Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4330

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
03-09-2020
Zaaknummer
13/752206-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

EAB Duitsland

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752206-19

RK nummer: 20/502

Datum uitspraak: 3 september 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 16 januari 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 8 oktober 2019 door het Amtsgericht Trier (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (voormalig Joegoslavië) op [geboortedag] 1965,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres] ,

gedetineerd in de [detentieplaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 augustus 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon heeft de zitting via een videoverbinding vanuit zijn detentie instelling bijgewoond. Hij is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.A.T.X. Vonken, advocaat te Maastricht.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van 22 december 2010 van het Amtsgericht Trier (35 Gs 3633710) en een “besluit aangaande het ten uitvoer brengen van het Kantongerecht Trier van 07.02.2019”.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de door de uitvaardigende autoriteit in rubriek c) van het EAB en de aanvullende e-mail van 11 februari 2020 vermelde gegevens is op deze feiten naar Duits recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De Public Prosecutor te Trier heeft bij brief van 3 februari 2020 ten aanzien van de opgeëiste persoon de volgende garantie gegeven:

It is assured that the person pursued will be returned to the Netherlands for further

enforcement in case of a final judgement in the Federal Republic of Germany on the basis of the current version of the framework decision 2008/909/JI of the Council from 27.11.2008 on the principle of mutual recognition on judgements in criminal matters, by which a custodial penalty or measure involving deprivation is imposed for the purposes of their enforcement in the European Union (ABI.L 327 from 05.12.2008, page 27).

Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

Aan deze voorwaarde is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op:

  • -

    opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

  • -

    opzettelijk handelen in strijd met een artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.
In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.

Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Duitse autoriteiten plaats te vinden.

De volgende argumenten zijn aangevoerd:

  • -

    Duitsland heeft aangegeven de opgeëiste persoon te willen vervolgen;

  • -

    de verdovende middelen zijn naar Duitsland gebracht, de rechtsorde in Duitsland is geschokt;

  • -

    de medeverdachte wordt in Duitsland vervolgd.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.

7 Rechtsmacht verweer

De raadsman heeft betwist dat Duitsland rechtsmacht heeft over de aan de opgeëiste persoon verweten feiten.

De rechtbank overweegt als volgt. In het EAB is vermeld dat de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht bij 3 gelegenheden aan de afzonderlijk vervolgde [naam 1] telkens 1 kg marihuana verkocht te hebben. Bij een andere gelegenheid verkocht bij aan [naam 1] 1.000 xtc-pillen. De verdovende middelen werden dan door [naam 1] naar Duitsland gebracht en winstgevend doorverkocht. Als pleegplaats van de vermeende strafbare feiten is in het EAB vermeld: Bitburg e.a.

In beginsel moet de rechtbank erop vertrouwen dat de uitvaardigende lidstaat rechtsmacht heeft ten aanzien van de feiten die ten grondslag liggen aan het uitvaardigen van dat EAB. Dat de vermeende feitelijke rol van de opgeëiste persoon bij de feiten zich wellicht uitsluitend in Nederland heeft afgespeeld, zoals de raadsman heeft gesteld, geeft geen aanleiding dit uitgangspunt te verlaten. Hierbij merkt de rechtbank op dat in het EAB als pleegplaats van de feiten in ieder geval een plaats in Duitsland is vermeld. Het verwijt dat aan de opgeëiste persoon wordt gemaakt strekt zich kennelijk ook uit tot feiten gepleegd in Duitsland.

De rechtbank ziet, met de officier van justitie, in de betwisting van de rechtsmacht van Duitsland door de raadsman dan ook geen reden de overlevering te weigeren dan wel navraag te doen bij de uitvaardigende autoriteit op dit punt.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en 2, 5, 6, 7 en 13 van de OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] , aan het Amtsgericht Trier (Duitsland).

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. M.E.M. James-Pater en A.K. Mireku, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 3 september 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.