Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4345

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
04-09-2020
Zaaknummer
AMS 20/4106
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het UWV moet beter onderzoek doen naar het al dan niet gefingeerde dienstverband van verzoekster. Hoewel er veel vreemde punten uit het onderzoeksrapport naar voren komen, zoals de getuigenverklaring van een bestuurslid en een werknemer van het bedrijf waar verzoekster zou hebben gewerkt waaruit volgt dat verzoekster daar nooit heeft gewerkt, en tientallen pinbetalingen van verzoeksters rekening die onder werktijden ver buiten de werkplaats zijn gedaan, had verweerder verzoekster zelf ook moeten horen. Ook had verweerder niet zonder goede reden rechtstreeks bij de bank verzoeksters bankafschriften mogen opvragen, zonder haar daar zelf eerst om te vragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 07-09-2020
FutD 2020-2599
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/4106

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 september 2020 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. A. Bosveld),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde mr. J. Schuller-Boskoop).

Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2020 (het primaire besluit I) heeft verweerder de WIA1-uitkering en toeslagen van verzoekster beëindigd per 30 januari 2017.

Bij besluit van 29 januari 2020 (het primaire besluit II) heeft verweerder de WAZO2-uitkering van verzoekster ingetrokken met ingang van 26 september 2016.

Bij besluiten van 30 januari 2020 (de primaire besluiten III en IV) heeft verweerder de WAZO-uitkering van verzoekster ingetrokken over de periode 3 november 2014 tot 25 september 2016 respectievelijk 18 januari 2017 tot 29 januari 2017.

Bij besluit van 29 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van verzoekster tegen de primaire besluiten I, II, III en IV ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft op 19 augustus 2020, overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid, plaatsgevonden via een beeldverbinding (Skype). Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Verzoekster, voorheen genaamd [naam 1] , daarna [naam 2] , thans [verzoekster] , heeft van 1 juli 2014 tot en met 31 oktober 2014 als werknemer geregistreerd gestaan bij AP Personeel B.V.3 Hiervoor zijn ook premies afgedragen. Verzoekster heeft zich per 13 oktober 2014 ziekgemeld. Van 3 november 2014 tot en met 29 januari 2017 heeft verzoekster een ziektewetuitkering gekregen, met een onderbreking waarin ze een WAZO-uitkering kreeg. Vanaf 30 januari 2017 kreeg zij een uitkering op grond van de WIA.

3. Naar aanleiding van een anonieme tip op 10 juli 2018, waarin wordt gemeld dat verzoekster niet echt ziek zou zijn, is verweerder onderzoek gaan doen. Verweerder is in eerste instantie tot de conclusie gekomen dat de anonieme tip te vaag is voor onderzoek naar gezondheidsfraude, maar heeft het wel doorgestuurd naar het fraudemeldpunt. Dit heeft geleid tot een onderzoek naar een mogelijk gefingeerd dienstverband tussen verzoekster en AP Personeel B.V.

4. Op basis van dit onderzoek is verweerder tot de conclusie gekomen dat verzoekster een gefingeerd dienstverband had bij AP Personeel B.V. Verweerder legt aan deze conclusie de volgende punten ten grondslag:

  • -

    het is opvallend dat verzoekster na lange periode zonder werk een administratieve functie heeft gevonden waarmee zij € 3.000,- per maand verdiende;

  • -

    verzoekster heeft in maart 2017 bij de arbeidsdeskundige verklaard dat haar werkzaamheden bestonden uit ondersteuning van de boekhouder, terwijl zij tijdens de hoorzitting in bezwaar iets anders verklaarde;

  • -

    uit bankafschriften blijkt dat verzoekster pinbetalingen heeft gedaan op tijdstippen dat zij naar eigen zeggen aan het werk zou zijn;

  • -

    verzoekster heeft € 7.898,80 aan loon ontvangen, waarvan zij € 5.711,90 heeft overgemaakt aan [naam 3] , haar baas bij AP Personeel B.V. en met wie verzoekster thans een affectieve relatie heeft4;

  • -

    de curator van het faillissement van AP Personeel B.V. heeft aangegeven dat er bij het bedrijf administratieve malversaties zijn geweest;

  • -

    uit een getuigenverklaring van een medewerker van AP Personeel B.V. blijkt dat het niet juist kan zijn wat verzoekster bij de arbeidsdeskundige heeft verklaard. Deze getuige voerde namelijk zelf die werkzaamheden uit bij het bedrijf en hij heeft verklaard verzoekster nooit te hebben gezien; en

  • -

    ook een andere getuige, een voormalig bestuurslid van AP Personeel B.V. , bevestigt dat verzoekster nooit bij het bedrijf heeft gewerkt. Dit bestuurslid verklaart hierin ook dat hij de arbeidsovereenkomst tussen Alpa Environment B.V. en verzoekster nooit heeft gezien en nooit heeft ondertekend.

Achteraf gezien was verzoekster dus niet verzekerd voor de door haar ontvangen uitkeringen, aldus verweerder. Verweerder heeft daarom in totaal bijna € 65.000,- van verzoekster teruggevorderd.

Standpunt verzoekster

5. Verzoekster voert onder verwijzing naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB)5 aan dat de bankafschriften die verweerder bij de ING heeft opgevraagd, zonder hieraan voorafgaand deze bankafschriften bij verzoekster op te vragen, onrechtmatig zijn verkregen. Deze bankafschriften mogen daarom niet worden gebruikt. Verder bevestigen de bankafschriften juist het bestaan van een dienstverband aangezien hier de loonbetalingen uit blijken. Het geld dat verzoekster aan [naam 3] heeft overgemaakt is geen terugbetaling van dat loon, maar van een persoonlijke lening. Verder stelt verzoekster dat niet valt in te zien dat het feit dat zij voorafgaand aan haar dienstverband bij AP Personeel B.V. langere tijd niet werkte, kan bijdragen aan de conclusie dat dit dienstverband gefingeerd is. In beroep heeft verzoekster bovendien nog drie getuigenverklaringen overgelegd. Het gaat om een verklaring van:

  • -

    de toenmalige oppas, [naam 4] , van haar kinderen waarin staat dat hij de pinpas van verzoekster mocht gebruiken tijdens het oppassen;

  • -

    de fiscaal adviseur van Alpa Groep B.V. [naam 5] waarin staat dat hij verzoekster aan de lijn kreeg als hij naar het kantoor belde en zij hem met [naam 3] doorverbond, en

  • -

    [naam 6] , die zichzelf omschrijft als ‘onderaannemer van Alpa’ waarin staat dat hij verzoekster in 2014 persoonlijk heeft gezien en gesproken en dat zij werkzaam was bij projectadministratie en hem meerdere malen persoonlijk heeft geholpen.

Standpunt verweerder

6. Verweerder stelt zich voor wat betreft de bankafschriften op het standpunt dat het gelet op de door verzoekster ingeroepen uitspraak van de CRvB niet handig is geweest om deze niet eerst bij verzoekster op te vragen. Echter heeft verzoekster een groot deel van de bankafschriften (ook) zelf overgelegd, dus die afschriften mag verweerder in elk geval wel gebruiken om zijn conclusies op te baseren. Verder wijst verweerder op de getuigenverklaringen van de voormalig medewerkers en het bestuurslid van AP Personeel B.V, die erop wijzen dat verzoekster daar nooit gewerkt heeft. De verklaringen die verzoekster in beroep heeft overgelegd, wil verweerder nog onderzoeken.

Oordeel van de voorzieningenrechter

7. De voorzieningenrechter is het met verweerder eens dat er een aantal vreemde punten uit het dossier naar voren komt. Dat geldt vooral voor de getuigenverklaring van bestuurslid [getuige] dat hij nooit een arbeidsovereenkomst tussen AP Personeel B.V. en verzoekster heeft getekend en dat hij verzoekster nooit in het bedrijf heeft gezien. Dat geldt ook voor de verklaring van de andere medewerker van AP Personeel B.V. die verzoekster nooit gezien zou hebben en de enige in het bedrijf zou zijn die de administratieve werkzaamheden in die periode zou hebben uitgevoerd. Hierbij tekent de voorzieningenrechter aan dat uit het dossier naar voren komt dat er in totaal slechts twaalf personen in dienst zijn geweest bij het bedrijf.

8. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mocht verweerder in elk geval de bankafschriften die verzoekster zelf in het geding heeft gebracht, in het onderzoek meewegen. Deze bankafschriften, met name de overmakingen van verzoekster aan [naam 3] , roepen ook de nodige vragen op. Dat dit terugbetalingen van een persoonlijke lening zouden zijn, heeft verzoekster niet afdoende onderbouwd. Welke werkzaamheden verzoekster nu precies zou hebben uitgevoerd bij AP Personeel B.V. is voor de voorzieningenrechter ook niet helder. Ook laten de bankafschriften van verzoekster in de periode van vier maanden dat zij bij AP Personeel B.V. zou hebben gewerkt, ongeveer 35 pin- en geldautomaattransacties zien, ver buiten de werkplaats van verzoekster. Tot slot kan de voorzieningenrechter ook inzien dat de hoogte van het salaris dat verzoekster bij AP Personeel B.V. zou hebben verdiend, gelet op de context, bij verweerder vragen oproept.

9. Dat deze vreemde punten bij verweerder twijfel hebben opgeroepen over de vraag of verzoekster daadwerkelijk werkneemster van AP Personeel B.V. is geweest, is terecht. Dat neemt echter niet weg dat verweerder, vanuit het oogpunt van zorgvuldig onderzoek, verzoekster zelf ook had moeten horen. Dit klemt des te meer omdat het een belastend besluit en een groot bedrag betreft. Op de zitting heeft verweerder niet duidelijk kunnen maken waarom verzoekster (nog) niet persoonlijk is gehoord, waarom daartoe althans geen poging is ondernomen. In het feit dat zij momenteel in Turkije verblijft, ziet de voorzieningenrechter vooralsnog geen belemmering, gelet op de beschikbare communicatiemiddelen.

10. Daarbij komt dat verweerder op de zitting heeft aangegeven nog nader onderzoek te willen doen naar de getuigenverklaringen die verzoekster in beroep heeft overgelegd, waarvan de inhoud haaks staat op de getuigenverklaringen uit verweerders onderzoek.

11. Al met al vindt de voorzieningenrechter het nog geen uitgemaakte zaak dat verweerders conclusie juist zal blijken te zijn. Of het besluit in beroep zal standhouden is op dit moment, gelet op het onderzoek dat verweerder tot nu toe heeft verricht, nog maar de vraag.

Conclusie

12. Het voorgaande is voor de voorzieningenrechter voldoende aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

13. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst het bestreden besluit tot de uitspraak op het beroep;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan verzoekster te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Journée, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2020.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

2 Wet Arbeid en Zorg.

3 In het dossier ook wel Alpa Environment B.V.

4 [naam 3] heeft zijn naam inmiddels ook gewijzigd naar [naam van verzoekster] .

5 Zie de uitspraak van 11 oktober 2018, overwegingen 4.4.2. en 4.4.3. (ECLI:NL:CRVB:2018:3205).