Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4310

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 4221
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

8:81 Awb, beeindiging bijverdienregeling Brandweer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 20/4221 - AMS 20/4309 - AMS 20/4311 - AMS 20/4313

AMS 20/4316 - AMS 20/4317

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 september 2020 in de zaken tussen

[verzoeker 1] , te Zwaanshoek,

[verzoeker 2] , te Purmerend,

[verzoeker 3] , te Landsmeer,

[verzoeker 4] , te Amsterdam,

[verzoeker 5] , te Aalsmeer,

[verzoeker 6] , te Amsterdam,

samen te noemen verzoekers,

(gemachtigde: drs. S.H. Springer).

en

Het Veiligheidsbestuur van de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland (VRAA) , verweerder

(gemachtigden: mr. M.J. Hofste en mr. V.L. Moons).

Procesverloop

Met de primaire besluiten van 20 april 2020 of 28 april 2020 (de bestreden besluiten) heeft verweerder verzoekers afzonderlijk geïnformeerd over de wijze van inzet en arbeidsvoorwaarden met betrekking tot de overeengekomen werkzaamheden in de flexibele basisploeg (FLEX-ploeg). Ook heeft de VRAA meegedeeld dat de overeenkomst eindigt bij het ingaan van de datum van het keuzepensioen.

Verzoekers hebben tegen de bestreden besluiten bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De VRAA heeft een reactie ingediend op het verzoek waarop verzoekers weer hebben gereageerd. Vervolgens heeft de VRAA een verweerschrift ingediend waarop ook verzoekers weer hebben gereageerd.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2020. De zitting heeft, overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid, plaatsgevonden via een beeldverbinding (Skype). Daaraan hebben deelgenomen, [verzoeker 1] , [verzoeker 2] , [verzoeker 3] en [verzoeker 6] bijgestaan door hun gemachtigde. De VRAA heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Aan die kant zijn ook nog verschenen [de persoon 1] , [de persoon 2] en [de persoon 3] .

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Feiten voorafgaande aan deze procedure

2.1

Verzoekers waren allen werkzaam bij de VRAA in een bezwarende functie. Zij hebben de mogelijkheid gekregen om vanaf 55-jarige leeftijd gebruik te maken van het Functioneel Leeftijdsontslag (het FLO). Het FLO is per 1 januari 2006 afgeschaft. Voor verzoekers geldt het FLO-overgangsrecht. Voor verzoekers betekent dit dat zij vanaf de ingangsdatum van het FLO volledig buitengewoon verlof hebben genoten met een uitkering van 80% voor een periode van 4 jaar, gevolgd door volledig levensloopverlof met een uitkering vanuit het levenslooptegoed van 70% voor een periode van 3 jaar (de FLO-uitkering). Omdat de AOW-gerechtigde leeftijd is verschoven, kregen medewerkers die onder het FLO-overgangsrecht vallen te maken met een pensioengat. Om die reden heeft de VRAA aan deze groep medewerkers de mogelijkheid geboden om bij te verdienen. Daarvoor heeft de VRAA voor deze medewerkers een specifieke bijverdienregeling ontworpen.

2.2

De werkwijze van verweerder bij deze bijverdienregeling was dat verweerder belangstellenden verzocht zich in te schrijven en dat zij die zich hadden ingeschreven van de VRAA een brief kregen met de voorwaarden en afspraken en de werkzaamheden die konden worden verricht. Deze brief werd dan ondertekend geretourneerd aan de VRAA. Deze voorwaarden en afspraken (de VRAA noemt dit inzetbesluiten) zijn steeds periodiek (jaarlijks) aan de belangstellenden ter ondertekening toegezonden en hadden een looptijd van een jaar. Het aantal diensten dat de belangstellenden kregen aangeboden wisselde per jaar, enerzijds omdat de inzet voor BVL werkzaamheden afhankelijk was van beschikbare financiële middelen per kalenderjaar, anderzijds omdat het aantal diensten werd verdeeld over het wisselend aantal belangstellenden.

2.3

Verzoekers hebben gedurende de periode dat het FLO-overgangsrecht van toepassing was, gebruik gemaakt van deze bijverdienmogelijkheid. Zij hebben in de FLEX-ploeg werkzaamheden verricht in het kader van Brand Veilig Leven (hierna: BVL).

De besluiten waar het in deze zaak om gaat

3. De VRAA heeft de voorwaarden en afspraken voor de BVL-werkzaamheden laatstelijk op 20 april 2020 respectievelijk op 28 april 2020 aan ieder van de verzoekers afzonderlijk ter ondertekening voor akkoord toegezonden. Ook heeft de VRAA met brieven van de zelfde datum verzoekers meegedeeld dat zij desgewenst hun BVL-werkzaamheden als betaald vrijwilliger kunnen voortzetten, zodra zij van het ABP-keuzepensioen gebruik kunnen gaan maken. Vanaf het moment dat het FLO-overgangsrecht niet meer op hen van toepassing is, eindigt de mogelijkheid bij te verdienen op grond van de bijverdienregeling waar verzoekers tijdens het FLO gebruik van hebben kunnen maken.

Beoordeling van de verzoeken door de voorzieningenrechter

4.1

Verzoekers voeren aan dat zij de BVL-werkzaamheden voor de VRAA hebben verricht via opvolgende jaarlijkse aanstellingen. Zij menen dat de VRAA hen een vaste aanstelling had moeten geven en dat deze al van rechtswege is ontstaan. Zij wijzen daarbij op artikel 2.5 van het NGRA1 en de uitspraak van deze rechtbank van 24 augustus 20112. Voorts hebben verzoekers nog gerefereerd aan de onderhandelingen met de VRAA. Verzoekers willen dat de voorzieningenrechter de voorziening treft dat zij worden behandeld alsof zij vanaf hun derde jaar van BVL-werkzaamheden een vaste aanstelling hebben, dat zij recht hebben op uitbetaling van de overeengekomen 35 dagen en compensatie daarvan over de afgelopen jaren en dat de ingeplande werkzaamheden die als gevolg van de coronacrisis niet konden doorgaan, worden uitbetaald.

4.2

Het betoog van verzoekers dat zij recht hebben op een vaste aanstelling, is gebaseerd op de veronderstelling dat hun BVL-werkzaamheden jaar na jaar op een aanstelling waren gebaseerd. Die veronderstelling is onjuist. De overeenkomsten die verzoekers met verweerder hebben gesloten ter uitvoering van BVL-werkzaamheden, zijn precies dat: overeenkomsten. Van een aanstelling is geen sprake. Een aanstelling is immers een eenzijdige handeling. Bovendien had het verzoekers ook uit de inhoud van de overeenkomsten heel goed duidelijk kunnen zijn, dat van een gebruikelijk dienstverband geen sprake was, of dat nou een aanstelling of een (arbeids)overeenkomst zou moeten worden genoemd. In die overeenkomsten immers is de omvang van de werkzaamheden niet duidelijk en kan de omvang in de loop van de overeenkomst zelfs nog wijzigen. Zo wordt in 2016 een mogelijk aantal van 55 diensten genoemd en in 2017 een mogelijk aantal van 35 diensten. Voorts bepaalt de overeenkomst dat verzoekers niet betaald krijgen als zij niet kunnen komen werken en moeten zij zelf voor vervanging zorgen als ze een toebedeelde dienst toch niet kunnen draaien. Dat alles duidt niet op een dienstverband, maar veel meer op, zoals het door verweerder ook is benoemd, een mogelijkheid van een bijverdienste, zonder dat er sprake is van een aanstelling. Bovendien is onbetwist gebleven dat verzoekers nog zijn aangesteld bij de VVRA, zodat het ook uit dat oogpunt niet voor de hand lag van een aanstelling te spreken.

4.3

De voorzieningenrechter oordeelt verder als volgt. Niet in geschil is dat verzoekers gebruik hebben gemaakt (of nog maken) van de vervroegde uittreding waarin het FLO-overgangsrecht voorziet. Evenmin is in geschil dat (op [verzoeker 5]3na) alle verzoekers de fases van 4 jaar en 3 jaar van de FLO-uitkering hebben doorlopen. Door van het FLO-overgangsrecht gebruik te maken, hebben verzoekers gekozen voor een vervroegde uitdiensttreding. Dit is onomkeerbaar, het FLO-overgangsrecht voorziet niet in het terugdraaien van de eerder gemaakte keuze om vervroegd uit dienst te treden. Verzoekers zijn zich hier altijd van bewust geweest of hadden daarvan bewust kunnen zijn geweest.

4.4

Met de bijverdienregeling heeft de VVRA onverplicht aan verzoekers de mogelijkheid geboden om het ontstane AOW-gat te compenseren. De voorzieningenrechter is niet gebleken van regelgeving op grond waarvan er voor de VRAA een verplichting zou bestaan om verzoekers via de bijverdienregeling nog langer te compenseren als er de mogelijkheid bestaat ABP-keuze pensioen aan te vragen bij het 62e levensjaar. Evenmin bestaat er een verplichting om hen nu nog een dienstverband aan te bieden. Een verlenging van het dienstverband staat bovendien haaks op het idee van de vervroegde uitdiensttreding waarin het FLO-overgangsrecht voorziet. Ook ziet de voorzieningenrechter in het FLO-overgangsrecht geen verplichting voor de VVRA om verzoekers na afloop van de FLO-uitkering te werk te stellen en/of hen een salaris te betalen.

4.5

Verzoekers hebben door gebruik te maken van het FLO-overgangsrecht te kennen gegeven voortijdig te willen stoppen met werken. Zij waren op de hoogte (of hadden dat kunnen zijn) van de duur van de regeling. Dat dit nu onvoordelig voor hen uitpakt, levert naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen zorgplicht voor de VRAA op. Bovendien heeft de VRAA hen na de mogelijkheid van de bijverdienregeling ook nog de vrijwilligersregeling aangeboden.

4.6

Gelet op het voorgaande bestaat er ook geen verplichting voor de VRAA om de misgelopen VBL-uren te compenseren.

5. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het bezwaar van verzoekers tegen de besluiten van de VRAA geen redelijke kans van slagen heeft. De verzoeken zullen daarom worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr.C.W.M. Giesen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.E. Toonen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 september 2020.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA).

2 ECLI:NL:RBAMS:2011:BU3593.

3 Voor [verzoeker 5] geldt dat zijn termijn op 1 januari 2021 afloopt.