Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4328

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
03-09-2020
Zaaknummer
13/751520-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Overlevering. Prejudiciële vraag in aanvulling op ECLI:NL:RBAMS:2020:3776 (C-354/20 PPU) in een zaak waarin het EAB strekt tot tenuitvoerlegging van een straf en de onafhankelijkheid van de uitvaardigende autoriteit ten tijde van de uitvaardiging van dat EAB al niet meer was gewaarborgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SEW 2020, afl. 11, p. 631
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751520-20

RK nummer: 20/3065

Datum uitspraak: 3 september 2020

TUSSEN

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 juni 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 26 mei 2020 door the Circuit Court in Sieradz (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboortegegevens] 1992,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

uit anderen hoofde gedetineerd in de [detentieadres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting aan de raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern, gevraagd schriftelijke standpunten in te dienen.

De raadsvrouw heeft hierop bij e-mail van 17 augustus 2020 de rechtbank verzocht de zaak aan te houden. Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 31 juli 20201heeft zij de rechtbank verzocht de antwoorden van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) af te wachten op de door de rechtbank bij die uitspraak gestelde prejudiciële vragen.

De officier van justitie heeft zich bij e-mail van 18 augustus 2020 niet verzet tegen aanhouding van de zaak, zoals verzocht door de raadsvrouw.

De rechtbank heeft vervolgens bij e-mail van 18 augustus 2020 de raadsvrouw en de officier van justitie de uitspraak van deze rechtbank van 18 augustus 20202toegestuurd. In deze uitspraak heeft de rechtbank toegelicht wat de gevolgen zijn van de bij de hiervoor genoemde uitspraak van 31 juli 2020 gestelde prejudiciële vragen voor overleveringszaken die zien op executie-EAB’s uit Polen.

Op 19 augustus 2020 heeft de rechtbank de raadsvrouw en de officier van justitie meegedeeld dat ter zitting van 20 augustus 2020 aan de orde zal worden gesteld dat in de onderhavige zaak mogelijk een ‘aanvullende’ prejudiciële vraag zal worden gesteld aan het Hof van Justitie.

De vordering van de officier van justitie is behandeld op de openbare zitting van 20 augustus 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Prejudiciële verwijzing

2.1

Inleiding

1. De rechtbank Amsterdam moet beslissen over de tenuitvoerlegging van een EAB dat betrekking heeft op een onderdaan van de Republiek Polen.

2. Het EAB is op 26 mei 2020 uitgevaardigd door the Circuit Court in Sieradz (Polen) en strekt tot overlevering ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar. Van deze straf resteren volgens het EAB nog zeven maanden en 26 dagen.
De opgeëiste persoon is veroordeeld voor 4 bedreigingen en een mishandeling, waarbij hij deze feiten telkens heeft gepleegd binnen een periode van vijf jaar nadat hij een vrijheidsstraf van ten minste 6 maanden voor een vergelijkbaar strafbaar feit had ondergaan.

3. Aan het EAB ligt een vonnis van 18 juli 2019 van the District Court in Wielún ten grondslag.

4. Bij tussenuitspraak van 31 juli 20203 heeft de rechtbank in een andere zaak (C-354/20 PPU) prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie inzake de onafhankelijkheid van Poolse rechters in relatie tot – onder meer – de uitvaardiging van een EAB. De eerste vraag die in voornoemde tussenuitspraak is gesteld, ziet specifiek op het punt van de uitvaardiging van een EAB. De in 3.1 van die tussenuitspraak vermelde Unierechtelijke en nationale bepalingen zijn ook in deze zaak van toepassing.

2.2

Prejudiciële vraag

5. Onderhavige zaak verschilt in zoverre van zaak C-354/20 PPU, dat het thans gaat om een EAB dat ziet op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf die in Polen aan de opgeëiste persoon is opgelegd en dat het EAB op 26 mei 2020 is uitgevaardigd, dus na de in 3.2. van voornoemde tussenuitspraak onder overweging 9 geschetste ontwikkelingen, waaruit blijkt van een verder toegenomen druk op de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen.

6. Gelet op de in 3.2 onder overweging 10 van de tussenuitspraak van 31 juli 2020 getrokken conclusies, is de rechtbank van oordeel dat het gerecht dat het onderhavige EAB heeft uitgevaardigd en dat behoort tot de gewone rechterlijke instanties in Polen, niet voldoet – en ten tijde van de uitvaardiging van het EAB al niet meer voldeed – aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming/een daadwerkelijke rechtsbescherming, omdat de Poolse wetgeving zijn onafhankelijkheid ten opzichte van de wetgevende en/of uitvoerende macht niet waarborgt en ten tijde van de uitvaardiging van het EAB al niet meer waarborgde.

7. In 3.3 onder de overwegingen 12 tot en met 16 van de tussenuitspraak van 31 juli 2020 heeft de rechtbank uiteengezet dat naar haar oordeel een gerecht dat een EAB uitvaardigt moet voldoen aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming/een daadwerkelijke rechtsbescherming, hetgeen het bestaan van regels eist die bescherming bieden tegen druk of beïnvloeding van buitenaf die de onafhankelijkheid van de oordeelsvorming van dat gerecht in de aan dat gerecht voorgelegde zaken in gevaar zou kunnen brengen. Naar haar oordeel maakt het daarbij geen verschil of het EAB strekt tot strafvervolging of, zoals in het onderhavige geval, tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Steun voor dat oordeel vindt zij in het arrest Openbaar Ministerie (Procureur des Konings te Brussel), dat betrekking heeft op een EAB ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf en waarin het Hof van Justitie – zonder een onderscheid te maken tussen de twee modaliteiten – overweegt:

“In het bijzonder veronderstelt het tweede niveau van bescherming van de rechten van de betrokken persoon dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit controleert of de voor de uitvaardiging noodzakelijke voorwaarden zijn vervuld en op objectieve wijze – rekening houdend met alle belastende en ontlastende elementen en zonder daarbij het risico te lopen dat door derden, met name door de uitvoerende macht, instructies worden gegeven – onderzoekt of die uitvaardiging evenredig is [zie in die zin arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), C‑508/18 en C‑82/19 PPU, EU:C:2019:456, punten 71 en 73]”.4

8. De vraag of de uitvoerende rechterlijke autoriteit onder dergelijke omstandigheden een door een dergelijk gerecht uitgevaardigd EAB toch ten uitvoer moet leggen, is niet eerder aan het Hof van Justitie voorgelegd. De rechtbank laat in het midden of het hier om een zogenoemde “acte clair” gaat. Vanuit het oogpunt van uniformiteit en vanwege de verstrekkende gevolgen die een bevestigende beantwoording van deze vraag zou hebben – een dergelijk antwoord zou de facto neerkomen op het opschorten van het overleveringsverkeer met Polen, totdat de Poolse wetgeving de onafhankelijkheid van uitvaardigende gerechten weer waarborgt – is het noodzakelijk dat de rechtbank niet eerder over de tenuitvoerlegging van het EAB beslist dan nadat het Hof van Justitie deze vraag heeft beantwoord.

9. De rechtbank legt daarom de volgende vraag aan het Hof van Justitie voor:

Verzetten Kaderbesluit 2002/584/JBZ, artikel 19, eerste lid, tweede alinea, Verdrag betreffende de Europese Unie en/of artikel 47, tweede alinea, Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zich inderdaad ertegen dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit een EAB ten uitvoer legt dat is uitgevaardigd door een gerecht, terwijl dat gerecht niet voldoet en ten tijde van de uitvaardiging van het EAB al niet meer voldeed aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming/daadwerkelijke rechtsbescherming omdat de wetgeving in de uitvaardigende lidstaat de onafhankelijkheid van dat gerecht niet waarborgt en ten tijde van de uitvaardiging van het EAB al niet meer waarborgde?

3 Verzoek om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure

3.1

De rechtbank verzoekt het Hof van Justitie deze prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de spoedprocedure zoals bedoeld in artikel 267, vierde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) en artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering.

3.2

De prejudiciële vraag heeft betrekking op een gebied als bedoeld in titel V van het derde deel van het VWEU. De opgeëiste persoon is thans gedetineerd ter tenuitvoerlegging van een Nederlandse gevangenisstraf en deze detentieperiode zal tot en met 20 oktober 2020 duren. Naar verwachting zal het Hof van Justitie de prejudiciële vraag niet vóór die datum hebben beantwoord. Na afloop van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf zal de detentie van de opgeëiste persoon op grond van de Overleveringswet worden voortgezet in afwachting van de beslissing van de rechtbank op het overleveringsverzoek. Die beslissing kan de rechtbank niet nemen, zolang het Hof van Justitie de prejudiciële vraag niet heeft beantwoord. Omdat de rechtbank niet vooruit kan lopen op dat antwoord, er sprake is van een zeer groot vluchtgevaar dat niet door het stellen van voorwaarden tot aanvaardbare proporties kan worden teruggebracht en de opgeëiste persoon in Polen is veroordeeld wegens ernstige strafbare feiten, ligt een eventuele schorsing van de overleveringsdetentie in afwachting van het antwoord van het Hof van Justitie op de prejudiciële vragen niet in de rede. Het spoedige antwoord van het Hof van Justitie op de prejudiciële vraag zal dan ook rechtstreeks en doorslaggevend van invloed zijn op de duur van de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon.

4 Slotsom

Het onderzoek ter zitting moet worden heropend om de prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

5 Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd in afwachting van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie;

VERZOEKT het Hof van Justitie van de Europese Unie een antwoord te geven op de volgende vraag:

Verzetten Kaderbesluit 2002/584/JBZ, artikel 19, eerste lid, tweede alinea, Verdrag betreffende de Europese Unie en/of artikel 47, tweede alinea, Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zich inderdaad ertegen dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit een EAB ten uitvoer legt dat is uitgevaardigd door een gerecht, terwijl dat gerecht niet voldoet en ten tijde van de uitvaardiging van het EAB al niet meer voldeed aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming/daadwerkelijke rechtsbescherming omdat de wetgeving in de uitvaardigende lidstaat de onafhankelijkheid van dat gerecht niet waarborgt en ten tijde van de uitvaardiging van het EAB al niet meer waarborgde?

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw.

BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. C. Klomp en M.E.M. James-Pater, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 3 september 2020.

1 ECLI:NL:RBAMS:2020:3776

2 ECLI:NL:RBAMS:2020:4032

3 ECLI:NL:RBAMS:2020:3776, zaak C-354/20 PPU

4 HvJ EU 12 december 2019, C-627/19 PPU, ECLI:EU:C:2019:1079 (Openbaar Ministerie (Procureur des Konings te Brussel)), punt 31 (cursivering toegevoegd). Vergelijk ook de aanhef van punt 32: “Wat een met het oog op strafvervolging uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel (…)”.