Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4504

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
13/105827-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak nu niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap – al dan niet in voorwaardelijke zin – van de aanwezigheid van en beschikkingsmacht over de 646,34 gram cocaïne heeft gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/105827-19 (Promis)

Datum uitspraak: 10 september 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1980,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1], [plaats].

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 augustus 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.L. Wagenaar, van wat verdachte en zijn raadsman, mr. N.M. van Wersch, naar voren hebben gebracht en wat getuige [getuige] heeft verklaard.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 2 mei 2019 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van 646,34 gram cocaïne.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde en gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden aangemerkt als gebruiker van de woning aan de [adres 2] in Amsterdam. In de woning is op verschillende plekken administratie van verdachte gevonden en zijn telefoon lag op het bed. Hieruit volgt dat verdachte langer in de woning aan de [adres 2] verbleef dan dat hij zelf heeft verklaard. Maar zelfs als verdachte daar maar tien dagen heeft verbleven, is hij aan te merken als gebruiker van de woning, omdat hij zich kennelijk vrij genoeg voelt om gebruik te maken van andere ruimtes dan de woonkamer. Verdachte wordt daarom in beginsel geacht bekend te zijn met alles wat zich in de woning bevindt en afspeelt. In de woning is in totaal 646,34 gram cocaïne gevonden. Deze cocaïne was verpakt in slikkersbollen met daarop de code ‘BB2’. Deze code is ook aangetroffen op een briefje met codes en verdachte heeft verklaard dat hij dit briefje heeft geschreven. Uit andere onderzoeken is het de politie verder bekend dat ook codes worden gebruikt in het kader van drugshandel. De verklaring die verdachte hieromtrent heeft afgelegd, vindt geen steun in het dossier. Verdachte heeft niet met bijvoorbeeld bedrijfsadministratie aangetoond dat hij die code daadwerkelijk gebruikt voor zijn kledingbedrijf. Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aangetroffen slikkersbollen en dat deze zich in zijn machtssfeer bevonden.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken omdat niet kan worden vastgesteld dat bij verdachte sprake was van wetenschap van de verdovende middelen. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte slechts kortstondig te gast was in de woning. Dit volgt ook uit de verklaring van getuige [getuige] ter terechtzitting. De aangetroffen verdovende middelen lagen verborgen op een plek waar verdachte als gast in de woning niks te zoeken had. Ook uit de overige omstandigheden kan niet worden afgeleid dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de drugs. In de woning zijn aantekeningen gevonden met daarop de code BB2. Deze code staat ook vermeld op de aangetroffen slikkersbollen. Verdachte heeft meteen verklaard dat hij het briefje met de codes heeft geschreven maar dat hij niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de door de politie aangetroffen slikkersbollen, waarop één van die codes staat. Verdachte gebruikt de codes voor zijn kledingbedrijf en heeft aan de politie uitgelegd wat de codes betekenen.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat voor het bewijs van ‘aanwezig hebben’ in de zin van de Opiumwet, nodig is dat verdachte wist van de aanwezigheid van de drugs en dat deze zich binnen zijn machtssfeer bevonden. Met dat laatste wordt bedoeld dat verdachte in enige mate kon bepalen wat er met die drugs zou gebeuren, oftewel: dat hij er enige zeggenschap over had. Niet is vereist dat de drugs zijn eigendom waren.

De rechtbank stelt vast dat verdachte is aangehouden in een woning waarin slikkersbollen zijn aangetroffen. De rechtbank overweegt dat verdachte heeft verklaard dat hij slechts korte tijd in de woning heeft verbleven. Dit wordt ondersteund door getuige [getuige], de huisgenoot van verdachte op de [adres 1], die ter terechtzitting onder ede is gehoord.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen dat verdachte wetenschap had van de aangetroffen slikkersbollen. Deze zijn aangetroffen in een vriesvak van een niet op elektriciteit aangesloten koelkast in een bergingskast van de woning. Gelet op die plek en het feit dat de politie heeft geconstateerd dat de koelkast niet was aangesloten, kan niet zonder meer worden aangenomen dat verdachte wist wat er in de koelkast zat. De omstandigheid dat één van de codes die verdachte zegt te gebruiken voor zijn bedrijf op de slikkersbollen staat is zeer opmerkelijk, maar leidt niet direct tot de conclusie dat verdachte wist van de drugs. Uit de overgelegde administratie blijkt dat verdachte daadwerkelijk een bedrijf heeft dat zich richt op export van kleding. Het is niet uitgesloten dat iemand anders (al dan niet bij toeval) diezelfde code heeft gebruikt voor de slikkersbollen. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap – al dan niet in voorwaardelijke zin – van de aanwezigheid van en beschikkingsmacht over de verdovende middelen heeft gehad.

Concluderend acht de rechtbank het ten laste gelegde niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

4 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

- zak (goednummer: 5745199);

- verpakkingsmateriaal (goednummer: 5745201);

- zak (goednummer: 5745186);

- zak (goednummer: 5745145);

- zak (goednummer: 5745130);

- 65 stuks verdovende middelen (goednummer: 5745194);

- 1 stuk verdovende middelen (goednummer: 575128);

- 1 stuk verdovende middelen (goednummer: 5745173);

- versnijdingsmiddel (goednummer: 5745141).

4.1.

Onttrekking aan het verkeer

De zakken, het verpakkingsmateriaal, de verdovende middelen en het versnijdingsmiddel zijn aangetroffen in het onderzoek naar overtreding van de Opiumwet waarvan verdachte wordt verdacht, terwijl zij kunnen dienen tot het begaan van een soortgelijke misdrijven en van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

5 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- zak (goednummer: 5745199);

- verpakkingsmateriaal (goednummer: 5745201);

- zak (goednummer: 5745186);

- zak (goednummer: 5745145);

- zak (goednummer: 5745130);

- 65 stuks verdovende middelen (goednummer: 5745194);

- verdovende middelen (goednummer: 575128);

- verdovende middelen (goednummer: 5745173);

- versnijdingsmiddel (goednummer: 5745141).

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.E. Geradts, voorzitter,

mrs. M. Snijders Blok-Nijensteen en M.M. Breugem, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.D. van der Heiden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 september 2020.

[...]