Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4349

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 6463
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand over een periode van 3,5 jaar wegens het schenden van de inlichtingenplicht. Eiser verhuurde een deel van zijn woning aan derden en ontving in deze periode grote bedragen op zijn rekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/6463

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [naam] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Met het besluit van 1 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Participatiewet over de periode 17 juli 2015 tot en met

28 februari 2019 herzien en een bedrag van € 51.388,15 bruto teruggevorderd wegens het schenden van de inlichtingenplicht.

Met de beslissing op bezwaar van 23 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2020 met een beeldverbinding.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Aanleiding van het beroep.

1. Eiser ontving vanaf 17 juli 2015 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande. Na een controle heeft verweerder vastgesteld dat eiser vanaf mei 2015 tot februari 2019 inkomsten had uit onderhuur. De uitkering is vervolgens op verzoek van eiser beëindigd per 28 februari 2019. Verweerder heeft nader onderzoek ingesteld naar de inkomsten van eiser gedurende de bijstandsperiode. Uit dit onderzoek is gebleken dat eiser over de gehele bijstandsperiode kasstortingen en bijschrijvingen op zijn rekening heeft ontvangen van grote bedragen, die een veelvoud zijn van de ontvangen bijstandsuitkering.

2. Verweerder heeft met het primaire besluit de uitkering herzien en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 51.388,15 bruto de over de periode van 17 juli 2015 en met 28 februari 2019 van eiser teruggevorderd. Met het bestreden besluit heeft verweerder dit besluit gehandhaafd. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Eiser heeft zijn stellingen dat de kasstortingen huuropbrengsten waren, dat de girale overschrijvingen leningen voor levensonderhoud waren en dat de overige overschrijvingen betalingen waren voor derden die niet konden beschikken over een eigen bankrekening, niet met bewijsstukken onderbouwd. Daarom kan het recht op bijstand over de betreffende periode niet worden vastgesteld.

Het oordeel van de rechtbank.

3. Eiser voert in beroep aan dat hij hoge huurlasten heeft, die hij tijdens het intakegesprek heeft gemeld. Hij heeft bijzondere bijstand voor de huurlasten aangevraagd, die verweerder heeft afgewezen. Eiser stelt dat verweerder wegens deze melding en de aanvraag van bijzondere bijstand op de hoogte was van de hoge huurlasten en het onvermogen van eiser deze uit zijn bijstandsuitkering te betalen. Verweerder had daarom eerder een onderzoek moeten starten. Volgens eiser kan verweerder op grond van de zesmaandenjurisprudentie de bijstand niet meer herzien.

4. De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling. Het feit dat eiser een hoge huur betaalt en in een ander dossier bijzondere bijstand heeft aangevraagd brengt naar het oordeel van de rechtbank niet een onderzoeksplicht mee voor verweerder naar mogelijk andere inkomsten van eiser. De vermelding van de hoge huurlasten noch de aanvraag bijzondere bijstand, kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als een signaal als bedoeld in de zesmaandenjurisprudentie. Deze grond slaagt niet.

5. Eiser stelt verder dat het schenden van de inlichtingenplicht onvoldoende is komen vast te staan. Hij heeft zijn hoge huur gemeld en hij heeft een verklaring gegeven voor de hoge girale overschrijvingen. Eiser stelt dat hij ook niet is verrijkt door de verhuur. Hij heeft de huurinkomsten aangewend om zijn hoge huurlasten te drukken.

6. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. De wettelijke inlichtingenplicht houdt in dat een belanghebbende die een bijstandsuitkering ontvangt, op verzoek of uit eigen beweging, mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Dit heeft verweerder ook in de toekenningsbrief uitdrukkelijk als voorwaarde voor de bijstandsverlening vermeld. Eiser heeft in zijn aanvraag opgegeven dat hij alleen woonde, een huur had van € 400,- per maand en geen inkomsten had. Op basis daarvan is de bijstand vastgesteld. Uit het onderzoek van verweerder is gebleken dat eiser een deel van zijn woning verhuurde en daarnaast grote bedragen op zijn bankrekening heeft ontvangen in de vorm van kasstortingen en girale overschrijvingen. De rechtbank is van oordeel dat het eiser redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat dit van invloed kon zijn op zijn recht op bijstand. Door hiervan geen melding te maken heeft eiser de inlichtingenplicht geschonden. Dat eiser met de huurinkomsten zijn huurlasten drukte brengt niet mee dat de huuropbrengsten niet aan eiser kunnen worden toegerekend. Deze grond slaagt niet.

7. Eiser stelt dat de bijstand over de betreffende periode wel vastgesteld kan worden door de administratie van eiser in te zien. De inkomsten uit onderhuur zijn volgens eiser zichtbaar via de bankrekeningen.

6. Volgens vaste rechtspraak,1 levert schending van de inlichtingenplicht een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstand behoevende omstandigheden. Het is dan aan betrokkene om feiten te stellen en zo nodig aannemelijk te maken waaruit volgt dat, indien wel aan de inlichtingenplicht zou zijn voldaan, over de desbetreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond. Eiser is hierin niet geslaagd. Anders dan eiser betoogt, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om vast te stellen dat de huuropbrengsten af te leiden zijn uit de bankrekeningen van eiser. Eiser heeft geen huurcontact afgesloten noch een administratie bijgehouden waaruit blijkt wanneer aan wie de woning is verhuurd. Bovendien heeft eiser verklaard de huuropbrengsten contant te ontvangen. Daardoor zijn de huuropbrengsten voor verweerder achteraf niet meer controleerbaar en verifieerbaar en is het recht op bijstand over de betreffende periode niet vast te stellen. Deze grond slaagt niet.

7. Eiser heeft ten slotte aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de gecontroleerde periode verder wordt uitgebreid naar een bredere periode. De enkele vaststelling dat het gaat om grote sommen geld is volgens eiser onvoldoende.

8. De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling. In de rapportage uitkeringsfraude

heeft verweerder opvallende bijschrijvingen vanaf augustus 2015 gesignaleerd die opgeteld per jaar een veelvoud van de bijstandsuitkering bedragen. Van onderzoek over een beperkte periode is geen sprake. Deze grond slaagt niet.

9. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.L. Bolkestein, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van der Kroft, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

de griffier is niet in staat deze

uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:504