Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4331

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
03-09-2020
Zaaknummer
13/751431-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

EAB Hongarije

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751431-20

RK nummer: 20/3003

Datum uitspraak: 3 september 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 22 juni 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 2 oktober 2019 door the Veszprém Regional Court (Hongarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1990,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres] ,

gedetineerd in de [detentieplaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 augustus 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon heeft de zitting bijgewoond via een videoverbinding vanuit zijn detentie instelling. Hij is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.J. Polman, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Hongaarse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van the District Court of Ajka, onherroepelijk geworden op 30 mei 2018 (No. 3.B.423/2017/10). Bij dit vonnis is aan de opgeëiste persoon een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zeven maanden opgelegd. Ook is bij dit vonnis beslist eerder voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraffen ten uitvoer te leggen. Het gaat om een vrijheidsstraf van één jaar en zes maanden en een vrijheidsstraf van twee jaar. Deze vrijheidsstraffen zijn voorwaardelijk aan de opgeëiste persoon opgelegd bij vonnissen van the District Court of Veszprém, onherroepelijk geworden op respectievelijk

27 september 2015 (No. 11.B.1814/2014/25) en 2 februari 2016 (No. 1.B.1409/2015/11).

In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandelingen ter terechtzitting die tot de twee vonnissen van the District Court of Veszprém hebben geleid en dat hij niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis van the District Court of Ajka heeft geleid.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van voormelde vrijheidsstraffen voor de duur van:

  • -

    één jaar en zeven maanden,

  • -

    één jaar en zes maanden en

  • -

    twee jaar

door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straffen resteren volgens het EAB nog respectievelijk:

  • -

    één jaar en zeven maanden,

  • -

    één jaar, vier maanden en 5 dagen

  • -

    één jaar, 7 maanden en 13 dagen.

De vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB voor wat betreft het vonnis van the District Court of Ajka strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat

( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en

( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in onderdeel d van het EAB in het zogenoemde kruisjesformulier aangekruist dat een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW, in overeenstemming met de hiervoor weergegeven tekst van dat artikellid, wordt verstrekt. De verklaring van de uitvaardigende justitiële autoriteit luidt namelijk als volgt:

“the person was not personally served with the decision, but

- the person will be personally served with this decision without delay after the surrender; and

- when served with the decision, the person will be expressly informed of his or her right to a retrial or appeal in which he or she has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined. and which may lead to the original decision being reversed; and

- the person will be informed of the timeframe within which he or she has to request a retrial or appeal which will be 1 month from the delivery of the judgement.”

Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee de in artikel 12 OLW bedoelde weigeringsgrond niet van toepassing.

4 Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft alle feiten die ten grondslag liggen aan de vonnissen in het EAB vermeld in het onderdeel van rubriek e) dat ziet op feiten die worden aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW (zogenoemde lijstfeiten). Het feit op deze lijst dat is aangekruist betreft nummer 14, te weten: moord en doodslag, zware mishandeling. De rechtbank stelt vast dat voor meerdere feiten geldt dat sprake is van een evidente tegenstrijdigheid tussen de feitsomschrijving en de aangekruiste categorie. Enkele feiten zouden wel onder de aangekruiste categorie kunnen vallen. Het is echter niet aan de rechtbank, maar aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om te beoordelen welke feiten onder een lijstfeit vallen. Omdat onvoldoende duidelijk uit het EAB blijkt welke feiten lijstfeiten betreffen, zal de rechtbank daarom ten aanzien van alle feiten de dubbele strafbaarheid toetsen.

Dat betekent dat overlevering voor deze feiten alleen kan worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat voor één feit niet aan die eisen is voldaan en voor de overige feiten wel en zal dat hieronder toelichten.

Het feitencomplex dat ten grondslag ligt aan het vonnis van the District Court of Ajka levert naar Nederlands recht op:

  • -

    bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

  • -

    mishandeling.

De feiten die ten grondslag liggen aan het vonnis van the District Court of Veszprém dat op

27 september 2015 onherroepelijk is geworden, leveren naar Nederlands recht op:

1a.

poging om een ander door een der in artikel 47, eerste lid onder 2e, vermelde middelen te bewegen om een diefstal te begaan;

1b.

diefstal, meermalen gepleegd;

2.

diefstal;

3.

diefstal;

4.

  • -

    belediging;

  • -

    bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

  • -

    mishandeling;

5.

  • -

    mishandeling;

  • -

    opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;

De feiten die ten grondslag liggen aan het vonnis van the District Court of Veszprém dat op

2 februari 2016 onherroepelijk is geworden, verdienen een nadere beschouwing. Deze feiten zijn als volgt in het EAB omschreven:

1.

At about 11:00 p.m. on 03 July 2015, Victim Police Staff Sergeant [naam] , performing his duty in uniform for the Police Station of Veszprém, recognised [opgeëiste persoon] in the inner city of Nagyvázsony, and he took measures against the Accused, carried out an identity check against him at the intersection of Klnizsi Pál u. and Vár utca.

Victim Police Staff Sergeant [naam] told [opgeëiste persoon] that there was a valid arrest warrant against him and he took him into custody, and then, he told him that "you are my convict in the name of the law." He caught [opgeëiste persoon] 's right hand with his left hand in order to handcuff him, but after about two seconds, the Accused pulled out his hand from the hold with a sudden movement and ran away. Victim Police Staff Sergeant [naam] started to follow [opgeëiste persoon] by running; the Accused tried to climb over the fence at Nagyvázsony, Szigony u. 15.

2.

By folding his arms, the acting police officer took the Accused off the fence and applied force against him in a way that he grasped the Accused's upper body with his left arm and pulled him to the ground. After that, he pulled out handcuffs No. 463 with his right hand. The warning of handcuffing was not given as the acting police officer thought this time would have endangered the result of the measure. [opgeëiste persoon] actively resisted the handcuffing, he tensed both of his arms and pulled them under himself while lying flat, and in the meantime, he tried to get rid of the police officer. The acting police officer, holding the handcuffs in his right hand tried to pull out the Accused's right arm under his body, when, with a sudden movement, [opgeëiste persoon] caught with his right hand the handcuffs, hold by the acting police officer, and pulled them out of his hand. [opgeëiste persoon] ran away with the handcuffs in his hand; Victim Police Staff Sergeant [naam] lost sight of him.

De rechtbank begrijpt dat de onder 1 en 2 vermelde feiten één doorlopend feitencomplex betreffen. Een deel van het feitencomplex onder 1 en 2 kan naar Nederlands recht worden gekwalificeerd als: wederspannigheid. Het feitencomplex betreft ook het vluchten van de opgeëiste persoon. Dat is naar Hongaars recht strafbaar als ‘prisoner escape’ en daarvoor is, zo blijkt uit het EAB, ook straf opgelegd aan de opgeëiste persoon. In Nederland is het vluchten van de opgeëiste persoon niet strafbaar. De rechtbank concludeert dan ook – met de raadsman – dat de overlevering voor dit feit moet worden geweigerd.

5 Slotsom

Ten aanzien van de feiten die ten grondslag liggen aan

  • -

    het vonnis van the District Court of Ajka,

  • -

    het vonnis van the District Court of Veszprém dat op 27 september 2015 onherroepelijk is geworden en

  • -

    het vonnis van the District Court of Veszprém dat op 2 februari 2016 onherroepelijk is geworden, voor zover het betreft de feiten die naar Nederlands worden gekwalificeerd als ‘wederspannigheid’,

waarvoor de overlevering wordt gevraagd, is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Nu voor deze feiten ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor die feiten te worden toegestaan.

Ten aanzien van de feiten die ten grondslag liggen aan het vonnis van the District Court of Veszprém dat op 2 februari 2016 onherroepelijk is geworden, en die naar Hongaars recht gekwalificeerd worden als ‘prisoner escape’, moet de overlevering worden geweigerd.

De rechtbank kan wat betreft het vonnis van the District Court of Veszprém dat op

2 februari 2016 onherroepelijk is geworden, niet beoordelen welk gedeelte van de vrijheidsstraf geacht moet worden te zijn opgelegd ter zake van de feiten waarvoor de overlevering moet worden toegestaan. Een en ander staat ter beoordeling van de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat, die gehouden zijn om, na de feitelijke overlevering, de tenuitvoerlegging van die straf tot het hiervoor bedoelde gedeelte te beperken.

6 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 46a, 180, 266, 285, 300, 310 en 350 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6 en 7 OLW.

7 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] , aan the Veszprém Regional Court (Hongarije) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het gedeelte van de vrijheidsstraffen, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, dat is opgelegd wegens de feiten die ten grondslag liggen aan

  • -

    het vonnis van the District Court of Ajka,

  • -

    het vonnis van the District Court of Veszprém dat op 27 september 2015 onherroepelijk is geworden en

  • -

    het vonnis van the District Court of Veszprém dat op 2 februari 2016 onherroepelijk is geworden, voor zover het betreft de feiten die naar Nederlands worden gekwalificeerd als ‘wederspannigheid’.

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] , voor zover het EAB betrekking heeft op het gedeelte van de vrijheidsstraf dat is opgelegd wegens de feiten die ten grondslag liggen aan het vonnis van the District Court of Veszprém dat op 2 februari 2016 onherroepelijk is geworden, voor zover naar Hongaars recht gekwalificeerd als ‘prisoner escape’.

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. M.E.M. James-Pater en A.K. Mireku, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 3 september 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.