Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4335

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
08-09-2020
Zaaknummer
13/751518-20 (EAB II)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB Italië

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751518-20 (EAB II)

RK nummer: 20/2974

Datum uitspraak: 3 september 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 19 juni 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 15 januari 2019 door de Office of the Prosecutor of the Republic attached to the Court of Pordenone (Italië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1983,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

uit anderen hoofde gedetineerd in Justitieel Complex [locatie te plaats],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 augustus 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.G.A. Aben, advocaat te Eindhoven, en door een tolk in de Roemeense taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.

3 Bevoegdheid uitvaardigende autoriteit

Het EAB is uitgevaardigd door de Office of the Prosecutor of the Republic attached to the Court of Pordenone. De rechtbank stelt op basis van de informatie vervat in de Questionnaire Eurojust en European Judicial Network van 6 april 2020 (die in opdracht van de Raad van de EU is opgesteld) vast dat deze autoriteit, hoewel geen rechter, kan worden aangemerkt als ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ in de zin van het kaderbesluit 2002/584/JBZ en dus als ‘uitvaardigende justitiële autoriteit’ in de zin van de OLW. Deze autoriteit, die onderdeel uitmaakt van het Italiaanse Openbaar Ministerie, neemt deel aan de strafrechtsbedeling en is onafhankelijk. Aan de uitvaardiging van het EAB ligt een judgement issued by the Court of Pordenone/een judgement issued by the Court of Appeal of Trieste ten grondslag. Tegen de achtergrond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat voldaan is aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming door middel van het voor tenuitvoerlegging vatbare vonnis.

4 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een judgement issued by the Court of Brescia op

12 november 2013, onherroepelijk op 22 april 2014 (referentienummer: 2387/2013 R.G. – n 3810/3/2013 R.S).

Uit de bij brief van 14 juli 2020 door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie blijkt dat bij voormeld judgement een vrijheidsstraf voor de duur van vier maanden aan de opgeëiste persoon is opgelegd.

Voormeld judgement betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat

( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en

( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft bij brief van 14 juli 2020 het volgende verklaard:

“- de beslissing zal na diens overlevering onverwijld aan betrokkene in persoon worden betekend,

- en op het moment van de betekening van de beslissing zal betrokkene uitdrukkelijk worden geïnformeerd over het recht op een nieuw proces of op het instellen van hoger beroep waarbij betrokkene het recht heeft aanwezig te zijn en dat een nieuwe inhoudelijke behandeling van de zaak mogelijk maakt, met inbegrip van nieuw bewijsmateriaal, wat kan leiden tot de herziening van de oorspronkelijke beslissing, en

- zal betrokkene worden geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij een verzoek dient te doen om een nieuw proces of beroep dient in te stellen, deze termijn bedraagt 30 dagen.

Artikel 175 tweede lid Sv gewijzigd door artikel 1 van wetsbesluit nr. 17 d.d. 21/2/2005 zoals omgezet in wet door wet nr. 60 d.d. 22/4/2005, bepaalt dat:

“De termijn om beroep [of verzet] aan te tekenen wordt heropend op verzoek van de verdachte, tenzij hij werkelijk kennis heeft gekregen van de zaak of van de beschikking en vrijwillig ervan heeft afgezien om te verschijnen of om beroep [of verzet] aan te tekenen. Justitie doet al het nodige om te controleren of hier sprake van is.”

In onderhavig geval zal de veroordeelde persoon binnen de in artikel 175 tweede lid bis bedoelde termijn van 30 dagen, te rekenen vanaf de datum van overlevering door de buitenlandse Staat, een verzoek kunnen indienen tot heropening van de termijn om beroep aan te tekenen tegen het vonnis van de rechtbank van Bergamo 1 .

Aangezien alle betekeningen zijn geschied aan de toegevoegd advocaat van de verdachte met wie deze naar redelijkerwijs kan worden aangenomen nooit een werkelijke professionele relatie heeft gehad, en omdat uit de processtukken niet blijkt dat de veroordeelde persoon kennis heeft gehad van de zaak die is afgedaan met het vonnis in eerste aanleg, is ondergetekende van mening dat in het geval van de veroordeelde persoon om wie het hier gaat aan alle voorwaarden wordt voldaan zodat, wanneer er eenmaal een verzoek tot heropening van de termijn om beroep tegen de beslissing aan te tekenen wordt ingediend, het Gerechtshof dit verzoek zal inwilligen, en de veroordeelde persoon in beroep kan komen van het vonnis van de rechtbank Brescia.

Ik wijs erop dat in soortgelijke gevallen, ofwel wanneer berechting heeft plaatsgehad in afwezigheid van de verdachte en de betekeningen zijn gedaan aan de toegevoegde raadsman, het Gerechtshof van Trieste de termijn voor het aantekenen van beroep heeft heropend mits het desbetreffende verzoek was ingediend binnen 30 dagen na de datum van overlevering door de buitenlandse Staat.”

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en is de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond niet van toepassing. Dat deze verklaring niet is opgenomen in onderdeel D van het EAB maakt, anders dan gesteld door de raadsvrouw, niet dat geen waarde aan de verklaring kan worden gehecht.

5 Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Volgens de door de uitvaardigende autoriteit in de brief van 29 juli 2020 vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Italië een vrijheidsstraf met een maximum van twee jaren gesteld. Dat betekent dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het lijstfeit ten onrechte heeft aangekruist, want daarvoor is vereist dat op het feit een vrijheidsstraf van ten minste drie jaren is gesteld. De rechtbank zal dus de dubbele strafbaarheid moeten toetsen. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. Dit betekent dat in de uitvaardigende lidstaat een vrijheidssanctie van ten minste vier maanden moet zijn opgelegd en het feit in Nederland strafbaar moet zijn (zie Rb Amsterdam 30-10-2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:7460). De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Er is immers een vrijheidsstraf van vier maanden opgelegd, zoals in rubriek 4 weergegeven, en het feit levert naar Nederlands recht op:

valsheid in geschrift.

6 Detentieomstandigheden in Italië

In eerdere uitspraken heeft deze rechtbank overwogen dat uit een onderzoeksrapport van de non-gouvernementele organisatie Antigone van mei 2019 blijkt dat ten aanzien van 16 detentiecentra in Italië niet is gegarandeerd dat gedetineerden minimaal 3 vierkante meter personal space zullen hebben. Ten aanzien van deze detentiecentra heeft de rechtbank geoordeeld dat een reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling, als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).

Het betreft de detentiecentra: Bergamo, Milaan San Vittore, Opera van Milaan, Monza, Voghera, Alba, Pisa, Campobasso, Civitavecchia Nuovo Complesso, Turi, Trani vrouwen, Catanzaro, Catania Piazza Lanza, Nuoro en de twee Napolitaanse gevangenissen Poggioreale en Secondi.

Het Italiaanse Ministerie van Justitie, Departement Juridische Zaken, Algemene Directie Internationale Zaken en Juridische Samenwerking heeft op 4 maart 2020 de volgende (algemene) garantie gegeven:

Daaromtrent merkt men op dat, zoals blijkt uit de brief van 2 maart 2020, het rapport van de organisatie Antigone uit 2018 inmiddels als achterhaald moet worden aangemerkt. Immers, het Departement van de Penitentiaire Administratie beschikt tegenwoordig over een toepassingssysteem, dat aanwezig is op het hele nationale grondgebied, dat door het exact vaststellen van het aantal gedetineerden dat aanwezig is in iedere inrichting, het mogelijk maakt te garanderen dat de gedetineerden zullen worden ondergebracht in een vestiging waar de normen van art. 3 van het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens worden nageleefd.

(…)

In ieder geval heeft het Departement van de Penitentiaire Administratie gegarandeerd en vandaag in de communicatie met dit Kantoor bevestigd, dat de door de Nederlandse Autoriteiten overgeleverde personen zullen worden ondergebracht, zijnde de eerste allocatie, in de penitentiaire inrichting van Rome-Rebibbia-Nieuw Complex en dat zij ook nadien niet zullen worden ondergebracht in een van de 16 instellingen (Bergamo, Milano San Vittore, Milano Opera, Monza, Voghera, Alba, Pisa, Campobasso, Civitavecchia Nuovo Complesso, Trani Femminile, Catanzaro, Catania Piazza Lanza, Nuoro, Napoli Poggioreale en Napoli Secondigliano, Turi) ten aanzien waarvan de rechtbank Amsterdam heeft aangegeven dat daar het risico aanwezig is van ontoereikende omstandigheden.

Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op bovenstaande garantie van de Italiaanse autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling. Artikel 4 van het Handvest staat dus niet in de weg aan het toestaan van de verzochte overlevering.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12 sub d OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 225 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 van de OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Office of the Prosecutor of the Republic attached to the Court of Pordenone (Italië).

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. M.E.M. James-Pater en A.K. Mireku, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van 3 september 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 De rechtbank begrijpt: Brescia. Gelet op de context van de brief is duidelijk dat deze garantie geldt voor het judgement issued by the Court of Brescia op 12 november 2013.