Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4382

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
13/133365-20, 13/032187-20 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gekwalificeerde diefstal van een kostbare e-bike en opzetheling van een andere waardevolle fiets. Gevangenisstraf 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/133365-20, 13/032187-20 (tul)

Datum uitspraak: 3 september 2020

Verkort vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] ,

ten tijde van de zitting gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [plaats 1] .

1 Procesgang

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 augustus 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C. Nij Bijvank. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat de gemachtigd raadsvrouw van verdachte, mr. L. Kesting, en mevrouw E. Wijbenga, reclasseringswerker, naar voren hebben gebracht.

Op 21 augustus 2020 heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:

  1. diefstal door middel van braak of verbreking op 16 mei 2020 van een elektrische fiets van het merk Flyer;

  2. primair diefstal door middel van braak of verbreking tussen 13 en 14 mei 2020 van een fiets van het merk Van Moof, subsidiair de heling van die fiets op 16 mei 2020.

De volledige tekst van de tenlastelegging staat in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht. Deze tekst geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Inleiding

Op 16 mei 2020 krijgt de politie rond 14:33 uur een melding over een mogelijke diefstal van een elektrische fiets (hierna ook: e-bike) aan de [adres 1] te Amsterdam.

De melder ziet daar een man lopen met een Van Moof fiets met daar bovenop een e-bike.

Verbalisanten gaan ter plaatse en treffen vervolgens op aanwijzingen van de melder, die de man op de voet is blijven volgen, enkele straten verderop de verdachte aan met twee fietsen.

Het gaat om een grijze elektrische fiets van het merk Flyer die op dat moment door middel van een hoefijzerslot is afgesloten en een groene Van Moof-fiets.

Nadat de verdachte is staande gehouden verklaart hij de e-bike in de buurt te hebben opgehaald en voor vriend “ [naam] ” te gaan repareren. Een volledige naam en of telefoonnummer van de vriend weet de verdachte niet. Verder verklaart verdachte dat de Van Moof fiets van hemzelf is.

In de tas die verdachte bij zich draagt, treft de politie gereedschap aan, waaronder schroevendraaiers, een betonschaar, messen, een waterpomptang, een inbussleutel en een beitel. Daarnaast treft de politie in diezelfde tas een stuk ijzer aan behorend bij een kettingslot.

Nader onderzoek op basis van het framenummer van de e-bike wijst vervolgens uit dat de fiets kort daarvoor, de aangever spreekt over een diefstal tussen 14:00 uur en 15:00 uur, is gestolen vanuit een fietsenrek bij de flat aan de [adres 1] te Amsterdam.

De fiets was daar op slot gezet door middel van een beugelslot en een extra slot.

Aan de hand van het framenummer van de Van Moof fiets komt vast te staan dat die fiets tussen 13 en 14 mei 2020 is gestolen aan het Gentiaanplein te Amsterdam.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of verdachte de beide fietsen (door middel van braak of verbreking) heeft gestolen, dan wel of verdachte wist dat de bij hem aangetroffen Van Moof fiets van misdrijf afkomstig was.

3.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de onder feit 1 ten laste gelegde diefstal met braak van de e-bike kan worden bewezen. Verdachte wordt al in de straat waar de fiets is gestolen gezien met de e-bike bovenop een andere fiets. Bovendien kan hij geen nadere informatie geven over de vriend van wie de fiets zou zijn. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie verzocht de verdachte vrij te spreken van de primair ten laste gelegde diefstal (met braak) van de Van Moof fiets. Naar haar oordeel kan de subsidiair ten laste gelegde heling wel worden bewezen.

3.3

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft ter zitting vrijspraak bepleit van de diefstal (met braak) van de e-bike (feit 1), nu er geen getuigen zijn die de verdachte de fiets hebben zien losmaken. Daarbij komt dat verdachte ontkent de fiets te hebben gestolen en juist in de veronderstelling zou hebben verkeerd een vriendendienst te verrichten. Voor het overige heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt – met de officier van justitie - tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 en het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde.

Feit 1: diefstal (met braak en/of verbreking) van e-bike

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van diefstal met verbreking van de e-bike gelet op de aangifte en het korte tijdsbestek tussen de diefstal en het moment waarop de verdachte al in diezelfde straat met de e-bike bovenop een andere fiets wordt gezien. Een en ander maakt dat het naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan zijn dan dat het verdachte was die het (hang)slot van de fiets heeft opengebroken en vervolgens de fiets heeft weggenomen. Steun hiervoor vindt de rechtbank in de omstandigheid dat onder verdachte, op het moment dat hij een paar straten verderop met (onder andere) de e-bike wordt staande gehouden, niet alleen divers gereedschap wordt aangetroffen, maar ook een stuk van een kettingslot.

Het scenario dat de verdachte de fiets van een vriend zojuist bij zou hebben opgehaald en hij die vriend in de vorm van reparatiewerkzaamheden een vriendendienst zou bewijzen, acht de rechtbank, in het licht van voornoemd bewijs, onaannemelijk. De rechtbank wordt in deze overtuiging gesterkt door de omstandigheid dat verdachte, wanneer daarnaar gevraagd wordt, geen nadere gegevens over de betreffende ‘vriend’ kan geven.

Feit 2: diefstal (met braak en/of verbreking) of heling van de Van Moof fiets

De rechtbank is - met de officier van justitie- van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van de diefstal van de Van Moof fiets. In het dossier bevinden zich onvoldoende aanwijzingen dat het de verdachte is geweest die de fiets enkele dagen eerder zelf heeft weggenomen. Bij gebrek aan wettig bewijs moet de verdachte worden vrijgesproken van de diefstal.

Wat resteert, is het feit dat verdachte met een enkele dagen daarvoor gestolen kostbare fiets is aangetroffen. Hiermee heeft hij een goed voorhanden gehad dat van diefstal afkomstig is. Verdachte heeft over deze dure fiets alleen verklaard dat die van hemzelf was. De omstandigheid dat verdachte al jaren geen substantieel inkomen heeft in samenhang bezien met het ontbreken van enige nadere verklaring over de wijze van verkrijgen van deze kostbare fiets, maakt dat de rechtbank geen andere conclusie kan trekken dan dat verdachte ten tijde van het verkrijgen van de fiets wist dat deze fiets van diefstal afkomstig was. De onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde opzetheling is daarmee wettig en overtuigend bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

1.

op 16 mei 2020 te Amsterdam, een fiets (merk Flyer) toebehorende aan [persoon] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te

eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen fiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking van een slot van voornoemde fiets.

2. subsidiair

op 16 mei 2020 te Amsterdam een fiets (merk Van Moof) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte aan de harde criteria voor een ISD-maatregel voldoet. In het licht van de mogelijkheden die de reclassering blijkens het rapport van 24 juli 2020 nog ziet voor een toezichtkader, is zij echter van oordeel dat verdachte een laatste kans moet worden geboden in de vorm van een deels voorwaardelijke straf. Naar haar oordeel zou voor de onderhavige feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken passend zijn. Nu de verdachte op dit moment echter al ruim drie maanden in voorarrest heeft doorgebracht, ziet zij in het licht van art. 67a, derde lid, Sv geen mogelijkheden meer voor een voorwaardelijk strafdeel.

Vanwege het grote belang van een kader met bijzondere voorwaarden vordert de officier van justitie ten aanzien van de voorwaardelijke straf van 16 dagen, zoals opgelegd bij vonnis van de politierechter van 18 februari 2020, dat aan dit strafdeel de door de reclassering geformuleerde bijzondere voorwaarden worden toegevoegd.

8.2

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit, maar refereert zich in geval van een veroordeling aan de vordering van de officier van justitie.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander ter zitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de vaststelling van de duur en hoogte daarvan in het bijzonder het volgende mee laten wegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gekwalificeerde diefstal van een kostbare fiets en aan opzetheling van een andere waardevolle fiets.

Dergelijke feiten zorgen voor veel schade en overlast. Een van de aangevers was op leeftijd en heeft alleen al bij het doen van aangifte de hulp van een buurman moeten inroepen. Verdachte heeft bij het plegen van deze feiten alleen rekening gehouden met zijn eigen financiële gewin en niet stilgestaan bij de gevolgen die deze feiten hebben voor anderen. Door naast zelf een fiets te stelen, ook een fiets te helen, houdt hij bovendien het plegen van diefstallen door anderen in stand. De rechtbank rekent de verdachte dit alles zwaar aan.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de reclassering van 24 juli 2020. Uit dit rapport blijkt dat verdachte al jaren kampt met een hardnekkige harddrugsverslaving die hem belemmert in het vinden van stabiliteit op verschillende leefgebieden. Na een eerdere ISD-maatregel had verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten geen hulp vanuit een gedwongen kader. Op basis van vrijwillig gezochte hulp via stichting “Zorg voor mij” kwam verdachte de afgelopen periode tot een dagbesteding, het aflossen van schulden en het toewerken naar een eigen kamer binnen een opvanginstelling. Zo toonde hij inzet om zijn situatie te verbeteren en te komen tot stabiliteit op verschillende leefgebieden. Ook in gesprekken met de reclassering laat verdachte zien, inzicht te hebben in de voor hem spelende risicofactoren. Hij is gemotiveerd om tot gedragsverandering te komen en wil buiten Amsterdam aan zichzelf en zijn verslaving werken. Vanwege zijn motivatie en inzet ziet de reclassering mogelijkheden om verdachte te ondersteunen in het kader van een toezicht. In geval van een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden naast de meldplicht – kort gezegd – een ambulante behandeling, begeleid wonen en een drugsverbod.

Ter terechtzitting heeft reclasseringswerker mevrouw E. Wijbenga, gehoord als deskundige, in aanvulling op het advies verklaard dat verdachte per direct terecht kan in [plaats 2] bij ‘ [naam huis 1] ’, een begeleidwoneninstelling van het Leger des Heils. Verdachte zou daar kunnen verblijven tot 7 september 2020, waarna een langdurige plek voor hem beschikbaar is bij ‘ [naam huis 2] ’ te [plaats 2] .

De rechtbank heeft verder acht geslagen op verdachte’s strafblad van 24 augustus 2020, waaruit volgt dat verdachte al verschillende keren strafrechtelijk is veroordeeld voor onder andere vermogensdelicten.

De rechtbank zoekt voor de straftoemeting aansluiting bij de LOVS-oriëntatiepunten die Nederlandse strafrechters hanteren met betrekking tot diefstal van vervoersmiddelen. In strafverzwarende zin weegt de rechtbank de in de aangifte opgegeven waarde van de elektrische fiets, bijna € 3600,-, mee. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de door verdachte gepleegde opzetheling die ook betrekking had op een kostbare fiets. Gelet op dit alles is naar het oordeel van de rechtbank een forse vrijheidsbenemende straf passend.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar passend en geboden. Om recidive te voorkomen zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden opleggen.

De rechtbank komt daarmee tot een hogere straf dan door de officier van justitie is geëist nu de rechtbank van oordeel is dat die eis onvoldoende de ernst van het bewezenverklaarde en het justitieel verleden van verdachte tot uitdrukking brengt. Een substantieel voorwaardelijk strafdeel acht de rechtbank nodig als stok achter de deur.

De rechtbank benadrukt dat het belangrijk is dat verdachte de door hem zelf ingeslagen weg met hulpverlening nu voortzet in een gedwongen kader en dat hij meewerkt aan de bijzondere voorwaarden. Als verdachte zich wederom schuldig maakt aan een strafbaar feit of niet voldoende meewerkt aan het voornoemd plan van aanpak, is de kans groot dat hij de volgende keer een ISD-maatregel krijgt opgelegd.

9 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

  • -

    2 STK Schroevendraaier (5919029)

  • -

    1 STK Betonschaar (5919032, Kleur: Zwart, Merk: Gamma)

  • -

    1 STK Mes (5919034, Kleur: Zilver)

  • -

    1 STK Autogereedschap (5919037)

  • -

    1 STK Waterpomptang (5919039, Rood)

  • -

    2 STK Handgereedschap (5919042)

  • -

    1 STK Beitel (5919045, Kleur: Oranje)

  • -

    1 STK Slot (Kettingslot, 5919049)

  • -

    1 STK Mes (Vleesmes, 5919048, Merk: Ikea)

Deze inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van die voorwerpen het onder 1 bewezen geachte is begaan.

Verder is onder verdachte in beslag genomen

1 STK Enveloppe met 1 x halve pil (5919063)

De rechtbank zal dit goed onttrekken aan het verkeer, nu het ongecontroleerde bezit van opium in strijd is met het algemeen belang.

En ten slotte is onder verdachte in beslag genomen

1 STK fiets (5918993, Kleur: Groen, Merk: Van Moof)

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

10 Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 18 februari 2020 van de politierechter in deze rechtbank is de verdachte, voor zover van belang, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 16 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 3 maart 2020.

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd. Door het plegen van de bewezen verklaarde feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf worden gelast. De rechtbank stelt echter ook vast dat de tijd die verdachte in de onderhavige strafzaak in voorarrest heeft verbleven, 98 dagen tot het moment van schorsing op 21 augustus jl., de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden (60 dagen) ruimschoots overstijgt. Om die reden vindt de rechtbank het niet passend om de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel te gelasten. De rechtbank zal de vordering daarom afwijzen.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36a, 36d, 57, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van verbreking

ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde.

opzetheling

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden (120 dagen).

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat een gedeelte, groot 2 maanden (60 dagen), van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast voor de duur van 2 (twee) jaren.

De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd de navolgende voorwaarden niet naleeft:

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt ook als voorwaarden dat veroordeelde

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde

- tot 7 september 2020 zal verblijven in de instelling ‘ [naam huis 1] ’ aan [adres 2] te [plaats 2] , zoals door de reclassering geadviseerd op de zitting van 20 augustus 2020, en alwaar veroordeelde sinds 21 augustus 2020 verblijft, of in een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De veroordeelde zal zich houden aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling, in overleg met de reclassering, voor hem heeft opgesteld, ook als dat inhoudt het volgen van een dagbesteding en het meewerken aan schuldhulpverlening.

- vanaf 7 september 2020 zal verblijven in de instelling ‘ [naam huis 2] ” te [plaats 2] , zoals door de reclassering geadviseerd, of een andere instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De veroordeelde zal zich houden aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling, in overleg met de reclassering, voor hem heeft opgesteld, ook als dat inhoudt het volgen van een dagbesteding en het meewerken aan schuldhulpverlening.

- zich zal laten behandelen door Verslavingszorg Noord Nederland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De veroordeelde zal zich daarbij houden aan de aanwijzingen en de huisregels die de zorgverlener geeft, ook als dat inhoudt het innemen van medicatie. Bij terugval in drugsgebruik kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat de veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Indien de reclassering dat nodig acht, werkt veroordeelde mee aan diagnostiek. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.

- geen (hard)drugs zal gebruiken en, door middel van urineonderzoek, zal meewerken aan controle op dit verbod. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd.

- zich, op tijdstippen te bepalen door de reclassering, zal melden bij Reclassering Leger des Heils op het adres [adres 3] . De veroordeelde zal zich melden op afspraken met de reclasering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

Geeft aan Reclassering Nederland (Leger des Heils) de opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Verklaart verbeurd

  • -

    2 STK Schroevendraaier (5919029)

  • -

    1 STK Betonschaar (5919032, Kleur: Zwart, Merk: Gamma)

  • -

    1 STK Mes (5919034, Kleur: Zilver)

  • -

    1 STK Autogereedschap (5919037)

  • -

    1 STK Waterpomptang (5919039, Rood)

  • -

    2 STK Handgereedschap (5919042)

  • -

    1 STK Beitel (5919045, Kleur: Oranje)

  • -

    1 STK Slot (Kettingslot, 5919049)

  • -

    1 STK Mes (Vleesmes, 5919048, Merk: Ikea)

Verklaart onttrokken

1 STK Enveloppe met 1 x halve pil (5919063)

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende

1 STK fiets (5918993, Kleur: Groen, Merk: Van Moof)

Wijst af de vordering van de officier van justitie van 13 juli 2020 in de zaak met parketnummer 13-032187-20 strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij onherroepelijk geworden vonnis van 18 februari 2020 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 16 dagen.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.C.J. Hamming, voorzitter,

mrs. R.A. Overbosch en R. Godthelp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 september 2020.

[...]

[...]

[...]