Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4515

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-08-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
13/728063-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Onderzoek Quebec. Deelname aan criminele organisatie, handel in harddrugs, bezit van harddrugs en witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK [plaats]

VONNIS

Parketnummer: 13/728063-17 (Promis)

Datum uitspraak: 31 augustus 2020

Vonnis van de rechtbank [plaats] , meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1975,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 22 juni 2020, 29 juni 2020, 30 juni 2020 en 2 juli 2020.

Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 31 augustus 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie,

mrs. S .W.M. van der Linde en M. al Mansouri, en van wat verdachte en zijn raadsman,

mr. A.D. Kloosterman, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er – samengevat – van beschuldigd dat hij

  1. in de periode van 1 januari 2013 tot en met 6 november 2017 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van drugsdelicten, wapendelicten en witwassen (art. 11b van de Opiumwet en art. 140 van het Wetboek van Strafrecht);

  2. in de periode van 1 januari 2017 tot en met 6 november 2017 samen met anderen heeft gehandeld in cocaïne, heroïne en hasj (art. 2, onder B en art. 3, onder b van de Opiumwet);

  3. op of omstreeks 6 november 2017 samen met anderen een geldbedrag, een horloge, auto’ s en designer tassen heeft witgewassen (art. 420bis, lid 1 aanhef onder a en b van het Wetboek van Strafrecht);

  4. op of omstreeks 6 november 2017 samen met anderen cocaïne aanwezig heeft gehad (art. 2, onder C van de Opiumwet);

  5. op of omstreeks 6 november 2017 samen met anderen ketamine in voorraad heeft gehad (art. 40 van de Geneesmiddelenwet).

De volledige tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Inleiding

Op 10 november 2016 kwam [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) het politiebureau Meer en Vaart in [plaats] binnen met de mededeling te vrezen voor zijn leven. Hij vertelde onder andere dat in zijn woning op het adres [adres 1] in [plaats] (hierna: het adres [adres 1] ) honderd kilo cocaïne, 600.000,- euro en een zak met vuurwapens liggen. Ook vertelde hij dat hij ongeveer drieënhalf jaar in de drugs zit en deel uitmaakt van een organisatie die bestaat uit “bazen” en “werkers”. Volgens [medeverdachte 1] is deze organisatie een geoliede machine en bestaat deze uit grote jongens. [medeverdachte 1] is zelf een “werker” die aflevert en in ontvangst neemt, waarbij het gaat om kilo’ s in de week. [medeverdachte 1] vertelde dat de avond ervoor de hele club bij hem thuis kwam en dat dit nooit gebeurde. Ze hadden ook nieuw spul bij zich en hij vond dat het niet klopte. Hij is naar de politie gegaan, omdat hij dacht dat ze hem wilden ombrengen.

Hierop werd [medeverdachte 1] aangehouden en volgde een doorzoeking in zijn woning. Daarbij zijn onder andere grote geldbedragen en grote hoeveelheden harddrugs inbeslaggenomen. In de nacht van 10 op 11 november 2016 is een melding gedaan van een verdachte situatie in de woning van [medeverdachte 1] , waarschijnlijk naar aanleiding van een inbraak. Hierna vond een tweede doorzoeking plaats, waarbij in het toilet een verborgen ruimte is ontdekt die bij de eerste doorzoeking niet was opgemerkt. Vermoedelijk hebben twee inbrekers deze ruimte toen deels leeggehaald. Na beide doorzoekingen zijn in totaal onder andere grote hoeveelheden cocaïne en heroïne, ongeveer 800.000,- euro aan contant geld, een cocaïnepers, geldtelmachines, administratie, acht vuurwapens en ruim 800 stuks munitie inbeslaggenomen.

Dit heeft geleid tot het onderzoek 13Biscoe. Na zijn mededelingen bij de politie op 10 november 2016 heeft [medeverdachte 1] zich op zijn zwijgrecht beroepen. Wel heeft hij over een enkel onderwerp schriftelijk nog iets verklaard maar wilde hij geen zaaksinhoudelijke vragen meer beantwoorden. De rechtbank heeft [medeverdachte 1] voor deze zaak op 21 juni 2017 veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar. Dat vonnis is inmiddels onherroepelijk geworden.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten in de zaak 13Biscoe is onderzoek gedaan naar andere personen rondom [medeverdachte 1] , waarmee het onderzoek 13Quebec in deze zaak is begonnen. In dit onderzoek kwamen onder meer de zes medeverdachten in deze zaak naar voren, te weten [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), [verdachte] (hierna: [verdachte] ), [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ), [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ) en [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] ). Zij zijn allen op 6 november 2017 aangehouden en op dezelfde dag hebben doorzoekingen in onder andere hun woningen plaatsgevonden.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie hebben zich aan de hand van hun schriftelijk requisitoir op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit hebben de officieren van justitie betoogd dat het procesdossier genoeg bewijsmateriaal bevat om wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte samen met alle medeverdachten heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Uit de in het requisitoir aangehaalde bewijsmiddelen moet volgen dat niet alleen sprake is geweest van een situatie waarin een min of meer vaste groep van personen duurzaam en gestructureerd actief is geweest, maar ook dat het oogmerk van dit samenwerkingsverband gericht is geweest op het plegen van de in de tenlastelegging genoemde misdrijven. De duurzaamheid van de criminele organisatie, en daarmee ook de tenlastegelegde periode, kan worden afgeleid uit het tijdsverloop, waarbij de startverklaring van [medeverdachte 1] die eerder door de rechtbank als betrouwbaar is beoordeeld, als een eerste bewijsmiddel geldt. Dat sprake is van tijdsverloop wordt ondersteund door het aantreffen van drugsadministratie en het feit dat uit onderzoek is gebleken dat de verdachten elkaar al langere tijd kennen. De duurzaamheid en de structuur van de organisatie blijken ook uit het feit dat de organisatie bleef doordraaien nadat twee prominente leden, [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] , na de aanhouding van [medeverdachte 1] voor de duur van bijna een jaar naar het buitenland waren vertrokken. De bestendigheid van de organisatie blijkt ook uit gesprekken in de encrypted BQ Aquarius telefoon die in de woning van [medeverdachte 4] is inbeslaggenomen. Onderling gebruikten deelnemers bijnamen voor elkaar en werd er versluierd gesproken als het om verdovende middelen ging. Na terugkomst in Nederland in oktober 2017 gingen de werkzaamheden van de organisatie op dezelfde voet verder, tot op de dag van de aanhoudingen op 6 november 2017. Uit de bewijsmiddelen blijkt ook de structuur van de organisatie, waarbij de verdachten ieder een duidelijke rol hadden.

Wat betreft de onder 2 tenlastegelegde handel in verdovende middelen blijkt volgens de officieren van justitie uit tap- en OVC-gesprekken duidelijk de betrokkenheid van [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 4] bij de organisatie en de uitvoering van de drugshandel. Naast gesprekken over de handel in drugs, zijn er ook gesprekken die duiden op het gebruik van encrypted telefoons. Uit de BQ Aquarius telefoon valt op te maken dat [medeverdachte 4] veelvuldig contact heeft gehad met [medeverdachte 2] en dat onderling veelvuldig is gesproken over de handel in verdovende middelen, over de betalingen die daarmee verband houden en dat [verdachte] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] de revue passeerden. Ook blijkt dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] financiële informatie uitwisselden, dat [medeverdachte 4] de financiële administratie bijhield en dat ze beiden [verdachte] kennen.

Ten aanzien van de feiten 3, 4 en 5 is betoogd dat bij de doorzoeking in de woning van [verdachte] op 6 november 2017 2,3 kilo cocaïne, ruim 10 kilo ketamine, twee voertuigen, designertassen, een Rolex horloge en een aardige hoeveelheid contant geld van in totaal € 5.765,- zijn aangetroffen. Het witwassen van dit geldbedrag, de voertuigen en het Rolex horloge kan bewezen worden verklaard. Het bezit van de verdovende middelen kan eveneens bewezen worden verklaard.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aan de hand van zijn pleitnotities bepleit verdachte vrij te spreken van de aan hem onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten. Ten aanzien van de feiten 4 en 5 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, maar dan enkel voor het aanwezig en in voorraad hebben van een hoeveelheid cocaïne respectievelijk ketamine.

Ter onderbouwing van de door hem bepleite vrijspraken heeft de raadsman het volgende aangevoerd.

Voor de deelname van verdachte aan een criminele organisatie kan in ieder geval voor de periode 1 januari 2013 tot en met 31 december 2016 geen bewezenverklaring volgen, omdat toereikend bewijs hiervoor ontbreekt. Wat betreft de periode van 1 januari 2017 tot en met 6 november 2017 geldt zowel ten aanzien van de criminele organisatie als de handel in verdovende middelen dat het dossier teveel contra-indicaties bevat om tot een bewezen-verklaring te kunnen komen. Uit het dossier blijkt namelijk niet wat de rol van verdachte in deze organisatie zou zijn. Van deelname kan daarom al geen sprake zijn. Verdachte was niet een van de personen die daags voor de aanhouding van [medeverdachte 1] bij hem thuis waren gekomen. Het dossier geeft ook geen aanleiding aan te nemen dat verdachte op enig moment in dat pand aanwezig is geweest. Nergens zijn dactyloscopische sporen of DNA-sporen van hem aangetroffen. Ook anderszins valt verdachte niet in verband te brengen met de stashplek, de woning aan het adres [adres 1] of de daar aangetroffen goederen. De daar aangetroffen drugs, geldbedragen en drugsadministratie zijn volgens het Openbaar Ministerie wel relevant voor de deelname van de verdachten die wel aan dit adres kunnen worden gelinkt.

Verdachte is ook niet (halsoverkop) naar het buitenland vertrokken of te linken aan andere activiteiten van de medeverdachten. De relatief kleine hoeveelheid geld die bij verdachte is aangetroffen is, vergeleken met wat bij medeverdachten is aangetroffen, eveneens een contra-indicatie voor enige deelname aan een criminele organisatie.

Slechts twee afgeluisterde gesprekken legt het Openbaar Ministerie belastend uit waar het om contacten met afnemers gaat. In de woning van verdachte is een hoeveelheid cocaïne en ketamine aangetroffen, maar die bewaarde hij voor iemand anders.

Voor de handel in hennep zijn in ieder geval geen aanwijzingen. Gedurende het onderzoek van een jaar lang is niet één keer vastgesteld dat verdachte iets heeft afgenomen. De gesprekken die het Openbaar Ministerie belastend uitlegt, kunnen ook gelezen worden in het licht van de handel in ketamine. Het duiden van OVC- en tapgesprekken is zeer lastig en in deze zaak ontbreekt voldoende context. Voor zover al verhuld wordt gesproken, blijft de reële mogelijkheid open dat over iets anders wordt gesproken dan wat het Openbaar Ministerie in gedachten heeft. Met het ook op de te betrachten behoedzaamheid en het ontbreken van ander concreet bewijs, biedt het dossier dan ook onvoldoende aanknopingspunten dat verdachte zich bezighield met de handel in cocaïne en daarom dient vrijspraak te volgen van de feiten 1 en 2.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman betoogd dat op basis van de feiten en omstandigheden geen gerechtvaardigd vermoeden van witwassen aanwezig is. Het volgende heeft hij daartoe aangevoerd.
Het in de woning van verdachte aangetroffen geldbedrag lag verdeeld over het huis en is, bij elkaar opgeteld, geen witwasindicator. Dit geldt vooral omdat verdachte aan het werk was in zijn winkel het [bedrijf 3] .
Het Rolex horloge is tweedehands, van relatief geringe waarde en gekocht met geld dat de partner van verdachte van haar moeder heeft geërfd. Dit horloge rechtvaardigt evenmin een verdenking van witwassen.
Dat geldt ook voor de aangetroffen tassen.
Voor de twee auto’ s , een Volkswagen Touran en een Volkswagen Polo, geldt dat deze geen auto’ s zijn van een luxe kaliber. De Volkswagen Polo is van de broer van verdachte. Deze werd soms door hem en zijn vrouw gebruikt, maar dat maakt niet dat sprake is van witwassen. De Volkswagen Touran is op afbetaling gekocht van [medeverdachte 4] en is een gezinswagen die past in het huishouden van (de partner) van verdachte.
Omdat het aangetroffen geldbedrag en de hiervoor genoemde goederen niet van dien aard zijn dat zij een verdenking van witwassen rechtvaardigen, is een verklaring van verdachte hierover niet vereist.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

3.4.1

De bruikbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 1]

De rechtbank acht de eerste verklaring (startverklaring) van [medeverdachte 1] geloofwaardig en betrouwbaar en zal deze onverkort gebruiken bij de beoordeling van het tenlastegelegde. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Er is weliswaar sprake van schending van het verdedigingsrecht van artikel 6, lid 3 EVRM omdat de verdediging in de gelegenheid is gesteld het ondervragingsrecht uit te oefenen, maar [medeverdachte 1] niet daadwerkelijk direct en adequaat heeft kunnen ondervragen aangezien hij zich op alle vragen heeft verschoond. Toch mag de eerste verklaring van [medeverdachte 1] bij het bewijs meegewogen worden, omdat de rechtbank met het Openbaar Ministerie van oordeel is dat voldoende steunbewijs aanwezig is in het dossier voor de verklaring van [medeverdachte 1] dat er een organisatie was die zich bezighield met drugshandel. Zoals ook blijkt uit het Vidgen-arrest, kan een getuigenverklaring ondanks schending van het ondervragingsrecht voor het bewijs gebezigd worden indien er steunbewijs aanwezig is.

[medeverdachte 1] heeft in zijn eerste verklaring bij de politie op 10 november 2016 verklaard dat hij deel uitmaakte van een geoliede machine, bestaande uit bazen en werkers. Hij heeft in die verklaring geen namen genoemd en in die zin de verdachten in deze zaak niet direct belast. De namen van de verdachten in de zaak 13Quebec zijn naar aanleiding van onderzoeksresultaten bekend geworden. Ter zitting van 22 juni 2020 heeft [medeverdachte 1] in zijn eigen zaak voor het eerst verklaard dat hij op de woning aan het adres [adres 1] paste voor een groep Hindoestanen die de spullen daar zou hebben achtergelaten. Daarnaast heeft hij verklaard dat zijn medeverdachten niets te maken hebben met en ook niets wisten van de in zijn woning aangetroffen drugs, wapens of geld. Ter zitting heeft [medeverdachte 1] zijn verklaring verder niet willen toelichten of onderbouwen. Zijn ter zitting afgelegde verklaring is op schrift ter zitting overgelegd. Die verklaring is vervolgens in de dossiers van de medeverdachten gevoegd.

De rechtbank acht deze ter zitting afgelegde verklaring, waarin [medeverdachte 1] de medeverdachten kennelijk ‘uit de wind wil houden’, niet betrouwbaar gezien de inhoud van de bewijsmiddelen die in dit vonnis per feit nader zullen worden besproken.

De rechtbank is in het vonnis van 21 juni 2017 al uitgegaan van de juistheid van de eerste verklaring van [medeverdachte 1] . Sinds die tijd heeft [medeverdachte 1] weliswaar nuances aangebracht in zijn eerdere verklaring, waartoe hij kennelijk redenen had, maar dat laat onverlet dat zijn eerste verklaring wordt ondersteund door de onderzoeksresultaten in de zaak 13Quebec. [medeverdachte 1] heeft met die eerste verklaring, waarin hij geen enkele naam heeft genoemd en niemand direct heeft belast, de politie op een spoor gezet en de politie is met een zelfstandig onderzoek op de medeverdachten in deze zaak gekomen. Dat maakt dat de rechtbank de eerste verklaring van [medeverdachte 1] geloofwaardig en betrouwbaar vindt en deze onverkort gebruikt voor het bewijs.

3.4.2

Deelname aan criminele organisatie en handel in verdovende middelen (feiten 1 en 2)

De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn vervat, waaronder de bewijsmiddelen die zijn gebruikt voor de overige bewezenverklaarde feiten, en gelet op wat hierna wordt overwogen, van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode samen met in ieder geval [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van drugsdelicten en witwassen (feit 1).

Ook acht de rechtbank op grond van de wettige bewijsmiddelen en de volgende overwegingen bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] heeft gehandeld in verdovende middelen (feit 2).

3.4.2.1 Juridisch kader deelname aan criminele organisatie

Volgens vaste jurisprudentie wordt onder een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) respectievelijk (het huidige) artikel 11b Opiumwet verstaan een samenwerkingsverband van ten minste twee personen met een zekere duurzaamheid en structuur. Voor deelneming aan een dergelijke organisatie is in het algemeen vereist dat de verdachte tot deze organisatie behoort en dat de verdachte een aandeel heeft in, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon, om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Evenmin is vereist dat de verdachte wetenschap heeft van een of meer concrete misdrijven.

3.4.2.2 Duurzaamheid en structuur

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komt een beeld naar voren van een gestructureerd samenwerkingsverband van in ieder geval zeven personen dat zich gedurende geruime tijd heeft beziggehouden met verschillende vormen van criminaliteit. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Bij de doorzoekingen op 10 en 11 november 2016 in de woning van [medeverdachte 1] op het adres [adres 1] zijn onder andere grote hoeveelheden cocaïne en heroïne, wapens en munitie en grote geldbedragen, deels in een verborgen ruimte, aangetroffen en inbeslaggenomen. Daarnaast is administratie aangetroffen die in het onderzoek gerelateerd wordt aan de handel in verdovende middelen. Een opvallend voorbeeld hiervan is dat in de administratie de aanduiding ‘F12’ staat en dat op bepaalde in de woning aangetroffen drugs de stempel ‘F12’ zit. Ook zijn geldtelmachines en een cocaïnepers aangetroffen en inbeslaggenomen.

Bij de eerste doorzoeking op het adres [adres 1] op 10 november 2016 werd een Nederlandse identiteitskaart en een Nederlands rijbewijs aangetroffen van [medeverdachte 3] .

Op dit adres zijn ook sporen aangetroffen.

Op een 500,- euro biljet zat een spoor van een handpalm van [medeverdachte 3] . Ook is een vingerafdruk van [medeverdachte 3] aangetroffen op een zwarte plastic tas in deze woning waar cocaïne in zat. DNA van [medeverdachte 3] werd aangetroffen op zes handvatten van tassen met verdovende middelen, elastiekjes waarmee bankbiljetten waren verbonden, de drinkrand van een pakje melk en een sigarettenpeuk.

Op transparante plastic verpakking van geld is een vingerafdruk van [medeverdachte 2] gevonden. Ook is zijn DNA aangetroffen op de drinkrand van een flesje frisdrank en een peuk van een sigaret.

Een bloedspoor van [medeverdachte 5] zat op de buitenzijde van een Albert Heijn tas waarin wapens werden aangetroffen en zijn DNA zat op een sigarettenpeuk.

Ook van [medeverdachte 6] is DNA aangetroffen, te weten op een sigarettenpeuk. In de administratie die in de woning van [medeverdachte 1] lag, zijn dactyloscopische sporen gevonden van onder anderen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] .

In de mobiele telefoon Samsung SM-G361H met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] , afkomstig uit de fouillering van [medeverdachte 1] , bleken data (e-mailberichten) te zitten die horen bij [medeverdachte 3] . In deze telefoon zaten onder andere de volgende contacten: [naam 1] : [telefoonnummer 2] , [naam 2] : [telefoonnummer 3] , [naam 3] : [telefoonnummer 4] , [naam 4] : [telefoonnummer 5] en [naam 5] : [telefoonnummer 6] . Deze (bij)namen zijn in het onderzoek toegeschreven aan respectievelijk [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 3] en [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ), vriendin van [medeverdachte 6] . De nummers van [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] kwamen ook voor in de onder [medeverdachte 1] inbeslaggenomen LG telefoon.

Uit de historische telecomgegevens van het al genoemde telefoonnummer [telefoonnummer 1] , in gebruik bij [medeverdachte 1] , is gebleken dat hij in de periode van 3 tot en met 10 november 2016 contact heeft gehad met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [persoon 1] .

Uit de historische telefoongegevens van telefoonnummers in de bij de eerste doorzoeking inbeslaggenomen LG en de bovengenoemde Samsun telefoons kwam als gemeenschappelijk contact het nummer [telefoonnummer 7] naar voren. Dit nummer, dat op naam stond van [medeverdachte 5] , was ook een contact van nummer [telefoonnummer 8] van vermoedelijk [medeverdachte 1] . De gebruiker van nummer [telefoonnummer 7] wordt als overkoepelend contact gezien in het onderzoek 13Quebec.

In de woning van [medeverdachte 1] is tevens een Turks bankboekje aangetroffen waaruit blijkt dat [medeverdachte 5] op 30 juli 2015 voor 1.350,- euro aan Turkse lira op de rekening van [medeverdachte 1] heeft gestort.

Op de camerabeelden van [adres 1] is gezien dat op 6 november 2016 een man die is herkend als [medeverdachte 5] rond 20:45 uur de flat binnenliep. Rond 20:55 uur kwam een man die is herkend als [medeverdachte 6] het gebouw binnen en stapte uit de lift op de eerste verdieping. Rond 23:45 uur verlieten zij de flat samen met een man die is herkend als [medeverdachte 2] .

Op 8 november 2016 zijn op de camerabeelden drie mannen gezien die zijn herkend als [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] . Gezien is dat rond 22:00 uur [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] de toegangshal van de flat binnenliepen en dat rond 23:00 uur [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en een onbekende man de centrale hal weer uitliepen. Op de camerabeelden van 9 november 2016 zijn twee mannen gezien die zijn herkend als [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Deze mannen zijn met boodschappentassen van de Lidl en Albert Heijn en een rolkoffer rond 20:30 uur in de lift gestapt en na het uitstappen in de richting van de woning van [medeverdachte 1] gelopen. Deze tassen leken op de tassen in de woning van [medeverdachte 1] waar de verdovende middelen de volgende dag in zijn aangetroffen.

Op 10 november 2016 is gezien dat de man die is herkend als [medeverdachte 3] rond 9:45 uur met een fiets en een grote zwarte tas op de eerste verdieping, waar [perceel] is, in de lift is gestapt, op de begane grond is uitgestapt en het gebouw heeft verlaten. Later op de dag, rond 16:50 uur, is een man die is herkend als [medeverdachte 2] in de richting van de woning van [medeverdachte 1] gelopen.

[medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] hebben op 10 november 2016, vlak na de inval in de [adres 1] , Nederland verlaten en hebben tot oktober 2017 in Turkije en de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) verbleven. Zij hebben daar heel veel geld uitgegeven, zoals ook blijkt uit een tapgesprek tussen [medeverdachte 6] en [persoon 1] waarbij laatstgenoemde klaagt over [medeverdachte 6] uitgavenpatroon. Opvallend is dat [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] ook in de periode dat zij in het buitenland verbleven salaris hebben ontvangen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Ook [medeverdachte 2] stond op de loonlijst van deze bedrijven. Ook is opvallend dat zowel [medeverdachte 6] als [medeverdachte 2] op 22 januari 2017 beiden naar de VAE zijn gereisd. Op 5 april 2017 is [medeverdachte 2] ook weer vanuit Marokko naar Nederland gekomen, waarna [medeverdachte 3] op 7 april 2017 naar Marokko is vertrokken. Uit observaties is gebleken dat [medeverdachte 3] zich tot die tijd vanaf de inval in de [adres 1] heeft schuilgehouden. Hij heeft op 15 november 2016 zijn auto, een Peugeot Partner, van de hand gedaan.

Uit observaties is verder gebleken dat [medeverdachte 2] en [verdachte] in de periode van 11 april 2017 tot en met 6 juli 2017 meermalen samen zijn gezien, onder andere in de Kia Rio, in gebruik bij [medeverdachte 2] en onder hem in beslag genomen, met kenteken [kenteken 1] en in de kaaswinkel ‘ [bedrijf 3] ’. Deze winkel was van [verdachte] en [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ), ex-vriendin van [medeverdachte 6] . Op laatstgenoemde datum hadden [medeverdachte 2] en [verdachte] een ontmoeting met een onbekende man.

Binnen het onderzoek 13Quebec zijn diverse taplijnen aangesloten en uitgeluisterd. Ook zijn de gesprekken in de al genoemde Kia Rio, gedurende een periode opgenomen en uitgeluisterd. Daarbij gaat het om de volgende gebruikers – met hun uit het onderzoek gebleken bijnamen – en telefoonnummers:

[medeverdachte 6] , bijnamen [naam 6] en [naam 7] , [telefoonnummer 9] , [telefoonnummer 10] , [telefoonnummer 11] , [telefoonnummer 12] , [telefoonnummer 13] en [telefoonnummer 14] ; [persoon 1] , bijnaam [naam 4] , [telefoonnummer 5] ; [medeverdachte 2] , bijnamen [naam 8] , [naam 9] , [naam 1] en [naam 10] , [telefoonnummer 15] , [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 16] ; [medeverdachte 3] , bijnaam [naam 3] , [telefoonnummer 17] ; [verdachte] , bijnamen [naam 11] en [naam 2] ( [naam 18] ), [telefoonnummer 18] , [telefoonnummer 3] , [telefoonnummer 19] en [telefoonnummer 20] en [medeverdachte 4] , [telefoonnummer 21] .

Uit de opgenomen communicatie in de periode van 28 maart 2017 tot en met 21 oktober 2017 blijkt onder andere dat [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] de beschikking hadden over een encrypted telefoon, dat regelmatig gebruik werd gemaakt van encrypted mails, dat [medeverdachte 4] telefonisch contact heeft gehad met [medeverdachte 6] in Turkije, dat [medeverdachte 6] en [persoon 1] spraken over [naam 11] ( [verdachte] ) en [naam 8] ( [medeverdachte 2] ) en dat [naam 11] en [naam 8] kennelijk contact hadden met [medeverdachte 6] , dat er regelmatig contact was tussen [medeverdachte 6] en [verdachte] , dat [medeverdachte 4] een auto van [verdachte] op zijn naam heeft gehad en dat vaak versluierd werd gesproken over de handel in drugs/blokken cocaïne en over prijzen.

Uit tapgesprekken van telefoonnummer [telefoonnummer 7] van [persoon 3] , echtgenote van [medeverdachte 5] , is naar voren gekomen dat haar man de gebruiker is van de telefoonnummers [telefoonnummer 22] , met de landcode van de Verenigde Arabische Emiraten, en [telefoonnummer 23] , met de landcode van Turkije. Aan [medeverdachte 5] wordt de bijnaam [naam 14] gekoppeld. Bij de aanhouding van [medeverdachte 5] is bij hem een telefoon met nummer [telefoonnummer 24] inbeslaggenomen.

Blijkens OVC- en tapgesprekken hebben de verdachten ook na de doorzoekingen aan het adres [adres 1] contact met elkaar gehouden en zijn gesprekken gevoerd over de handel in drugs en over het gebruik van encrypted telefoons. [verdachte] lijkt daarbij [medeverdachte 2] aan te sturen en hem aanwijzingen te geven om Sky telefoons te halen. [verdachte] lijkt ook [medeverdachte 4] aan te sturen en gebruik te maken van zijn hulp, zo blijkt uit de gesprekken. Daar blijkt ook uit dat bepaalde zaken met ‘ [naam 14] ’ moeten worden afgestemd. [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] hebben het in de gesprekken over prijzen, kwaliteit en hoeveelheden, waarbij het aannemelijk is dat deze gesprekken over drugs gaan. [medeverdachte 2] was blijkens een OVC-gesprek op de hoogte van de verblijfplaatsen van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] nadat zij Nederland hadden verlaten.

Op 6 november 2017 is het portiek van de [adres 2] in [plaats] , waar [medeverdachte 6] , [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] volgens tapgesprekken en peilgegevens op wisselende momenten regelmatig waren, geobserveerd tussen 4:00 uur en 5:45 uur. Omstreeks 4:05 uur stonden in de nabijheid van dat portiek onder andere een Mercedes met kenteken [kenteken 2] en een Mercedes met kenteken [kenteken 3] , die later onder respectievelijk [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] zijn inbeslaggenomen. Ongeveer een kwartier later stapten vijf personen, mannen en vrouwen, uit het portiek. [medeverdachte 5] stapte in zijn Mercedes. Ongeveer tien minuten later ging [medeverdachte 6] met een sleutel de woning aan de [adres 3] binnen en ongeveer vijf minuten daarna werd gezien dat de Mercedes van [medeverdachte 5] leeg geparkeerd stond voor zijn woning aan de [adres 4] . Ongeveer een half uur later, rond 5:15 uur, zijn leden van het Arrestatie Team deze woningen binnengevallen. Ook zijn er invallen gedaan in de woningen van [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . Alle zes verdachten zijn aangehouden en hun woningen zijn doorzocht. Ook heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning aan de [adres 2] . De auto’ s van de verdachten zijn eveneens doorzocht.

In de woningen van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] zijn (hard)drugs gevonden en inbeslaggenomen. In de auto van [medeverdachte 5] is ook heroïne gevonden. In de woning aan de [adres 2] zijn eveneens verschillende soorten drugs aangetroffen. Ook zijn onder de verdachten luxe horloges en auto’ s inbeslaggenomen. Daarnaast zijn in de woningen van [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] grote geldbedragen gevonden. In de woningen van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] zijn verborgen ruimtes gevonden. In de ruimtes van [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] zat geld. [medeverdachte 4] had ook een geldtelmachine.

In de woningen van [verdachte] en [medeverdachte 5] zijn dezelfde soort foto’ s gevonden waar de verdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] in verschillende samenstellingen maar ook allemaal samen op staan.

In de woningen van de verdachten zijn ook encrypted telefoons gevonden, waarbij die van [medeverdachte 4] , een BQ Aquarius, digitaal kon worden onderzocht. Uit dat onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 4] de gebruiker van deze telefoon was. Het laatste bericht in deze telefoon was van 5 op 6 november 2017, kort voor de aanhoudingen van de verdachten.

Uit de e-mailberichten is op te maken dat werd gewerkt met tokens, die hoofdzakelijk zijn opgedeeld in twee letters gevolgd door tien cijfers en veelvoudig gebruikt worden in het ondergronds bankieren. Dergelijke tokens zijn zowel in de encrypted BQ Aquarius telefoon als in de papieren administratie van [medeverdachte 4] aangetroffen. Uit de BQ Aquarius in samenhang met de papieren administratie blijkt van uitgaande contanten van € 1.275.010,00 en van inkomende contanten van € 100.000,00. Ook komen bedragen, getallen en (bij)namen overeen met de aantekeningen die in de woning van [medeverdachte 4] zijn gevonden. Daarnaast staat daarin meermalen het woord ‘balance’. Verder blijken bepaalde gebeurtenissen overeen te komen met de aantekeningen zoals aangetroffen bij [medeverdachte 4] .

In de BQ Aquarius staan onder andere de contacten: [naam 10] , [naam 12] , [naam 13] , [naam 14] , [naam 15] , [naam 16] en [naam 17] . [naam 10] is een bijnaam van [medeverdachte 2] , [naam 6] is een bijnaam van [medeverdachte 6] en [naam 14] is een bijnaam van [medeverdachte 5] . De namen [naam 13] , [naam 16] en [naam 17] komen ook voor in de administratie die in de [adres 1] is aangetroffen. Met deze telefoon zijn onder anderen met [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] chat- en/of email-gesprekken gevoerd.

In een e-mailwisseling tussen [medeverdachte 4] en [naam 14] zegt [medeverdachte 4] dat [naam 14] te veel PGP-toestellen heeft. Bij [medeverdachte 5] is een aantal BlackBerry telefoons inbeslaggenomen.

Met [medeverdachte 6] zijn berichten gewisseld tussen 27 oktober 2017 en 5 november 2017. Er is onder andere gesproken over een systeem opzetten in België of Duitsland om blokken te sturen naar Australië. In het vervolg wordt gesproken over hoe ze dat het beste kunnen doen, over persen en het met een sticker beplakken, zodat ze gelijk aan de tegel zijn en over hoeveel het zou gaan kosten. [medeverdachte 6] geeft aan dat hij toevallig 'bruin' van hen in handen heeft gehad en dat het net een iPad was. [medeverdachte 4] geeft aan dat de afmetingen en 'alles' gelijk moeten zijn, want als het door de scan gaat, mag het niet afwijken en dat ze het moeten testen per vliegtuig. [medeverdachte 6] zegt: "Ik zet bedrijf op naam van inbreker. Die in me huis had ingebroken." Ook is gesproken over het verzamelen van informatie door [medeverdachte 4] voor [medeverdachte 6] omdat [medeverdachte 6] daar slecht in zou zijn. In een van de berichten tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] is gesproken over een fruitbedrijf met ‘ [bedrijf 4] ’ en er zijn zoekslagen over het verschepen van containers fruit. Daarmee lijkt [medeverdachte 4] de informatiepositie van de organisatie te onderhouden en informatie te verschaffen. Daarnaast is in een bericht door [medeverdachte 6] gezegd dat ‘ [naam 4] ’ misschien naar een feest komt.

Uit de berichten tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] , gewisseld tussen 29 oktober 2017 en 5 november 2017, blijkt dat [medeverdachte 2] contact had met zowel [medeverdachte 6] als [verdachte] .

In de woningen van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] zijn ten slotte schriften en aantekeningen aangetroffen die overeenkomsten vertonen met de administratie die is aangetroffen in de [adres 1] . De overeenkomsten zien onder meer op de vermelde bijnamen, zoals ‘ [naam 6] ’, ‘ [naam 14] ’, ‘ [naam 10] ’ en ‘ [naam 11] ’, versluierde tekst, balansen, gelijksoortige registraties van hoeveelheden en bedragen en het gebruik van de letter ‘K’ voor 1000. De aantekeningen van [medeverdachte 4] stonden onder andere in een schrift van zijn werkgever [bedrijf 5] en kwamen, volgens verklaringen van getuigen, niet overeen met de werkwijze van dat bedrijf. In deze aantekeningen stonden ook data vermeld uit 2017 van de maanden mei tot en met september. Deze administratie lijkt die van de [adres 1] , schriften met daarop ‘Seizoen 16/17’, op te volgen. In de administratie van [medeverdachte 4] worden specifieke bedragen genoemd die herleid kunnen worden naar de tokens in de onder hem inbeslaggenomen BQ Aquarius telefoon. Daar blijkt ook uit dat balansen werden gestuurd naar [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] . Daaruit volgt dat de organisatie toen nog steeds onder hun supervisie fungeerde. Uit deze administraties is ook af te leiden dat de aantekeningen betrekking hebben op kilo’ s en drugs en dat deze gaan over de handel in verdovende middelen. Uit de administratie op het adres [adres 1] is naar voren gekomen dat de prijs die voor een blok cocaïne werd gerekend meestal tussen de € 23.000,- en € 24.000,- lag.

Uit het voorgaande kan geconcludeerd worden dat er een samenwerkingsverband was tussen de verdachten. Wat betreft de duur van het samenwerkingsverband volgt de rechtbank de verklaring van [medeverdachte 1] van 10 november 2016 dat de organisatie gedurende ongeveer drieënhalf jaar bezig was. Tussen januari 2013 en september 2016 hebben bovendien zes transacties plaatsgevonden tussen de bankrekeningen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , wat een aanwijzing is dat de organisatie in januari 2013 al actief was. Daar komt bij dat [medeverdachte 6] tussen maart 2014 en april 2016 grote contante stortingen heeft gedaan op de bankrekening van zijn toenmalige eenmanszaak Ilsu, waarbij opvalt dat de stortingen met grote coupures zijn gedaan. Bij twee stortingen zijn bijna alleen biljetten van 500,- euro gebruikt.

Na de inval in [adres 1] is de organisatie doorgegaan, waarbij [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] op afstand hebben meegedaan. Toen alle verdachten (weer) in Nederland waren, heeft de organisatie haar werkzaamheden voortgezet tot en met de aanhoudingen van de verdachten op 6 november 2017. De tenlastegelegde periode kan gelet hierop bewezen worden.

Dat de organisatie gestructureerd was, blijkt naast de duur van het samenwerkingsverband uit het feit dat er een hiërarchie waar te nemen was met een bepaalde samenwerking en rolverdeling, dat onderling gecommuniceerd werd via versleuteld berichtenverkeer en versluierd taalgebruik, dat bij een aantal verdachten encrypted telefoons zijn aangetroffen en dat uit het berichtenverkeer van een van de encrypted telefoons blijkt dat over schijnbaar criminele zaken werd gecommuniceerd.

3.4.2.3 Oogmerk

De rechtbank acht niet bewezen dat de organisatie als oogmerk het plegen van wapendelicten had, aangezien dat onvoldoende is komen vast te staan, nog daargelaten waar die wapenactiviteiten dan op gericht zouden zijn. Uit OVC- en tapgesprekken, noch uit observaties of ander bewijs is gebleken dat de organisatie zich met (vuur)wapengerelateerde delicten bezighield. Het aantreffen van vuurwapens en munitie op het adres [adres 1] maakt nog niet dat deze door de organisatie werden gebruikt bij haar activiteiten als zodanig. Daarvan is niet gebleken. Daarom wordt verdachte van dit onderdeel vrijgesproken.

Wel acht de rechtbank, gelet op bovenstaande overwegingen, de hierna volgende overwegingen ten aanzien van het witwassen en de daarbij behorende bewijsmiddelen, en gelet op de in de woningen van verdachten aangetroffen drugs, geldbedragen en goederen, bewezen dat het oogmerk van de criminele organisatie gericht was op het plegen van drugsdelicten en witwassen.

De rechtbank acht niet bewezen dat het oogmerk van de organisatie gericht was op gewoontewitwassen. De aard en omvang (duur) van de witwashandelingen zijn immers niet zodanig dat gesproken kan worden van gewoontewitwassen. De rechtbank zal verdachte hiervan vrijspreken.

3.4.2.4 Deelneming/rol van verdachte

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte deelnemer was aan de handel van grote partijen verdovende middelen en dat hij daarnaast afnemer was van verdovende middelen. Ook blijkt dat hij betrokken was bij de tussenhandel. Zijn rol bestond er onder meer uit dat hij de verdovende middelen vervoerde en verhandelde.

3.4.2.5 Handel in verdovende middelen

Uit het voorgaande blijkt tevens dat verdachte zich in de tenlastegelegde periode samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] schuldig heeft gemaakt aan de handel in cocaïne, heroïne en hasj.

3.4.3

Witwassen van auto’ s en horloge (feit 3), aanwezig hebben van cocaïne (feit 4) en in voorraad hebben van ketamine (feit 5) op het adres [adres 5]

De rechtbank is op grond van de wettige bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte het in zijn woning aangetroffen Rolex horloge heeft witgewassen en de auto’ s samen met de medeverdachten heeft witgewassen (feit 3, tweede en derde gedachtestreepje). Hierop komt de rechtbank onder 3.4.3.2 nog terug.

Met de officieren van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende bewijs is voor een veroordeling voor witwassen van de designertassen (feit 3, vierde gedachtestreepje). Daarvan wordt verdachte (partieel) vrijgesproken.

Verdachte wordt eveneens (partieel) vrijgesproken van het in feit 3 eerste gedachtestreepje tenlastegelegde witwassen van het in zijn woning aangetroffen geldbedrag van in totaal
€ 5.765,-, omdat de hoogte van dit geldbedrag en de wijze waarop dit in zijn woning is aangetroffen, namelijk verdeeld op verschillende plaatsen in de woning en in gangbare coupures, de mogelijkheid open laten dat dit geld een legale herkomst heeft, welke legale herkomst volgens de rechtbank aannemelijk is. Dit geldt alleen niet voor de auto’s en het horloge die onder verdachte zijn inbeslaggenomen en ten aanzien daarvan wordt aangenomen dat deze een criminele herkomst hebben.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met de medeverdachten opzettelijk cocaïne in zijn woning aanwezig heeft gehad (feit 4).

Ook volgt een bewezenverklaring voor het opzettelijk in voorraad hebben van ketamine zonder handelsvergunning (feit 5).

3.4.3.1 Medeplegen

Ten aanzien van de geldbedragen en verdovende middelen die op de adressen van de verdachten zijn aangetroffen en die op de individuele tenlasteleggingen van de verdachten staan, gaat de rechtbank ervan uit dat sprake is van medeplegen van het bezit van die verdovende middelen, dan wel het witwassen van die geldbedragen, voor zover deze feiten bewezen kunnen worden verklaard en voor zover de hoeveelheden daarvan passen binnen de activiteiten van een criminele organisatie zoals deze. Nergens is gebleken dat de verdachten los van de organisatie ook eigen activiteiten verrichtten waaruit het bezit van die verdovende middelen en geldbedragen verklaard kan worden. Het is eerder aannemelijk dat het geld en de drugs van de organisatie door de leden van de organisatie, die handelden in gezamenlijke verantwoordelijkheid, op verschillende locaties, in hun woningen, werden bewaard. Daarmee kan vastgesteld worden dat verdachte het strafbare feit met betrekking tot de cocaïne die op zijn adres is gevonden en de strafbare feiten met betrekking tot de drugs en het geld die op de adressen van de medeverdachten zijn gevonden, heeft medegepleegd. Dit geldt niet voor de verdovende middelen die bij [medeverdachte 3] zijn aangetroffen, aangezien het daar ging om een gebruikershoeveelheid. Evenmin geldt dit voor de ketamine die bij [verdachte] is aangetroffen, omdat dit niet past binnen de activiteiten van de organisatie.

3.4.3.2 Witwassen van auto’s en horloge [adres 5]

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot artikel 420bis Sr (HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, bevestigd in HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1137) volgt de volgende maatstaf:

Witwassen kan bewezen worden verklaard wanneer ofwel op grond van de beschikbare bewijsmiddelen een rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf waaruit de betreffende voorwerpen afkomstig zijn ofwel, indien dit verband niet kan worden gelegd, dat het op grond van vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn.

De rechtbank heeft hiervoor ten aanzien van feit 1 en feit 2 respectievelijk bewezenverklaard dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich richtte op het plegen van (hard)drugsdelicten en witwassen en dat hij heeft gehandeld in verdovende middelen. De rechtbank acht gelet daarop en op grond van de beschikbare bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de onder verdachte inbeslaggenomen auto’ s en horloge, zoals onder 3 is tenlastegelegd, van misdrijf afkomstig zijn.

Omdat verdachte een deelnemer van de criminele organisatie was en ook heeft gehandeld in (hard)drugs, oordeelt de rechtbank dat de auto’ s en het horloge (middellijk) afkomstig waren uit zijn eigen misdrijf.

Verdachte heeft weliswaar over de herkomst van deze goederen op zitting een verklaring gegeven, maar deze verklaring is te laat afgelegd. De verklaring valt namelijk niet meer te controleren. Daarnaast is die verklaring niet voldoende concreet en op voorhand hoogst onaannemelijk. Verdachte heeft ten eerste geen nadere details willen geven over de wijze waarop de betreffende goederen zijn aangeschaft. Het horloge is uit een erfenis betaald en over hoe de Volkswagen Golf is verkregen heeft verdachte niets verklaard, behalve dat deze van zijn broer is. Over de aanschaf van de Volkswagen Touran heeft verdachte wisselend en daardoor ongeloofwaardig verklaard. Eerst zou verdachte de auto met geleend geld hebben gekocht en later zou de echtgenote van verdachte de auto hebben gekocht van medeverdachte [medeverdachte 4] . Waarom de autoverzekering van die Touran door [medeverdachte 4] werd (door)betaald en waarom [medeverdachte 4] verdachte vóór de vermeende eigendomsoverdracht aansprak over boetes op het kenteken van deze auto, wilde verdachte niet zeggen. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat verdachte geen tegenwicht heeft kunnen bieden tegen het witwasvermoeden. Op grond van de beschikbare bewijsmiddelen kan dus een rechtstreeks verband gelegd worden met bepaalde misdrijven van verdachte waaruit deze goederen afkomstig zijn. De rechtbank volgt de officieren van justitie daarom niet in hun visie, dat deze afkomstig waren uit enig misdrijf (van een derde).

Artikel 420bis, lid 1, onder a Sr: verbergen en verhullen

Blijkens de wetsgeschiedenis van de Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 606, tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven, hebben ‘verbergen’ en ‘verhullen’ als bedoeld in artikel 420bis, eerste lid, onder a Sr betrekking op gedragingen die erop zijn gericht het zicht op - onder andere - de herkomst van voorwerpen te bemoeilijken. Die gedragingen moeten tevens geschikt zijn om dat doel te bereiken. Van ‘verhullen’ zal al sprake kunnen zijn als door bepaalde constructies een mistgordijn wordt opgeworpen dat weliswaar enig zicht op het voorwerp en de daarbij betrokken personen toelaat, maar het niet mogelijk maakt om met enige zekerheid de (legale) herkomst en de rechthebbende vast te stellen (zie het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:236).

In het onderhavige geval is de rechtbank van oordeel dat het door verdachte in zijn woning bewaren van het horloge niet aangemerkt kan worden als een verhullingshandeling in de zin van artikel 420bis, lid 1, onder a Sr. Dit is anders voor wat betreft de auto’s. Ten aanzien van de auto’s geldt dat verdachte, door de Volkswagen Touran en de Volkswagen Polo respectievelijk op naam van [medeverdachte 4] en zijn broer te laten zetten, samen met hen heeft verborgen en verhuld wie de rechthebbende daarvan is. Het onder 3, eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde kan voor dit onderdeel bewezen worden verklaard.

Artikel 420bis, lid 1, onder b Sr: voorhanden hebben

Volgens vaste rechtspraak is bij het beantwoorden van de vraag of een verdachte op goede gronden kan worden verweten voorwerpen opzettelijk voorhanden en/of aanwezig te hebben gehad, van belang of de verdachte zich in meerdere of mindere mate daarvan bewust moet zijn geweest, dan wel zich daarvan bewust behoorde te zijn. ‘Voorhanden hebben’ veronderstelt feitelijke zeggenschap over het voorwerp, ook al is niet vereist dat het voorwerp zich in de fysieke nabijheid bevindt.

De rechtbank is, gelet op voorgaande overweging en de wettige bewijsmiddelen, van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte het horloge heeft witgewassen door dit voorhanden te hebben, zoals onder 3, tweede cumulatief/alternatief is ten laste gelegd.

3.4.3.3 Aanwezig hebben van cocaïne [adres 5]

Op grond van de wettige bewijsmiddelen en de overweging in 3.4.3.1 kan bewezen worden verklaard dat verdachte de harddrugs die in zijn woning zijn inbeslaggenomen en na forensisch onderzoek cocaïne bleken te zijn, samen met de medeverdachten opzettelijk aanwezig heeft gehad.

3.4.3.4 In voorraad hebben van ketamine [adres 5]

Ook kan op grond van de wettige bewijsmiddelen bewezen worden verklaard dat verdachte de in zijn woning inbeslaggenomen ketamine van ruim tien kilo opzettelijk in voorraad heeft gehad. Ketamine staat op de lijst van geneesmiddelen waarvoor een handelsvergunning is vereist. Nergens is uit gebleken dat verdachte hiervoor een handelsvergunning heeft.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II weergegeven bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 januari 2013 tot en met 6 november 2017 in Nederland en/of in Turkije en/of in Dubai tezamen en in vereniging met anderen heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, namelijk:

  • -

    misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, 11, derde en vijfde lid en 11a Opiumwet en

  • -

    witwassen zoals bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht,

welke organisatie bestond uit een groep samenwerkende personen, bestaande naast verdachte uit [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] en andere personen;

2.

in de periode van 1 januari 2017 tot en met 6 november 2017 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of vervoerd:

  • -

    hoeveelheden cocaïne en/of heroïne en

  • -

    hoeveelheden hasj;

3.

op 6 november 2017 op het adres [adres 5] te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen van voorwerpen, te weten personenauto’s (Volkswagen Touran, gekentekend [kenteken 4] en Volkswagen, gekentekend [kenteken 5] ) heeft verborgen en verhuld wie de rechthebbende op voornoemde voorwerpen is, terwijl verdachte en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf

en

op 6 november 2017 op het adres [adres 5] te [plaats] , een voorwerp, te weten een Rolex horloge, voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven voorwerp middellijk afkomstig was uit enig misdrijf;

4.

op 6 november 2017 op het adres [adres 5] te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad 2.337,3 gram cocaïne;

5.

op 6 november 2017 op het adres [adres 5] te [plaats] opzettelijk een geneesmiddel als bedoeld in artikel 1 sub b van de Geneesmiddelenwet en waarvoor geen handelsvergunning geldt, te weten 5.096,7 gram bruto en 5.075,4 gram bruto ketamine, in voorraad heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1

De eis van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte voor de door hen bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren.

De officieren van justitie hebben daarbij de ernst van deze feiten benadrukt en meegewogen dat verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven. Het beeld is ontstaan van de werkwijze van de organisatie en de individuele verdachten dat de overtuiging geeft dat dat samen zou kunnen hangen met de geraffineerdheid en de professionaliteit van de organisatie. Bij de strafeis is verder rekening gehouden met de rol van verdachte en de pleegperiode van het lidmaatschap van de criminele organisatie. Er zijn geen persoonlijke omstandigheden van verdachte gebleken die in strafmatigende zin worden meegewogen in de strafeis. Ten slotte is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om, in geval aan verdachte bij een eventuele veroordeling een straf wordt opgelegd, in strafmatigende zin rekening te houden met de omstandigheid dat het gezin van verdachte kampt met zowel gezondheids- als financiële problemen en dat het ernstige gevolgen voor zijn gezin zou hebben als verdachte als gevolg van deze zaak zijn baan zou verliezen. Daarnaast is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn, die niet voor rekening van verdachte dient te komen. Ook dient in het voordeel van verdachte mee te wegen dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft samen met in ieder geval zes medeverdachten in deze zaak gedurende een periode van bijna vijf jaren deel uitgemaakt van een criminele organisatie die drugsdelicten en witwasfeiten pleegde. In dat kader heeft hij samen met een aantal medeverdachten gehandeld in soft- en harddrugs en zich ook schuldig gemaakt aan het bezit daarvan. Hij heeft daarnaast twee auto’s en een duur horloge met een criminele herkomst voorhanden gehad en zich aldus schuldig gemaakt aan witwassen.

Criminele organisaties ondermijnen de rechtsorde en veroorzaken maatschappelijke onrust en financieel nadeel voor de samenleving. Strafbare feiten die gepleegd worden in een crimineel samenwerkingsverband, zoals drugsdelicten, leveren veel geld op voor alle personen die zitten in de lijn van de invoer tot aan de uiteindelijke verkoop aan de gebruikers. Voor de gebruikers kóst het alleen maar geld en hun gezondheid. Het gebruik van harddrugs levert een onaanvaardbaar gevaar op voor de volksgezondheid. De handel daarin gaat gepaard met overlast in de samenleving en het gebruik daarvan genereert op zijn beurt strafbare feiten.

Het risico dat ook aan maatschappelijk en/of lichamelijk zwakkeren wordt geleverd, voor wie het gebruik van harddrugs ernstige financiële, sociale en lichamelijke problemen kan opleveren, wordt daarbij uit winstbejag geheel op de koop toe genomen.

Daarnaast wordt door het witwassen van crimineel vermogen de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. Witwassen vormt een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, ook een bedreiging voor de samenleving.

De strafwaardigheid van deelneming aan een criminele organisatie wordt enerzijds bepaald door de organisatiegraad en het ontwrichtende karakter daarvan voor de openbare orde en anderzijds ook door de aard van de misdrijven die worden beoogd. De organisatie waartoe verdachte behoorde, was een duurzaam en goed georganiseerd samenwerkingsverband, zoals onder meer is gebleken uit de aangetroffen administratie. Deze administratie geeft blijk van een omvangrijke, professionele en gestructureerde bedrijfsvoering van een zeer actieve organisatie waarin gedurende een aantal jaren heel veel geld omging. Gelet hierop kan niet anders geconcludeerd worden dan dat het handelen van de organisatie tot een grote mate van ontwrichting voor de samenleving en de openbare orde heeft geleid. Verdachte heeft als afnemer en tussenpersoon een actieve rol gehad binnen de organisatie en heeft de drugs ook vervoerd. Door de bewezenverklaarde feiten te plegen, heeft verdachte zijn eigen financieel gewin boven de veiligheid van heel veel mensen gesteld en de maatschappij bewust blootgesteld aan de risico’s gepaard gaand met het gebruik van harddrugs. Daarnaast heeft hij bijgedragen aan de aantasting van het legale economische verkeer. Gelet op het voorgaande is als reactie op het handelen van verdachte alleen een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats. Zijn proceshouding heeft daaraan in zijn nadeel bijgedragen. De rechtbank constateert dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, maar verbindt daar geen gevolgen aan.

In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Het heeft namelijk te lang geduurd voordat er uitspraak wordt gedaan in deze zaak. Daardoor heeft verdachte onnodig lang in onzekerheid gezeten over de afdoening van de zaak. Ter compensatie van die onzekerheid zal de op te leggen straf enigszins gematigd worden.

In beginsel moet een strafzaak binnen twee jaar tot een afronding komen. Als beginpunt van de redelijke termijn neemt de rechtbank de aanhouding van verdachte en de doorzoeking van zijn woning op 6 november 2017. Vanaf dat moment kon verdachte verwachten dat hij zou worden vervolgd. De zaak had dus in beginsel uiterlijk twee jaar later, op 6 november 2019, afgerond moeten zijn met een eindvonnis van de rechtbank. De rechtbank doet pas op 31 augustus 2020 uitspraak. De redelijke termijn is dus met ongeveer tien maanden overschreden. Dat is een forse overschrijding die niet aan de verdediging te wijten is, maar vooral aan organisatorische en logistieke kwesties bij de rechtbank en het Openbaar Ministerie. Deze termijnoverschrijding dient consequenties te hebben in de vorm van enige compensatie in de strafmaat. De rechtbank acht een strafkorting van ongeveer vijf procent passend.

Gelet op alle genoemde omstandigheden, vindt de rechtbank als reactie op het bewezenverklaarde een gevangenisstraf van 84 maanden (zeven jaren) passend. In die zin wijkt de rechtbank in het voordeel van verdachte af van de eis van de officieren van justitie, waarbij de rechtbank ook minder bewezen verklaart. Met toepassing van de strafkorting voor de termijnoverschrijding zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf van 80 maanden opleggen.

Over de (schorsing van de) voorlopige hechtenis overweegt de rechtbank dat verdachte in een zaak als deze waarin hij verdacht wordt van diverse ernstige strafbare feiten in een relatief vroeg stadium is geschorst. In menig vergelijkbare zaak blijven verdachten aanzienlijk langer in voorlopige hechtenis gedetineerd. Op dit moment ligt er een veroordelend vonnis met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur, waarvan verdachte - als deze straf in stand blijft - na aftrek van het voorarrest, nog langere tijd komt vast te zitten. De vraag waarvoor de rechtbank zich nu gesteld ziet, is of verdachte nu al moet aanvangen met het uitzitten van zijn straf of dat hij geschorst kan blijven uit de voorlopige hechtenis tot het moment dat het oordeel in deze zaak onherroepelijk wordt. Verdachte is destijds op grond van zijn persoonlijke omstandigheden geschorst. Ook op dit moment heeft hij persoonlijke omstandigheden die zwaar wegen, maar wat de rechtbank betreft niet opwegen tegen het belang van het uitzitten van de nu opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Dit betekent dat de schorsing van de voorlopige hechtenis zal worden opgeheven.

8 Het beslag

Blijkens de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen van 24 juni 2020 zijn onder verdachte de volgende voorwerpen in beslag genomen:

2 1.00 STK Horloge, ROLEX, 5479733

3 1.00 STK Personenauto [kenteken 5] , VOLKSWAGEN Polo Kl: Grijs, 5355680

4 1.00 STK Personenauto [kenteken 4] , VOLKSWAGEN Touran Kl: Zwart, 5481391

5 Geld Euro 3250.00, 5479721

6 Geld Euro 1350.00, 5479722

7 Geld Euro 205.00, 5479726

8 Geld Euro 360.00, 5479731

9 Geld Euro 50.00, 5479732

10 Geld Euro 150.00, 5479734

11 Geld Euro 400.00, 5479736

12 1.00 STK Inpakmachine Kl: zilver, HENKELMAN MINI Jumbo, 5479702

13 1.00 STK Paspoort, NEDERLANDS, 5479875, onv [verdachte]

14 2.00 STK Handschoen Kl: zwart, NIKE DRI-FIT, 5490618

15 1.00 STK Weegschaal Kl: groen, 5479699

17 1.00 STK Doos, karton, 5479696, kartonnen doos met plastic zakken

26 1.00 STK Tas Kl: blauw, GUCCI, 5479759

27 1. 00 STK Weegschaal Kl: zwart, keuken, 5490626

28 1.00 STK Tas Kl: bruin, LOUIS VUITTON, 5479779

30 4.00 STK Tas GUCCI, 5479916

31 1.00 STK Tas Kl: creme, CAROL .HERRERA, 5479744

32 1. 00 STK Zaktelefoon, BQ, 5479790

33 1. 00 STK Zaktelefoon Kl: zwart, SAMSUNG, 5479783

34 1. 00 STK Zaktelefoon Kl: wit, BLACKBERRY, 5479811

35 1.00 STK Riem, LOUIS VUITTON, 5479897

36 10.00 STK Verdovende Middelen, 5479710

37 2.00 STK Fust, 5479712

38 1. 00 STK Verdovende Middelen, 5484359

39 1. 00 STK Fust, 5490623

40 1. 00 STK Fust, 5490627

41 1.00 STK Verdovende Middelen, 5508343.

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd:

  • -

    verbeurdverklaring van de onder 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 32, 33 en 34 genoemde voorwerpen:

  • -

    onttrekking aan het verkeer van de onder 12, 14, 15, 17, 27, 36, 37, 38, 39, 40 en 41 genoemde voorwerpen;

  • -

    teruggave aan verdachte van de onder 13, 26, 28, 29, 30, 31 en 35 genoemde voorwerpen.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de teruggave aan de rechthebbende te gelasten van de onder 2, 3, 4, 26, 28, 30, 31, 32, 33, 34 en 35 genoemde voorwerpen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

8.3.1

Verbeurdverklaring

De onder 2, 3 en 4 inbeslaggenomen voorwerpen behoren aan verdachte toe. Hij kan deze voorwerpen geheel of ten dele ten eigen bate aanwenden. Nu deze voorwerpen geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het onder 1 en 2 bewezen geachte zijn verkregen, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.

De onder 12, 15, 17 en 27 inbeslaggenomen voorwerpen behoren aan verdachte toe. Nu met betrekking tot die voorwerpen het onder 1 en 2 bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.

De onder 33 en 34 inbeslaggenomen voorwerpen behoren aan verdachte toe. Nu met behulp van die voorwerpen het onder 1 en 2 bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.

8.3.2

Onttrekking aan het verkeer

De voorwerpen onder 32, 36, 37, 38, 39, 40 en 41 zijn aangetroffen in het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven, terwijl zij kunnen dienen tot het voorbereiden of het begaan van soortgelijke misdrijven en van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Daarom worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

8.3.3

Bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De onder 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 genoemde geldbedragen en de onder 26, 28, 30, 31 en 35 genoemde tassen staan niet in relatie tot enig strafbaar feit, althans daarvan is uit het onderzoek niet gebleken. Daarom wordt dit alles bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

8.3.4

Teruggave aan beslagene/verdachte

De onder 13 en 14 genoemde voorwerpen kunnen worden teruggegeven aan verdachte, omdat deze evenmin in relatie staan tot enig strafbaar feit.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 57, 63, 140 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10, 11 en 11b van de Opiumwet, artikel 40 van de Geneesmiddelenwet en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van de bewezen geachte feiten.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen geachte:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, 11, derde en vijfde lid en 11a van de Opiumwet

en

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

Ten aanzien van het onder 2 bewezen geachte:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van het onder 3, eerste cumulatief/alternatief bewezen geachte:

medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van het onder 3, tweede cumulatief/alternatief bewezen geachte:

witwassen;

Ten aanzien van het onder 4 bewezen geachte:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van het onder 5 bewezen geachte:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan.

Verklaart het bewezen geachte strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 80 (tachtig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 2, 3, 4, 12, 15, 17, 27, 33 en 34 genoemde voorwerpen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 32, 36, 37, 38, 39, 40 en 41 genoemde voorwerpen.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de op de beslaglijst onder 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 26, 28, 30, 31 en 35 genoemde voorwerpen.

Gelast de teruggave aan verdachte van de op de beslaglijst onder 13 en 14 genoemde voorwerpen.

Heft op het bevel tot de schorsing van de voorlopige hechtenis. Deze beslissing is afzonderlijk geminuteerd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Ch.A. van Dijk, voorzitter,

mrs. C.M. Degenaar en P.P.C.M. Waarts, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F. Coşkun, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 augustus 2020.

Mr. Van Dijk is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

[...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

[...]

[...]

[...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

47 [...]

48 [...]

56 [...]

57 [...]

58 [...]

62 [...]