegen het feit dat de vrouw de B&B volledig ging runnen, maar hij heeft daartegen geen juridische stappen genomen.

5.5.

Rond het tijdstip van vertrek van de man van de [schip gedaagde] , veranderde de situatie. De vrouw is rond dat tijdstip een gebruiksvergoeding gaan betalen van € 600 per maand en is gestopt met het betalen van de vaste lasten van de [schip gedaagde] en de kosten van de huishouding. De vrouw heeft gesteld dat deze gebruiksvergoeding voldoende was om de vaste lasten van de [schip gedaagde] te betalen, hetgeen de man onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd op grond waarvan de vrouw naast deze gebruiksvergoeding, vanaf dat moment ook nog de andere vaste lasten van de [schip gedaagde] zou moeten betalen. De man heeft zich in de procedure telkens op het standpunt gesteld dat de eigendom van de [schip gedaagde] aan hem toekwam en dat het nimmer de bedoeling van partijen was om alles met elkaar te delen. Als eigenaar van de [schip gedaagde] komen de eigenaarslasten voor rekening van de man. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Verzochte inzage in opbrengsten en uitgaven B&B en delen van netto inkomen

5.6.

De man heeft aangevoerd dat hij het recht heeft om inzage te verkrijgen in de financiën van de B&B, omdat hij de B&B samen met de vrouw is gestart en de exploitatie plaatsvond op zijn schip. Partijen hebben alle vaste lasten van de [schip gedaagde] , de kosten van de huishouding, waaronder de kosten van de inmiddels meerderjarige dochter van partijen, sinds 2013 voldaan van de inkomsten uit de B&B. De vrouw heeft na haar faillissement zonder verder overleg met de man, de bedrijfsvoering van de B&B naar zich toegetrokken. Zij heeft de B&B als eenmanszaak ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en zij heeft alle netto inkomsten, na aftrek van de vaste lasten van de [schip gedaagde] en de kosten van de huishouding, voor zichzelf gehouden. De man acht het redelijk dat de B&B, indien er geld overblijft, na het betalen van genoemde lasten, het overgeblevene met de man wordt gedeeld. De man is immers eigenaar van het schip.

Bovendien heeft de vrouw zonder medeweten van de man en zonder zijn instemming, de boot beschikbaar gesteld voor filmopnamen, waar de vrouw ook inkomsten mee heeft vergaard. Ook deze inkomsten dient de vrouw met de man te delen, aldus de man.

5.7.

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken en daartoe het volgende aangevoerd. De man heeft geen grondslag aangevoerd voor zijn verzoeken. Het enkele feit dat de man eigenaar is van de [schip gedaagde] maakt nog niet dat hij recht heeft op inzage van de stukken van de B&B of recht zou hebben op een financiële vergoeding. De man runde zelf ook voor eigen verantwoordelijkheid een bedrijf op de [schip gedaagde] en de vrouw heeft geen vergoeding van de man ontvangen. Sinds 2013 leefden partijen samen zonder samenlevingsovereenkomst. De vrouw ziet niet in op welke grond zij de man verplicht zou zijn inzage te verlenen in de financiële cijfers van de B&B, dan wel dat zij aan de man nog enige betaling verschuldigd zou zijn, aldus de vrouw.

5.8.

De rechtbank ziet ook in het enkele feit dat de man juridisch eigenaar is geweest van de [schip gedaagde] geen genoegzame grondslag voor zijn vorderingen betreffende de inzage in de cijfers van de eenmanszaak en de gestelde verplichting van de vrouw om de netto inkomsten met de man te delen. Partijen waren niet gehuwd en de man had de samenlevingsovereenkomst opgezegd. Vanaf dat moment is er een nieuwe situatie ontstaan waarin de vrouw voor eigen rekening een eenmanszaak heeft gerund. Er bestaat sindsdien geen juridische grondslag meer op grond waarvan de vrouw verplicht zou zijn om die informatie en inkomsten met de man te delen. De man heeft ter zake althans onvoldoende gesteld.

Inkomsten filmdagen

5.9.

Voor wat betreft de inkomsten die de vrouw heeft gegenereerd door het toelaten van de filmploeg op de [schip gedaagde] geldt dat de man als onderbouwing voor zijn verzoek alleen heeft gesteld dat de vrouw zonder zijn toestemming zijn eigendom heeft geëxploiteerd. De vrouw heeft dat gemotiveerd betwist. Zij heeft onder verwijzing naar e-mailberichten aangevoerd dat de man wel degelijk op de hoogte was van de komst van de filmploeg en hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt. Partijen hebben volgens de vrouw er juist baat bij gehad omdat de filmploeg een filmpje van de boot heeft gemaakt dat vervolgens bij de verkoop van de boot is gebruikt.

5.10.

Partijen hebben tijdens de samenleving over en weer voordelen genoten van de [schip gedaagde] , en de vrouw heeft sinds 2013 alle vaste lasten daarvan voldaan. De man heeft niet gesteld op welke rechtsgrond hij thans aanspraak zou kunnen maken op – daarnaast – de vergoeding. Dat er sprake zou zijn van ongerechtvaardigde verrijking dan wel onrechtmatig handelen waardoor de man schade zou hebben geleden is gesteld noch gebleken. Dat de vrouw zonder toestemming van de man de [schip gedaagde] heeft geëxploiteerd door een filmploeg toe te laten, is, zonder nadere onderbouwing, niet vast komen te staan. De rechtbank zal de vordering van de man daarom afwijzen.

5.11.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

6 De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 377.000,00 (driehonderdzevenenzeventig duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van datum dagvaarding tot de dag van volledige betaling,

6.2.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.4.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

6.5.

wijst de vorderingen af,

6.6.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Troost en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2020.1

1 type: MdB coll: