Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4519

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-08-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
13/728145-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Quebec. Deelname aan criminele organisatie, handel in harddrugs, bezit van harddrugs en witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/728145-17 (Promis)

Datum uitspraak: 31 augustus 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 23 juni 2020, 29 juni 2020, 30 juni 2020 en 2 juli 2020.

Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 31 augustus 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie,

mrs. S.W.M. van der Linde en M. al Mansouri, en van wat verdachte en zijn raadslieden,

mrs. J-H.L.C.M. Kuijpers en V. Poelmeijer, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er – samengevat – van beschuldigd dat hij

  1. in de periode van 1 januari 2013 tot en met 6 november 2017 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van drugsdelicten, wapendelicten en witwassen (art. 11b van de Opiumwet en art. 140 van het Wetboek van Strafrecht);

  2. in de periode van 1 januari 2017 tot en met 6 november 2017 samen met anderen heeft gehandeld in cocaïne, heroïne en hasj (art. 2, onder B en art. 3, onder b van de Opiumwet);

  3. op of omstreeks 6 november 2017 samen met anderen een geldbedrag heeft witgewassen (art. 420bis, lid 1 aanhef onder a en b van het Wetboek van Strafrecht);

  4. op of omstreeks 6 november 2017 samen met anderen MDMA en cocaïne aanwezig heeft gehad (art. 2, onder C van de Opiumwet).

De volledige tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Inleiding

Op 10 november 2016 kwam [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) het politiebureau Meer en Vaart in Amsterdam binnen met de mededeling te vrezen voor zijn leven. Hij vertelde onder andere dat in zijn woning op het [adres medevd 1] te Amsterdam (hierna: [adres medevd 1] ) honderd kilo cocaïne, 600.000,- euro en een zak met vuurwapens liggen. Ook vertelde hij dat hij ongeveer drieënhalf jaar in de drugs zit en deel uitmaakt van een organisatie die bestaat uit “bazen” en “werkers”. Volgens [medeverdachte 1] is deze organisatie een geoliede machine en bestaat deze uit grote jongens. [medeverdachte 1] is zelf een “werker” die aflevert en in ontvangst neemt, waarbij het gaat om kilo’s in de week. [medeverdachte 1] vertelde dat de avond ervoor de hele club bij hem thuis kwam en dat dit nooit gebeurde. Ze hadden ook nieuw spul bij zich en hij vond dat het niet klopte. Hij is naar de politie gegaan, omdat hij dacht dat ze hem wilden ombrengen.

Hierop werd [medeverdachte 1] aangehouden en volgde een doorzoeking in zijn woning. Daarbij zijn onder andere grote geldbedragen en grote hoeveelheden harddrugs inbeslaggenomen. In de nacht van 10 op 11 november 2016 werd een melding gedaan van een verdachte situatie in de woning van [medeverdachte 1] , waarschijnlijk naar aanleiding van een inbraak. Hierna vond een tweede doorzoeking plaats, waarbij in het toilet een verborgen ruimte werd ontdekt die bij de eerste doorzoeking niet was opgemerkt. Vermoedelijk hebben twee inbrekers deze ruimte toen deels leeggehaald. Na beide doorzoekingen zijn in totaal onder andere grote hoeveelheden cocaïne en heroïne, ongeveer 800.000,- euro aan contant geld, een cocaïnepers, geldtelmachines, administratie, acht vuurwapens en ruim 800 stuks munitie inbeslaggenomen.

Dit heeft geleid tot het onderzoek 13Biscoe. Na zijn mededelingen bij de politie op 10 november 2016 heeft [medeverdachte 1] zich op zijn zwijgrecht beroepen. Wel heeft hij over een enkel onderwerp schriftelijk nog iets verklaard maar wilde hij geen zaaksinhoudelijke vragen meer beantwoorden. De rechtbank heeft [medeverdachte 1] voor deze zaak op 21 juni 2017 veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar. Dat vonnis is inmiddels onherroepelijk geworden.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten in de zaak 13Biscoe is onderzoek gedaan naar andere personen rondom [medeverdachte 1] , waarmee het onderzoek 13Quebec in deze zaak is begonnen. Uit dit onderzoek kwamen onder meer de zes medeverdachten in deze zaak naar voren, te weten [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ), [verdachte] (hierna: [verdachte] ), [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] ) en [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ). Zij zijn allen op 6 november 2017 aangehouden en op dezelfde dag hebben doorzoekingen in onder andere hun woningen plaatsgevonden.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie hebben zich aan de hand van hun schriftelijk requisitoir op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit hebben de officieren van justitie betoogd dat het procesdossier genoeg bewijsmateriaal bevat om wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte samen met alle medeverdachten heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Uit de in het requisitoir aangehaalde bewijsmiddelen zou moeten volgen dat niet alleen sprake is geweest van een situatie waarin een min of meer vaste groep van personen duurzaam en gestructureerd actief is geweest, maar ook dat het oogmerk van dit samenwerkingsverband gericht is geweest op het plegen van de in de tenlastelegging genoemde misdrijven. De duurzaamheid van de criminele organisatie, en daarmee ook de tenlastegelegde periode, kan worden afgeleid uit het tijdsverloop, waarbij de startverklaring van [medeverdachte 1] die eerder door de rechtbank als betrouwbaar is beoordeeld, als een eerste bewijsmiddel geldt. Dat sprake is van tijdsverloop wordt ondersteund door het aantreffen van drugsadministratie en het feit dat uit onderzoek is gebleken dat genoemde verdachten elkaar al langere tijd kennen. De duurzaamheid en de structuur van de organisatie blijken ook uit het feit dat de organisatie bleef doordraaien nadat twee prominente leden, [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] , na de aanhouding van [medeverdachte 1] voor de duur van bijna een jaar naar het buitenland waren vertrokken. De bestendigheid van de organisatie blijkt ook uit gesprekken in de encrypted BQ Aquarius telefoon die in de woning van [verdachte] is inbeslaggenomen. Onderling gebruikten deelnemers bijnamen voor elkaar en werd er versluierd gesproken als het om verdovende middelen ging. Na terugkomst in Nederland in oktober 2017 gingen de werkzaamheden van de organisatie op dezelfde voet verder, tot op de dag van de aanhoudingen op 6 november 2017. Uit de bewijsmiddelen blijkt ook de structuur van de organisatie, waarbij de verdachten ieder een duidelijke rol hadden.

Wat betreft de onder 2 tenlastegelegde handel in verdovende middelen blijkt uit tap- en OVC-gesprekken duidelijk de betrokkenheid van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en [verdachte] bij de organisatie en de uitvoering van de drugshandel. Naast gesprekken over de handel in drugs, zijn er ook gesprekken die duiden op het gebruik van encrypted telefoons. Uit de BQ Aquarius telefoon valt op te maken dat [verdachte] veelvuldig contact heeft gehad met [medeverdachte 3] en dat onderling veelvuldig is gesproken over de handel in verdovende middelen, over de betalingen die daarmee verband houden en dat [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] de revue passeerden. Ook blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte 3] financiële informatie uitwisselden, dat [verdachte] de financiële administratie bijhield en dat ze beiden [medeverdachte 5] kennen.

Ten aanzien van feit 3 is betoogd dat bij de doorzoeking in de woning van [verdachte] achter het achterschot van het keukenblok geldbedragen van in totaal € 38.700,- zijn aangetroffen en dat dit witwassen oplevert.

Tot slot geldt ten aanzien van feit 4 dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] en [verdachte] in de avond/nacht voorafgaand aan de aanhoudingen in de woning op het adres [adres 2] waren en dat daar gebruikershoeveelheden verdovende middelen werden aangetroffen.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben aan de hand van hun pleitaantekeningen bepleit verdachte vrij te spreken van de aan hem tenlastegelegde feiten.

De raadslieden hebben verzocht de bevindingen die voortvloeien uit onderzoek naar de bij de doorzoeking in de woning van verdachte inbeslaggenomen Apple iPhone telefoon uit te sluiten van het bewijs of daar in ieder geval geen gebruik van te maken in het kader van enige bewijsbeslissing. Daartoe hebben zij aangevoerd dat het onderzoek aan de telefoon onrechtmatig is geweest, omdat niet alleen toegang is verkregen tot de verkeersgegevens, maar ook tot de inhoud van communicatie en privé informatie van verdachte. Het onderzoek aan de telefoon is zeer uitvoerig geweest, waarbij door middel van speciale software volledig inzicht is verkregen in de inhoud van de telefoon. Daarmee ontstaat het vermoeden dat een meer dan beperkte inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van verdachte. De enige aangewezen sanctie voor dit verzuim is bewijsuitsluiting.

Ter onderbouwing van de door hen bepleite vrijspraak hebben de raadslieden het volgende aangevoerd.

Verdachte was niet de eigenaar van de BQ Aquarius telefoon en dit kan ook niet worden vastgesteld. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat hij wel de eigenaar was van deze telefoon, dan dient alsnog te worden vastgesteld dat hij ook de regelmatige gebruiker ervan was, dat alle berichten van hem afkomstig waren, wat de bewijswaarde van deze berichten is en dat deze berichten over strafbare gedragingen gaan. De informatie in de BQ Aquarius dient gekwalificeerd te worden als ‘andere geschriften’. Deze geschriften kunnen alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen als bewijsmiddel gelden. In de communicatie is regelmatig sprake van anoniem gebleven personen en deze personen dienen als getuige gehoord te worden als zij geïdentificeerd en getraceerd kunnen worden. De inhoud van de berichten kunnen niet zomaar als strafbaar handelen worden geïnterpreteerd. De Alpamayo-zaak over het interpreteren van tap- en OVC-gesprekken heeft ook te gelden in deze zaak ten aanzien van de in de BQ Aquarius aangetroffen berichten. In het dossier wordt ten onrechte aangenomen dat alle gesprekken over strafbare gedragingen gaan. Deze gesprekken dienen buiten beschouwing te worden gelaten, nu er geen objectieve onderbouwing uit het dossier blijkt ten aanzien van de bedoeling, aard en strekking van de gesprekken.

Ten aanzien van feit 2 is aangevoerd dat in geval de rechtbank vaststelt dat de BQ Aquarius telefoon wel aan verdachte toebehoort, uit de daarin aangetroffen gegevens slechts een marginale rol van verdachte blijkt. Het Openbaar Ministerie neemt ten onrecht aan dat verdachte een rol als informatiespecialist zou hebben vervuld. De handelingen die verdachte zou hebben verricht – het voorhanden hebben en overdragen van geld – hebben meer de uiterlijke verschijningsvorm van een Hawala-bankier, een bankier die niet mocht omgaan met al te veel geld. Dit betreft een wezenlijk andere kwalificatie dan het tenlastegelegde. Daarom dient verdachte vrijgesproken te worden van de handel in verdovende middelen. In ieder geval, meer subsidiair, kan niet de gehele tenlastegelegde periode bewezen worden verklaard.

Een vrijspraak voor feit 2 zou volgens de verdediging ook moeten leiden tot een vrijspraak voor feit 1, omdat de verweren voor feit 2 ook voor feit 1 gelden. In aanvulling daarop hebben de raadslieden aangevoerd dat nergens uit het dossier blijkt dat verdachte ook maar één handeling heeft verricht verband houdend met het bezit van vuurwapens en dat de berichten in de BQ Aquarius telefoon niet geïnterpreteerd kunnen worden als ziend op de handel in cocaïne of het bezit van wapens. Verdachte dient in ieder geval van dit laatste onderdeel te worden vrijgesproken. Mocht de rechtbank komen tot een bewezenverklaring van deelname aan een criminele organisatie, dan is het niet aannemelijk dat verdachte de gehele tenlastegelegde periode aan die organisatie zou hebben deelgenomen. Er kan slechts sprake zijn van deelname in de periode april/mei tot en met oktober 2017, zoals ook geldt voor feit 2. Voor het overige dient verdachte te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 3 is aangevoerd dat verdachte in een vroeg stadium concreet en verifieerbaar heeft verklaard over de herkomst van het geld en dat deze verklaring verankering vindt in de nadien bekend geworden resultaten van onderzoek door het NFI. Deze verklaring dient te leiden tot een vrijspraak van witwassen.

Tot slot is ten aanzien van feit 4 aangevoerd dat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van verdovende middelen in de woning aan de [adres 2] en ook niet van de aanmerkelijke kans daarop. In de woning zijn van verdachte geen sporen aangetroffen en het observatieteam heeft hem op 6 november 2017 rond 4:25 uur ook niet onderkend als een van de personen die de woning verlieten. Verdachte heeft verklaard dat hij de avond ervoor in de woning aan de [adres 2] was, maar omstreeks 23:30 uur naar huis is gegaan. Verdachte is omstreeks 5:15 uur ook aangehouden in zijn woning in [woonplaats] . De verklaring van verdachte wordt niet uitgesloten door de bewijsmiddelen. Daarom dient hij te worden vrijgesproken.

Mocht de rechtbank anders oordelen dan verzoekt de verdediging anoniem gebleven personen als getuigen te horen.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

3.4.1

De interpretatie van OVC- en tapgesprekken

De rechtbank is met de raadslieden en de officieren van justitie van oordeel dat behoedzaam omgegaan dient te worden met de interpretatie van OVC- en tapgesprekken. Het Gerechtshof Amsterdam heeft in het Alpamayo-arrest (ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ0303) over de interpretatie van OVC- en tapgesprekken het volgende overwogen:

“Wanneer het ten aanzien van de betekenis van het gesproken (en afgeluisterde) woord in overwegende mate aankomt op de uitleg en interpretatie daarvan is het risico op een verkeerd begrip daarvan aanwezig. Die door het hof te betrachten behoedzaamheid brengt mee dat aan afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken, gedragingen en gebeurtenissen de door de advocaat-generaal voorgestelde duiding slechts dán kan worden gegeven wanneer de inhoud en het onderling verband daarvan en het verband met andere te bezigen bewijsmiddelen daartoe voldoende basis bieden. Meer in het bijzonder zal het hof hebben na te gaan of de voor het bewijs te bezigen verslagen van die telefoongesprekken, bezien naar hun inhoud, de chronologie en de kring van deelnemers aan die gesprekken in een met het oog op de bewijslevering betekenisvolle samenhang kunnen worden geplaatst. Bij dat onderzoek kan betekenis worden toegekend aan hetgeen overigens ten aanzien van één of meer van die deelnemers is gebleken, meer in het bijzonder over diens betrokkenheid op de één of andere wijze bij de stof die in de beschuldiging centraal staat, te weten cocaïne. Voorts kan het hof onder omstandigheden en in het licht van overig voorhanden bewijs ten bezware van de verdachte conclusies trekken uit zijn zwijgen of niet-verifieerbaar verklaren naar aanleiding van aan hem gestelde vragen over de inhoud van door hem gevoerde telefoongesprekken.

Het hof voegt hieraan nog toe dat het resultaat van deze in zoverre terughoudende wijze van beoordelen kan zijn, dat niet valt te reconstrueren wat het feitelijke substraat van de voor het bewijs te bezigen telefoongesprekken is geweest. Daarbij valt te denken aan een niet uit de gesprekken af te leiden rolverdeling of nauwkeurige omlijning van de bijdrage van elk van de betrokkenen. Onder omstandigheden hoeven deze situaties niet in de weg te staan aan een bewezenverklaring, namelijk indien uit de inhoud van de gesprekken voldoende blijkt van een betekenisvolle bijdrage van de verdachte ten laste van wie de bewezenverklaring wordt uitgesproken.”

De rechtbank is in het licht van voorgaande overweging van oordeel dat ook in dit geval de nodige behoedzaamheid in acht moet worden genomen. In afwijking van de casus in het voorgaande aangehaalde arrest, waar het bewijs enkel uit versluierde gesprekken bestond, zijn de afgeluisterde en opgenomen gesprekken in dit dossier deels versluierd, maar deels ook openlijk gevoerd. Op zich kunnen deze gesprekken niet als voldoende redengevend worden beschouwd, maar het dossier bevat daarnaast ook ander bewijs. In onderling verband daarmee bezien en in chronologie beschouwd, kunnen die gesprekken niet anders begrepen worden dan zoals zij in het dossier zijn geïnterpreteerd. De omstandigheid dat verdachte op vragen over die gesprekken geen opheldering heeft gegeven, draagt daar ook aan bij.

3.4.2

De rechtmatigheid van het onderzoek naar de iPhone telefoon

De Hoge Raad heeft in het arrest van 4 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:584) bepaald dat voor het doen van onderzoek door een opsporingsambtenaar aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken teneinde de beschikking te krijgen over daarin opgeslagen of beschikbare gegevens, de wet geen voorafgaande rechterlijke toetsing of tussenkomst van de officier van justitie vereist. Indien de met het onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd, biedt de algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren, neergelegd in art. 94, in verbinding met art. 95 en 96 Wetboek van Strafvordering, daarvoor voldoende legitimatie. Dit zal het geval kunnen zijn indien het onderzoek slechts bestaat uit het raadplegen van een gering aantal bepaalde op de elektronische gegevensdrager of in het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens. Indien dat onderzoek zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van de gegevensdrager of het geautomatiseerde werk, kan dat onderzoek jegens hem onrechtmatig zijn. Daarvan zal in het bijzonder sprake kunnen zijn wanneer het gaat om onderzoek van alle in de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens met gebruikmaking van technische hulpmiddelen.

De rechtbank is van oordeel dat met het onderzoek aan de onder verdachte inbeslaggenomen iPhone telefoon een inbreuk is gepleegd op de persoonlijke levenssfeer van verdachte, maar anders dan de verdediging heeft aangevoerd, dat deze inbreuk slechts een beperkte inbreuk betreft. Voor dit onderzoek was dan ook geen apart bevel van de rechter-commissaris of de officier van justitie vereist. Uit het proces-verbaal van bevindingen over de uitgelezen iPhone telefoon (Q16-0553, p. 060576 e.v.) blijkt dat gericht onderzoek is gedaan naar de contacten in de telefoon, waarbij een selectie is gemaakt van wat daaruit aan informatie is verkregen. Volgens dit proces-verbaal was het onderzoek juist niet gericht op de gehele inhoud van de telefoon en zijn daaruit slechts contacten gelicht aan de hand van al beschikbare onderzoeksinformatie. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat het onderzoek aan de iPhone niet onrechtmatig is geweest en dat geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv.

3.4.3

Het verzoek tot het horen van anonieme personen als getuigen

Het verzoek van de verdediging tot het horen van de anoniem gebleven personen die in de communicatie voorkomen, wijst de rechtbank af. Alleen al omdat het verzoek niet is gespecificeerd of onderbouwd, is dit verzoek niet toewijsbaar. De rechtbank ziet daarnaast de noodzaak van het horen van de verzochte getuigen niet in. Daarbij geldt dat los van het antwoord op de vraag of deze personen anoniem zijn gebleven, nergens uit blijkt dat deze personen getraceerd en geïdentificeerd zijn of kunnen worden.

3.4.4

Deelname aan criminele organisatie en handel in verdovende middelen (feiten 1 en 2)

De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn vervat, waaronder de bewijsmiddelen die zijn gebruikt voor de overige bewezenverklaarde feiten, en gelet op wat hierna wordt overwogen, van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode samen met in ieder geval [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van drugsdelicten en witwassen (feit 1).

Ook acht de rechtbank op grond van de wettige bewijsmiddelen en de volgende overwegingen bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] heeft gehandeld in verdovende middelen (feit 2).

3.4.4.1 Juridisch kader deelname aan criminele organisatie

Volgens vaste jurisprudentie wordt onder een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) respectievelijk (het huidige) artikel 11b Opiumwet verstaan een samenwerkingsverband van ten minste twee personen met een zekere duurzaamheid en structuur. Voor deelneming aan een dergelijke organisatie is in het algemeen vereist dat de verdachte tot deze organisatie behoort en dat de verdachte een aandeel heeft in, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon, om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Evenmin is vereist dat de verdachte wetenschap heeft van een of meer concrete misdrijven.

3.4.4.2 Duurzaamheid en structuur

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komt een beeld naar voren van een gestructureerd samenwerkingsverband van in ieder geval zeven personen dat zich gedurende geruime tijd heeft beziggehouden met verschillende vormen van criminaliteit. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Bij de doorzoekingen op 10 en 11 november 2016 in de woning van [medeverdachte 1] aan het [adres medevd 1] zijn onder andere grote hoeveelheden cocaïne en heroïne, wapens en munitie en grote geldbedragen, deels in een verborgen ruimte, aangetroffen en inbeslaggenomen. Daarnaast is administratie aangetroffen die in het onderzoek gerelateerd wordt aan de handel in verdovende middelen. Een opvallend voorbeeld hiervan is dat in de administratie de aanduiding ‘F12’ staat en dat op bepaalde in de woning aangetroffen drugs de stempel ‘F12’ zit. Ook zijn geldtelmachines en een cocaïnepers aangetroffen en inbeslaggenomen.

Bij de eerste doorzoeking op het [adres medevd 1] op 10 november 2016 werden een Nederlandse identiteitskaart en een Nederlands rijbewijs aangetroffen van [medeverdachte 2] .

Op dit adres zijn ook sporen aangetroffen.

Op een 500,- euro biljet zat een spoor van een handpalm van [medeverdachte 2] . Ook is een vingerafdruk van [medeverdachte 2] aangetroffen op een zwarte plastic tas in deze woning waar cocaïne in zat. DNA van [medeverdachte 2] zat op zes handvatten van tassen met verdovende middelen, elastiekjes waarmee bankbiljetten waren verbonden, de drinkrand van een pakje melk en een sigarettenpeuk.

Op transparante plastic verpakking van geld is een vingerafdruk van [medeverdachte 3] gevonden. Ook is zijn DNA aangetroffen op de drinkrand van een flesje frisdrank en een peuk van een sigaret.

Een bloedspoor van [medeverdachte 6] zat aan de buitenzijde van een Albert Heijn tas waarin wapens werden aangetroffen en zijn DNA zat op een sigarettenpeuk.

Ook van [medeverdachte 4] is DNA aangetroffen, te weten op een sigarettenpeuk.

In de administratie die in de woning van [medeverdachte 1] lag, zijn dactyloscopische sporen gevonden van onder anderen [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 4] .

In de mobiele telefoon Samsung SM-G361H met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] , afkomstig uit de fouillering van [medeverdachte 1] , bleken data (e-mailberichten) te zitten die horen bij [medeverdachte 2] . In deze telefoon zaten onder andere de volgende contacten: [contact 1] : [telefoonnummer 2] , [contact 2] : [telefoonnummer 3] , [contact 3] : [telefoonnummer 4] , [contact 4] : [telefoonnummer 5] en [contact 5] : [telefoonnummer 6] . Deze (bij)namen zijn in het onderzoek toegeschreven aan respectievelijk [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] en [naam vriendin medevd 4] (hierna: [naam vriendin medevd 4] ), vriendin van [medeverdachte 4] . De nummers van [contact 1] , [contact 2] , [contact 3] en [contact 4] kwamen ook voor in de onder [medeverdachte 1] inbeslaggenomen LG telefoon.

Uit de historische telecomgegevens van het al genoemde telefoonnummer [telefoonnummer 1] , in gebruik bij [medeverdachte 1] , is gebleken dat hij in de periode van 3 tot en met 10 november 2016 contact heeft gehad met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en [naam vriendin medevd 4] .

Uit de historische telefoongegevens van telefoonnummers in de bij de eerste doorzoeking inbeslaggenomen LG en de bovengenoemde Samsung telefoons kwam als gemeenschappelijk contact het nummer [telefoonnummer 7] naar voren. Dit nummer, dat op naam stond van [medeverdachte 6] , was ook een contact van nummer [telefoonnummer 8] van vermoedelijk [medeverdachte 1] . De gebruiker van nummer [telefoonnummer 7] wordt als overkoepelend contact gezien in het onderzoek 13Quebec.

In de woning van [medeverdachte 1] is tevens een Turks bankboekje aangetroffen waaruit blijkt dat [medeverdachte 6] op 30 juli 2015 voor 1.350,- euro aan Turkse lira op de rekening van [medeverdachte 1] heeft gestort.

Op de camerabeelden van de [adres medevd 1] is gezien dat op 6 november 2016 een man die is herkend als [medeverdachte 6] rond 20:45 uur de flat binnenliep. Rond 20:55 uur kwam een man die is herkend als [medeverdachte 4] het gebouw binnen en stapte uit de lift op de eerste verdieping. Rond 23:45 uur verlieten zij de flat samen met een man die is herkend als [medeverdachte 3] .

Op 8 november 2016 zijn op de camerabeelden drie mannen gezien die zijn herkend als [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] . Gezien is dat rond 22:00 uur [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] de toegangshal van de flat binnenliepen en dat rond 23:00 uur [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] en een onbekende man de centrale hal weer uitliepen. Op de camerabeelden van 9 november 2016 zijn twee mannen gezien die zijn herkend als [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Deze mannen zijn met boodschappentassen van de Lidl en Albert Heijn en een rolkoffer rond 20:30 uur in de lift gestapt en na het uitstappen in de richting van de woning van [medeverdachte 1] gelopen. Deze tassen leken op de tassen in de woning van [medeverdachte 1] waar de verdovende middelen de volgende dag in zijn aangetroffen.

Op 10 november 2016 is gezien dat de man die is herkend als [medeverdachte 2] rond 9:45 uur met een fiets en een grote zwarte tas op de eerste verdieping, waar [adres medevd 1] is, in de lift is gestapt, op de begane grond is uitgestapt en het gebouw heeft verlaten. Later op de dag, rond 16:50 uur, is een man die is herkend als [medeverdachte 3] in de richting van de woning van [medeverdachte 1] gelopen.

[medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] hebben op 10 november 2016, vlak na de inval in de [adres medevd 1] , Nederland verlaten en hebben tot oktober 2017 in Turkije en de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) verbleven. Zij hebben daar heel veel geld uitgegeven, zoals ook blijkt uit een tapgesprek tussen [medeverdachte 4] en [naam vriendin medevd 4] waarbij laatstgenoemde klaagt over [medeverdachte 4] uitgaven-patroon. Opvallend is dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] ook in de periode dat zij in het buitenland verbleven salaris hebben ontvangen van [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] . Ook [medeverdachte 3] stond op de loonlijst van deze bedrijven. Ook is opvallend dat zowel [medeverdachte 4] als [medeverdachte 3] op 22 januari 2017 beiden naar de VAE zijn gereisd. Op 5 april 2017 is [medeverdachte 3] vanuit Marokko naar Nederland gekomen, waarna [medeverdachte 2] op 7 april 2017 naar Marokko is vertrokken. Uit observaties is gebleken dat [medeverdachte 2] zich tot die tijd vanaf de inval in de [adres medevd 1] heeft schuilgehouden. Hij heeft op 15 november 2016 zijn auto, een Peugeot Partner, van de hand gedaan.

Uit observaties is verder gebleken dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] in de periode van 11 april 2017 tot en met 6 juli 2017 meermalen samen zijn gezien, onder andere in de Kia Rio in gebruik bij [medeverdachte 3] en onder hem in beslaggenomen, met kenteken [kenteken Kia Rio] en in de kaaswinkel ‘ [naam winkel] ’. Deze winkel was van [medeverdachte 5] en [naam ex vriendin medevd 4] (hierna: [naam ex vriendin medevd 4] ), de ex-vriendin van [medeverdachte 4] . Op laatstgenoemde datum hadden [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] een ontmoeting met een onbekende man.

Binnen het onderzoek 13Quebec zijn diverse taplijnen aangesloten en uitgeluisterd. Ook zijn de gesprekken in de al genoemde Kia Rio gedurende een periode opgenomen en uitgeluisterd. Daarbij gaat het om de volgende gebruikers – met hun uit het onderzoek gebleken bijnamen – en telefoonnummers:

[medeverdachte 4] , bijnamen [bijnaam 1] en [bijnaam 2] , [telefoonnummer 9] , [telefoonnummer 10] , [telefoonnummer 11] , [telefoonnummer 12] , [telefoonnummer 13] en [telefoonnummer 14] ; [naam vriendin medevd 4] , bijnaam [contact 4] , [telefoonnummer 5] ; [medeverdachte 3] , bijnamen [bijnaam 3] , [bijnaam 4] , [contact 1] en [bijnaam 5] , [telefoonnummer 16] , [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 15] ; [medeverdachte 2] , bijnaam [contact 3] , [telefoonnummer 17] ; [medeverdachte 5] , bijnamen [bijnaam 6] en [contact 2] ( [toevoeging contact 2] ), [telefoonnummer 18] , [telefoonnummer 3] , [telefoonnummer 19] en [telefoonnummer 20] en [verdachte] , [telefoonnummer 21] .

Uit de opgenomen communicatie in de periode van 28 maart 2017 tot en met 21 oktober 2017 blijkt onder andere dat [medeverdachte 5] , [verdachte] en [medeverdachte 3] de beschikking hadden over een encrypted telefoon, dat regelmatig gebruik werd gemaakt van encrypted mails, dat [verdachte] telefonisch contact heeft gehad met [medeverdachte 4] in Turkije, dat [medeverdachte 4] en [naam vriendin medevd 4] spraken over [bijnaam 6] ( [medeverdachte 5] ) en [bijnaam 3] ( [medeverdachte 3] ) en dat [bijnaam 6] en [bijnaam 3] kennelijk contact hadden met [medeverdachte 4] , dat er regelmatig contact was tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] , dat [verdachte] een auto van [medeverdachte 5] op zijn naam heeft gehad en dat vaak versluierd werd gesproken over de handel in drugs/blokken cocaïne en over prijzen.

Uit tapgesprekken van telefoonnummer [telefoonnummer 7] van [naam echtgenote] [medeverdachte 6] , echtgenote van [medeverdachte 6] , is naar voren gekomen dat haar man de gebruiker is van de telefoonnummers [telefoonnummer 22] , met de landcode van de Verenigde Arabische Emiraten, en [telefoonnummer 23] , met de landcode van Turkije. Aan [medeverdachte 6] wordt de bijnaam [bijnaam 7] gekoppeld. Bij de aanhouding van [medeverdachte 6] is bij hem een telefoon met nummer [telefoonnummer 24] inbeslaggenomen.

Blijkens OVC- en tapgesprekken hebben de verdachten ook na de doorzoekingen op het [adres medevd 1] contact met elkaar gehouden en zijn er gesprekken gevoerd over de handel in drugs en over het gebruik van encrypted telefoons. [medeverdachte 5] lijkt daarbij [medeverdachte 3] aan te sturen en hem aanwijzingen te geven om Sky telefoons te halen. [medeverdachte 5] lijkt ook [verdachte] aan te sturen en gebruik te maken van zijn hulp, zo blijkt uit de gesprekken. Daar blijkt ook uit dat bepaalde zaken met ‘ [bijnaam 7] ’ moeten worden afgestemd. [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en [verdachte] hebben het in de gesprekken over prijzen, kwaliteit en hoeveelheden, waarbij het aannemelijk is dat deze gesprekken over drugs gaan. [medeverdachte 3] was blijkens een OVC-gesprek op de hoogte van de verblijfplaatsen van [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] nadat zij Nederland hadden verlaten.

Op 6 november 2017 is het portiek van de [adres 2] , waar [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en [verdachte] volgens tapgesprekken en peilgegevens op wisselende momenten regelmatig waren, geobserveerd tussen 4:00 uur en 5:45 uur. Omstreeks 4:05 uur stonden in de nabijheid van dat portiek onder andere een Mercedes met kenteken [kenteken 1] en een Mercedes met kenteken [kenteken 2] , die later onder respectievelijk [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] zijn inbeslaggenomen. Ongeveer een kwartier later stapten vijf personen, mannen en vrouwen, uit het portiek. [medeverdachte 6] stapte in zijn Mercedes. Ongeveer tien minuten later ging [medeverdachte 4] met een sleutel de woning aan de [adres 3] binnen en ongeveer vijf minuten daarna werd gezien dat de Mercedes van [medeverdachte 6] leeg geparkeerd stond voor zijn woning aan de [adres 4] . Ongeveer een half uur later, rond 5:15 uur, zijn leden van het Arrestatie Team deze woningen binnengevallen. Ook zijn er invallen gedaan in de woningen van [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] . Alle zes verdachten zijn aangehouden en hun woningen zijn doorzocht. Ook heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning aan de [adres 2] . De auto’s van de verdachten zijn eveneens doorzocht.

In de woningen van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] zijn (hard)drugs gevonden en inbeslaggenomen. In de auto van [medeverdachte 6] is ook heroïne gevonden. In de woning aan de [adres 2] zijn eveneens verschillende soorten drugs aangetroffen. Ook zijn onder de verdachten luxe horloges en auto’s inbeslaggenomen. Daarnaast zijn in de woningen van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 3] en [verdachte] grote geldbedragen gevonden. In de woningen van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [verdachte] zijn verborgen ruimtes gevonden. In de ruimtes van [medeverdachte 4] en [verdachte] zat geld. [verdachte] had ook een geldtelmachine.

In de woningen van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] zijn dezelfde soort foto’s gevonden waar de verdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] in verschillende samenstellingen maar ook allemaal samen op staan.

In de woningen van de verdachten zijn ook encrypted telefoons gevonden, waarbij die van [verdachte] , een BQ Aquarius, digitaal kon worden onderzocht. Uit dat onderzoek is gebleken dat [verdachte] de gebruiker van deze telefoon was. Het laatste bericht in deze telefoon was van 5 op 6 november 2017, kort voor de aanhoudingen van de verdachten.

Uit de e-mailberichten is op te maken dat werd gewerkt met tokens, die hoofdzakelijk zijn opgedeeld in twee letters gevolgd door tien cijfers en veelvoudig gebruikt worden in het ondergronds bankieren. Dergelijke tokens zijn zowel in de encrypted BQ Aquarius telefoon als in de papieren administratie van [verdachte] aangetroffen. Uit de BQ Aquarius in samenhang met de papieren administratie blijkt van uitgaande contanten van € 1.275.010,00 en van inkomende contanten van € 100.000,00. Ook komen bedragen, getallen en (bij)namen overeen met de aantekeningen die in de woning van [verdachte] zijn gevonden. Daarnaast staat daarin meermalen het woord ‘balance’. Verder blijken bepaalde gebeurtenissen overeen te komen met de aantekeningen zoals aangetroffen bij [verdachte] .

In de BQ Aquarius staan onder andere de contacten: [bijnaam 5] , [bijnaam 1] [bijnaam 8] , [bijnaam 9] , [bijnaam 7] 1, [bijnaam 7] 2, [bijnaam 10] en [bijnaam 11] . [bijnaam 5] is een bijnaam van [medeverdachte 3] , [bijnaam 1] is een bijnaam van [medeverdachte 4] en [bijnaam 7] is een bijnaam van [medeverdachte 6] . De namen [bijnaam 9] , [bijnaam 10] en [bijnaam 11] komen ook voor in de administratie die in de [adres medevd 1] is aangetroffen. Met deze telefoon zijn onder anderen met [medeverdachte 6] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] chat- en/of email-gesprekken gevoerd.

In een e-mailwisseling tussen [verdachte] en [bijnaam 7] zegt [verdachte] dat [bijnaam 7] te veel PGP-toestellen heeft. Bij [medeverdachte 6] zijn meerdere BlackBerry telefoons inbeslaggenomen.

Met [medeverdachte 4] zijn berichten gewisseld tussen 27 oktober 2017 en 5 november 2017. Er is onder andere gesproken over een systeem opzetten in België of Duitsland om blokken te sturen naar Australië. In het vervolg wordt gesproken over hoe ze dat het beste kunnen doen, over persen en het met een sticker beplakken, zodat ze gelijk aan de tegel zijn en over hoeveel het zou gaan kosten. [medeverdachte 4] geeft aan dat hij toevallig 'bruin' van hen in handen heeft gehad en dat het net een iPad was. [verdachte] geeft aan dat de afmetingen en 'alles' gelijk moeten zijn, want als het door de scan gaat, mag het niet afwijken en dat ze het moeten testen per vliegtuig. [medeverdachte 4] zegt: "Ik zet bedrijf op naam van inbreker. Die in me huis had ingebroken." Ook is gesproken over het verzamelen van informatie door [verdachte] voor [medeverdachte 4] omdat [medeverdachte 4] daar slecht in zou zijn. In een van de berichten tussen [verdachte] en [medeverdachte 4] is gesproken over een fruitbedrijf met ‘Maatje [bijnaam 8] ’ en er zijn zoekslagen over het verschepen van containers fruit. Daarmee lijkt [verdachte] de informatiepositie van de organisatie te onderhouden en informatie te verschaffen. Daarnaast is in een bericht door [medeverdachte 4] gezegd dat ‘ [contact 4] ’ misschien naar een feest komt.

Uit de berichten tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] , gewisseld tussen 29 oktober 2017 en 5 november 2017, blijkt dat [medeverdachte 3] toen contact had met zowel [medeverdachte 4] als [medeverdachte 5] .

In de woningen van [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] zijn ten slotte schriften en aantekeningen aangetroffen die overeenkomsten vertonen met de administratie die is gevonden in de [adres medevd 1] . De overeenkomsten zien onder meer op de vermelde bijnamen, zoals ‘ [bijnaam 1] ’, ‘ [bijnaam 7] ’, ‘ [bijnaam 5] ’ en ‘ [bijnaam 6] ’, versluierde tekst, balansen, gelijksoortige registraties van hoeveelheden en bedragen en het gebruik van de letter ‘K’ voor 1000. De aantekeningen van [verdachte] stonden onder andere in een schrift van zijn werkgever [naam werkgever] en kwamen, volgens verklaringen van getuigen, niet overeen met de werkwijze van dat bedrijf. In deze aantekeningen stonden ook data vermeld uit 2017 van de maanden mei tot en met september. Deze administratie lijkt die van de [adres medevd 1] , schriften met daarop ‘Seizoen 16/17’, op te volgen. In de administratie van [verdachte] worden specifieke bedragen genoemd die herleid kunnen worden naar de tokens in de onder hem inbeslaggenomen BQ Aquarius telefoon. Daar blijkt ook uit dat balansen werden gestuurd naar [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] , waaruit volgt dat de organisatie toen nog steeds onder hun supervisie fungeerde. Uit deze administraties is af te leiden dat de aantekeningen betrekking hebben op kilo’s en drugs en dat deze gaan over de handel in verdovende middelen. Uit de administratie op het [adres medevd 1] is naar voren gekomen dat de prijs die voor een blok cocaïne werd gerekend meestal tussen de € 23.000,- en € 24.000,- lag.

Uit het voorgaande kan geconcludeerd worden dat er een samenwerkingsverband was tussen de verdachten. Wat betreft de duur van het samenwerkingsverband volgt de rechtbank de verklaring van [medeverdachte 1] van 10 november 2016 dat de organisatie gedurende ongeveer drieënhalf jaar bezig was. Tussen januari 2013 en september 2016 hebben bovendien zes transacties plaatsgevonden tussen de bankrekeningen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , wat een aanwijzing is dat de organisatie in januari 2013 al actief was. Daar komt bij dat [medeverdachte 4] tussen maart 2014 en april 2016 grote contante stortingen heeft gedaan op de bankrekening van zijn toenmalige eenmanszaak [naam eenmanszaak] , waarbij opvalt dat de stortingen met grote coupures zijn gedaan. Bij twee stortingen zijn bijna alleen biljetten van 500,- euro gebruikt.

Na de inval in de [adres medevd 1] is de organisatie doorgegaan, waarbij [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] op afstand hebben meegedaan. Toen alle verdachten (weer) in Nederland waren, heeft de organisatie haar werkzaamheden voortgezet tot en met de aanhoudingen van de verdachten op 6 november 2017. De tenlastegelegde periode kan gelet hierop bewezen worden.

Dat de organisatie gestructureerd was, blijkt naast de duur van het samenwerkingsverband uit het feit dat er een hiërarchie waar te nemen was met een bepaalde samenwerking en rolverdeling, dat onderling gecommuniceerd werd via versleuteld berichtenverkeer en versluierd taalgebruik, dat bij een aantal verdachten encrypted telefoons zijn aangetroffen en dat uit het berichtenverkeer van een van de encrypted telefoons blijkt dat over schijnbaar criminele zaken werd gecommuniceerd.

3.4.4.3 Oogmerk

De rechtbank acht niet bewezen dat de organisatie als oogmerk het plegen van wapendelicten had, aangezien dat onvoldoende is komen vast te staan, nog daargelaten waar die wapenactiviteiten dan op gericht zouden zijn. Uit OVC- en tapgesprekken, noch uit observaties of ander bewijs is gebleken dat de organisatie zich met (vuur)wapengerelateerde delicten bezighield. Het aantreffen van vuurwapens en munitie op het [adres medevd 1] maakt nog niet dat deze door de organisatie werden gebruikt bij haar activiteiten als zodanig. Daarvan is niet gebleken. Daarom wordt verdachte van dit onderdeel vrijgesproken.

Wel acht de rechtbank, gelet op bovenstaande overwegingen, de hierna volgende overwegingen ten aanzien van het witwassen en de daarbij behorende bewijsmiddelen, en gelet op de in de woningen van verdachten aangetroffen drugs, geldbedragen en goederen, bewezen dat het oogmerk van de criminele organisatie gericht was op het plegen van drugsdelicten en witwassen.

De rechtbank acht niet bewezen dat het oogmerk van de organisatie gericht was op gewoontewitwassen. De aard en omvang (duur) van de witwashandelingen zijn immers niet zodanig dat gesproken kan worden van gewoontewitwassen. De rechtbank zal verdachte hiervan vrijspreken.

3.4.4.4 Deelneming/rol van verdachte

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte betrokken was bij de activiteiten van de organisatie als degene aan wie de financiën werden toevertrouwd en degene die informatie over logistieke aangelegenheden inwon bij (de voorbereiding van) de invoer van verdovende middelen. Ook was hij een van de leden die de verdovende middelen vervoerde.

3.4.4.5 Handel in verdovende middelen

Uit het voorgaande blijkt tevens dat verdachte zich in de tenlastegelegde periode samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] schuldig heeft gemaakt aan de handel in cocaïne, heroïne en hasj.

3.4.5

Medeplegen

Ten aanzien van de geldbedragen en verdovende middelen die op de adressen van de verdachten zijn aangetroffen en die op de individuele tenlasteleggingen van de verdachten staan, gaat de rechtbank ervan uit dat sprake is van medeplegen van het bezit van die verdovende middelen, dan wel het witwassen van die geldbedragen, voor zover deze feiten bewezen kunnen worden verklaard en voor zover de hoeveelheden daarvan passen binnen de activiteiten van een criminele organisatie zoals deze. Nergens is gebleken dat de verdachten los van de organisatie ook eigen activiteiten verrichtten waaruit het bezit van die verdovende middelen en geldbedragen verklaard kan worden. Het is eerder aannemelijk dat het geld en de drugs van de organisatie door de leden van de organisatie, die handelden in gezamenlijke verantwoordelijkheid, op verschillende locaties, in hun woningen, werden bewaard. Daarmee kan vastgesteld worden dat verdachte het strafbare feit met betrekking tot het geld dat op zijn adres is gevonden en de strafbare feiten met betrekking tot de drugs en het geld die op de adressen van de medeverdachten zijn gevonden, heeft medegepleegd. Dit geldt niet voor de verdovende middelen die bij [medeverdachte 2] zijn aangetroffen, aangezien het daar ging om een gebruikershoeveelheid. Evenmin geldt dit voor de ketamine die bij [medeverdachte 5] is aangetroffen, omdat dit niet past binnen de activiteiten van de organisatie.

3.4.6

Witwassen van geldbedrag op het adres [adres 5] (feit 3)

De rechtbank is op grond van de wettige bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte van het in zijn woning aangetroffen geldbedrag een gedeelte heeft witgewassen, namelijk € 18.700,-. Dit geldt niet voor het overige deel van € 20.000,-.

Het tenlastegelegde geldbedrag is in twee delen in de woning van verdachte aangetroffen. Verdachte heeft al in een vroeg stadium verklaard dat een deel daarvan aan hem in bewaring was gegeven door ene [getuige] . Deze [getuige] heeft dat ook als getuige bij de rechter-commissaris bevestigd. Van laatstgenoemde is ook een dactyloscopisch spoor aangetroffen op geld in de woning. Deze verklaring van verdachte wordt dus ondersteund door forensisch onderzoek en een getuige en de rechtbank gaat uit van de juistheid daarvan. Daarom wordt verdachte partieel vrijgesproken van witwassen, te weten van het witwassen van € 20.000,-.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het overige deel van het tenlastegelegde als volgt.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot artikel 420bis Sr (HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, bevestigd in HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1137) volgt de volgende maatstaf:

Witwassen kan bewezen worden verklaard wanneer ofwel op grond van de beschikbare bewijsmiddelen een rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf waaruit de betreffende voorwerpen afkomstig zijn ofwel, indien dit verband niet kan worden gelegd, dat het op grond van vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn.

De rechtbank heeft hiervoor ten aanzien van feit 1 en feit 2 respectievelijk bewezenverklaard dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich richtte op het plegen van (hard)drugsdelicten en witwassen en dat hij heeft gehandeld in verdovende middelen. De rechtbank acht gelet daarop en op grond van de beschikbare bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat het onder verdachte inbeslaggenomen geldbedrag van

€ 18.700,- van misdrijf afkomstig is.

Nu verdachte een deelnemer van de bovengenoemde criminele organisatie was en ook heeft gehandeld in (hard)drugs, oordeelt de rechtbank dat dit geldbedrag afkomstig was uit zijn eigen misdrijf. Op grond van de beschikbare bewijsmiddelen kan dus een rechtstreeks verband gelegd worden met bepaalde misdrijven van verdachte waaruit dit geldbedrag afkomstig is. De rechtbank volgt de officieren van justitie daarom niet in hun visie, dat dit afkomstig was uit enig misdrijf (van een derde).

Artikel 420bis, lid 1, onder a Sr: verbergen en verhullen

Blijkens de wetsgeschiedenis van de Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 606, tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven, hebben ‘verbergen’ en ‘verhullen’ als bedoeld in artikel 420bis, eerste lid, onder a Sr betrekking op gedragingen die erop zijn gericht het zicht op - onder andere - de herkomst van voorwerpen te bemoeilijken. Die gedragingen moeten tevens geschikt zijn om dat doel te bereiken. Van ‘verhullen’ zal al sprake kunnen zijn als door bepaalde constructies een mistgordijn wordt opgeworpen dat weliswaar enig zicht op het voorwerp en de daarbij betrokken personen toelaat, maar het niet mogelijk maakt om met enige zekerheid de (legale) herkomst en de rechthebbende vast te stellen (zie het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:236).

In dit geval is de rechtbank van oordeel dat het door verdachte in zijn woning bewaren van het geldbedrag niet aangemerkt kan worden als een verhullingshandeling in de zin van artikel 420bis, lid 1, onder a Sr.

Dat brengt met zich dat het onder 3, eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde niet bewezen kan worden verklaard en dat verdachte daarvan wordt vrijgesproken.

Artikel 420bis, lid 1, onder b Sr: voorhanden hebben

Volgens vaste rechtspraak is bij het beantwoorden van de vraag of een verdachte op goede gronden kan worden verweten voorwerpen opzettelijk voorhanden en/of aanwezig te hebben gehad, van belang of de verdachte zich in meer of mindere mate daarvan bewust moet zijn geweest, dan wel zich daarvan bewust behoorde te zijn. ‘Voorhanden hebben’ veronderstelt feitelijke zeggenschap over het voorwerp, ook al is niet vereist dat het voorwerp zich in de fysieke nabijheid bevindt.

De rechtbank is, gelet op voorgaande overweging en de wettige bewijsmiddelen, van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte het geldbedrag heeft witgewassen door dit voorhanden te hebben, zoals onder 3, tweede cumulatief/alternatief is ten laste gelegd.

3.4.7

Aanwezig hebben van harddrugs op het adres [adres 2] (feit 4)

Bij de doorzoeking in de woning aan de [adres 2] op 6 november 2017 is geconstateerd dat verschillende soorten verdovende middelen in de woning waren uitgestald. Deze zijn inbeslaggenomen en bleken na forensisch onderzoek cocaïne en MDMA te zijn. Verdachte heeft op de zitting van 23 juni 2020 verklaard dat hij de avond van
5 november 2017 in die woning aanwezig was. Uit de chats met medeverdachten blijkt dat verdachte wist dat die avond daar ook drugs aanwezig zouden zijn. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat verdachte ook wist van deze verdovende middelen, die duidelijk in het zicht lagen. Dat verdachte mogelijk eerder uit die woning is vertrokken dan de medeverdachten, zoals door de verdediging is betoogd, laat het voorgaande onverlet. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte deze, samen met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] die ook in die woning waren, opzettelijk aanwezig heeft gehad.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II weergegeven bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 januari 2013 tot en met 6 november 2017 in Nederland en/of in Turkije en/of in Dubai tezamen en in vereniging met anderen heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, namelijk:

  • -

    misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, 11, derde en vijfde lid en 11a Opiumwet en

  • -

    witwassen zoals bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht,

welke organisatie bestond uit een groep samenwerkende personen, bestaande naast verdachte uit [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] en andere personen;

2.

in de periode van 1 januari 2017 tot en met 6 november 2017 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of vervoerd:

  • -

    hoeveelheden cocaïne en/of heroïne en

  • -

    hoeveelheden hasj;

3.

op 6 november 2017 op het adres [adres 1] tezamen en in vereniging met anderen een geldbedrag van 18.700,- euro voorhanden heeft gehad, terwijl verdachte en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven geldbedrag onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf;

4.

op of omstreeks 6 november 2017 op het adres [adres 2] tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad 13 tabletten, bevattende MDMA, en twee envelopjes en drie wikkels, bevattende MDMA en/of cocaïne.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De rechtbank acht het onder 3, tweede cumulatief/alternatief bewezen verklaarde niet strafbaar en overweegt daartoe als volgt.

De tekst van art. 420bis Sr noch de wetsgeschiedenis staan eraan in de weg dat iemand die een in die bepaling omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens witwassen. Dit betekent echter niet dat elke gedraging die in art. 420bis, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de kwalificatie witwassen rechtvaardigt.

Met betrekking tot het witwassen door het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, is in HR 26 oktober 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM4440) het volgende overwogen.

‘Ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het "voorhanden hebben" daarvan wordt verweten, kan de vraag rijzen of een dergelijk enkel voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht “om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen”. Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.’

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van HR 8 januari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BX6910) aan deze overwegingen het volgende toegevoegd.

‘Met deze rechtspraak wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat. Daarom is beslist dat “indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd”. Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft.’

In de arresten van 13 december 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2842) en 22 januari 2019 (ECLI:NL:HR:2019:78) heeft de Hoge Raad dit herhaald.

De automatische verdubbeling van strafbaarheid - die als ratio van de kwalificatie-uitsluitingsgrond kan worden gezien (‘zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen’) - is in deze zaak aan de orde nu het gronddelict (bezit en handel in drugs) eveneens is ten laste gelegd, voldoende geduid en bewezen verklaard en ten aanzien van het geldbedrag enkel om het voorhanden hebben daarvan gaat. De rechtbank heeft immers niet kunnen vaststellen dat verdachte één of meer handelingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geldbedrag. Zodoende is er een grondslag voor toepassing van de kwalificatie-uitsluitingsgrond ten aanzien van het geldbedrag.

De kwalificatie-uitsluitingsgrond geldt echter niet voor voorwerpen die middellijk afkomstig zijn uit enig zelf begaan misdrijf doordat direct uit het misdrijf afkomstige voorwerpen nadien zijn omgezet in andere voorwerpen. Voorwaarde voor de kwalificatieuitsluitingsgrond is dat het gaat om een voorwerp onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig. Zoals eerder uiteengezet, concludeert de rechtbank dat het geldbedrag onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig is. Dit betekent dat het onder 3, tweede cumulatief/alternatief bewezen verklaarde niet kan worden gekwalificeerd en daarom geen strafbaar feit oplevert. Verdachte dient dan ook voor dit feit te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De overige bewezen geachte feiten zijn volgens de wet wel strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is ten aanzien van deze feiten niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1

De eis van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte voor de door hen bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren.

De officieren van justitie hebben daarbij de ernst van deze feiten benadrukt en meegewogen dat verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven. Hoewel verdachte niet eerder is veroordeeld voor dergelijke feiten, is het beeld ontstaan van de werkwijze van de organisatie en de individuele verdachten dat de overtuiging geeft dat dat samen zou kunnen hangen met de geraffineerdheid en de professionaliteit van de organisatie. Bij de strafeis is verder rekening gehouden met de rol van verdachte en de pleegperiode van het lidmaatschap van de criminele organisatie. Ten slotte is niet van persoonlijke omstandigheden van verdachte gebleken die in strafmatigende zin worden meegewogen in de strafeis.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben bepleit om, in geval aan verdachte bij een eventuele veroordeling een straf wordt opgelegd, in strafmatigende zin rekening te houden met de beduidend kleine rol van verdachte. De strafeis van acht jaar is exorbitant hoog en staat in schril contrast tot de marginale rol die verdachte in het geheel zou hebben gespeeld. In vergelijkbare zaken zijn veel lagere straffen opgelegd.

Daarnaast is sprake van overschrijding van de redelijke termijn die niet te wijten is aan de verdediging, waarop gereageerd dient te worden met een strafkorting van tien procent.

Verder is verzocht in het voordeel van verdachte rekening te houden met zijn blanco strafblad en de omstandigheid dat hij bij een eventueel op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zijn baan kwijt zal raken. Uit het dossier blijkt ook dat verdachte juist afstand heeft willen nemen en daadwerkelijk heeft genomen en zich dus aantoonbaar niet meer bezighield met de hem verweten handeling, waaruit volgt dat geen recidivegevaar bestaat.

Over de voorlopige hechtenis hebben de raadslieden primair verzocht het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen en subsidiair de schorsing van de voorlopige hechtenis door te laten lopen tot de datum van de einduitspraak. Verdachte heeft zich namelijk aan de schorsingsvoorwaarden gehouden en kan op welk moment dan ook op geen enkele wijze in relatie worden gebracht met geweld en/of (vuur)wapens.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft samen met in ieder geval zes medeverdachten in deze zaak gedurende een lange periode deel uitgemaakt van een criminele organisatie die drugsdelicten en witwasfeiten pleegde. In dat kader heeft hij samen met een aantal medeverdachten gehandeld in soft- en harddrugs en zich ook schuldig gemaakt aan het bezit daarvan.

Criminele organisaties ondermijnen de rechtsorde en veroorzaken maatschappelijke onrust en financieel nadeel voor de samenleving. Strafbare feiten die gepleegd worden in een crimineel samenwerkingsverband, zoals drugsdelicten, leveren veel geld op voor alle personen die zitten in de lijn van de invoer tot aan de uiteindelijke verkoop aan de gebruikers. Voor de gebruikers kóst het alleen maar geld en hun gezondheid. Het gebruik van harddrugs levert een onaanvaardbaar gevaar op voor de volksgezondheid. De handel daarin gaat gepaard met overlast in de samenleving en het gebruik daarvan genereert op zijn beurt strafbare feiten.

Het risico dat ook aan maatschappelijk en/of lichamelijk zwakkeren wordt geleverd, voor wie het gebruik van harddrugs ernstige financiële, sociale en lichamelijke problemen kan opleveren, wordt daarbij uit winstbejag geheel op de koop toe genomen.

De strafwaardigheid van deelneming aan een criminele organisatie wordt enerzijds bepaald door de organisatiegraad en het ontwrichtende karakter daarvan voor de openbare orde en anderzijds ook door de aard van de misdrijven die worden beoogd. De organisatie waartoe verdachte behoorde, was een duurzaam en goed georganiseerd samenwerkingsverband, zoals onder meer is gebleken uit de aangetroffen administratie. Deze administratie geeft blijk van een omvangrijke, professionele en gestructureerde bedrijfsvoering van een zeer actieve organisatie waarin gedurende een aantal jaren heel veel geld omging. Gelet hierop kan niet anders geconcludeerd worden dan dat het handelen van de organisatie tot een grote mate van ontwrichting voor de samenleving en de openbare orde heeft geleid. Verdachte heeft als financieel verantwoordelijke een zeer belangrijke rol gehad binnen de organisatie en heeft ook bemoeienis gehad bij het verslepen van de drugs. Door de bewezenverklaarde feiten te plegen, heeft verdachte zijn eigen financieel gewin boven de veiligheid van heel veel mensen gesteld en de maatschappij bewust blootgesteld aan de risico’s gepaard gaand met het gebruik van harddrugs. Gelet op het voorgaande is als reactie op het handelen van verdachte alleen een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats. Zijn proceshouding heeft daaraan in zijn nadeel bijgedragen.

In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Het heeft namelijk te lang geduurd voordat er uitspraak wordt gedaan in deze zaak. Daardoor heeft verdachte onnodig lang in onzekerheid gezeten over de afdoening van de zaak. Ter compensatie van die onzekerheid zal de hoogte van de straf worden gematigd.

In beginsel moet een strafzaak binnen twee jaar tot een afronding komen. Als beginpunt van de redelijke termijn neemt de rechtbank de aanhouding van verdachte en de doorzoeking van zijn woning op 6 november 2017. Vanaf dat moment kon verdachte verwachten dat hij zou worden vervolgd. De zaak had dus in beginsel uiterlijk twee jaar later, op 6 november 2019, afgerond moeten zijn met een eindvonnis van de rechtbank. De rechtbank doet pas op

31 augustus 2020 uitspraak. De redelijke termijn is dus met ongeveer tien maanden overschreden. Dat is een forse overschrijding die niet aan de verdediging te wijten is, maar vooral aan organisatorische en logistieke kwesties bij de rechtbank en het Openbaar Ministerie. Deze termijnoverschrijding dient consequenties te hebben in de vorm van enige compensatie in de strafmaat. De rechtbank acht een strafkorting van ongeveer vijf procent passend.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte ook rekening met de omstandigheid dat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte zelf gedurende de gehele bewezenverklaarde periode een actieve betrokkenheid heeft gehad bij de criminele organisatie en dat het erop lijkt dat hij voorafgaand aan de inval aan het [adres medevd 1] niet betrokken was bij de organisatie.

De rechtbank vindt, gelet op alle genoemde omstandigheden, als reactie op het bewezenverklaarde een gevangenisstraf van 78 maanden (zesenhalf jaren) passend. In die zin wijkt de rechtbank in het voordeel van verdachte af van de eis van de officieren van justitie. De rechtbank komt overigens ook tot een bewezenverklaring van minder feiten dan door de officieren van justitie geëist en een partieel ontslag van rechtsvervolging. Met toepassing van de strafkorting voor de termijnoverschrijding zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf van 74 maanden opleggen.

Over de (schorsing van de) voorlopige hechtenis overweegt de rechtbank dat verdachte in een zaak als deze waarin hij verdacht wordt van diverse ernstige strafbare feiten in een relatief vroeg stadium is geschorst. In menig vergelijkbare zaak blijven verdachten aanzienlijk langer in voorlopige hechtenis gedetineerd. Op dit moment ligt er een veroordelend vonnis met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur, waarvan verdachte – als deze straf in stand blijft – na aftrek van het voorarrest, nog langere tijd komt vast te zitten. De vraag waarvoor de rechtbank zich nu gesteld ziet is of verdachte nu al moet aanvangen met het uitzitten van zijn straf of dat hij geschorst kan blijven uit de voorlopige hechtenis tot het moment dat het oordeel in deze zaak onherroepelijk wordt. Verdachte is destijds op grond van zijn persoonlijke omstandigheden geschorst. Ook op dit moment heeft hij persoonlijke omstandigheden die zwaar wegen, maar wat de rechtbank betreft niet opwegen tegen het belang van het uitzitten van de nu opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Dit betekent dat de schorsing van de voorlopige hechtenis zal worden opgeheven.

8 Het beslag

Blijkens de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen van 24 juni 2020 zijn onder verdachte de volgende voorwerpen in beslag genomen:

2 Geld Euro 18150.00, 5479139

3 Geld Euro 19000.00, 5479142

4 1.00 STK Automaat Kl: beige, SAFESCAN geldtel, 5479376 geldtelmachine

5 1.00 STK Notitieblok, TECH TREND, 5479149

6 1.00 STK USB-stick (memorykaart), 5513105

7 1.00 STK Zaktelefoon, NOKIA, 5513123

8 1.00 STK Zaktelefoon, NOKIA, 5479188

9 Geld Euro 550.00, 5479147

11 1.00 STK Tas Kl: wit/ Blauw, ALBERT HEIJN Plastic, 5479151 met 3 sporen

12 1.00 STK Zaktelefoon Kl: zilverkl., BLACKBERRY, 5479196

13 1.00 STK Zaktelefoon Kl: zwart, BLACKBERRY bold, 5479177

14 1.00 STK Zaktelefoon Kl: zilverkl, BLACKBERRY, 5479198

15 1.00 STK Zaktelefoon Kl: zwart, NOKIA, 5479194

16 1.00 STK Zaktelefoon Kl: zwart, AQUARIUS, 5479187

17 1.00 STK Zaktelefoon, NOKIA E71, 5479175

18 1.00 STK Zaktelefoon Kl: zwart, APPLE Iphone, 5479180

19 1.00 STK Zaktelefoon Kl: zwart, APPLE Iphone, 5479193

20 1.00 STK Zaktelefoon Kl: zwart, NOKIA, 5479189

21 1.00 STK Zaktelefoon Kl: zwart, APPLE Iphone, 5555730

22 1.00 STK Zaktelefoon Kl: zwart, SAMSUNG Galaxi not, 5555732

23 1.00 STK Zaktelefoon Kl: zwart, ALCATEL one touch, 5555734

24 1.00 STK Simkaart van zaktelefoon, JAWAL, 5555736

25 1.00 STK Kantoorbenodigheden, 5479205 aangetr. in woonkamer in FO/NFI verpakking

26 1.00 STK Verdovende Middelen, 5479213.

Verder zijn onder verdachte een (namaak) Rolex horloge en € 1.000,- inbeslaggenomen. Dit goed en geld staan niet op de beslaglijst.

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd:

  • -

    verbeurdverklaring van de onder 2, 3 en 9 genoemde geldbedragen, de onder 7, 8, 12, 13. 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22 en 23 genoemde telefoons en het Rolex horloge;

  • -

    onttrekking aan het verkeer van 4, 5, 6, 11, 24, 25 en 26 genoemde voorwerpen.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben bepleit de inbeslaggenomen voorwerpen, meer in het bijzonder de geldbedragen, aan verdachte te retourneren.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

8.3.1

Verbeurdverklaring

De onder 2 en 9 inbeslaggenomen geldbedragen behoren aan verdachte toe. Hij kan deze geldbedragen geheel of ten dele ten voordele van zichzelf aanwenden. Nu deze voorwerpen geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het onder 1 en 2 bewezen geachte zijn verkregen, worden deze geldbedragen verbeurdverklaard.

De onder 4, 5, 6, 11, 24 en 25 inbeslaggenomen voorwerpen behoren aan verdachte toe. Nu met betrekking tot die voorwerpen het onder 1 en 2 bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.

De onder 7, 8, 12, 13, 14, 15, 17, 18, 19, 20, 21, 22 en 23 inbeslaggenomen voorwerpen behoren aan verdachte toe. Nu met behulp van die voorwerpen het onder 1 en 2 bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.

8.3.2

Onttrekking aan het verkeer

De voorwerpen onder 16 en 26 zijn aangetroffen in het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven, terwijl zij kunnen dienen tot het voorbereiden of het begaan van soortgelijke misdrijven en van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Daarom worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

8.3.3

Bewaring ten behoeve van de rechthebbende

Het onder 3 genoemde geldbedrag van € 19.000,- staat niet in relatie tot enig strafbaar feit, althans daarvan is uit het onderzoek niet gebleken. De rechtbank heeft immers bepaald dat dit geldbedrag, en het onder goednummer 5479145 inbeslaggenomen geldbedrag van € 1.000,- dat niet op de beslaglijst staat vermeld, toebehoren aan [getuige] . Daarom wordt dit bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

8.3.4

Teruggave aan beslagene/verdachte

Het onder verdachte inbeslaggenomen Rolex horloge dat nep bleek te zijn (niet op de beslaglijst vermeld) kan geretourneerd worden aan verdachte, nu dit evenmin in relatie staan tot enig strafbaar feit.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10, 11 en 11b van de Opiumwet.

Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van de bewezen geachte feiten.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 3, eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, tweede cumulatief/alternatief en 4 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen geachte:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, 11, derde en vijfde lid en 11a van de Opiumwet

en

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

Ten aanzien van het onder 2 bewezen geachte:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van het onder 3, tweede cumulatief/alternatief bewezen geachte:

medeplegen van witwassen;

Ten aanzien van het onder 4 bewezen geachte:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Verklaart het onder 3, tweede cumulatief/alternatief bewezen geachte niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.

Verklaart het onder 1, 2 en 4 bewezen geachte strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 74 (vierenzeventig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 2, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 11, 12, 13, 14, 15, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24 en 25 genoemde voorwerpen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 16 en 26 genoemde voorwerpen.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het op de beslaglijst onder 3 genoemde geldbedrag en het geldbedrag van € 1.000,- dat onder goednummer 5479145 onder verdachte in beslag is genomen.

Gelast de teruggave aan verdachte van het onder verdachte inbeslaggenomen (namaak) Rolex horloge.

Heft op het bevel tot de schorsing van de voorlopige hechtenis. Deze beslissing is afzonderlijk geminuteerd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Ch.A. van Dijk, voorzitter,

mrs. C.M. Degenaar en P.P.C.M. Waarts, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F. Coşkun, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 augustus 2020.

Mr. Van Dijk is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

[...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

[...]

[...]

[...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

47 [...]

48 [...]

55 [...]

57 [...]

58 [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]