Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4501

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
24-09-2020
Zaaknummer
13/136334-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak aanwezig hebben 1kg cocaïne, 5kg MDMA en medeplegen witwassen van € 1.800 en € 2.920, nu wetenschap van de drugs en het geld niet bewezen is. Ook vrijspraak van witwassen € 485, nu niet kan worden vastgesteld dat dit aan verdachte toebehoorde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/136334-20 (Promis)

Datum uitspraak: 10 september 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 2000,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 augustus 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. Hara en van wat de gemachtigde raadsman van verdachte, mr. M.G. van Wijk naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 19 mei 2020 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

1. medeplegen van het voorhanden hebben van ongeveer één kilo cocaïne en ongeveer vijf kilo MDMA;

2. medeplegen van witwassen van geldbedragen ter hoogte van € 1.800,- en € 2.920,-;

3. witwassen van een geldbedrag ter hoogte van € 485,-.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten en gevorderd dat hij zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden.

Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte is aangetroffen in de woning aan de [adres] in Amsterdam, waar een grote hoeveelheid drugs is gevonden. Op grond van het dossier staat vast dat hij samen met twee anderen in de woning verbleef. De woning werd aan (één van) hen verhuurd. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een huurder van een woning geacht wordt bekend te zijn met datgene dat zich in die woning bevindt en afspeelt en dat hij ook de beschikking heeft over wat zich in de woning bevindt. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als de huurder een aannemelijke verklaring heeft voor het tegendeel. Verdachten hebben tegenstrijdig verklaard over het verblijf van verdachte in de woning. Verdachte heeft bijvoorbeeld verklaard dat hij maximaal een week in de woning verbleef, terwijl dit volgens medeverdachte [medeverdachte 1] , tevens oom van verdachte, anderhalve maand betrof. Daarbij komt dat door de politie ter plaatse is gehoord dat medeverdachte [medeverdachte 1] tegen verdachte zei: “Maak je niet druk, zeg gewoon dat je hier een toerist bent en dat je hier pas een maand bent. Ze kunnen je niets maken”, waarop verdachte zei: “ja, dat ga ik doen”. Gelet op het voorgaande is het onaannemelijk dat verdachte niet bekend was met wat zich in de woning bevond en wat zich daar heeft afgespeeld en is er geen andere verklaring dan dat hij wist van de drugs.

Zowel verdachte als medeverdachten hadden beschikkingsmacht over de drugs en waren allen in de gelegenheid om te bepalen wat er met de drugs zou gebeuren, waardoor de drugs zich in de machtssfeer van alle verdachten bevonden. Daar komt bij dat door de hele woning aantekeningen en cocaïneresten zijn gevonden. Alles in onderling verband en samenhang bezien valt hieruit af te leiden dat de verdachten nauw en bewust hebben samengewerkt. Verdachte heeft zich kortom schuldig gemaakt aan het medeplegen van het aanwezig hebben van cocaïne en MDMA.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de grote hoeveelheid contant geld en de wijze waarop het geld is verspreid door de woning een sterke indicatie is voor opbrengst uit (drugs)criminaliteit. Nu is gebleken van een grote hoeveelheid drugs in de woning en het Openbaar Ministerie ervan uitgaat dat verdachte daarvan wist, is dat voldoende om een illegale herkomst van het geld aan te nemen. Deze feiten en omstandigheden maken dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat de verdachte en medeverdachten wisten dat het geld afkomstig was uit enig misdrijf.

Ten slotte heeft de officier van justitie ten aanzien van feit 3 het volgende aangevoerd. In de portemonnee die in de broekzak van verdachte zat, is 485 euro aan contant geld aangetroffen. Nu is gebleken van een grote hoeveelheid drugs in de woning en het Openbaar Ministerie ervan uitgaat dat verdachte daarvan wist, is dit voldoende om een illegale herkomst van het geld en wetenschap bij verdachte aan te nemen.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman bepleit dat verdachte slechts logeerde bij zijn oom, medeverdachte [medeverdachte 1] . Dit wordt bevestigd door medeverdachte [medeverdachte 1] en blijkt ook uit het feit dat verdachte is aangetroffen slapend op de bank in de woonkamer. De verklaring van verdachte is daarmee aannemelijk. Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte wist van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de woning.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat uit het dossier niet is gebleken dat verdachte wetenschap had van de aangetroffen geldbedragen, noch van de criminele herkomst van dat geld.

Ten slotte heeft de raadsman bepleit dat in de portemonnee van verdachte niet een bedrag van € 485,-, maar slechts € 60,- zat. Hij verwijst in dit verband naar de kennisgeving van inbeslagname waarin dat is vermeld. Uit het dossier blijkt ook dat de rest van het aangetroffen geld niet in de portemonnee, maar in een broekzak zat. Dat geld was niet van verdachte. Dit wordt ondersteund door het feit dat medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij ongeveer € 400,- contant in zijn broekzak had zitten. Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld dat het ten laste gelegde geldbedrag aan verdachte toebehoorde.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Feiten en omstandigheden

Naar aanleiding van informatie van het Team Criminele Inlichtingen (TCI) inhoudende dat “de [adres] te Amsterdam een stashlocatie is voor verdovende middelen”, heeft op 19 mei 2020 een doorzoeking in de woning op dat adres plaatsgevonden. In de woning werd – in een afgesloten poef in de woonkamer – 998 gram cocaïne en 4,99 kilogram MDMA aangetroffen. Naast de verdovende middelen zijn verschillende geldbedragen in beslag genomen. In slaapkamer 2 werd een bedrag ter hoogte van € 1.800,- aangetroffen. In een laars in de kast in een berging werd € 2.920,- aangetroffen en ten slotte is in slaapkamer 1 een geldbedrag ter hoogte van € 485,- aangetroffen. Verdachte bevond zich ten tijde van de doorzoeking in de woonkamer, hij lag te slapen op de bank. Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] werden respectievelijk in slaapkamer 1 en slaapkamer 2 aangetroffen.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 1 maart 2020 is geland in Amsterdam en dat hij slechts acht dagen in Nederland zou blijven. Toen kwam hij echter vast te zitten door de uitbraak van het coronavirus. Vervolgens heeft hij zijn oom, medeverdachte [medeverdachte 1] , gebeld en kon hij bij zijn oom in de woning aan de [adres] verblijven.

3.3.2.

Vrijspraak van het onder feiten 1 en 2 ten laste gelegde

De cocaïne en de MDMA zijn aangetroffen in een afgesloten poef in de woonkamer. De verdovende middelen lagen dus niet in het zicht. Ook de onder feit 2 ten laste gelegde geldbedragen lagen niet in het zicht, maar waren verstopt in een kast in een slaapkamer en in een laars in de berging. Het strafdossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van de verdovende middelen dan wel van de geldbedragen. De rechtbank vindt de verklaring van verdachte dat hij als toerist in Nederland was en als gevolg van het coronavirus vervolgens tijdelijk bij zijn oom gestrand is, niet ongeloofwaardig. Het enkele feit dat de precieze verblijfsduur van verdachte in de woning niet kan worden vastgesteld, maakt dit niet anders. Het door de politieagenten opgevangen gesprek tussen verdachte en zijn oom evenmin. Met de raadsman is de rechtbank daarom van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte wetenschap had van de aangetroffen verdovende middelen of van de geldbedragen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van zowel het onder feit 1 als het onder feit 2 ten laste gelegde.

3.3.3.Vrijspraak van het onder feit 3 ten laste gelegde

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier niet eenduidig blijkt waar het in beslag genomen geldbedrag ter hoogte van € 485,- is aangetroffen. In het proces-verbaal van binnentreden woning staat dat het (de rechtbank begrijpt: volledige) bedrag in een portemonnee in de broekzak van verdachte is gevonden. Uit de kennisgeving van inbeslagneming op pagina 87 van het dossier blijkt dat een bedrag ter hoogte van € 435,- is aangetroffen in de rechterzak van een spijkerbroek en € 60,- is aangetroffen in een portemonnee. Verdachte heeft verklaard dat hij een bedrag ter hoogte van ongeveer € 30,- in zijn portemonnee had zitten. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij ongeveer € 400,- in zijn broekzak had.

Nu uit het dossier niet is gebleken van wie de broek waarin het geld is aangetroffen was, kan de rechtbank niet vaststellen dat dit geld toebehoorde aan verdachte. De rechtbank gaat uit van de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij € 30,- in zijn portemonnee had. Ten aanzien van dit bedrag bestaat geen witwasvermoeden. Verdachte zal daarom ook worden vrijgesproken van het onder feit 3 ten laste gelegde.

4 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

- geldbedrag € 485,- (goednummer: 5919660);

- telefoontoestel (Apple iPhone, rood) (goednummer: 5919713);

- telefoontoestel (Apple iPhone, wit) (goednummer: 5919714);

- telefoontoestel (Alcatel, zwart) (goednummer: 5919821).

De rechtbank is van oordeel dat een gedeelte van het geldbedrag, te weten € 30,-, en het telefoontoestel met goednummer 5919713 kunnen worden geretourneerd aan verdachte.

Van de overige goederen is niet komen vast te staan aan wie deze goederen toebehoren. Deze goederen zullen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

5 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

- geldbedrag € 30,- (goednummer: 5919660);

- telefoontoestel (Apple iPhone, rood) (goednummer: 5919713).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

- geldbedrag € 455,- (goednummer: 5919660);

- telefoontoestel (Apple iPhone, wit) (goednummer: 5919714);

- telefoontoestel (Alcatel, zwart) (goednummer: 5919821).

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.E. Geradts, voorzitter,

mrs. M. Snijders Blok-Nijensteen en M.M. Breugem, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.D. van der Heiden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 september 2020.

[...]