Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4334

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
08-09-2020
Zaaknummer
13/751291-20 (EAB I)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB Italië

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751291-20 (EAB I)

RK nummer: 20/1919

Datum uitspraak: 3 september 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 14 april 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 15 januari 2019 door de Office of the Prosecutor of the Republic attached to the Court of Pordenone (Italië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1983,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in Justitieel Complex [locatie te plaats],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting 16 juli 2020

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 16 juli 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.G.A. Aben, advocaat te Eindhoven, en door een tolk in de Roemeense taal.

Ter zitting bleek onder meer dat de behandeling van twee andere EAB’s, eveneens uitgevaardigd met het oog op de overdracht aan de Office of the Prosecutor of the Republic attached to the Court of Pordenone van de opgeëiste persoon stond gepland op

20 augustus 2020 om 15:00 uur. Om de drie EAB’s gezamenlijk te kunnen behandelen, heeft de rechtbank de behandeling van deze zaak tot die datum en dat tijdstip aangehouden.

Zitting 20 augustus 2020

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 augustus 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.G.A. Aben, advocaat te Eindhoven, en door een tolk in de Roemeense taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.

3 Bevoegdheid uitvaardigende autoriteit

Het EAB is uitgevaardigd door de Office of the Prosecutor of the Republic attached to the Court of Pordenone. De rechtbank stelt op basis van de informatie vervat in de Questionnaire Eurojust en European Judicial Network van 6 april 2020 (die in opdracht van de Raad van de EU is opgesteld) vast dat deze autoriteit, hoewel geen rechter, kan worden aangemerkt als ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ in de zin van het kaderbesluit 2002/584/JBZ en dus als ‘uitvaardigende justitiële autoriteit’ in de zin van de OLW. Deze autoriteit, die onderdeel uitmaakt van het Italiaanse Openbaar Ministerie, neemt deel aan de strafrechtsbedeling en is onafhankelijk. Aan de uitvaardiging van het EAB ligt een judgement issued by the Court of Pordenone/een judgement issued by the Court of Appeal of Trieste ten grondslag. Tegen de achtergrond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat voldaan is aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming door middel van het voor tenuitvoerlegging vatbare vonnis.

4 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een judgement issued by the Court of Pordenone op

17 mei 2017, onherroepelijk geworden op 20 april 2018 (referentienummer: n. 442/2016 R.G. – n 408/2017 R.S.). De uitspraak is vervolgens gedeeltelijk vernietigd en opnieuw afgedaan in hoger beroep door de Court of Appeal of Trieste op 5 maart 2018 (referentienummer: n. 336/2018).

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft bij brief van 14 juli 2020 de volgende informatie verstrekt:

Bij vonnis van 17/05/2017 door de rechtbank te Pordenone tot een gevangenisstraf van 7 jaar en een geldboete van 3.800 euro voor een hele reeks diefstallen.

[opgeëiste persoon] (die ten tijde van het vonnis een meldplicht had voor deze zelfde feiten en dus zeker op de hoogte moet zijn geweest van het proces) heeft evenals het Openbaar Ministerie beroep aangetekend tegen deze veroordeling.

Op 5 maart 2018 heeft het Gerechtshof te Trieste, onder bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten, de straf teruggebracht tot 5 jaar gevangenisstraf en een geldboete van 1000 euro. De Verdediging en het Openbaar Ministerie hadden namelijk een akkoord gesloten dat neerkwam op een lagere straf en beide partijen zouden afzien van hoger beroep.

Hiermee is het vonnis definitief geworden, ten gevolge van het akkoord staat er immers geen rechtsmiddel meer tegen open.

Private partijen - verdachte - kunnen afstand doen van hoger beroep in persoon of via een bijzonder gemachtigde (art. 599 bis wetboek van strafvordering). In onderhavige zaak heeft de raadsman van [opgeëiste persoon] afstand kunnen doen van het, eerder door hem ingediende, hoger beroep omdat hij in het bezit was van een bijzondere machtiging van zijn cliënt. Derhalve staat onmiskenbaar vast dat [opgeëiste persoon] op de hoogte was van het bestaan van het proces in hoger beroep alsmede van het akkoord tussen zijn raadsman en het openbaar ministerie inhoudende een verlaging van de opgelegde straf.

Gelet op de hiervoor weergegeven informatie wordt de overlevering dus verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Over het strafrestant heeft de uitvaardigende autoriteit in de brief van 14 juli 2020 verklaard:

De nog uit te zitten straf is dus het resultaat van de volgende aftreksom: een gevangenisstraf van 5 jaar minus de periode waarin hij vast heeft gezeten (eerst in de gevangenis en later in de vorm van huisarrest), te weten 1 jaar, 1 maand en 7 dagen.

Voormeld judgement betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in het EAB het volgende verklaard:

The sentenced person was not present. (…) He was defended by a lawyer of his own choice during both instances of the trial.

In het EAB is weliswaar 3.2 van onderdeel D niet aangekruist, zoals de raadsvrouw heeft opgemerkt, maar wel in het bij e-mail van 20 augustus 2020 door de uitvaardigende justitiële autoriteit nagezonden onderdeel D van het EAB. Dat nagezonden onderdeel D ziet op de “SENTENZA DELLA CORTE D’APPELLI DI TRIESTE DEL 05-03-2018 in relazione alla sentenza dei Tribunale di Pordenone del 17-05-2017”. De uitvaardigende autoriteit heeft in het nagezonden onderdeel D verklaard dat:

being aware of the scheduled trial, the person had given a mandate to a legal counsellor, who was either appointed by the person concerned or by the State, to defend him or her at the trial, and was indeed defended by that counsellor at the trial.

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon weliswaar verklaard dat hij niet op de hoogte was van (het tijdstip en de datum van) de zittingen in het proces, maar niet dat hij geen weet had van het proces. In hetgeen de opgeëiste persoon heeft verklaard ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door de Italiaanse autoriteiten verstrekte informatie. De rechtbank concludeert, met de officier van justitie en anders dan de raadsvrouw, dat voldoende is gebleken dat de uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 12, onder b, van de OLW van toepassing is op zowel de procedure in eerste aanleg als in hoger beroep en de weigeringsgrond van dit artikel dus niet van toepassing is.

5 Strafbaarheid

5.1

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van feit 1 tot en met feit 15 waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit deze strafbare feiten heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Bovengenoemde feiten vallen op deze lijst onder nummer 18, te weten:

georganiseerde of gewapende diefstal.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Italië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.2

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feit 16 niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op:

wederspannigheid.

6 Detentieomstandigheden in Italië

In eerdere uitspraken heeft deze rechtbank overwogen dat uit een onderzoeksrapport van de non-gouvernementele organisatie Antigone van mei 2019 blijkt dat ten aanzien van 16 detentiecentra in Italië niet is gegarandeerd dat gedetineerden minimaal 3 vierkante meter personal space zullen hebben. Ten aanzien van deze detentiecentra heeft de rechtbank geoordeeld dat een reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling, als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).

Het betreft de detentiecentra: Bergamo, Milaan San Vittore, Opera van Milaan, Monza, Voghera, Alba, Pisa, Campobasso, Civitavecchia Nuovo Complesso, Turi, Trani vrouwen, Catanzaro, Catania Piazza Lanza, Nuoro en de twee Napolitaanse gevangenissen Poggioreale en Secondi.

Het Italiaanse Ministerie van Justitie, Departement Juridische Zaken, Algemene Directie Internationale Zaken en Juridische Samenwerking heeft op 4 maart 2020 de volgende (algemene) garantie gegeven:

Daaromtrent merkt men op dat, zoals blijkt uit de brief van 2 maart 2020, het rapport van de organisatie Antigone uit 2018 inmiddels als achterhaald moet worden aangemerkt. Immers, het Departement van de Penitentiaire Administratie beschikt tegenwoordig over een toepassingssysteem, dat aanwezig is op het hele nationale grondgebied, dat door het exact vaststellen van het aantal gedetineerden dat aanwezig is in iedere inrichting, het mogelijk maakt te garanderen dat de gedetineerden zullen worden ondergebracht in een vestiging waar de normen van art. 3 van het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens worden nageleefd.

(…)

In ieder geval heeft het Departement van de Penitentiaire Administratie gegarandeerd en vandaag in de communicatie met dit Kantoor bevestigd, dat de door de Nederlandse Autoriteiten overgeleverde personen zullen worden ondergebracht, zijnde de eerste allocatie, in de penitentiaire inrichting van Rome-Rebibbia-Nieuw Complex en dat zij ook nadien niet zullen worden ondergebracht in een van de 16 instellingen (Bergamo, Milano San Vittore, Milano Opera, Monza, Voghera, Alba, Pisa, Campobasso, Civitavecchia Nuovo Complesso, Trani Femminile, Catanzaro, Catania Piazza Lanza, Nuoro, Napoli Poggioreale en Napoli Secondigliano, Turi) ten aanzien waarvan de rechtbank Amsterdam heeft aangegeven dat daar het risico aanwezig is van ontoereikende omstandigheden.

Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op bovenstaande garantie van de Italiaanse autoriteiten, van oordeel dat voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling. Artikel 4 van het Handvest staat dus niet in de weg aan het toestaan van de verzochte overlevering.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 12 van de OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Office of the Prosecutor of the Republic attached to the Court of Pordenone (Italië).

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. M.E.M. James-Pater en A.K. Mireku, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van 3 september 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.