Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4520

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-08-2020
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
13/728019-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Onderzoek Quebec. Deelname aan criminele organisatie, bezit harddrugs en witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/728019-17 (Promis)

Datum uitspraak: 31 augustus 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres]

.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak op grond van artikel 279 Wetboek van Strafvordering gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 23 juni 2020, 29 juni 2020,
30 juni 2020 en 2 juli 2020.

Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 31 augustus 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie,

mrs. S.W.M. van der Linde en M. al Mansouri, en van wat de raadsman van verdachte,

mr. L. de Leon, naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er – samengevat – van beschuldigd dat hij

  1. in de periode van 1 januari 2013 tot en met 6 november 2017 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van drugsdelicten, wapendelicten en witwassen (art. 11b van de Opiumwet en art. 140 van het Wetboek van Strafrecht);

  2. op of omstreeks 6 november 2017 samen met anderen geldbedragen, horloges en auto’s heeft witgewassen (art. 420bis, lid 1 aanhef onder a en b van het Wetboek van Strafrecht);

  3. op of omstreeks 6 november 2017 samen met anderen MDMA en cocaïne aanwezig heeft gehad (art. 2, onder C van de Opiumwet);

  4. op of omstreeks 6 november 2017 samen met anderen een boksbeugel, traangas en pepperspray voorhanden heeft gehad (art. 26 Wet wapens en munitie).

De volledige tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Inleiding

Op 10 november 2016 kwam [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) het politiebureau Meer en Vaart in Amsterdam binnen met de mededeling te vrezen voor zijn leven. Hij vertelde onder andere dat in zijn woning op het adres [adres medeverdachte 1] (hierna: het adres [adres medeverdachte 1] ) honderd kilo cocaïne, 600.000,- euro en een zak met vuurwapens liggen. Ook vertelde hij dat hij ongeveer drieënhalf jaar in de drugs zit en deel uitmaakt van een organisatie die bestaat uit “bazen” en “werkers”. Volgens [medeverdachte 1] is deze organisatie een geoliede machine en bestaat deze uit grote jongens. [medeverdachte 1] is zelf een “werker” die aflevert en in ontvangst neemt, waarbij het gaat om kilo’s in de week. [medeverdachte 1] vertelde dat de avond ervoor de hele club bij hem thuis kwam en dat dit nooit gebeurde. Ze hadden ook nieuw spul bij zich en hij vond dat het niet klopte. Hij is naar de politie gegaan, omdat hij dacht dat ze hem wilden ombrengen.

Hierop werd [medeverdachte 1] aangehouden en volgde een doorzoeking in zijn woning. Daarbij zijn onder andere grote geldbedragen en grote hoeveelheden harddrugs inbeslaggenomen. In de nacht van 10 op 11 november 2016 is een melding gedaan van een verdachte situatie in de woning van [medeverdachte 1] , waarschijnlijk naar aanleiding van een inbraak. Hierna vond een tweede doorzoeking plaats, waarbij in het toilet een verborgen ruimte is ontdekt die bij de eerste doorzoeking niet was opgemerkt. Vermoedelijk hebben twee inbrekers deze ruimte toen deels leeggehaald. Na beide doorzoekingen zijn in totaal onder andere grote hoeveelheden cocaïne en heroïne, ongeveer 800.000,- euro aan contant geld, een cocaïnepers, geldtelmachines, administratie, acht vuurwapens en ruim 800 stuks munitie inbeslaggenomen.

Dit heeft geleid tot het onderzoek 13Biscoe. Na zijn mededelingen bij de politie op 10 november 2016 heeft [medeverdachte 1] zich op zijn zwijgrecht beroepen. Wel heeft hij over een enkel onderwerp schriftelijk nog iets verklaard maar wilde hij geen zaaksinhoudelijke vragen meer beantwoorden. De rechtbank heeft [medeverdachte 1] voor deze zaak op 21 juni 2017 veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar. Dat vonnis is inmiddels onherroepelijk geworden.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten in de zaak 13Biscoe is onderzoek gedaan naar andere personen rondom [medeverdachte 1] , waarmee het onderzoek 13Quebec in deze zaak is begonnen. In dit onderzoek kwamen onder meer de zes medeverdachten in deze zaak naar voren, te weten [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ), [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ), [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] ) en [verdachte] (hierna: [verdachte] ). Zij zijn allen op 6 november 2017 aangehouden en op dezelfde dag hebben doorzoekingen in onder andere hun woningen plaatsgevonden.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie hebben zich aan de hand van hun schriftelijk requisitoir op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit hebben de officieren van justitie betoogd dat het procesdossier genoeg bewijsmateriaal bevat om wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte samen met alle medeverdachten heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Uit de in het requisitoir aangehaalde bewijsmiddelen zou moeten volgen dat niet alleen sprake is geweest van een situatie waarin een min of meer vaste groep van personen duurzaam en gestructureerd actief is geweest, maar ook dat het oogmerk van dit samenwerkingsverband gericht is geweest op het plegen van de in de tenlastelegging genoemde misdrijven. De duurzaamheid van de criminele organisatie, en daarmee ook de tenlastegelegde periode, kan worden afgeleid uit het tijdsverloop, waarbij de startverklaring van [medeverdachte 1] die eerder door de rechtbank als betrouwbaar is beoordeeld, als een eerste bewijsmiddel geldt. Dat sprake is van tijdsverloop wordt ondersteund door het aantreffen van drugsadministratie en het feit dat uit onderzoek is gebleken dat genoemde verdachten elkaar al langere tijd kennen. De duurzaamheid en de structuur van de organisatie blijken ook uit het feit dat de organisatie bleef doordraaien nadat twee prominente leden, [verdachte] en [medeverdachte 6] , na de aanhouding van [medeverdachte 1] voor de duur van bijna een jaar naar het buitenland waren vertrokken. De bestendigheid van de organisatie blijkt ook uit gesprekken in de encrypted BQ Aquarius telefoon die in de woning van [medeverdachte 5] is inbeslaggenomen. Onderling gebruikten deelnemers bijnamen voor elkaar en werd er versluierd gesproken als het om verdovende middelen ging. Na terugkomst in Nederland in oktober 2017 gingen de werkzaamheden van de organisatie op dezelfde voet verder, tot op de dag van de aanhoudingen op 6 november 2017. Uit de bewijsmiddelen blijkt ook de structuur van de organisatie, waarbij de verdachten ieder een duidelijke rol hadden.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 is betoogd dat bij de doorzoeking in de woning van [verdachte] op 6 november 2017 bijna een ton euro aan cash geld is aangetroffen, een groot gedeelte daarvan in een verborgen ruimte onder een traptrede. Daarnaast had verdachte bij zijn aanhouding een contant geldbedrag van € 1.200,- op zak. Ook zijn een gepantserde Mercedes, een Audi Q7 en dure horloges van de merken Rolex en Audemars Piquet inbeslaggenomen. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen. Ten aanzien van het witwassen kan niet worden vastgesteld wat het gronddelict zou zijn en daarom zijn deze voorwerpen afkomstig uit enig misdrijf.

In de woning van verdachte zijn nog een boksbeugel, een busje traangas en een busje pepperspray aangetroffen en verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben daarvan.

Tot slot blijkt ten aanzien van feit 4 dat [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] in de avond/nacht voorafgaand aan de aanhoudingen in de woning op het adres [adres 2] waren en dat daar gebruikershoeveelheden verdovende middelen zijn aangetroffen.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aan de hand van zijn pleitnotities bepleit verdachte vrij te spreken van de aan hem tenlastegelegde feiten.

De raadsman heeft verzocht de verklaring van [medeverdachte 1] uit te sluiten van het bewijs omdat deze niet op betrouwbaarheid kon worden getoetst en het inhoudelijk uitoefenen van het ondervragingsrecht feitelijk niet heeft kunnen plaatsvinden. Door het niet inhoudelijk kunnen horen van [medeverdachte 1] wordt een inbreuk gemaakt op het ondervragingsrecht zoals genoemd in het EVRM. De verklaringen van [medeverdachte 1] kunnen alleen worden gebruikt als de betrokkenheid van verdachte bij de tenlastegelegde feiten in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van de verklaring van [medeverdachte 1] die door verdachte worden betwist. Van beide is geen sprake.

Ter onderbouwing van de door hem bepleite vrijspraak heeft de raadsman het volgende aangevoerd.

Mocht al sprake zijn van een samenwerking tussen verdachten, dan bestaat die niet in relatie tot de op het adres [adres medeverdachte 1] aangetroffen stash en ook niet in relatie tot drugshandel op andere wijze met [medeverdachte 1] . Die gebeurtenissen illustreren dus niet het samenwerkingsverband dat het Openbaar Ministerie tracht aan te tonen.

Een eventueel samenwerkingsverband kan niet als duurzaam of als structureel worden aangemerkt. Er is geen vast patroon zichtbaar en ook geen vaste periode. Verdachte en de medeverdachten komen in geen enkel gronddelict respectievelijk afzonderlijk zaaksdossier samen voor. Niet is gebleken dat zij gezamenlijk (als kern) harddrugsfeiten plegen en wie in dat kader welke rol heeft.

Verder dient behoedzaam te worden omgegaan met het gebruik als bewijsmiddel van telefoontaps en OVC-gesprekken en dus ook met PGP-chatberichten. Bij de interpretatie van dit soort gesprekken dient te worden gekeken naar de inhoud van de (vertaalde) gesprekken zelf, de eventuele samenhang met andere gesprekken en het verband met andere bewijsmiddelen in het dossier.

Zelfs al zou sprake zijn van een samenwerking die duurzaam en gestructureerd is, dan is daarmee nog geen sprake van een criminele organisatie als het tenlastegelegde criminele oogmerk ontbreekt. Op geen enkele wijze is gebleken dat het vermeende samenwerkingsverband tussen verdachten het oogmerk had op de verwezenlijking van harddrugs gerelateerde misdrijven. Voor het tenlastegelegde oogmerk is geen bewijs. Er is geen concrete bijdrage van verdachte aan te wijzen aan verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Daarom dient verdachte van feit 1 te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde witwassen is aangevoerd dat verdachte vrijgesproken moet worden van alle onderdelen van dit feit. Het geld en de goederen hebben namelijk geen misdadige herkomst en er is geen sprake van verhullingshandelingen. De bewijslast ligt bij het Openbaar Ministerie en als niet kan worden uitgesloten aan de hand van het dossier dat sprake is van een legale herkomst van gelden, moet vrijspraak volgen. De conclusie van het Openbaar Ministerie dat gedane uitgaven niet verklaarbaar zijn, is te kort door de bocht.

Met betrekking tot de feiten 3 en 4 heeft de raadsman volstaan met de constatering dat de in die feiten genoemde verdovende middelen, boksbeugel, traangas en pepperspray zijn gevonden op de in de tenlastelegging genoemde adressen.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

3.4.1

De bruikbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 1]

De rechtbank acht de eerste verklaring (startverklaring) van [medeverdachte 1] geloofwaardig en betrouwbaar en zal deze onverkort gebruiken bij de beoordeling van het tenlastegelegde. Het verzoek van de raadsman om de verklaring van [medeverdachte 1] uit te sluiten van het bewijs wordt afgewezen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Er is weliswaar sprake van schending van het verdedigingsrecht van artikel 6, lid 3 EVRM omdat de verdediging in de gelegenheid is gesteld het ondervragingsrecht uit te oefenen, maar [medeverdachte 1] niet daadwerkelijk direct en adequaat heeft kunnen ondervragen aangezien hij zich op alle vragen heeft verschoond. Toch mag de eerste verklaring van [medeverdachte 1] bij het bewijs meegewogen worden, omdat de rechtbank met het Openbaar Ministerie van oordeel is dat voldoende steunbewijs aanwezig is in het dossier voor de verklaring van [medeverdachte 1] dat er een organisatie was die zich bezighield met drugshandel. Zoals ook blijkt uit het Vidgen-arrest, kan een getuigenverklaring ondanks schending van het ondervragingsrecht voor het bewijs gebezigd worden indien er steunbewijs aanwezig is.

[medeverdachte 1] heeft in zijn eerste verklaring bij de politie op 10 november 2016 verklaard dat hij deel uitmaakte van een geoliede machine, bestaande uit bazen en werkers. Hij heeft in die verklaring geen namen genoemd en in die zin de verdachten in deze zaak niet direct belast. De namen van de verdachten in de zaak 13Quebec zijn naar aanleiding van onderzoeksresultaten bekend geworden. Ter zitting van 22 juni 2020 heeft [medeverdachte 1] in zijn eigen zaak voor het eerst (schriftelijk) verklaard dat hij op het adres [adres medeverdachte 1] paste voor een groep Hindoestanen die de spullen daar zou hebben achtergelaten. Daarnaast heeft hij verklaard dat zijn medeverdachten niets te maken hebben met en ook niets wisten van de in zijn woning aangetroffen drugs, wapens of geld. Ter zitting heeft [medeverdachte 1] zijn verklaring verder niet willen toelichten of onderbouwen. Zijn ter zitting afgelegde verklaring is op schrift ter zitting overgelegd. Die verklaring is vervolgens in de dossiers van de medeverdachten gevoegd.

De rechtbank acht deze op de zitting afgelegde verklaring, waarin [medeverdachte 1] de medeverdachten kennelijk ‘uit de wind wil houden’, niet betrouwbaar gezien de inhoud van de bewijsmiddelen die in dit vonnis per feit nader zullen worden besproken.

De rechtbank is in het vonnis van 21 juni 2017 al uitgegaan van de juistheid van de eerste verklaring van [medeverdachte 1] . Sinds die tijd heeft [medeverdachte 1] weliswaar nuances aangebracht in zijn eerdere verklaring, waartoe hij kennelijk redenen had, maar dat laat onverlet dat zijn eerste verklaring wordt ondersteund door de onderzoeksresultaten in de zaak 13Quebec. [medeverdachte 1] heeft met die eerste verklaring, waarin hij geen enkele naam heeft genoemd en niemand direct heeft belast, de politie op een spoor gezet en de politie is met een zelfstandig onderzoek op de medeverdachten in deze zaak gekomen. Dat maakt dat de rechtbank de eerste verklaring van [medeverdachte 1] geloofwaardig en betrouwbaar vindt en deze onverkort gebruikt voor het bewijs.

Dat [medeverdachte 1] ten tijde van zijn eerste verklaring ‘onder invloed van middelen en paranoïde’ zou zijn, zoals door de raadsman is betoogd, maakt dit niet anders. Ten eerste is dit niet komen vast te staan. En zou hiervan sprake zijn geweest dan wil dat nog niet zeggen dat de verklaring in zijn algemeenheid ongeloofwaardig of onbetrouwbaar is en doet dat ook niet af aan de verdere onderzoeksbevindingen.

3.4.2

De interpretatie van OVC- en tapgesprekken

De rechtbank is met de raadsman en de officieren van justitie van oordeel dat behoedzaam omgegaan dient te worden met de interpretatie van OVC- en tapgesprekken. Het Gerechtshof Amsterdam heeft in het Alpamayo-arrest (ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ0303) over de interpretatie van OVC- en tapgesprekken het volgende overwogen:

“Wanneer het ten aanzien van de betekenis van het gesproken (en afgeluisterde) woord in overwegende mate aankomt op de uitleg en interpretatie daarvan is het risico op een verkeerd begrip daarvan aanwezig. Die door het hof te betrachten behoedzaamheid brengt mee dat aan afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken, gedragingen en gebeurtenissen de door de advocaat-generaal voorgestelde duiding slechts dán kan worden gegeven wanneer de inhoud en het onderling verband daarvan en het verband met andere te bezigen bewijsmiddelen daartoe voldoende basis bieden. Meer in het bijzonder zal het hof hebben na te gaan of de voor het bewijs te bezigen verslagen van die telefoongesprekken, bezien naar hun inhoud, de chronologie en de kring van deelnemers aan die gesprekken in een met het [bijnaam 3 medeverdachte 2] op de bewijslevering betekenisvolle samenhang kunnen worden geplaatst. Bij dat onderzoek kan betekenis worden toegekend aan hetgeen overigens ten aanzien van één of meer van die deelnemers is gebleken, meer in het bijzonder over diens betrokkenheid op de één of andere wijze bij de stof die in de beschuldiging centraal staat, te weten cocaïne. Voorts kan het hof onder omstandigheden en in het licht van overig voorhanden bewijs ten bezware van de verdachte conclusies trekken uit zijn zwijgen of niet-verifieerbaar verklaren naar aanleiding van aan hem gestelde vragen over de inhoud van door hem gevoerde telefoongesprekken.

Het hof voegt hieraan nog toe dat het resultaat van deze in zoverre terughoudende wijze van beoordelen kan zijn, dat niet valt te reconstrueren wat het feitelijke substraat van de voor het bewijs te bezigen telefoongesprekken is geweest. Daarbij valt te denken aan een niet uit de gesprekken af te leiden rolverdeling of nauwkeurige omlijning van de bijdrage van elk van de betrokkenen. Onder omstandigheden hoeven deze situaties niet in de weg te staan aan een bewezenverklaring, namelijk indien uit de inhoud van de gesprekken voldoende blijkt van een betekenisvolle bijdrage van de verdachte ten laste van wie de bewezenverklaring wordt uitgesproken.”

De rechtbank is in het licht van voorgaande overweging van oordeel dat ook in dit geval de nodige behoedzaamheid in acht moet worden genomen. In afwijking van de casus in het voorgaande aangehaalde arrest, waar het bewijs enkel uit versluierde gesprekken bestond, zijn de afgeluisterde en opgenomen gesprekken in dit dossier deels versluierd, maar deels ook openlijk gevoerd. Op zich kunnen deze gesprekken niet als voldoende redengevend worden beschouwd, maar het dossier bevat daarnaast ook ander bewijs. In onderling verband daarmee bezien en in chronologie beschouwd, kunnen die gesprekken niet anders begrepen worden dan zoals zij in het dossier zijn geïnterpreteerd. De omstandigheid dat verdachte op vragen over die gesprekken geen opheldering heeft gegeven, draagt daar ook aan bij.

3.4.3

Deelname aan criminele organisatie (feit 1)

De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn vervat, waaronder de bewijsmiddelen die zijn gebruikt voor de overige bewezenverklaarde feiten, en gelet op wat hierna wordt overwogen, van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode samen met in ieder geval [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van drugsdelicten en witwassen.

3.4.3.1 Juridisch kader deelname aan criminele organisatie

Volgens vaste jurisprudentie wordt onder een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) respectievelijk (het huidige) artikel 11b Opiumwet verstaan een samenwerkingsverband van ten minste twee personen met een zekere duurzaamheid en structuur. Voor deelneming aan een dergelijke organisatie is in het algemeen vereist dat de verdachte tot deze organisatie behoort en dat de verdachte een aandeel heeft in, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon, om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Evenmin is vereist dat de verdachte wetenschap heeft van een of meer concrete misdrijven.

3.4.3.2 Duurzaamheid en structuur

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komt een beeld naar voren van een gestructureerd samenwerkingsverband van in ieder geval zeven personen dat zich gedurende geruime tijd heeft beziggehouden met verschillende vormen van criminaliteit. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Bij de doorzoekingen op 10 en 11 november 2016 in de woning van [medeverdachte 1] aan het adres [adres medeverdachte 1] werden onder andere grote hoeveelheden cocaïne en heroïne, wapens en munitie en grote geldbedragen, deels in een verborgen ruimte, aangetroffen en inbeslaggenomen. Daarnaast is administratie aangetroffen die in het onderzoek gerelateerd wordt aan de handel in verdovende middelen. Een opvallend voorbeeld hiervan is dat in de administratie de aanduiding ‘F12’ staat en dat op bepaalde in de woning aangetroffen drugs de stempel ‘F12’ zit. Ook zijn geldtelmachines en een cocaïnepers aangetroffen en inbeslaggenomen.

Bij de eerste doorzoeking op het adres [adres medeverdachte 1] op 10 november 2016 werden een Nederlandse identiteitskaart en een Nederlands rijbewijs aangetroffen van [medeverdachte 3] . Op dit adres zijn ook sporen aangetroffen.

Op een 500,- euro biljet zat een spoor van een handpalm van [medeverdachte 3] . Ook is een vingerafdruk van [medeverdachte 3] aangetroffen op een zwarte plastic tas in deze woning waar cocaïne in zat. DNA van [medeverdachte 3] zat op zes handvatten van tassen met verdovende middelen, elastiekjes waarmee bankbiljetten waren verbonden, de drinkrand van een pakje melk en een sigarettenpeuk.

Op transparante plastic verpakking van geld is een vingerafdruk van [medeverdachte 2] gevonden. Ook is zijn DNA aangetroffen op de drinkrand van een flesje frisdrank en een peuk van een sigaret.

Een bloedspoor van [medeverdachte 6] zat aan de buitenzijde van een Albert Heijn tas waarin wapens werden aangetroffen en zijn DNA zat op een sigarettenpeuk.

Ook van [verdachte] is DNA aangetroffen, te weten op een sigarettenpeuk.

In de administratie die in de woning van [medeverdachte 1] is aangetroffen, zijn dactyloscopische sporen gevonden van onder anderen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en [verdachte] .

In de mobiele telefoon Samsung SM-G361H met het telefoonnummer + [nummer 1] , afkomstig uit de fouillering van [medeverdachte 1] , bleken data (e-mailberichten) te zitten die horen bij [medeverdachte 3] . In deze telefoon zaten onder andere de volgende contacten: [bijnaam 1 medeverdachte 2] : + [nummer 2] , [bijnaam medeverdachte 4] : + [nummer 3] , [bijnaam medeverdachte 3] : + [nummer 4] , [bijnaam vriendin] : + [nummer 5] en S: + [nummer 6] . Deze (bij)namen zijn in het onderzoek toegeschreven aan respectievelijk [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [naam vriendin] (hierna: [naam vriendin] ), vriendin van [verdachte] . De nummers van [bijnaam 1 medeverdachte 2] , [bijnaam medeverdachte 4] , [bijnaam medeverdachte 3] en [bijnaam vriendin] kwamen ook voor in de onder [medeverdachte 1] inbeslaggenomen LG telefoon.

Uit de historische telecomgegevens van het telefoonnummer + [nummer 1] , in gebruik bij [medeverdachte 1] , is gebleken dat hij in de periode van 3 tot en met 10 november 2016 contact heeft gehad met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [naam vriendin] .

Uit de historische telefoongegevens van telefoonnummers in de bij de eerste doorzoeking inbeslaggenomen LG en de bovengenoemde Samsung telefoons kwam als gemeenschappelijk contact het nummer + [nummer 13] naar voren. Dit nummer, dat op naam stond van [medeverdachte 6] , was ook een contact van nummer + [nummer 14] van vermoedelijk [medeverdachte 1] . De gebruiker van nummer + [nummer 13] wordt als overkoepelend contact gezien in het onderzoek 13Quebec.

In de woning van [medeverdachte 1] is tevens een Turks bankboekje aangetroffen waaruit blijkt dat [medeverdachte 6] op 30 juli 2015 voor 1.350,- euro aan Turkse lira op de rekening van [medeverdachte 1] heeft gestort.

Op de camerabeelden van de [adres medeverdachte 1] is gezien dat op 6 november 2016 een man die is herkend als [medeverdachte 6] rond 20:45 uur de flat binnenliep. Rond 20:55 uur kwam een man die is herkend als [verdachte] het gebouw binnen en stapte uit de lift op de eerste verdieping. Rond 23:45 uur verlieten zij de flat samen met een man die is herkend als [medeverdachte 2] .

Op 8 november 2016 zijn op de camerabeelden drie mannen gezien die zijn herkend als [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] en [verdachte] . Gezien is dat rond 22:00 uur [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] en [verdachte] de toegangshal van de flat binnenliepen en dat rond 23:00 uur [verdachte] , [medeverdachte 6] en een onbekende man de centrale hal weer uitliepen. Op de camerabeelden van 9 november 2016 zijn twee mannen gezien die zijn herkend als [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Deze mannen zijn met boodschappentassen van de Lidl en Albert Heijn en een rolkoffer rond 20:30 uur in de lift gestapt en na het uitstappen in de richting van de woning van [medeverdachte 1] gelopen. Deze tassen leken op de tassen in de woning van [medeverdachte 1] waar de verdovende middelen de volgende dag in zijn aangetroffen.

Op 10 november 2016 is gezien dat de man die is herkend als [medeverdachte 3] rond 9:45 uur met een fiets en een grote zwarte tas op de eerste verdieping, waar perceel [huisnummer] is, in de lift is gestapt, op de begane grond is uitgestapt en het gebouw heeft verlaten. Later op de dag, rond 16:50 uur, is een man die is herkend als [medeverdachte 2] in de richting van de woning van [medeverdachte 1] gelopen.

[verdachte] en [medeverdachte 6] hebben op 10 november 2016, vlak na de inval in de [adres medeverdachte 1] , Nederland verlaten en hebben tot oktober 2017 in Turkije en de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) verbleven. Zij hebben daar heel veel geld uitgegeven, zoals ook blijkt uit een tapgesprek tussen [verdachte] en [naam vriendin] waarbij laatstgenoemde klaagt over [verdachte] uitgavenpatroon. Opvallend is dat [verdachte] en [medeverdachte 6] ook in de periode dat zij in het buitenland verbleven salaris hebben ontvangen van [naam B.V. 1] en [naam B.V. 2] . Ook [medeverdachte 2] stond op de loonlijst van deze bedrijven. Ook is opvallend dat zowel [verdachte] als [medeverdachte 2] op 22 januari 2017 beiden naar de VAE zijn gereisd. Op 5 april 2017 is [medeverdachte 2] vanuit Marokko naar Nederland gekomen, waarna [medeverdachte 3] op 7 april 2017 naar Marokko is vertrokken. Uit observaties is gebleken dat [medeverdachte 3] zich tot die tijd vanaf de inval in de [adres medeverdachte 1] heeft schuilgehouden. Hij heeft op 15 november 2016 zijn auto, een Peugeot Partner, van de hand gedaan.

Uit observaties is verder gebleken dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] in de periode van 11 april 2017 tot en met 6 juli 2017 meermalen samen zijn gezien, onder andere in de Kia Rio, in gebruik bij [medeverdachte 2] en onder hem in beslag genomen, met kenteken [nummer 15] en in de kaaswinkel ‘ [naam kaaswinkel] ’. Deze winkel was van [medeverdachte 4] en [naam ex-vriendin] (hierna: [naam ex-vriendin] ), de ex-vriendin van [verdachte] . Op laatstgenoemde datum hadden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] een ontmoeting met een onbekende man.

Binnen het onderzoek 13Quebec zijn diverse taplijnen aangesloten en uitgeluisterd. Ook zijn de gesprekken in de al genoemde Kia Rio gedurende een periode opgenomen en uitgeluisterd. Daarbij gaat het om de volgende gebruikers – met hun uit het onderzoek gebleken bijnamen – en telefoonnummers:

[verdachte] , bijnamen [bijnaam 1 van verdachte] en [bijnaam 2 van verdachte] , + [nummer 7] , + [nummer 8] , + [nummer 9] , + [nummer 10] , + [nummer 11] en + [nummer 12] ; [naam vriendin] , bijnaam [bijnaam vriendin] , + [nummer 5] ; [medeverdachte 2] , bijnamen [bijnaam 2 medeverdachte 2] , [bijnaam 3 medeverdachte 2] , [bijnaam 1 medeverdachte 2] en [bijnaam 4 medeverdachte 2] , + [nummer 16] , + [nummer 2] en + [nummer 17] ; [medeverdachte 3] , bijnaam [bijnaam medeverdachte 3] , [nummer 30] ; [medeverdachte 4] , bijnamen [bijnaam 2 medeverdachte 4] en [bijnaam medeverdachte 4] , + [nummer 18] , + [nummer 3] , + [nummer 19] en + [nummer 20] en [medeverdachte 5] , + [nummer 21] .

Uit de opgenomen communicatie in de periode van 28 maart 2017 tot en met 21 oktober 2017 blijkt onder andere dat [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] de beschikking hadden over een encrypted telefoon, dat regelmatig gebruik werd gemaakt van encrypted mails, dat [medeverdachte 5] telefonisch contact heeft gehad met [verdachte] in Turkije, dat [verdachte] en [naam vriendin] spraken over [bijnaam 2 medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ) en [bijnaam 2 medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ) en dat [bijnaam 2 medeverdachte 4] en [bijnaam 2 medeverdachte 2] kennelijk contact hadden met [verdachte] , dat er regelmatig contact was tussen [verdachte] en [medeverdachte 4] , dat [medeverdachte 5] een auto van [medeverdachte 4] op zijn naam heeft gehad en dat vaak versluierd werd gesproken over de handel in drugs/blokken cocaïne en over prijzen.

Uit tapgesprekken van telefoonnummer + [nummer 13] van [naam echtgenoot] , echtgenote van [medeverdachte 6] , is naar voren gekomen dat haar man de gebruiker is van de telefoonnummers + [nummer 22] , met de landcode van de Verenigde Arabische Emiraten, en + [nummer 23] , met de landcode van Turkije. Aan [medeverdachte 6] wordt de bijnaam [bijnaam medeverdachte 6] gekoppeld. Bij de aanhouding van [medeverdachte 6] is bij hem een telefoon met nummer + [nummer 24] inbeslaggenomen.

Blijkens OVC- en tapgesprekken hebben de verdachten ook na de doorzoekingen op het adres [adres medeverdachte 1] contact met elkaar gehouden en zijn gesprekken gevoerd over de handel in drugs en over het gebruik van encrypted telefoons. [medeverdachte 4] lijkt daarbij [medeverdachte 2] aan te sturen en hem aanwijzingen te geven om Sky telefoons te halen. [medeverdachte 4] lijkt ook [medeverdachte 5] aan te sturen en gebruik te maken van zijn hulp, zo blijkt uit de gesprekken. Daar blijkt ook uit dat bepaalde zaken met ‘ [bijnaam medeverdachte 6] ’ moeten worden afgestemd. [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] hebben het in de gesprekken over prijzen, kwaliteit en hoeveelheden, waarbij het aannemelijk is dat deze gesprekken over drugs gaan. [medeverdachte 2] was blijkens een OVC-gesprek op de hoogte van de verblijfplaatsen van [medeverdachte 6] en [verdachte] nadat zij Nederland hadden verlaten.

Op 6 november 2017 is het portiek van de [adres 2] , waar [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] volgens tapgesprekken en peilgegevens op wisselende momenten regelmatig waren, geobserveerd tussen 4:00 uur en 5:45 uur. Omstreeks 4:05 uur stonden in de nabijheid van dat portiek onder andere een Mercedes met kenteken [nummer 26] en een Mercedes met kenteken [nummer 25] , die later onder respectievelijk [medeverdachte 6] en [verdachte] zijn inbeslaggenomen. Ongeveer een kwartier later stapten vijf personen, mannen en vrouwen, uit het portiek. [medeverdachte 6] stapte in zijn Mercedes. Ongeveer tien minuten later ging [verdachte] met een sleutel de woning aan de [adres 3] binnen en ongeveer vijf minuten daarna werd gezien dat de Mercedes van [medeverdachte 6] leeg geparkeerd stond voor zijn woning aan de [adres 4] . Ongeveer een half uur later, rond 5:15 uur, zijn leden van het Arrestatie Team deze woningen binnengevallen. Ook zijn er invallen gedaan in de woningen van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] . Alle zes verdachten zijn aangehouden en hun woningen zijn doorzocht. Ook heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning aan de [adres 2] . De auto’s van de verdachten zijn eveneens doorzocht.

In de woningen van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [verdachte] en [medeverdachte 6] zijn (hard)drugs gevonden en inbeslaggenomen. In de auto van [medeverdachte 6] is ook heroïne gevonden. In de woning aan de [adres 2] zijn eveneens verschillende soorten drugs aangetroffen. Ook zijn onder de verdachten luxe horloges en auto’s inbeslaggenomen. Daarnaast zijn in de woningen van [verdachte] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] grote geldbedragen gevonden. In de woningen van [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 5] zijn verborgen ruimtes gevonden. In de ruimtes van [verdachte] en [medeverdachte 5] zat geld. [medeverdachte 5] had ook een geldtelmachine.

In de woningen van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] zijn dezelfde soort foto’s gevonden waar de verdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 6] in verschillende samenstellingen maar ook allemaal samen op staan.

In de woningen van de verdachten zijn ook encrypted telefoons gevonden, waarbij die van [medeverdachte 5] , een BQ Aquarius, digitaal kon worden onderzocht. Uit dat onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 5] de gebruiker van deze telefoon was. Het laatste bericht in deze telefoon was van
5 op 6 november 2017, kort voor de aanhoudingen van de verdachten.

Uit de e-mailberichten is op te maken dat werd gewerkt met tokens, die hoofdzakelijk zijn opgedeeld in twee letters gevolgd door tien cijfers en veelvoudig gebruikt worden in het ondergronds bankieren. Dergelijke tokens zijn zowel in de encrypted BQ Aquarius telefoon als in de papieren administratie van [medeverdachte 5] aangetroffen. Uit de BQ Aquarius in samenhang met de papieren administratie blijkt van uitgaande contanten van € 1.275.010,00 en van inkomende contanten van € 100.000,00. Ook komen bedragen, getallen en (bij)namen overeen met de aantekeningen die in de woning van [medeverdachte 5] zijn gevonden. Daarnaast staat daarin meermalen het woord ‘balance’. Verder blijken bepaalde gebeurtenissen overeen te komen met de aantekeningen zoals aangetroffen bij [medeverdachte 5] .

In de BQ Aquarius staan onder andere de contacten: [bijnaam 4 medeverdachte 2] , [bijnaam 1 van verdachte] , [naam 1] , [bijnaam medeverdachte 6] 1, [bijnaam medeverdachte 6] 2, [naam 2] en [naam 3] . [bijnaam 4 medeverdachte 2] is een bijnaam van [medeverdachte 2] , [bijnaam 1 van verdachte] is een bijnaam van [verdachte] en [bijnaam medeverdachte 6] is een bijnaam van [medeverdachte 6] . De namen [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] komen ook voor in de administratie die in de [adres medeverdachte 1] is aangetroffen. Met deze telefoon zijn onder anderen met [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] en [verdachte] chat- en/of email-gesprekken gevoerd.

In een e-mailwisseling tussen [medeverdachte 5] en [bijnaam medeverdachte 6] zegt [medeverdachte 5] dat [bijnaam medeverdachte 6] te veel PGP-toestellen heeft. Bij [medeverdachte 6] zijn meerdere BlackBerry telefoons inbeslaggenomen.

Met [verdachte] zijn berichten gewisseld tussen 27 oktober 2017 en 5 november 2017. Er is onder andere gesproken over een systeem opzetten in België of Duitsland om blokken te sturen naar Australië. In het vervolg wordt gesproken over hoe ze dat het beste kunnen doen, over persen en het met een sticker beplakken, zodat ze gelijk aan de tegel zijn en over hoeveel het zou gaan kosten. [verdachte] geeft aan dat hij toevallig 'bruin' van hen in handen heeft gehad en dat het net een iPad was. [medeverdachte 5] geeft aan dat de afmetingen en 'alles' gelijk moeten zijn, want als het door de scan gaat, mag het niet afwijken en dat ze het moeten testen per vliegtuig. [verdachte] zegt: "Ik zet bedrijf op naam van inbreker. Die in me huis had ingebroken." Ook is gesproken over het verzamelen van informatie door [medeverdachte 5] voor [verdachte] omdat [verdachte] daar slecht in zou zijn. In een van de berichten tussen [medeverdachte 5] en [verdachte] is gesproken over een fruitbedrijf met ‘ [naam 4] ’ en er zijn zoekslagen over het verschepen van containers fruit. Daarmee lijkt [medeverdachte 5] de informatiepositie van de organisatie te onderhouden en informatie te verschaffen. Daarnaast is in een bericht door [verdachte] gezegd dat ‘ [bijnaam vriendin] ’ misschien naar een feest komt.

Uit de berichten tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] , gewisseld tussen 29 oktober 2017 en 5 november 2017, blijkt dat [medeverdachte 2] toen contact had met zowel [verdachte] als [medeverdachte 4] .

In de woningen van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [verdachte] zijn ten slotte schriften en aantekeningen aangetroffen die overeenkomsten vertonen met de administratie die is gevonden in de [adres medeverdachte 1] . De overeenkomsten zien onder meer op de vermelde bijnamen, zoals ‘ [bijnaam 1 van verdachte] ’, ‘ [bijnaam medeverdachte 6] ’, ‘ [bijnaam 4 medeverdachte 2] ’ en ‘ [bijnaam 2 medeverdachte 4] ’, versluierde tekst, balansen, gelijksoortige registraties van hoeveelheden en bedragen en het gebruik van de letter ‘K’ voor 1000. De aantekeningen van [medeverdachte 5] stonden onder andere in een schrift van zijn werkgever [werkgever] en kwamen, volgens verklaringen van getuigen, niet overeen met de werkwijze van dat bedrijf. In deze aantekeningen stonden ook data vermeld uit 2017 van de maanden mei tot en met september. Deze administratie lijkt die van de [adres medeverdachte 1] , schriften met daarop ‘Seizoen 16/17’, op te volgen. In de administratie van [medeverdachte 5] worden specifieke bedragen genoemd die herleid kunnen worden naar de tokens in de onder hem inbeslaggenomen BQ Aquarius telefoon. Daar blijkt ook uit dat balansen werden gestuurd naar [medeverdachte 6] en [verdachte] . Daaruit volgt dat de organisatie toen nog steeds onder hun supervisie fungeerde. Uit deze administraties is af te leiden dat de aantekeningen betrekking hebben op kilo’s en drugs en dat deze gaan over de handel in verdovende middelen. Uit de administratie in de [adres medeverdachte 1] is naar voren gekomen dat de prijs die voor een blok cocaïne werd gerekend meestal tussen de
€ 23.000,- en € 24.000,- lag.

Uit het voorgaande kan geconcludeerd worden dat er een samenwerkingsverband was tussen de verdachten. Wat betreft de duur van het samenwerkingsverband volgt de rechtbank de verklaring van [medeverdachte 1] van 10 november 2016 dat de organisatie gedurende ongeveer drieënhalf jaar bezig was. Tussen januari 2013 en september 2016 hebben bovendien zes transacties plaatsgevonden tussen de bankrekeningen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , wat een aanwijzing is dat de organisatie in januari 2013 al actief was. Daar komt bij dat [verdachte] tussen maart 2014 en april 2016 grote contante stortingen heeft gedaan op de bankrekening van zijn toenmalige eenmanszaak [naam 5] , waarbij opvalt dat de stortingen met grote coupures zijn gedaan. Bij twee stortingen zijn bijna alleen biljetten van 500,- euro gebruikt.

Na de inval in de [adres medeverdachte 1] is de organisatie doorgegaan, waarbij [verdachte] en [medeverdachte 6] op afstand hebben meegedaan. Toen alle verdachten (weer) in Nederland waren, heeft de organisatie haar werkzaamheden voortgezet tot en met de aanhoudingen van de verdachten op 6 november 2017. De tenlastegelegde periode kan gelet hierop bewezen worden.

Dat de organisatie gestructureerd was, blijkt naast de duur van het samenwerkingsverband uit het feit dat er een hiërarchie waar te nemen was met een bepaalde samenwerking en rolverdeling, dat onderling gecommuniceerd werd via versleuteld berichtenverkeer en versluierd taalgebruik, dat bij een aantal verdachten encrypted telefoons zijn aangetroffen en dat uit het berichtenverkeer van een van de encrypted telefoons blijkt dat over schijnbaar criminele zaken werd gecommuniceerd.

3.4.3.3 Oogmerk

De rechtbank acht niet bewezen dat de organisatie als oogmerk het plegen van wapendelicten had, aangezien dat onvoldoende is komen vast te staan, nog daargelaten waar die wapenactiviteiten dan op gericht zouden zijn. Uit OVC- en tapgesprekken, noch uit observaties of ander bewijs is gebleken dat de organisatie zich met (vuur)wapengerelateerde delicten bezighield. Het aantreffen van vuurwapens en munitie op het adres [adres medeverdachte 1] maakt nog niet dat deze door de organisatie werden gebruikt bij haar activiteiten als zodanig. Daarvan is niet gebleken. Daarom wordt verdachte van dit onderdeel vrijgesproken.

Wel acht de rechtbank, gelet op bovenstaande overwegingen, de hierna volgende overwegingen ten aanzien van het witwassen en de daarbij behorende bewijsmiddelen, en gelet op de in de woningen van verdachten aangetroffen drugs, geldbedragen en goederen, bewezen dat het oogmerk van de criminele organisatie gericht was op het plegen van drugsdelicten en witwassen.

De rechtbank acht niet bewezen dat het oogmerk van de organisatie gericht was op gewoontewitwassen. De aard en omvang (duur) van de witwashandelingen zijn immers niet zodanig dat gesproken kan worden van gewoontewitwassen. De rechtbank zal verdachte hiervan vrijspreken.

3.4.3.4 Deelneming/rol van verdachte

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte gedurende de gehele tenlastegelegde periode betrokken was bij de activiteiten van de organisatie als een van de bazen. Verdachte had, samen met [medeverdachte 6] , een coördinerende rol en hiërarchisch hogere positie en vervulde daarmee een belangrijke rol binnen de organisatie.

3.4.4

Witwassen van geldbedragen, horloges en auto’s (feit 2) en voorhanden hebben van busje traangas (feit 4) op het adres [adres 3]

De rechtbank is op grond van de wettige bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte de in zijn woning aangetroffen horloges van de merken Rolex en Audemars Piquet en de auto’s van de merken Mercedes en Audi Q7 heeft witgewassen en dat hij de onder hem inbeslaggenomen geldbedragen samen met de medeverdachten heeft witgewassen (feit 2).

Ook volgt een bewezenverklaring voor het samen met een ander voorhanden hebben van een busje traangas (feit 4). Dit geldt niet voor de boksbeugel en het busje pepperspray, van welke onderdelen verdachte wordt vrijgesproken.

3.4.4.1 Medeplegen

Ten aanzien van de geldbedragen en verdovende middelen die op de adressen van de verdachten zijn aangetroffen en die op de individuele tenlasteleggingen van de verdachten staan, gaat de rechtbank ervan uit dat sprake is van medeplegen van het bezit van die verdovende middelen, dan wel het witwassen van die geldbedragen, voor zover deze feiten bewezen kunnen worden verklaard en voor zover de hoeveelheden daarvan passen binnen de activiteiten van een criminele organisatie zoals deze. Nergens is gebleken dat de verdachten los van de organisatie ook eigen activiteiten verrichtten waaruit het bezit van die verdovende middelen en geldbedragen verklaard kan worden. Het is eerder aannemelijk dat het geld en de drugs van de organisatie door de leden van de organisatie, die handelden in gezamenlijke verantwoordelijkheid, op verschillende locaties, in hun woningen, werden bewaard. Daarmee kan vastgesteld worden dat verdachte de strafbare feiten met betrekking tot de geldbedragen in zijn woning en de drugs en het geld die op de adressen van de medeverdachten zijn gevonden, heeft medegepleegd. Dit geldt niet voor de verdovende middelen die bij [medeverdachte 3] zijn aangetroffen, aangezien het daar ging om een gebruikershoeveelheid. Evenmin geldt dit voor de ketamine die bij [medeverdachte 4] is aangetroffen, omdat dit niet past binnen de activiteiten van de organisatie.

3.4.4.2 Witwassen van geldbedragen, horloges en auto’s [adres 3]

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot artikel 420bis Sr (HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, bevestigd in HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1137) volgt de volgende maatstaf:

Witwassen kan bewezen worden verklaard wanneer ofwel op grond van de beschikbare bewijsmiddelen een rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf waaruit de betreffende voorwerpen afkomstig zijn ofwel, indien dit verband niet kan worden gelegd, dat het op grond van vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn.

In het laatste geval dient, om te kunnen concluderen dat het niet anders kan zijn dan dat voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn, allereerst op grond van de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een ernstig vermoeden van witwassen te worden aangenomen. Indien dit ernstig vermoeden wordt aangenomen, mag van een verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de/het betreffende voorwerp(en). Die verklaring moet vervolgens concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk zijn aan te merken.

De rechtbank heeft hiervoor ten aanzien van feit 1 bewezenverklaard dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie welke zich richtte op het plegen van (hard)drugsdelicten en witwassen. De rechtbank acht gelet daarop en op grond van de beschikbare bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de in de woning van verdachte aangetroffen geldbedragen en dure horloges en de onder hem in beslag genomen auto’s, zoals onder 2 is tenlastegelegd, van misdrijf afkomstig zijn.

Nu verdachte een deelnemer van de criminele organisatie was, oordeelt de rechtbank dat deze geldbedragen en goederen afkomstig waren uit zijn eigen misdrijf. Op grond van de beschikbare bewijsmiddelen kan dus een rechtstreeks verband gelegd worden met een bepaald misdrijf van verdachte waaruit deze geldbedragen en goederen afkomstig zijn. De rechtbank volgt de officieren van justitie dan ook niet in hun visie, dat deze afkomstig waren uit enig misdrijf (van een derde).

Artikel 420bis, lid 1, onder a Sr: verbergen en verhullen

Blijkens de wetsgeschiedenis van de Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 606, tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven, hebben ‘verbergen’ en ‘verhullen’ als bedoeld in artikel 420bis, eerste lid, onder a Sr betrekking op gedragingen die erop zijn gericht het zicht op - onder andere - de herkomst van voorwerpen te bemoeilijken. Die gedragingen moeten tevens geschikt zijn om dat doel te bereiken. Van ‘verhullen’ zal al sprake kunnen zijn als door bepaalde constructies een mistgordijn wordt opgeworpen dat weliswaar enig zicht op het voorwerp en de daarbij betrokken personen toelaat, maar het niet mogelijk maakt om met enige zekerheid de (legale) herkomst en de rechthebbende vast te stellen (zie het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:236).

De rechtbank overweegt ten aanzien van de onder verdachte inbeslaggenomen geldbedragen dat een deel daarvan, te weten € 75.160,-, in een traptrede onder het tapijt en achter een houten plankje was verstopt. De rechtbank ziet dit verstoppen als een gedraging die er onder andere op gericht was het zicht op de herkomst van dat geldbedrag te bemoeilijken. Deze gedraging is daar ook toe geschikt. Daarmee kan bewezen worden dat verdachte en de medeverdachten de herkomst en de vindplaats van dit geldbedrag hebben verborgen en verhuld.

De gepantserde Mercedes die onder verdachte inbeslaggenomen is, stond op naam van ene [naam 6] . Uit de bewijsmiddelen blijkt echter dat deze auto gebruikt werd door verdachte. Deze auto is ook gezien tijdens de observatie van de [adres 2] en stond bij verdachte in de garage. De Audi Q7 is middels een constructie gekocht door de vrouw van verdachte met geld van het bedrijf van verdachte, genaamd [naam 5] . De rechtbank ziet deze gedragingen als zijnde constructies waarmee een mistgordijn wordt opgeworpen om de rechtmatige eigenaar, zijnde verdachte, te verbergen en te verhullen.

Ten aanzien van het geldbedrag van € 75.160,- en ten aanzien van beide genoemde auto’s kan dus het witwassen zoals onder 2, eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegd, bewezen worden verklaard.

Artikel 420bis, lid 1, onder b Sr: voorhanden hebben

Volgens vaste rechtspraak is bij het beantwoorden van de vraag of een verdachte op goede gronden kan worden verweten voorwerpen (waaronder geldbedragen) opzettelijk voorhanden en/of aanwezig te hebben gehad, van belang of de verdachte zich in meerdere of mindere mate daarvan bewust moet zijn geweest, dan wel zich daarvan bewust behoorde te zijn.

‘Voorhanden hebben’ veronderstelt feitelijke zeggenschap over het voorwerp, ook al is niet vereist dat het voorwerp zich in de fysieke nabijheid bevindt.

In dit geval is de rechtbank van oordeel dat het door verdachte in zijn woning aanwezig hebben van de overige geldbedragen van € 20.385,41 en 645,- Turkse Lira niet aangemerkt kan worden als een verhullingshandeling in de zin van artikel 420bis, lid 1, onder a Sr. Hetzelfde geldt voor de onder hem inbeslaggenomen horloges.

Wel kan bewezen worden dat verdachte deze geldbedragen en horloges heeft witgewassen door deze voorhanden te hebben, zoals onder 2, tweede cumulatief/alternatief is ten laste gelegd.

3.4.4.3 Voorhanden hebben van busje traangas [adres 3]

De boksbeugel en het busje pepperspray zijn in de slaapkamer van de dochter van verdachte gevonden. Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte daar wetenschap van had en dat hij daar beschikkingsmacht over had. Van die onderdelen wordt verdachte daarom vrijgesproken. Dat is anders voor wat betreft het busje traangas, dat in de meterkast (een algemene ruimte in de woning) is gevonden. Bewezen kan daarom worden dat verdachte dit busje traangas samen met [naam ex-vriendin] , die ook in die woning verbleef, voorhanden heeft gehad. Daarmee volgt een bewezenverklaring voor dit onderdeel van feit 4.

3.4.5

Aanwezig hebben van harddrugs op het adres [adres 2] (feit 3)

Bij de doorzoeking in de woning aan de [adres 2] op 6 november 2017 is geconstateerd dat verschillende soorten verdovende middelen in de woning waren uitgestald. Deze zijn inbeslaggenomen en bleken na forensisch onderzoek cocaïne en MDMA te zijn. Uit het dossier blijkt dat verdachte de avond en nacht van 5 op 6 november 2017 in die woning aanwezig was. De rechtbank gaat er op grond van de wettige bewijsmiddelen en de overwegingen hierover onder 3.4.3.2 van uit dat verdachte wist van deze verdovende middelen, die duidelijk in het zicht lagen. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte deze, samen met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] die ook in die woning waren, opzettelijk aanwezig heeft gehad.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II weergegeven bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 januari 2013 tot en met 6 november 2017 in Nederland en/of in Turkije en/of in Dubai tezamen en in vereniging met anderen heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, namelijk:

  • -

    misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, 11, derde en vijfde lid en 11a Opiumwet en

  • -

    witwassen zoals bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht,

welke organisatie bestond uit een groep samenwerkende personen, bestaande naast verdachte uit [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en andere personen;

2.

op 6 november 2017 op het adres [adres 3] te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen van een geldbedrag van 75.160,- euro de herkomst en de vindplaats heeft verborgen en verhuld, terwijl verdachte en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven geldbedrag onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf;

en

op 6 november 2017 op het adres [adres 3] te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen van personenauto’s, een gepantserde Mercedes Benz E500 gekentekend [nummer 28] en een Audi Q7 gekentekend [nummer 27] , heeft verhuld wie de rechthebbende op voornoemde voorwerpen is, terwijl verdachte en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven voorwerpen middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf;

en

op 6 november 2017 op het adres [adres 3] te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen geldbedragen van 20.385,41 euro en 645 Turkse Lira voorhanden heeft gehad, terwijl verdachte en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven geldbedragen onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf;

en

op 6 november 2017 op het adres [adres 3] te Amsterdam horloges voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven voorwerpen middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf;

3.

op 6 november 2017 op het adres [adres 2] te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad 13 tabletten, bevattende MDMA, en twee envelopjes en drie wikkels, bevattende MDMA en/of cocaïne;

4.

op 6 november 2017 op het adres [adres 3] te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander voorhanden heeft gehad een busje traansgas met opschrift CS KO, een voorwerp dat bestemd is voor het treffen van personen met een weerloosmakende en traanverwekkende stof, in elk geval een wapen in de zin van de Wet wapens en munitie van Categorie II onder 6.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De rechtbank acht het onder 2, tweede cumulatief/alternatief ten aanzien van de geldbedragen van 20.385,41 euro en 645 Turkse Lira bewezen verklaarde partieel niet strafbaar en overweegt daartoe als volgt.

De tekst van art. 420bis Sr noch de wetsgeschiedenis staan eraan in de weg dat iemand die een in die bepaling omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens witwassen. Dit betekent echter niet dat elke gedraging die in art. 420bis, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de kwalificatie witwassen rechtvaardigt.

Met betrekking tot het witwassen door het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, is in HR 26 oktober 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM4440) het volgende overwogen.

‘Ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het "voorhanden hebben" daarvan wordt verweten, kan de vraag rijzen of een dergelijk enkel voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht “om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen”. Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.’

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van HR 8 januari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BX6910) aan deze overwegingen het volgende toegevoegd.

‘Met deze rechtspraak wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat. Daarom is beslist dat “indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd”. Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft.’

In de arresten van 13 december 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2842) en 22 januari 2019 (ECLI:NL:HR:2019:78) heeft de Hoge Raad dit herhaald.

De automatische verdubbeling van strafbaarheid - die als ratio van de kwalificatie-uitsluitingsgrond kan worden gezien (‘zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen’) - is in deze zaak bij feit 2, tweede cumulatief/alternatief aan de orde nu het gronddelict eveneens is ten laste gelegd, voldoende geduid en bewezen verklaard en het ten aanzien van de geldbedragen van 20.385,41 euro en 645 Turkse Lira enkel om het voorhanden hebben daarvan gaat. De rechtbank heeft immers niet kunnen vaststellen dat verdachte één of meer handelingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van deze geldbedragen. Zodoende is er een grondslag voor toepassing van de kwalificatie-uitsluitingsgrond ten aanzien van de geldbedragen.

De kwalificatie-uitsluitingsgrond geldt volgens de Hoge Raad (HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702) niet voor voorwerpen die middellijk afkomstig zijn uit enig zelf begaan misdrijf doordat direct uit het misdrijf afkomstige voorwerpen nadien zijn omgezet in andere voorwerpen. Voorwaarde voor de kwalificatie-uitsluitingsgrond is dat het gaat om een voorwerp onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig. Geconcludeerd kan worden dat de geldbedragen onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn en dat de horloges middellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn, omdat aangenomen kan worden dat de horloges zijn gekocht met uit misdrijf verkregen geld. Dit betekent dat het onder 2, tweede cumulatief/alternatief bewezen verklaarde partieel niet kan worden gekwalificeerd, te weten voor zover dit de geldbedragen van 20.385,41 euro en 645 Turkse Lira betreft, en daarom, met betrekking tot dat gedeelte, geen strafbaar feit oplevert. Verdachte dient dan ook ter zake van het onder 2, tweede cumulatief/alternatief bewezen geachte partieel te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De overige bewezen geachte feiten zijn volgens de wet wel strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is ten aanzien van deze feiten niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1

De eis van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte voor de door hen bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaren.

De officieren van justitie hebben daarbij de ernst van deze feiten benadrukt en meegewogen dat verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven. Er is een beeld ontstaan van de werkwijze van de organisatie en de individuele verdachten dat de overtuiging geeft van een geraffineerdheid en professionaliteit van de organisatie. Bij de strafeis is verder rekening gehouden met de rol van verdachte en de pleegperiode van het lidmaatschap van de criminele organisatie. Ten slotte is niet van persoonlijke omstandigheden van verdachte gebleken die in strafmatigende zin worden meegewogen in de strafeis.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft samen met in ieder geval zes medeverdachten in deze zaak gedurende een periode van bijna vijf jaren deel uitgemaakt van een criminele organisatie die drugsdelicten en witwasfeiten pleegde. Daarnaast heeft verdachte grote geldbedragen, dure horloges en auto’s witgewassen. Ook heeft hij samen met de medeverdachten harddrugs voorhanden gehad. Ten slotte heeft verdachte een busje traangas voorhanden gehad.

Criminele organisaties ondermijnen de rechtsorde en veroorzaken maatschappelijke onrust en financieel nadeel voor de samenleving. Strafbare feiten die gepleegd worden in een crimineel samenwerkingsverband, zoals drugsdelicten, leveren veel geld op voor alle personen die zitten in de lijn van de invoer tot aan de uiteindelijke verkoop aan de gebruikers. Voor de gebruikers kóst het alleen maar geld en hun gezondheid. Het gebruik van harddrugs levert een onaanvaardbaar gevaar op voor de volksgezondheid. Het risico dat ook wordt bijgedragen aan het gebruik van harddrugs door maatschappelijk en/of lichamelijk zwakkeren, voor wie dit ernstige financiële, sociale en lichamelijke problemen kan opleveren, wordt daarbij uit winstbejag geheel op de koop toe genomen. Daarnaast wordt door het witwassen van crimineel vermogen de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. Witwassen vormt een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, ook een bedreiging voor de samenleving.

De strafwaardigheid van deelneming aan een criminele organisatie wordt enerzijds bepaald door de organisatiegraad en het ontwrichtende karakter daarvan voor de openbare orde en anderzijds ook door de aard van de misdrijven die worden beoogd. De organisatie waartoe verdachte behoorde, was een duurzaam en goed georganiseerd samenwerkingsverband, zoals onder meer is gebleken uit de aangetroffen administratie. Deze administratie geeft blijk van een omvangrijke, professionele en gestructureerde bedrijfsvoering van een zeer actieve organisatie waarin gedurende een aantal jaren heel veel geld omging. Gelet hierop kan niet anders geconcludeerd worden dan dat het handelen van de organisatie tot een grote mate van ontwrichting voor de samenleving en de openbare orde heeft geleid. Verdachte opereerde samen met medeverdachte [medeverdachte 6] in de luwte, waarbij zij minder risico liepen dan de medeverdachten en er meer van leken te profiteren.

Door de bewezenverklaarde feiten te plegen, heeft verdachte zijn eigen financieel gewin boven de veiligheid van heel veel mensen gesteld en de maatschappij bewust blootgesteld aan de risico’s gepaard gaand met het gebruik van harddrugs. Daarnaast heeft hij bijgedragen aan de aantasting van het legale economische verkeer. Gelet op het voorgaande is als reactie op het handelen van verdachte alleen een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats, waar zijn proceshouding in zijn nadeel aan heeft bijgedragen.

De rechtbank houdt er in het nadeel van verdachte rekening mee dat hij blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 juni 2020 ook eerder is veroordeeld voor Opiumwetdelicten. De toen aan hem opgelegde deels voorwaardelijke gevangenisstraf heeft hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw soortgelijke delicten te plegen.

In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Het heeft namelijk te lang geduurd voordat er uitspraak wordt gedaan in deze zaak. Daardoor heeft verdachte onnodig lang in onzekerheid gezeten over de afdoening van de zaak. Ter compensatie van die onzekerheid zal de strafmaat enigszins gematigd worden.

In beginsel moet een strafzaak binnen twee jaar tot een afronding komen. Als beginpunt van de redelijke termijn neemt de rechtbank de aanhouding van verdachte en de doorzoeking van zijn woning op 6 november 2017. Vanaf dat moment kon verdachte verwachten dat hij zou worden vervolgd. De zaak had dus in beginsel uiterlijk twee jaar later, op 6 november 2019, afgerond moeten zijn met een eindvonnis van de rechtbank. De rechtbank doet pas op

31 augustus 2020 uitspraak. De redelijke termijn is dus met ongeveer tien maanden overschreden. Dat is een forse overschrijding die niet aan de verdediging te wijten is, maar vooral aan organisatorische en logistieke kwesties bij de rechtbank en het Openbaar Ministerie. Deze termijnoverschrijding dient consequenties te hebben in de vorm van enige compensatie in de strafmaat. De rechtbank acht een strafkorting van ongeveer vijf procent passend.

De rechtbank vindt, gelet op alle genoemde omstandigheden, als reactie op het bewezenverklaarde een gevangenisstraf van 96 maanden (acht jaren) passend. In die zin wijkt de rechtbank in het voordeel van verdachte af van de eis van de officieren van justitie. De rechtbank komt overigens ook tot een bewezenverklaring van minder feiten dan door de officieren van justitie geëist en een partieel ontslag van rechtsvervolging. Met toepassing van de strafkorting voor de termijnoverschrijding zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf van 91 maanden opleggen.

8 Het beslag

Blijkens de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen van 24 juni 2020 zijn onder verdachte de volgende voorwerpen in beslag genomen:

1. STK Personenauto [nummer 27] , AUDI Q7 2015 Kl: Grijs, 5479381

2 1.00 STK Horloge, ROLEX, 5479292

3 1.00 STK Doos, 5479212 (verpakking Rolex)

4 1.00 STK Doos, 5479332 (rolexverpakking)

5 1.00 STK Horloge, ROLEX, 5479243

6 1.00 STK Horloge, AUDEMARS PIQUET royal oak I 67215, 5479340

7 1.00 STK Personenauto [nummer 29] , MERCEDES E-500 Kl: Zwart, 4991258

8 Geld Euro 1208.00, 5478953

9 Geld Euro 1847.98, 5479958

10 Geld Euro 750.00, 5480030

11 Geld Euro 8400.00, 5480047

12 Geld Euro 700.00, 5480052

13 Geld Euro 1771.07, 5480053

14 Geld Euro 6250.00, 5480062

16 Geld Euro 1775.47, 5480074

17 Geld Euro 1062.54, 5479969

18 Geld Euro 55360.00, 5480007

19 Geld Euro 13450.00, 5480011

20 Geld Euro 3073.35, 5480016

21 Geld Euro 770.00, 5480017

22 Geld Euro 235.00, 5480025

23 Geld buitenlands, 5480027; 645 lira, waarde 129.86

24 3.00 STK Papier, ROLEX 116233, 3 x certificaat Rolex, 5482228

25 1.00 STK Zaktelefoon Kl: grijs, APPLE Iphone, 5479321

26 1.00 STK Zaktelefoon Kl: wit, APPLE Iphone, 5479284

27 1.00 STK Zaktelefoon Kl: zwart, BLACKBERRY, 5479210

28 1.00 STK Zaktelefoon Kl: zwart, BLACKBERRY, 5479219

29 1.00 STK Zaktelefoon K1: wit, APPLE Iphone, 5479204

30 1.00 STK Zaktelefoon K1: zwart, BLACKBERRY, 5479185

31 1.00 STK Klok, 5479369, in de klok zit een camera

32 1.00 STK Zaktelefoon, AQUARIUS BQ, 5479965

33 1.00 STK Papier, 5495453, papiertje aangetroffen op nachtkastje

34 1.00 STK Papier, 5479253, FO/NFO verpakking

35 5.00 STK Verdovende Middelen, 5479335

36 1.00 STK Fust, 5479229

37 3.00 STK Verdovende Middelen, 5479272.

De rechtbank is gelet op de inhoud van het dossier, met name het proces-verbaal met nummer Q16-0317, van oordeel dat in de omschrijving van het onder 7 genoemd voorwerp in de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen een kennelijke schrijffout staat en leest dit als:

“1.00 STK Personenauto [nummer 28] , MERCEDES E-500 Kl: Zwart, 4991258”.

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd:

  • -

    verbeurdverklaring van de onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30 en 32 genoemde voorwerpen;

  • -

    onttrekking aan het verkeer van de onder 33, 34, 35, 36 en 37 genoemde voorwerpen;

  • -

    teruggave van het onder 31 genoemd voorwerp.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de inbeslaggenomen voorwerpen en daarover geen uitdrukkelijk standpunt ingenomen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

8.3.1

Verbeurdverklaring

De onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23 en 24 inbeslaggenomen voorwerpen behoren aan verdachte toe. Hij kan deze voorwerpen geheel of ten dele ten voordele van zichzelf aanwenden. Nu deze voorwerpen geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het onder 1 bewezen geachte zijn verkregen, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.

De onder 25, 26, 27, 28, 29, 30, 33 en 34 inbeslaggenomen voorwerpen behoren aan verdachte toe. Nu met betrekking tot die voorwerpen het onder 1 bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.

8.3.2

Onttrekking aan het verkeer

De voorwerpen onder 32, 35, 36 en 37 zijn aangetroffen in het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven, terwijl zij kunnen dienen tot het voorbereiden of het begaan van soortgelijke misdrijven en van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Daarom worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

8.3.3

Bewaring ten behoeve van de rechthebbende

Het onder 31 inbeslaggenomen voorwerp wordt bewaard ten behoeve van de rechthebbende, nu dit niet in relatie staat tot enig strafbaar feit.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 57, 140 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 11b van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van de bewezen geachte feiten.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen geachte:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, 11, derde en vijfde lid en 11a van de Opiumwet

en

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

Ten aanzien van het onder 2, eerste cumulatief/alternatief bewezen geachte:

medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van het onder 2, tweede cumulatief/alternatief bewezen geachte:

medeplegen van witwassen

en

witwassen;

Ten aanzien van het onder 3 bewezen geachte:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van het onder 4 bewezen geachte:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Verklaart het onder 2, tweede cumulatief/alternatief bewezen geachte partieel niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.

Verklaart het onder 1, 2, tweede cumulatief/alternatief voor het overige, 3 en 4 bewezen geachte strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 91 (eenennegentig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 33 en 34 genoemde voorwerpen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 32, 35, 36 en 37 genoemde voorwerpen.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het op de beslaglijst onder 31 genoemd voorwerp.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Ch.A. van Dijk, voorzitter,

mrs. C.M. Degenaar en P.P.C.M. Waarts, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F. Coşkun, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 augustus 2020.

Mr. Van Dijk is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.