Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4482

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
02-10-2020
Zaaknummer
C/13/648126 / HA ZA 18-516
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

schadevergoedingsvordering wegens zorgplichtschending die tevens een OD, handelen i.s.m. R&B, althans ongerechtvaardigde verrijking opleveren verjaard/art. 3:310 BW/ontbinding ex 3:111 BW verjaard/vernietiging Renteswaps door dwaling 3:52 BW verjaard

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2020, afl. 6, p. 306
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/648126 / HA ZA 18-516

Vonnis van 16 september 2020

in de zaak van

[eiser]

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.M. Wagenaar te Enschede,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. F.R.H. van der Leeuw te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en ABN AMRO worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 30 april 2018, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    de brief van 24 augustus 2018 van de rechtbank waarin de zaak, in verband met haar voornemens prejudiciële vragen te gaan stellen aan de Hoge Raad, is verwezen naar de rol van 19 september 2018 voor uitlating partijen over het voornemen tot aanhouding,

  • -

    de akte uitlating voornemen tot aanhouding, tevens verduidelijking eis van de zijde van [eiser] ,

  • -

    de akte uitlaten aanhouding zijdens ABN AMRO,

  • -

    de akte uitlating uitspraak Hoge Raad, tevens akte eiswijziging van de zijde van [eiser] , met producties,

  • -

    de akte uitlating prejudiciële beslissing Hoge Raad, tevens antwoordakte eiswijziging zijdens ABN AMRO,

  • -

    het tussenvonnis van 27 november 2019, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

  • -

    het proces verbaal van niet gehouden mondelinge behandeling van 10 april 2020,
    - het proces verbaal van de mondelinge behandeling van 17 augustus 2020, met de daarin genoemde processtukken,

  • -

    de brief van 28 augustus 2020 van [eiser] in reactie op het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is een vastgoedbelegger die zijn vastgoedportefeuille in privé houdt. Hij heeft een persoonlijke holding, [bedrijf eiser] B.V. (hierna: [bedrijf eiser] ), en is via deze holding onder meer bestuurder-grootaandeelhouder in [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ). [bedrijf eiser] is de moedermaatschappij van in totaal dertien groepsmaatschappijen met een geconsolideerd balanstotaal van respectievelijk € 14.027.034,00 in 2007 en € 18.929.322,00 in 2008. Tussen [eiser] en ABN AMRO is sprake van een langdurige bancaire relatie, in ieder geval sinds 1999.

2.2.

Op 29 maart 2005 zijn [eiser] en ABN AMRO een kredietovereenkomst aangegaan ter uitbreiding van de kredietfaciliteit van € 7.511.194,64 naar € 14.000.000,00, bestaande uit een rekening-courant krediet van € 4 miljoen, een 3-jarige roll-over lening van € 9 miljoen en een 20-jarige roll-over lening van € 1 miljoen. Het rentetype van de roll-over leningen betrof het 3-maands Euribor, verhoogd met een opslag van 1%. Deze door partijen ondertekende kredietovereenkomst luidt, voor zover hier van belang:

“(…)

OTC-derivaten

(…)

- De bijgesloten Algemene Bepalingen Derivatentransacties van mei 2001 zijn van toepassing op alle derivatentransacties tussen de Cliënt en ABN AMRO. Door ondertekening van deze Kredietovereenkomst verklaart de Cliënt een exemplaar van deze Algemene Bepalingen te hebben ontvangen.

(…)

- Tevens zendt ABN AMRO de Cliënt ter informatie de brochure ‘OTC-Derivatentransacties met de Bank. Door ondertekening van deze Kredietovereenkomst verklaart Cliënt deze brochure te hebben ontvangen.

(…)”

2.3.

Na het afsluiten van voormelde kredietovereenkomst hebben partijen elkaar gesproken over het afdekken van het renterisico. Bij brief van 21 april 2005 heeft ABN AMRO [eiser] geïnformeerd over de mogelijkheden ter fixatie van de rente en daarin tevens de werking van een (forward starting) renteswap en een rentecap besproken. In deze brief staat, voor zover relevant:

“(…)

Werking van de Swap

Zoals uit het schema blijkt, loopt het Euribor uit de payerswap weg tegen het Euribor van de roll-over lening. Wat overblijft, is de vaste rente vermeerderd met een kredietopslag, zoals overeengekomen in de gesloten kredietovereenkomst. Met een Forward Starting Payerswap fixeert u het door u te betalen rentepercentage en hebt u absolute zekerheid over de door u te betalen rentelasten. U bent beschermd tegen rentestijgingen, u kunt echter niet profiteren van eventuele rentedalingen. (…)

(…)

Werking van de Cap

Elk kwartaal wordt het 3 maands Euribor vergeleken met het uitoefenniveau van de cap, de floor en de digitale floor (de zogenoemde trigger). Er kunnen zich dan de volgende 3 situaties voor doen:

1. Als het 3 maands Euribor wordt gefixeerd boven het niveau van de cap ( 4,00%), zult u het verschil tussen het 3 maands Euribor en de caprente van de bank ontvangen.

2. Fixeert het 3 maands Euribor beneden de cap maar boven de trigger, dan vindt er geen verrekening plaats en betaalt u het 3 maands Euribor.

3. Fixeert het 3 maands Euribor op of beneden het triggerniveau (2,60%) dan zult u voor die periode de floorrente plus de pay-out betalen en is de rentelast voor die periode gelijk aan de caprente.

Alle hiervoor genoemde rentes zijn indicatief, derhalve kunnen er geen rechten aan worden ontleend. Alle rentes in deze brief zijn weergegeven exclusief de individuele opslag voor kredieten.

Alle in deze brief genoemde instrumenten hebben slechts tot doel de rentelasten te fixeren/maximeren. De instrumenten lopen geheel synchroon met het veronderstelde opname- en aflossingsschema. Wijzigingen in de opname- en/ of aflossingsstructuur kunnen tot gevolg hebben dat rentes wijzigen.

(…)

Tot slot willen wij u melden dat de in deze brief voorgestelde instrumenten alleen kunnen worden afgesloten in combinatie met de onderliggende financiering.

(…)”

2.4.

Als bijlage bij de brief van 21 april 2005 heeft ABN AMRO twee renteswapvoorstellen gedaan. Hierin legt ABN AMRO het verschil uit tussen het vastzetten van de rente op een Roll-over lening en het vastzetten van de rente door middel van een renteswap. In deze brief staat, onder meer, het volgende:

“(…)

Indien u gebruik maakt van een Roll-over financiering is vervroegde aflossing op elke rentevervaldag mogelijk. Indien u de rente echter heeft vastgelegd door het gebruik van een Swap is het niet zonder meer mogelijk om kosteloos extra aflossingen te laten plaatsvinden.

De bedragen van de Swap dienen namelijk parallel te lopen met de ontwikkeling van de Roll-over en indien vervroegde aflossing heeft plaatsgevonden zal er een positieve of negatieve verrekening plaats vinden afhankelijk van de dan geldende marktrente. Deze verlaging kan zowel een positieve alsook een negatieve cashflow met zich mee brengen.

(…)”

2.5.

In de periode daarna zijn partijen ter herfinanciering en uitbreiding van de kredietfaciliteit naar € 20.766.000,00 nog drie (gelijkluidende) kredietovereenkomsten aangegaan. Deze kredietovereenkomsten betroffen eveneens Euribor leningen. Naar aanleiding hiervan zijn partijen opnieuw in gesprek gegaan over de mogelijkheid om de variabele rente af te dekken. In een e-mail van 3 april 2006 heeft ABN AMRO dit bevestigd.

2.6.

Op 16 mei 2006 is [eiser] ter afdekking van het renterisico op voornoemde financieringen de volgende twee renteswaps met ABN AMRO aangegaan:

-de renteswap met referentienummer 2581268 (hierna: Renteswap I), ingaande op 1 juli 2006 en eindigend op 1 mei 2008, met een vast rentepercentage van 3,76% en een hoofdsom van € 10 miljoen;

-de renteswap met referentienummer 2581301 (hierna: Renteswap II), ingaande op 1 juli 2006 en eindigend op 1 juli 2011, met een vast rentepercentage van 4,02% en een hoofdsom van € 5 miljoen.

2.7.

Op 7 juli 2006 heeft [eiser] de volgende drie renteswaps bij ABN AMRO afgesloten:

  • -

    de renteswap met referentienummer 3048173, ingaande op 1 oktober 2006 en eindigend op 1 oktober 2016, met een vast rentepercentage van 4,44% en een hoofdsom van € 3,2 miljoen (hierna: Renteswap III);

  • -

    de renteswap met referentienummer 3048041, ingaande op 1 oktober 2006 en eindigend op 1 oktober 2013, met een vast rentepercentage van 4,34% en een hoofdsom van € 3,2 miljoen (hierna: Renteswap IV);

  • -

    de renteswap met referentienummer 3048202, ingaande op 1 oktober 2006 en eindigend op 1 oktober 2011, met een vast rentepercentage van 4,24% en een hoofdsom van € 850.000,00 (hierna: Renteswap V).

2.8.

In verband met de aankoop van vastgoed heeft [eiser] bij kredietovereenkomst van 27 september 2006 zijn kredietfaciliteit, middels een Euribor lening met een looptijd van tien jaar, met € 8,1 miljoen uitgebreid. Alvorens de kredietfaciliteit uit te breiden, heeft ABN AMRO aan [eiser] op 26 september 2006 de volgende e-mail gestuurd met daarin onder meer twee opties voor het herstructureren van Renteswap I:

“(…)

CHART HEDGEOVERZICHT

Dit is een grafische weergave voor je waarin de huidige leningen afgezet is ten opzichte van de lopende renteswaps. Hieruit kun je volgens mij vrij eenvoudig concluderen dat we naar een langere renteperiode moeten gaan om de afdekking ook naar de toekomst toe te kunnen waarborgen voor je.

VOORSTEL-1

Dit houdt in, dat de lopende swap van EUR 10.000.000,- uit onze systemen gehaald wordt (deze kolom heb ik dan ook grijs gemaakt) en daarvoor in de plaats 2 nieuwe swaps ingezet gaan worden van elk EUR 4.500.000,- met verschillende looptijden. Ook deze afdekking heb ik getotaliseerd voor je en in het tabblad “Leningoverzicht” gezet in kolom Y.

VOORSTEL -2

Dit houdt in, dat de lopende swap van EUR 10.000.000,- uit onze systemen gehaald wordt (deze kolom heb ik dan ook grijs gemaakt) en daarvoor in de plaats 3 nieuwe swaps ingezet gaan worden van elk EUR 3.000.000,- met verschillende looptijden. Ook deze afdekking heb ik getotaliseerd voor je en in het tabblad “Leningoverzicht” gezet in kolom Z.

(…)”

2.9.

Naar aanleiding van voormelde e-mail heeft [eiser] op 27 september 2006 besloten om de volgende twee nieuwe renteswaps met ABN AMRO aan te gaan:

-de renteswap met referentienummer 3792259, ingaande op 1 oktober 2006 en eindigend op 1 oktober 2012, met een vast rentepercentage van 3,95% en een hoofdsom van € 4,5 miljoen (hierna: Renteswap VI);

-de renteswap met referentienummer 3792282, ingaande op 1 oktober 2006 en eindigend op 1 juli 2015, met een vast rentepercentage van 4,06% en een hoofdsom van € 4,5 miljoen (hierna: Renteswap VII, en tezamen met Renteswap I tot en met Renteswap VI: de Renteswaps). In verband hiermee is Renteswap I voortijdig beëindigd.

2.10.

Bij kredietovereenkomst van 20 februari 2007 heeft [eiser] zijn kredietfaciliteit bij ABN AMRO met € 1.476.000,00 verhoogd naar € 30.237.312,50.

2.11.

In juni 2007 heeft dhr. [medewerker gedaagde] , [functie] bij ABN AMRO, een update presentatie aan [eiser] gegeven. Uit deze presentatie blijkt dat de Renteswaps in juni 2007 een positieve marktwaarde hebben van ruim € 350.000,00.

2.12.

Op 4 en 25 juni 2007 zijn [eiser] en ABN AMRO twee kredietovereenkomsten aangegaan ter uitbreiding van de kredietfaciliteit met een totaalbedrag van € 6.007.500,00. De kredietfaciliteit van [eiser] bedroeg daarmee in totaal € 36.166.300,00.

2.13.

Bij brief van 6 februari 2008 heeft ABN AMRO wegens de overgang van [eiser] naar Van Lanschot N.V. (hierna: Van Lanschot) [eiser] geïnformeerd over de voorwaarden voor opzegging van de kredietrelatie.

Bij e-mail van 11 februari 2008 heeft ABN AMRO aan [eiser] uitgelegd wat de mogelijkheden zijn tot het afwikkelen/overzetten van de Renteswaps:

“(…)

1. De huidige derivaten portefeuille wordt tegengesloten. Dit gebeurt enkel telefonisch en is marktgebonden.

2. De huidige derivaten portefeuille wordt overgezet naar Van Lanschot. Hierbij wordt er niets tegengesloten, maar zal Van Lanschot de portefeuille beheren. Dit heet assign-en. Hiervoor dient jullie contactpersoon bij Van Lanschot contact met mij op te nemen om alles te kunnen afhandelen.

(…)”

2.14.

Op eveneens 11 februari 2008 heeft ABN AMRO [eiser] laten weten dat de Renteswaps per 1 februari 2008 een negatieve marktwaarde hebben van € 151.866,00.

2.15.

Op 25 februari 2008 zijn de Renteswaps II tot en met VII middels ‘Bevestiging voortijdige beëindiging renteswap’ voortijdig en kosteloos overgesloten naar Van Lanschot.

2.16.

Bij brief van 17 maart 2011 heeft ABN AMRO aan [eiser] bevestigd dat de opslagen van de overgebleven drie Euribor leningen met kenmerken 45.22.75.733, 49.43.00.868 en 52.44.60.361 per 1 april 2011 met 0,45% zullen worden verhoogd. Op 20 december 2016 zijn deze Euribor leningen omgezet in drie vastrentende leningen.

2.17.

Bij brief van 7 december 2017 heeft de advocaat van [eiser] aan ABN AMRO meegedeeld dat [eiser] de renteswaps vanwege tekortkomingen in de nakoming van de verplichtingen van ABN AMRO jegens [eiser] ontbindt, op grond van dwaling vernietigt, haar aansprakelijk stelt voor de door alle tekortkomingen geleden schade en haar sommeert om binnen tien dagen € 1.189.835,00 te betalen. Ook is in deze brief de verjaring van de vorderingen gestuit. Per e-mail van 23 januari 2018 heeft ABN AMRO de aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij – voor zover mogelijk – uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

Primair – schending zorgplicht

  1. Voor recht verklaart dat ABN AMRO in strijd met de op haar rustende zorgplicht heeft gehandeld jegens [eiser] in verband met het adviseren/verplicht stellen van de Renteswaps, en/of het in rekening brengen van de kosten en/of (verborgen) provisies daaronder.

  2. Voor recht verklaart dat [eiser] de Renteswaps rechtsgeldig heeft ontbonden, althans alsnog te bepalen dat de Renteswaps zijn ontbonden.

Verborgen provisies

3. - - Primair: ABN AMRO veroordeelt om een bedrag van € 53.803,00 inzake provisies onder Renteswap I aan [eiser] terug te betalen binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen door de rechtbank, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 16 mei 2006 (transactiedatum), dan wel vanaf de eiswijziging (25 september 2019), tot aan de dag van algehele betaling daarvan.

-Subsidiair: ABN AMRO veroordeelt om een bedrag van € 53.803,00 inzake provisies onder Renteswap I minus kosten/premie van een rentecap € 5.335,00 = € 48.468,00 aan [eiser] terug te betalen binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen door de rechtbank, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 16 mei 2006 (transactiedatum), dan wel vanaf de eiswijziging (25 september 2019), tot aan de dag van algehele betaling daarvan.

- Meer subsidiair: de zaak verwijst naar een schadestaatprocedure.

4. - - Primair: ABN AMRO veroordeelt om een bedrag van € 53.037,00 inzake provisies onder Renteswap II aan [eiser] terug te betalen binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen door de rechtbank, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 16 mei 2006 (transactiedatum), dan wel vanaf de eiswijziging (25 september 2019), tot aan de dag van algehele betaling daarvan.

-Subsidiair: ABN AMRO veroordeelt om een bedrag van € 53.037,00 inzake provisies onder Renteswap II minus kosten/premie van een rentecap € 47.596,00 = € 5.441,00 aan [eiser] terug te betalen binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen door de rechtbank, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 16 mei 2006 (transactiedatum), dan wel vanaf de eiswijziging (25 september 2019), tot aan de dag van algehele betaling daarvan.

- Meer subsidiair: de zaak verwijst naar een schadestaatprocedure.

5. - - Primair: ABN AMRO veroordeelt om een bedrag van € 50.181,00 inzake provisies onder Renteswap III aan [eiser] terug te betalen binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen door de rechtbank, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 7 juli 2006 (transactiedatum), dan wel vanaf de eiswijziging (25 september 2019), tot aan de dag van algehele betaling daarvan.

-Subsidiair: ABN AMRO veroordeelt om een bedrag van € 50.181,00 inzake provisies onder Renteswap III minus kosten/premie van een rentecap € 63.388,00 = € -13.207,00 aan [eiser] terug te betalen binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen door de rechtbank, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 7 juli 2006 (transactiedatum), dan wel vanaf de eiswijziging (25 september 2019), tot aan de dag van algehele betaling daarvan.

- Meer subsidiair: de zaak verwijst naar een schadestaatprocedure.

6. - - Primair: ABN AMRO veroordeelt om een bedrag van € 63.391,00 inzake provisies onder Renteswap IV aan [eiser] terug te betalen binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen door de rechtbank, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 7 juli 2006 (transactiedatum), dan wel vanaf de eiswijziging (25 september 2019), tot aan de dag van algehele betaling daarvan.

-Subsidiair: ABN AMRO veroordeelt om een bedrag van € 63.391,00 inzake provisies onder Renteswap IV minus kosten/premie van een rentecap € 78.706,00 = € -15.315,00 aan [eiser] terug te betalen binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen door de rechtbank, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 7 juli 2006 (transactiedatum), dan wel vanaf de eiswijziging (25 september 2019), tot aan de dag van algehele betaling daarvan.

- Meer subsidiair: de zaak verwijst naar een schadestaatprocedure.

7. - - Primair: ABN AMRO veroordeelt om een bedrag van € 8.317,00 inzake provisies onder Renteswap V aan [eiser] terug te betalen binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen door de rechtbank, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 7 juli 2006 (transactiedatum), dan wel vanaf de eiswijziging (25 september 2019), tot aan de dag van algehele betaling daarvan.

-Subsidiair: ABN AMRO veroordeelt om een bedrag van € 8.317,00 inzake provisies onder Renteswap V minus kosten/premie van een rentecap € 6.149,00 = € 2.168,00 aan [eiser] terug te betalen binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen door de rechtbank, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 7 juli 2006 (transactiedatum), dan wel vanaf de eiswijziging (25 september 2019), tot aan de dag van algehele betaling daarvan.

- Meer subsidiair: de zaak verwijst naar een schadestaatprocedure.

8. - - Primair: ABN AMRO veroordeelt om een bedrag van € 135.601,00 inzake provisies onder Renteswap VI en Renteswap VII aan [eiser] terug te betalen binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen door de rechtbank, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 27 september 2006 (transactiedatum), dan wel vanaf de eiswijziging (25 september 2019), tot aan de dag van algehele betaling daarvan.

-Subsidiair: ABN AMRO veroordeelt om een bedrag van € 135.601,00 inzake provisies onder Renteswap VI en Renteswap VII minus kosten/premie van rentecaps (€ 42.475,00 + € 88.528,00=) € 131.003,00 = € 4.598,00 aan [eiser] terug te betalen binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen door de rechtbank, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 27 september 2006 (transactiedatum), dan wel vanaf de eiswijziging (25 september 2019), tot aan de dag van algehele betaling daarvan.

- Meer subsidiair: de zaak verwijst naar een schadestaatprocedure.

Rente – (netto) cashflow renteswaps

Primair

9. ABN AMRO veroordeelt om een bedrag van € 7.397,00 inzake te veel betaalde rente onder Renteswap I aan [eiser] terug te betalen binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen door de rechtbank, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de relevante datum, dan wel vanaf de eiswijziging (25 september 2019), tot aan de dag van algehele betaling daarvan.

10. ABN AMRO veroordeelt om een bedrag van € 13.253,00 inzake te veel betaalde rente onder Renteswap II aan [eiser] terug te betalen binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen door de rechtbank, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de relevante datum, dan wel vanaf de eiswijziging (25 september 2019), tot aan de dag van algehele betaling daarvan.

11. ABN AMRO veroordeelt om een bedrag van € 13.652,00 inzake te veel betaalde rente onder Renteswap III aan [eiser] terug te betalen binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen door de rechtbank, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de relevante datum, dan wel vanaf de eiswijziging (25 september 2019), tot aan de dag van algehele betaling daarvan.

12. ABN AMRO veroordeelt om een bedrag van € 17.723,00 inzake te veel betaalde rente onder Renteswap IV aan [eiser] terug te betalen binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen door de rechtbank, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de relevante datum, dan wel vanaf de eiswijziging (25 september 2019), tot aan de dag van algehele betaling daarvan.

13. ABN AMRO veroordeelt om een bedrag van € 2.592,00 inzake te veel betaalde rente onder Renteswap V aan [eiser] terug te betalen binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen door de rechtbank, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de relevante datum, dan wel vanaf de eiswijziging (25 september 2019), tot aan de dag van algehele betaling daarvan.

14. ABN AMRO veroordeelt om een bedrag van € 3.169,00 inzake te veel betaalde rente onder Renteswap VII aan [eiser] terug te betalen binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen door de rechtbank, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de relevante datum, dan wel vanaf de eiswijziging (25 september 2019), tot aan de dag van algehele betaling daarvan.

Subsidiair: de zaak voor wat betreft nrs. 9 t/m 14 verwijst naar een schadestaatprocedure.

Opslagverhogingen

Primair

15. ABN AMRO veroordeelt om een bedrag van € 32.775,00 inzake opslagverhogingen onder de Euribor lening met kenmerk 45.22.75.733 aan [eiser] terug te betalen binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen door de rechtbank, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf iedere rentedatum vanaf het tweede kwartaal 2011, dan wel vanaf de eiswijziging (25 september 2019), tot aan de dag van algehele betaling daarvan.

15. ABN AMRO veroordeelt om een bedrag van € 113.075,00 inzake opslagverhogingen onder de Euribor lening met kenmerk 49.43.00.868 aan [eiser] terug te betalen binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen door de rechtbank, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf iedere rentedatum vanaf het tweede kwartaal 2011, dan wel vanaf de eiswijziging (25 september 2019), tot aan de dag van algehele betaling daarvan.

15. ABN AMRO veroordeelt om een bedrag van € 32.778,00 inzake opslagverhogingen onder de Euribor lening met kenmerk 52.44.60.361 aan [eiser] terug te betalen binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen door de rechtbank, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf iedere rentedatum vanaf het tweede kwartaal 2011, dan wel vanaf de eiswijziging (25 september 2019), tot aan de dag van algehele betaling daarvan.

Subsidiair: de zaak voor wat betreft nrs. 15 t/m 17 verwijst naar een schadestaatprocedure.

Overige kosten – schade

Primair

18. ABN AMRO veroordeelt om een bedrag van € 450.000,00 inzake het gefrustreerde groeiscenario aan [eiser] terug te betalen binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen door de rechtbank, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf iedere jaar.

18. ABN AMRO veroordeelt om een bedrag van € 98.796,00 inzake de exitboete aan [eiser] terug te betalen binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen door de rechtbank, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 april 2008.

18. ABN AMRO veroordeelt om een bedrag van € 89.000,00 inzake kosten/schade aan [bedrijf] en/of [eiser] aan [eiser] terug te betalen binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen door de rechtbank, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de relevante factuurdatum.

18. ABN AMRO veroordeelt om een bedrag van € 47.000,00 inzake kosten/schade van [eiser] terug te betalen binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen door de rechtbank, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de relevante datum.

18. ABN AMRO veroordeelt om een bedrag van € 4.961,00 (€ 7.411,25 factuur van 10 oktober 2017 en € 453,75 factuur van 19 december 2017, de helft daarvan betreft kosten inzake ABN AMRO derhalve in totaal € 3.932,50 en € 1.028,50 factuur van 12 september 2019) inzake kosten Orchard Finance aan [eiser] terug te betalen binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen door de rechtbank, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de relevante factuurdatum, dan wel vanaf de eiswijziging (25 september 2019), tot aan de dag van algehele betaling daarvan.

18. ABN AMRO veroordeelt om de daadwerkelijke juridische kosten minimaal € 30.502,00 (kosten ter vaststelling schade) van [eiser] , dan wel (maximum) € 10.000,00 ex btw inzake juridische kosten aan [eiser] terug te betalen binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen door de rechtbank, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de relevante betaaldata, dan wel vanaf de eiswijziging (25 september 2019), tot aan de dag van algehele betaling daarvan.

Subsidiair: de zaak voor wat betreft nrs. 18 t/m 23 verwijst naar een schadestaatprocedure.

Subsidiair – dwaling

24. Voor recht verklaart dat [eiser] heeft gedwaald in verband met het aangaan van de Renteswaps en/of het in rekening brengen van de kosten en/of (verborgen) provisies daaronder:

- primair op grond van artikel 6:228, eerste lid onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW); en

- subsidiair op grond van artikel 6:228, eerste lid onder b BW.

25. Voor recht verklaart dat [eiser] de Renteswaps rechtsgeldig heeft vernietigd, althans alsnog bepaalt dat de Renteswaps zijn vernietigd.

25. Voor wat betreft de ongedaanmakingsverplichtingen en/of kosten: de vorderingen zoals genoemd onder nrs. 3 t/m 23 hierboven.

Meer subsidiair – onrechtmatige daad

27. Voor recht verklaart dat ABN AMRO onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] in verband met het aangaan van de Renteswaps en/of het in rekening brengen van de kosten en/of (verborgen) provisies daaronder.

27. Voor wat betreft de schade en/of kosten: de vorderingen zoals genoemd onder nrs. 3 t/m 23 hierboven.

Meer subsidiair – strijd met redelijkheid en billijkheid

29. Voor recht verklaart dat ABN AMRO in strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld jegens [eiser] in verband in verband met het aangaan van de Renteswaps en/of het in rekening brengen van de kosten en/of (verborgen) provisies daaronder.

29. Voor wat betreft de schade en/of kosten: de vorderingen zoals genoemd onder nrs. 3 t/m 23 hierboven.

Ongerechtvaardigde verrijking

31. Voor recht verklaart dat er onder de Renteswaps sprake is van onrechtvaardigde verrijking aan de zijde van ABN AMRO.

31. Voor wat betreft de schade en/of kosten: de vorderingen zoals genoemd onder nrs. 3 t/m 23 hierboven.

Algemeen (primair en (meer) subsidiair)

33. ABN AMRO veroordeelt in alle kosten van deze procedure te betalen binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag van algehele betaling daarvan.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – zakelijk weergegeven – het volgende aan. [eiser] heeft als onervaren en ondeskundige partij volledig vertrouwd op het advies van een professionele partij, ABN AMRO. Het initiatief om de Renteswaps af te sluiten kwam van ABN AMRO, terwijl zij geen, althans onvoldoende, informatie aan [eiser] heeft verstrekt op basis waarvan hij in staat zou zijn geweest om een adequate beoordeling van de financiële producten uit te kunnen voeren, laat staan te waarschuwen voor de risico’s daarvan. De gegeven informatie was zeer summier van aard. Er werd meer een algemene toelichting gegeven waarbij vooral de voordelen van een renteswap werden benadrukt. De nadelen/risico’s werden niet of nauwelijks benoemd. ABN AMRO heeft daarbij onjuiste rente prognoses gegeven, waarbij [eiser] werd voorgehouden dat hij daar bescherming tegen nodig had. Er is nimmer geadviseerd inzake alternatieve renteopties voor [eiser] . ABN AMRO heeft evenmin melding gemaakt van de kosten, waaronder de provisie die zij aan de Renteswaps heeft verdiend, maar ook niet over de specifieke kenmerken van een renteswap zoals dat de negatieve marktwaarde kan leiden tot een verhoogd risicoprofiel, dat weer kan leiden tot opslagverhogingen, het stellen van extra zekerheden (marginverplichtingen) en problemen bij herfinanciering. Daar komt nog bij dat marginverplichtingen een liquiditeitsrisico kunnen creëren en de Renteswaps forward zijn afgesloten, waardoor de Renteswaps een meer speculatieve karakter hadden. Bovendien is een renteswap helemaal geen flexibel product. Het kan niet tussentijds worden aangepast, hetgeen ook achteraf bij de herstructurering is gebleken. Daarnaast heeft ABN AMRO nagelaten om ten behoeve van [eiser] een cliëntenprofiel op te stellen. De doelstelling van [eiser] was namelijk om een vastgoedportefeuille op te bouwen als pensioenvoorziening. Hij was altijd bewust variabel en dus flexibel gefinancierd. [eiser] had geen leningen met een vaste rente en hij wilde ook helemaal geen vaste rente of rentebescherming middels de Renteswaps. Met de mogelijkheid om de variabele lening om te zetten naar een vaste rente door middel van renteconversie, had [eiser] al voldoende rentebescherming. Primair heeft ABN AMRO aldus de op haar rustende zorgplicht geschonden. Ook heeft ABN AMRO gehandeld in strijd met haar zorgplicht door bij brief van 17 maart 2011 de opslag op de drie Euribor leningen (zie 3.1. onder 15 tot en met 17) te verhogen met 0,45%, zonder dat [eiser] daarmee heeft ingestemd. Er bestond evenmin een rechtsgrond voor de opslagverhoging, omdat geen sprake was van een verhoogd kredietrisico.

[eiser] heeft gelet op het al het voorgaande (subsidiair) gedwaald bij het aangaan van de Renteswaps. Indien ABN AMRO [eiser] wel volledig en juist geïnformeerd zou hebben over de wezenlijke kenmerken en risico’s van de Renteswaps, dan zou [eiser] nimmer voor een renteswap hebben gekozen. [eiser] dient daarom (primair) in de positie te worden gebracht dat er helemaal geen Renteswap zouden zijn toegepast. [eiser] dient subsidiair in de positie te worden gebracht dat er rentecaps zouden zijn afgesloten, aldus steeds [eiser] .

3.3.

ABN AMRO voert verweer. Zij voert onder meer aan dat de ingestelde vorderingen zijn verjaard.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

Inleiding

4.1.

[eiser] vordert onder meer verklaringen voor recht dat hij de Renteswaps rechtsgeldig heeft ontbonden vanwege zorgplichtschendingen van ABN AMRO, althans heeft vernietigd op grond van dwaling, daarmee kennelijk doelend op de brief van 7 december 2017, althans te bepalen dat de Renteswaps zijn ontbonden dan wel vernietigd. De hieraan ten grondslag gelegde verwijten (zie 3.2.) leveren volgens [eiser] subsidiair ook een onrechtmatige daad (al dan niet wegens misleidende reclame) respectievelijk handelen in strijd met de redelijkheid en billijkheid op, althans ongerechtvaardigde verrijking.

Verjaring van de vorderingen

4.2.

Eén van de meest verstrekkende verweren van ABN AMRO is dat het beroep van [eiser] op de zorgplichtschending en dwaling, alsmede de overige gronden, reeds zijn verjaard. ABN AMRO heeft [eiser] in 2005 en 2006, voorafgaand aan en bij het afsluiten van de Renteswaps, uitvoerig geïnformeerd over de kenmerken en risico’s van de Renteswaps, waaronder de eigenschappen waarover [eiser] zich nu beklaagt. ABN AMRO heeft, anders dan [eiser] stelt, tijdig en voldoende informatie ingewonnen over de wensen en voorkeuren van [eiser] . Nog daargelaten dat [eiser] de Renteswaps heeft afgesloten met als doel het reële renterisico op de onderliggende financiering af te dekken waardoor de Renteswaps passende en geschikte producten zijn, geldt dat [eiser] zich uiterlijk ten tijde van het oversluiten van de Renteswaps naar Van Lanschot in februari 2008 bewust was van de relevante kenmerken en risico’s van de Renteswaps waarover hij nu klaagt, waaronder de negatieve marktwaarde. Hij is immers op 11 februari 2008 hierover geïnformeerd. Voorts geldt dat [eiser] de negatieve marktwaarde niet aan ABN AMRO heeft betaald, omdat de Renteswaps kosteloos zijn overgesloten naar Van Lanschot. In juridische zin is toen sprake geweest van contractsvernieuwing, hetgeen wordt beschouwd als afstand van een verbintenis (artikel 6:159 BW), waardoor [eiser] zijn vordering tot ontbinding van de Renteswaps niet tegen ABN AMRO kan inroepen. In de periode tot aan het oversluiten van de Renteswaps was geen sprake van een mismatch tussen de looptijd van de financieringen en de looptijd van de Renteswaps en heeft [eiser] nooit te maken gehad met marginverplichtingen. Ook zijn geen onterechte opslagverhogingen in rekening gebracht op de drie overgebleven Euribor leningen, omdat partijen de bevoegdheid daartoe zijn overeengekomen in de kredietovereenkomsten. Voor zover [eiser] stelt dat hij de opslagverhoging wenst te ontbinden, is deze vordering op grond van artikel 3:111 BW eveneens verjaard omdat hij op 17 maart 2011 daarmee bekend is geworden, aldus steeds het verweer van ABN AMRO.

4.3.

[eiser] heeft tegen het verjaringsverweer van ABN AMRO aangevoerd dat hij zich, naar aanleiding van de berichtgeving in de media, op 3 november 2016 heeft aangemeld voor het Uniform Herstelkader Rentederivaten MKB (hierna: het Herstelkader). Hij is pas na inschakeling van zijn advocaat en Orchard Finance in 2017 op de hoogte geraakt van de risico’s van de Renteswaps en de omvang van de geleden schade. Daarvoor heeft [eiser] nimmer juridisch contact gehad omtrent de Renteswaps en had hij dus geen kennis van een mogelijke schending van de zorgplicht door ABN AMRO, temeer daar [eiser] pas na ontvangst van het klantendossier duidelijk werd welke documentatie beschikbaar was. Het was voor [eiser] daarom evenmin mogelijk om de relevante schadecomponenten en de hoogte daarvan op te maken. Tot slot wijst [eiser] op het Herstelkader waarin is bepaald dat banken zich in het kader van de actieve herbeoordeling onder het Herstelkader niet beroepen op verjaring.

Vordering tot schadevergoeding

4.4.

Op grond van artikel 3:310, eerste lid BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade dan wel het enkele vermoeden welke persoon voor de schade aansprakelijk is, niet volstaat. De verjaringstermijn van artikel 3:310, eerste lid BW begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon (zie Hoge Raad 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:552, Mispelhoef/Staat). Dit houdt niet in dat voor het gaan lopen van de verjaringstermijn is vereist dat de benadeelde daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden.

4.5.

De rechtbank stelt vast dat uit de vaststaande feiten volgt dat ABN AMRO [eiser] voorafgaand aan het afsluiten van de Renteswaps, maar ook daarna, heeft geïnformeerd over de generieke kenmerken en risico’s van de Renteswaps waarover hij nu klaagt en die volgens [eiser] maken dat de renteswap op zichzelf al een ondeugdelijk product is. Verder volgt hieruit dat [eiser] , anders dan hij heeft aangevoerd, wel degelijk de wens had om zijn renterisico op de onderliggende financiering af te dekken. ABN AMRO heeft in dit verband aan [eiser] de Algemene Bepalingen Derivatentransacties van mei 2001 en de brochure ‘OTC-Derivatentransacties met de Bank’ verstrekt waarin de algemene kenmerken en risico’s van rentederivaten staan beschreven. Voor zover [eiser] zich op het standpunt stelt dat hij deze stukken niet heeft ontvangen, geldt dat – als aangevoerd door ABN AMRO – [eiser] heeft getekend voor de ontvangst hiervan (zie 2.2.). Voorts heeft ABN AMRO betoogd dat uit de weergegeven correspondentie en de powerpoint presentatie naar voren komt dat ABN AMRO [eiser] meerdere malen heeft gesproken over de werking van de (forward starting) Renteswaps, waarbij tevens de alternatieve renteopties rentecap (2.3.) en vastrentende lening (2.4.) zijn benoemd en uitgelegd. [eiser] heeft dit gemotiveerde verweer van ABN AMRO op zijn beurt onvoldoende betwist zodat dit slaagt.

4.6.

Ook slaagt het verweer van ABN AMRO dat [eiser] zich nadien bewust is geweest van de eigenschappen van de Renteswaps. Zo heeft ABN AMRO bij brief van 11 februari 2008 aan [eiser] laten weten dat de Renteswaps per 1 februari 2008 een negatieve marktwaarde hebben van € 151.866,00 (zie 2.14.), die [eiser] overigens niet aan ABN AMRO heeft betaald omdat de Renteswaps kosteloos zijn overgegaan naar Van Lanschot wegens het herfinancieren van de financierings- en derivatenportefeuille. In aanloop naar de overgang van [eiser] naar Van Lanschot op 25 februari 2008 moet het hem, voor zover dat niet het geval was, tevens duidelijk zijn geweest dat de Renteswaps geen flexibele producten waren, omdat deze tegengesloten dan wel overgezet moesten worden. Voor wat betreft de opslagverhogingen verwijst de rechtbank naar de brief van ABN AMRO van 17 maart 2011 (2.16.) waarin zij aan [eiser] heeft bevestigd dat de opslagen van de overgebleven drie Euribor leningen per 1 april 2011 met 0,45% zullen worden verhoogd.

4.7.

Aldus komt de rechtbank tot de conclusie dat [eiser] in ieder geval op 25 februari 2008, zijnde de datum dat de Renteswaps werden overgesloten naar Van Lanschot, bekend moet worden verondersteld met de kenmerken en risico’s van de Renteswaps die hij ten grondslag heeft gelegd aan de vermeende zorgplichtschending. Zoals hiervoor weergegeven, is het voor het gaan lopen van de verjaringstermijn niet vereist dat de benadeelde daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden zoals [eiser] verondersteld. Evenmin is vereist dat de benadeelde bekend is met alle componenten of de gehele omvang van zijn schade als gevolg van het tekortschietend of foutief handelen. Voldoende is dat de benadeelde bekend is geworden met de schade die hij heeft geleden of lijdt als gevolg daarvan. Voor het doen ingaan van de verjaringstermijn is het moment waarop de schuldeiser in concreto bekend is geworden met de gestelde tekortkoming maatgevend. Dat moment is niet het moment waarop [eiser] zijn advocaat en Orchard Finance heeft ingeschakeld, nog daargelaten dat niet valt in te zien waarom [eiser] niet al in 2008 juridisch advies had kunnen inwinnen over het handelen van ABN AMRO en een vordering wegens schending van de zorgplicht had kunnen instellen of de verjaring had kunnen stuiten.

4.8.

Gesteld noch gebleken is dat de verjaring vóór 25 februari 2013 is gestuit. Dit betekent dat de schadevergoedingsvorderingen van [eiser] die voortvloeien uit de gestelde zorgplichtschending en tevens een onrechtmatige daad (al dan niet wegens misleidende reclame) respectievelijk handelen in strijd met de redelijkheid en billijkheid, althans ongerechtvaardigde verrijking opleveren, gelet op het bepaalde in artikel 3:310, eerste lid BW en met inachtneming van voormelde maatstaf (zie 4.4.), zijn verjaard.

Met betrekking tot de door [eiser] geleden schade als gevolg van de opslagverhogingen, oordeelt de rechtbank dat de van toepassing zijnde verjaringstermijn op 17 maart 2011 is aangevangen en derhalve op 17 maart 2016 is voltooid.

Het beroep van [eiser] op het Herstelkader in dit verband kan hem niet baten, nu dit alleen geldt in het geval de verjaringstermijn zou eindigen in de beoordelingsperiode onder het Herstelkader.

Vordering tot ontbinding en onverschuldigde betaling

4.9.

Het voorgaande geldt met toepassing van artikel 3:111 BW eveneens voor de vordering tot ontbinding van de Renteswaps wegens zorgplichtschending, daargelaten dat deze vordering door contractsvernieuwing bovendien niet tegen ABN AMRO kan worden ingeroepen, zoals ABN AMRO terecht heeft aangevoerd (zie 4.2). De vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling is in het verlengde hiervan op grond van artikel 3:309 BW eveneens verjaard.

Vordering tot vernietiging van de Renteswaps wegens dwaling

4.10.

Voor wat betreft de subsidiair gevorderde verklaring voor recht dat [eiser] de Renteswaps wegens dwaling rechtsgeldig heeft vernietigd, althans te bepalen dat de Renteswaps zijn vernietigd, geldt dat een rechtsvordering tot vernietiging van een rechtshandeling ingeval van dwaling drie jaar nadat de dwaling is ontdekt, verjaart (artikel 3:52, eerste lid onder c BW). Volgens vaste jurisprudentie gaat het er daarbij om op welk moment de dwalende daadwerkelijk (subjectief) bekend is geworden met feiten en omstandigheden waarop het beroep op dwaling is gegrond. Een absolute zekerheid omtrent die feiten is niet vereist, een redelijke mate van zekerheid volstaat (zie onder meer Hoge Raad 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5068). De rechtbank is, in het licht van hetgeen in 4.5. en 4.6. is overwogen en nu gesteld noch gebleken is dat de verjaring binnen drie jaar na 25 februari 2008 is gestuit, van oordeel dat de subsidiaire vordering van [eiser] uit hoofde van dwaling eveneens is verjaard.

Vordering tot vernietiging van de opslagverhogingen op grond van artikel 3:44, derde en vierde lid BW

4.11.

De vordering van [eiser] tot vernietiging van de opslagverhogingen wegens bedrog of misbruik van omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 3:52, eerste lid aanhef en onder b en c BW, gezien de brief van 17 maart 2011 (zie 2.16.) op 17 maart 2014 verjaard.

Bankmarge

4.12.

Ten overvloede merkt de rechtbank ten aanzien van de door [eiser] gestelde zorgplichtschending en dwaling met betrekking tot de in het swaptarief begrepen (verborgen) marge het volgende op. Als algemeen bekend mag worden verondersteld dat banken commerciële partijen zijn en dus een marge nastreven, zodat het (al dan niet bewust) achterwege blijven van mededelingen op dit punt niet tot een onjuiste voorstelling van zaken bij [eiser] kan hebben geleid. Het uit hoofde van een renteswap te betalen vaste rentetarief (en opslag) is immers de relevante kostenpost en niet de componenten waaruit de vaste swaprente is opgebouwd. Met het aangaan van de Renteswaps heeft [eiser] ingestemd met de in het swaptarief begrepen bankmarge. Dat ABN AMRO geen inzicht heeft gegeven in de bankmarge kan niet leiden tot een schending van haar zorgplicht, omdat een dergelijke verplichting niet onder de reikwijdte van de zorgplicht valt. [eiser] kan, blijkens het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1046), behoudens bijzondere omstandigheden die niet zijn gebleken, niet verschoonbaar hebben gedwaald over de aanwezigheid van een bankmarge als onderdeel van het overeengekomen swaptarief dat voor hem kennelijk aanvaardbaar was.

De stellingen met betrekking tot de gestelde strijd met de redelijkheid en billijkheid en ongerechtvaardigde verrijking ontberen een meer concrete toelichting en kunnen de vorderingen evenmin dragen.

4.13.

Voor toepassing van artikel 3:310, vierde lid BW heeft [eiser] , gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, onvoldoende onderbouwd dat sprake is van valsheid in geschrifte zoals strafbaar gesteld in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De verjaringstermijn van 12 jaar zoals bepaald in artikel 70, eerste lid onder 3 Sr is dan ook niet van toepassing.

Slotsom

4.14.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep van ABN AMRO op verjaring van de vorderingen slaagt. De vorderingen van [eiser] worden, wat er ook zij van het beroep op zorgplichtschending en dwaling bezien in het licht van de vaststaande feiten en omstandigheden, daarom afgewezen.

Proceskosten

4.15.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ABN AMRO worden begroot op:

€ 3.946,00 aan griffierecht

€ 9.640,00 aan salaris advocaat (2,5 punten x tarief € 3.856,00)

€ 13.586,00 totaal.

4.16.

De nakosten worden begroot en zijn toewijsbaar op de wijze als in de beslissing vermeld. De door ABN AMRO gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten wordt toegewezen als zijnde niet betwist.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van ABN AMRO tot op heden begroot op € 13.586,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten van ABN AMRO, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder voorwaarde dat [eiser] niet binnen veertien dagen na dagtekening aan dit vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, voornoemd bedrag van € 157,00 te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling, voornoemd bedrag van € 82,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. van Eekeren, rechter, bijgestaan door mr. H. Akbuz, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2020.1

1 type: HA coll: