Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4497

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
13/728030-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden voor wapenbezit en hechtenis voor de duur van twee weken voor het binnen brengen van voorwerpen in een justitiële inrichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/728030-20 (Promis)

Datum uitspraak: 10 september 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1999,

verblijvend op het adres [adres] ,

gedetineerd in de [detentieadres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 augustus 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. de Klerk en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. D. Wiedeman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd en na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. medeplegen van) het voorhanden hebben van een vuurwapen, munitie en een geluiddemper in de periode van 29 februari 2020 tot en met 2 maart 2020 te Zaandam, Amsterdam en/of Heerhugowaard;

2. ( medeplegen van) door geweld of bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid een ambtenaar dwingen tot het volvoeren van een ambtsverrichting of het nalaten van een rechtmatige ambtsverrichting op 29 april 2020 te Alkmaar;

3. ( medeplegen van) het brengen of trachten te brengen van voorwerpen (mobiele telefoon en hasjiesj) binnen een penitentiarie inrichting op 28 april 2020 te Westzaan.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de inhoud van het dossier kunnen worden bewezen. Ten aanzien van feit 1 heeft verdachte bekend dat hij het wapen voorhanden heeft gehad. In de auto die in gebruik was bij verdachte was door de politie een technisch hulpmiddel geplaatst voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC). Uit die OVC-gesprekken blijkt dat verdachte op 29 februari 2020 met twee anderen heeft proefgeschoten in Amsterdam. In reactie op het verweer ten aanzien van feit 3 stelt de officier van justitie dat mag worden verondersteld dat de politieagent hasjiesj kan herkennen. Ook dat feit kan daarom worden bewezen. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat er te veel twijfel bestaat over de herkenning van verdachte door politieagent [politieagent] .

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat slechts kan worden bewezen dat verdachte het vuurwapen, de patronen en geluiddempervoorhanden heeft gehad in Heerhugowaard. Hij heeft bekend dat hij die voorwerpen in de woning van zijn moeder in [woonplaats] heeft verstopt. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte op 29 februari 2020 heeft proefgeschoten in Amsterdam. Mocht de rechtbank daarover anders oordelen, dan kan in ieder geval niet worden geconcludeerd dat het proefschieten heeft plaatsgevonden met het wapen dat later in Heerhugowaard in de woning is aangetroffen. Ook blijkt niet dat anderen dan verdachte wetenschap hadden van de aanwezigheid van het vuurwapen in de woning. Van medeplegen is daarom geen sprake.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken, omdat op basis van het dossier niet is komen vast te staan dat verdachte één van de vijf jongens is geweest die om politieagent [politieagent] heen zijn gaan staan. De herkenning van de politieagent is niet specifiek genoeg en ook blijkt de aanwezigheid van verdachte niet uit andere bewijsmiddelen.

Ten slotte kan volgens de raadsvrouw voor het onder feit 3 ten laste gelegde slechts ten aanzien van de telefoon een bewezenverklaring volgen. Dat het in de sok aangetroffen blokje hasjiesj betreft is gebaseerd op de constatering van een politieagent. Er zit geen indicatieve test in het dossier. Daarbij is de vermeende hasjiesj slechts met een niet geijkte weegschaal gewogen, zodat het gewicht onzeker blijft. Op dit punt moet verdachte daarom worden vrijgesproken.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde

Met de officier van justitie en de raadsvrouw acht de rechtbank niet bewezen hetgeen onder feit 2 is ten laste gelegd.

Politieagent [politieagent] heeft in zijn aangifte drie van de vijf belagers bij naam genoemd. De andere twee belagers waren hem onbekend. In een aanvullend proces-verbaal beschrijft [politieagent] dat hij op 15 mei 2020 de bijrijder van een scooter als één van de twee onbekend gebleven personen herkent. Deze herkenning van politieagent [politieagent] , die tevens aangever is, is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat verdachte betrokken is geweest bij het incident op 29 april 2020. De rechtbank overweegt daartoe dat [politieagent] in zijn aangifte geen omschrijving heeft gegeven van de twee onbekend gebleven belagers, waardoor de rechtbank de koppeling met zijn herkenning van verdachte twee weken later niet kan maken. Bovendien bevat het dossier verder geen aanknopingspunten dat verdachte op 29 april 2020 bij het incident in de buurt is geweest. Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat deze herkenning daarom niet kan leiden tot de vaststelling dat verdachte één van de vijf belagers is. Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

3.3.2.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Op 2 maart 2020 is tijdens een doorzoeking in de woning van de moeder van verdachte in [woonplaats] een vuurwapen aangetroffen. Verdachte heeft bekend dat hij dat wapen met munitie en geluiddemper daar heeft neergelegd en dat hij de enige was die wist van de aanwezigheid van het wapen in het huis. Ook heeft verdachte verklaard dat hij het wapen al een week in zijn bezit had.

Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat verdachte op 29 februari 2020 met dit wapen in Amsterdam heeft proefgeschoten. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit de OVC-gesprekken die tussen 28 februari 2020 en 2 maart 2020 zijn opgenomen in de Volkswagen Golf (voorzien van kenteken [kenteken] ) is gebleken dat verdachte op 29 februari 2020 in Amsterdam met een wapen heeft geschoten. De betreffende Volkswagen Golf is bij hem in gebruik, zijn stem is herkend door politieagenten en bovendien rijdt de auto na het schietincident terug naar het adres van de moeder van verdachte in [woonplaats] . De auto blijft daar vervolgens staan. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het wapen waarmee op 29 februari 2020 in Amsterdam is geschoten, het wapen is dat twee dagen later in Heerhugowaard is aangetroffen.

De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van het vuurwapen, de munitie en de geluiddemper gedurende de in de tenlastelegging genoemde periode in Heerhugowaard. Verdachte zal van het overig tenlastegelegde worden vrijgesproken.

3.3.3.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Verdachte heeft bekend dat hij een sok over de muur van Justitieel Complex Zaanstad heeft gegooid. Uit het dossier is gebleken dat in deze sok een mobiele telefoon, een condoom, een doorzichtig flesje Axe en ongeveer 9 gram hasjiesj zat. De politieagent heeft verklaard dat zij de hasjiesj ambtshalve herkent aan de geur, de kleur en de textuur. De rechtbank is van oordeel dat ervan mag worden uitgegaan dat de politieagent hasjiesj kan herkennen. Daarvoor is geen aanvullend onderzoek nodig. Nu verdachte wordt verweten dat hij ongeveer 9 gram hasjiesj over de muur heeft gegooid staat aan een bewezenverklaring van dit feit niet in de weg dat de hasjiesj is gewogen op een niet geijkte weegschaal. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte deze overtreding samen met een ander heeft begaan.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het aan verdachte ten laste gelegde kan worden bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen – waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn opgenomen – bewezen dat verdachte

Ten aanzien van feit 1:

in de periode van 29 februari 2020 tot en met 2 maart 2020 te Heerhugowaard een wapen en munitie van categorie III, te weten een pistool, merk Zastava, model M70, kaliber 7,65 mm, en 24 patronen, kaliber 7,65 mm, en een wapen van categorie I, te weten een bij het pistool behorende geluiddemper, voorhanden heeft gehad;

Ten aanzien van feit 3:

op 28 april 2020 te Westzaan, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander, voorwerpen, te weten ongeveer 9 gram hasjiesj en een mobiele telefoon van het merk Apple Iphone, binnen een inrichting of een instelling waarop de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden of de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen van toepassing was, namelijk Justitieel Complex Zaanstad , heeft gebracht, waarvan het bezit binnen die inrichting of instelling verboden was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het onder 1 door haar bewezen geachte misdrijf zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest.

Ten aanzien van het onder 3 door de officier bewezen geachte overtreding heeft zij een hechtenis voor de duur van 2 weken gevorderd.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat – in lijn met het standpunt dat niet kan worden bewezen dat verdachte het wapen in Amsterdam voorhanden heeft gehad – de rechtbank aansluiting moet zoeken bij de LOVS-oriëntatiepunten en niet bij de Amsterdamse oriëntatiepunten voor het voorhanden hebben van (vuur)wapens. Daarnaast heeft de verdediging verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte first offender is.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdacht heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen met geluiddemper en meerdere patronen. Dat het vuurwapen was voorzien van een geluiddemper wordt als strafverzwarend meegewogen. Dit betekent namelijk dat het wapen gereed was voor gebruik in een heimelijke setting. Het wapen is aangetroffen in de woning van de moeder van verdachte waar ook het zevenjarige broertje van verdachte woont. Het wapen lag voor dat jongetje op ooghoogte in een vrij toegankelijke kast, waarin notabene de kleding van het broertje lag. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij zijn broertje en overige familieleden op deze manier in gevaar heeft gebracht. Daarnaast neemt de rechtbank in strafverzwarende zin mee dat verdachte slechts twee dagen voor het aantreffen van het vuurwapen in zijn huis kennelijk heeft proefgeschoten met een wapen. Hieruit maakt de rechtbank op dat niet is uitgesloten dat verdachte het bij hem aangetroffen vuurwapen daadwerkelijk zou gaan gebruiken dan wel gebruikt heeft. Ook blijkt uit het strafdossier dat verdachte zich mogelijk ophoudt in het criminele circuit. Dit blijkt alleen al uit het onder feit 3 bewezenverklaarde. Verdachte deinst er kennelijk niet voor terug om voor een vriend die in de gevangenis zit drugs en een telefoon over de gevangenismuur te gooien. Meer in zijn algemeenheid vormt het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en heeft het een enorme maatschappelijke impact. Het voorhanden hebben van vuurwapens leidt immers maar al te vaak ook tot het gebruik daarvan, met alle gevolgen van dien. Dit vergt daarom een krachtige reactie van de strafrechter.

De rechtbank heeft ook gekeken naar het strafblad van verdachte van 13 augustus 2020, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder feit 1 is gepleegd niet kan worden volstaan met een andere straf dan een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de LOVS-oriëntatiepunten, de Amsterdamse oriëntatiepunten (specifiek voor wapenbezit) en naar vergelijkbare zaken in de rechtspraak. Gelet daarop en op de hiervoor genoemde strafverzwarende omstandigheden acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden passend en geboden.

Ten aanzien van feit 3 (een overtreding waarvoor een aparte straf moet worden opgelegd) acht de rechtbank hechtenis voor de duur van twee weken passend en geboden.

8 Beslag

Onder verdachte zijn voorzover hier van belang de volgende voorwerpen in beslag genomen:

- Samsung telefoon blauw met opschrift [opschrift] (goednummer: 5892809);

- Apple iPhone zwart (goednummer: 5892806);

- Blackberry zwart (goednummer: 5892812);

- pistool zwart CZ 7.65 (goednummer: 5891553);

- geluiddemper zwart (goednummer: 5891580);

- Blackberry zwart (goednummer: 5892842);

- Apple iPhone 8 zwart (goednummer: 5912812);

- Apple iPhone 6S grijs (goednummer: 5912797);

- Apple iPhone 6 (goednummer: 5922568);

- tas (merk Louis Vuitton) (goednummer: 5922554);

- autosleutel (merk Volkswagen) (goednummer: 5922557).

8.1.

Teruggave aan verdachte

De raadsvrouw heeft teruggave van de hiervoor genoemde telefoons aan verdachte verzocht. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de telefoon met goednummer 5912812 verbeurd moet worden verklaard omdat daarmee blijkens het dossier gesprekken zijn gevoerd waaruit blijkt dat sprake is van plannen voor strafbare feiten. De andere telefoons moeten nog worden onderzocht of betreffen PGP-telefoons (goednummers 5912797 en 5922568), die mogelijk op enig moment kunnen worden ‘opengebroken’. Het beslag dient daarom te worden gehandhaafd volgens de officier van justitie.

De rechtbank overweegt dat met de telefoon met goednummer 5912812 het feit onder 1 noch het feit onder 3 is begaan of voorbereid. Evenmin is sprake van een andere grond voor verbeurdverklaring. Die telefoon dient te worden teruggegeven aan verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat - bij gebreke van nadere informatie van de officier van justitie waaruit zou blijken dat er nog onderzoek plaatsvindt aan de telefoons – ook alle overige genoemde telefoons terug kunnen worden gegeven aan verdachte.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beslag op de Louis Vuitton tas (goednummer 5922554) moet voortduren in verband met de verdenking van witwassen door verdachte. De rechtbank overweegt op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken dat het voortduren van het beslag niet noodzakelijk is voor het strafrechtelijk onderzoek naar het witwassen. Het beslag is evenmin noodzakelijk voor het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel. Er ligt geen conservatoir beslag op de tas. De rechtbank is dan ook van oordeel dat bij het ontbreken van strafvorderlijk belang de Louis Vuitton tas aan verdachte dient te worden teruggegeven.

8.2.

Onttrekking aan het verkeer

Nu met betrekking tot de volgende voorwerpen het onder 1 bewezen geachte is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer:

- pistool zwart CZ 7.65 (goednummer: 5891553);

- geluiddemper zwart (goednummer: 5891580).

Ten aanzien van de in beslag genomen en niet teruggegeven autosleutel (goednummer 5922557) overweegt de rechtbank dat dit voorwerp gelet op de blanco baard kan worden aangemerkt als inbrekerswerktuig en is daarmee van zodanige aard, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Het voorwerp wordt daarom onttrokken aan het verkeer.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c en 429a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

en

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Ten aanzien van feit 3:

medeplegen van het brengen of trachten te brengen van voorwerpen binnen een inrichting, een instelling of een afdeling daarvan waarop de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden dan wel de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen van toepassing is waarvan het bezit binnen die inrichting, instelling of afdeling verboden is.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot een gevangenisstraf van 12 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 3 tot hechtenis voor de duur van twee weken.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- pistool zwart CZ 7.65 (goednummer: 5891553);

- geluiddemper zwart (goednummer: 5891580);

- autosleutel (merk Volkswagen) (goednummer: 5922557).

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- Samsung telefoon blauw met opschrift [opschrift] (goednummer: 5892809);

- Apple iPhone zwart (goednummer: 5892806);

- Blackberry zwart (goednummer: 5892812);

- Blackberry zwart (goednummer: 5892842);

- Apple iPhone 8 zwart (goednummer: 5912812);

- Apple iPhone 6S grijs (goednummer: 5912797);

- Apple iPhone 6 (goednummer: 5922568);

- tas (merk Louis Vuitton) (goednummer: 5922554).

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.E. Geradts, voorzitter,

mrs. M. Snijders Blok-Nijensteen en M.M. Breugem, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.D. van der Heiden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 september 2020.