Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4350

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 6246
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wia. 8:57 Awb. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij de geduide functies niet kan verrichten wegens lichamelijke en psychische klachten. Medische en arbeidskundige beoordeling waren zorgvuldig. Ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/6246

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [naam] ),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Met het besluit van 27 maart 2019 (primair besluit) heeft verweerder de arbeidsongeschiktheid van eiser vastgesteld op 72,26%.

Bij besluit van 15 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van de (ex)werkgever ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen waren uitgenodigd voor een zitting op 28 mei 2020. In verband met de uitbraak van het coronavirus kon deze zitting niet doorgaan. Aan partijen is met de brief van

25 juni 2020 verzocht om aan te geven of zij bezwaar hebben tegen schriftelijke afdoening van de zaak. Partijen hebben niet gereageerd. De rechtbank sluit daarom het onderzoek en doet uitspraak zonder behandeling van de zaak op een zitting.

Overwegingen

1. Eiser is werkzaam geweest als [functie] voor 40 uur per week. Op

10 februari 2014 melde eiser zich arbeidsongeschikt voor dit werk. Eiser ontvangt per

8 februari 2016 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wia) met een arbeidsongeschiktheid van (na bezwaar) 35,24% . Naar aanleiding van een verzoek van de (ex)werkgever heeft een herbeoordeling plaatsgevonden.

2. Met het primair besluit heeft verweerder de arbeidsongeschiktheid van eiser vastgesteld op 72,26%. Aan dit besluit heeft verweerder een medisch onderzoeksverslag en een arbeidsdeskundige beoordeling ten grondslag gelegd. De verzekeringsarts heeft op basis van de vastgestelde beperkingen een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Op basis van de FML heeft de arbeidsdeskundige functies geselecteerd die eiser kan uitvoeren. De (ex)werkgever van eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De (ex)werkgever is van mening dat er sprake is van geen benutbare mogelijkheden. Naar aanleiding van het bezwaar hebben een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep opnieuw naar de zaak gekeken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van het primaire medische oordeel. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geoordeeld dat er wel een reden is om af te wijken van het primaire arbeidsdeskundige oordeel. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft twee functies laten vervallen wegens overschrijding van belastbaarheid en de nieuwe functie [functie] geselecteerd. Met het bestreden besluit is de arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser gewijzigd (verlaagd) naar 62,73%. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij de geduide functies niet kan verrichten wegens lichamelijke en psychische klachten. Daarnaast kan hij de werkzaamheden cognitief niet aan. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat zijn zienswijze omtrent zijn mogelijkheden de functies te verrichten niet is meegewogen bij de beslissing op bezwaar.

Beoordeling door de rechtbank

4. De verzekeringsarts heeft eiser gezien op het spreekuur en het dossier bestudeerd. Daarnaast heeft de verzekeringsarts informatie van de huisarts opgevraagd en meegewogen. De verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat er op basis van de beschikbare medische informatie sprake is van toegenomen beperkingen in de rubrieken persoonlijk- en sociaal functioneren, aanpassing aan de fysieke omgevingseisen, statische houdingen en dynamische handelingen. De beperkingen en de belastbaarheid van eiser zijn neergelegd in de FML van 31 januari 2019. De verzekeringsarts bezwaar en beroep was aanwezig op de hoorzitting. Hij heeft de dossiergegevens bestudeerd en de informatie verkregen van de huisarts in het primaire proces bij zijn heroverweging betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep komt tot de conclusie dat de weergave van de beperkingen zoals opgesteld door de primaire verzekeringsarts wordt gedragen door de aanwezige medische objectiveerbare gegevens. Hij heeft daarbij overwogen dat hoewel vraagtekens kunnen worden gezet bij de toegevoegde beperkingen van de primaire verzekeringsarts deze niet zullen worden ingetrokken en eiser ten minste belastbaar wordt geacht conform de reeds opgesteld FML met een gunstige prognose.

5. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsartsen van verweerder op basis van een voldoende uitgebreid en ook anderszins voldoende zorgvuldig onderzoek tot hun conclusies zijn gekomen. Op grond van de beschikbare gegevens moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat bij eiser niet te geringe medische beperkingen zijn vastgesteld. Uit de rapportages van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde lichamelijke en psychische klachten. Voor zover deze klachten medisch onderbouwd kunnen worden zijn hiervoor beperkingen opgenomen in de FML. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiser het voordeel van de twijfel gegeven wat betreft de door de primaire verzekeringsarts aangenomen beperkingen. Verweerder mocht voor het vaststellen van de arbeidsongeschiktheid van eiser dan ook uitgaan van de FML van 31 januari 2019.

6. Rekening houdend met de FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep na eigen onderzoek geconcludeerd dat niet alle functies geschikt zijn voor eiser. De arbeidsdeskundige heeft gedeeltelijk andere functies geselecteerd die eiser nog wel zou kunnen verrichten, namelijk [functie] (sbc-code [code] ), [functie] (sbc code [code] ) en [functie] (sbc [code] ). Na ontvangst van de zienswijze van eiser op 26 september 2019 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in een aanvullende rapportage van 14 oktober 2019 de bezwaren van eiser over de geselecteerde functies puntsgewijs besproken. Daarin heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep naar het oordeel van de rechtbank goed gemotiveerd waarom de geselecteerde functies geschikt zijn voor eiser. Eiser heeft in beroep geen andere gronden naar voren gebracht waaruit blijkt dat hij de geselecteerde functies niet kan verrichten.

7. De rechtbank heeft de belasting van de geduide functies vergeleken met de FML en heeft daarbij de toelichting betrokken die de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft gegeven in zijn rapportages. De rechtbank is er voldoende van overtuigd dat de belastbaarheid van eiser in deze functies niet wordt overschreden. Het verlies aan verdienvermogen is door verweerder juist berekend op 62,73%.

6. Eiser heeft nog aangevoerd dat zijn zienswijze omtrent de geschiktheid van de functies niet zou zijn meegenomen bij het bestreden besluit. De rechtbank volgt het standpunt van eiser niet. Uit het dossier blijkt dat de zienswijze van eiser in de rapportage van 14 oktober 2019 is besproken door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Het rapport is als bijlage bij het bestreden besluit gevoegd. Daarmee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de zienswijze van eiser kenbaar bij het betreden besluit betrokken.

8. Uit het voorgaande volgt dat verweerder zijn beoordeling mocht baseren op de besproken rapporten. Op basis van deze rapporten heeft verweerder terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser bepaald op 62,73%. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

9. Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen rechter, in aanwezigheid van mr. N. van der Kroft, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.