Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4274

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
23-09-2020
Zaaknummer
C/13/687970 / KG ZA 20-689
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding; Een hotel in Amsterdam is niet contractueel verplicht tot afname schoonmaakdiensten tijdens de periode dat het hotel in verband met de Covid-19 pandemie gesloten was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/687970 / KG ZA 20-689 MDvH/EB

Vonnis in kort geding van 1 september 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CSU B.V.,

gevestigd te Uden,

eiseres bij dagvaarding van 5 augustus 2020,

advocaat mr. R. van der Jagt te Breda,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CONSERVATORIUM HOTEL B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. A.A.H.J. Huizing te Amsterdam.

Partijen zullen hierna CSU en het Hotel worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Daags voor de zitting heeft CSU een eisvermeerdering ingediend. Die is niet toegelaten, omdat het een geheel nieuwe eis betreft met een geheel nieuwe grondslag, en onduidelijk is waarom die eis niet ook in de dagvaarding had kunnen worden opgenomen. Bovendien ziet die vordering op een situatie die zich pas in november 2020 zal voordoen. Onder deze omstandigheden zou het toelaten van de eisvermeerdering strijd met de goede procesorde opleveren.

1.2.

Op de zitting van 18 augustus 2020 heeft CSU de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. Het Hotel heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen. Beide partijen hebben producties en een pleitnota ingediend en het Hotel tevens een conclusie van antwoord.

Ter zitting waren aan de zijde van CSU aanwezig [betrokkene eiseres] ( [functie] ), mr. B.J.M.P. Cremers en mr. M.L.G. Otto (kantoorgenoten van mr. Van der Jagt). Aan de zijde van het Hotel waren aanwezig [betrokken gedaagde] ( [functie] ) met mr. Huizing en diens kantoorgenoot mr. J.Y. van Gameren.

1.3.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

CSU levert schoonmaak- en andere diensten aan het Hotel, een vijfsterrenhotel aan de [adres] te Amsterdam . Op 5 december 2016 hebben partijen daartoe een overeenkomst gesloten. In die overeenkomst staat onder meer het volgende:

“(…)

The principal has given an exclusive order to the contractor, who has accepted this order from the former, to provide facilities and services in the hotel to be opened by the principal (…)

1. The contractor shall provide the principal those facilities and services that are specified in the appendix/appendices signed by both parties which is/are attached to this contract, and is/are included by reference as if set forth fully herein (the “Services”), at the places and with the frequencies also specified in the appendix/appendices.

(…)

6. The Principal shall not be allowed, during the term of this contract, or during a period of one year following its termination, to conclude – either directly or indirectly – any contract, expressly including a contract of employment, with employees of the contractor’s, other than and not exceeding above mentioned employees. (…)

Further conditions for transfers of employees are:

(…)

The Contractor will have exclusivity (i.e. the Principal will not use on a fixed basis any other agency providing the agreed services stipulated in the contract) throughout the duration of this contract, for only services described in this contract (…). On top of the abovementioned insourcing of services agreed between the Principal and the Contractor, the Principal and Contractor will review possible further insourcing of the services mentioned in this contract once a year, starting one ear after the commencement of this contract.

(…)

9. The principal shall pay the contractor a consideration for the Services provided in the previous calendar months on a monthly basis (the “Consideration”). Each such monthly reimbursement and payment shall be made subject to the issuance by the contractor of an invoice that will be submitted to the principal not later than the 10th of each month. The Consideration shall be calculated based on the following prices and the scope and amount of Services rendered during the previous calendar month as documented by the principal. (…)

11. This contract shall be subject to the Contractor’s General Terms & Conditions, as agreed by the principal on the one hand and the contractor on the other. (…) In case of contradiction between the T&C and nay provision of this agreement, the provisions set out in this agreement shall prevail.

(…)”.

In artikel 2 en appendix 1 van de overeenkomst staan de prijzen genoemd voor de schoonmaak van verschillende soorten kamers in het Hotel en de publieke ruimtes (“front of the house (night time)”). Bij de opmerkingen over de schoonmaakkosten van de publieke ruimtes (€ 27.956,02 per maand) staat onder meer het volgende:

“This amount will be adjusted according to actual work performed by the Contractor.”

In appendix 1 staan alle kamers in het Hotel vermeld, met daarachter per kamer het soort bed dat daarin staat, het type kamer, het aantal badkamers dat zich in de kamer bevindt, het soort badkamer, het aantal credits (een rekeneenheid voor de prijs van de schoonmaak van suites en andere bijzondere gastenkamers) van de kamer en het aantal minuten dat staat voor de schoonmaak ervan.

2.2.

In de toepasselijke “algemene voorwaarden voor schoonmaakwerk-zaamheden” staan voor zover hier van belang de volgende bepalingen:

“Artikel 9 Prijs

  1. De prijs is gebaseerd op de wensen van de opdrachtgever en op de bij de opname van de werkzaamheden aanwezige of opgegeven of aangenomen oppervlakte en bezetting, aankleding, inventaris, gebruik en bestemming van het object.

  2. Indien in de in lid a. van dit artikel genoemde omstandigheden wijzigingen optreden die naar het oordeel van de aannemer prijsaanpassingen noodzakelijk maken, zal prijsaanpassing in overleg met de opdrachtgever en met inachtneming van artikel 4 (wijziging van de overeenkomst, vzr.) geschieden.

(…)

Artikel 15 Contractswisseling en werkgelegenheid

(…)

Voor zover de opdrachtgever na beëindiging van de overeenkomst met de aannemer, de werkzaamheden zoals genoemd in artikel 1 lid a niet uitbesteed aan een ander doch inbesteedt, zijn de artikelen BW 7:662 e.v. inzake overgang van onderneming van toepassing. (…)”.

2.3.

Nadat de overeenkomst was ingegaan heeft het Hotel diverse keren bij CSU geklaagd over (onder meer) een tekort aan schoonmaakpersoneel van CSU, waardoor niet alle kamers en/of suites in het Hotel waren schoongemaakt met als gevolg dat deze kamers niet aan gasten ter beschikking konden worden gesteld en het Hotel omzet misliep. Partijen hebben daarom in juni 2017 een aanvulling (“allonge”) op de overeenkomst gesloten, waarin onder meer het volgende staat:

“(…)

1.1.

Partijen stellen vast dat CSU gedurende de looptijd van de Overeenkomst jegens Conservatorium Hotel verplicht is om de in de Overeenkomst omschreven schoonmaakwerkzaamheden tijdig, volledig en deugdelijk te verrichten en dat CSU in dat kader verplicht is om zorg te dragen voor de aanwezigheid van voldoende schoonmaakpersoneel in het Conservatorium Hotel.

1.2.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.1. van deze allonge en in afwijking van het bepaalde i artikel 6 van de Overeenkomst komen Partijen overeen dat Conservatorium Hotel bevoegd is om de schoonmaakwerkzaamheden die CSU niet tijdig, volledig en deugdelijk kan verrichten te laten verrichten door één of meerdere andere (schoonmaak)bedrijven. Partijen komen overeen dat alsdan geen sprake is van schending van het exclusiviteitsbeding van artikel 6 van de Overeenkomst (…)”.

2.4.

Na de Covid-19 uitbraak en in verband met de intelligente lockdown heeft het Hotel in het voorjaar van 2020 tijdelijk haar deuren gesloten. Zij heeft CSU daarover geïnformeerd en uitgelegd dat daarom bepaalde diensten, zoals de schoonmaak van de openbare ruimtes, niet meer nodig waren.

2.5.

Op 12 mei 2020 heeft CSU aanspraak gemaakt op betaling van openstaande facturen ten bedrage van € 212.868,69, onder meer voor schoonmaak van de openbare ruimtes gedurende de periode dat het Hotel gesloten was. In een brief van 17 mei 2020 heeft het Hotel geantwoord dat zij niet verplicht was om de openstaande facturen te voldoen.

2.6.

Partijen zijn met elkaar in overleg getreden over de gevolgen van de pandemie. CSU heeft daarbij onder meer voorgesteld om de negatieve gevolgen die de Covid-19 uitbraak heeft (in het bijzonder de directe kosten) samen te delen (50/50). Het overleg heeft niet geresulteerd in afspraken. In een e-mail van 27 mei 2020 heeft het Hotel aan CSU meegedeeld niet verplicht te zijn tot afname van schoonmaak van de publieke ruimtes en dat het dan ook niet redelijk is dat zij desondanks 50% van de kosten van die schoonmaakkosten moet betalen. In deze

e-mail heeft het Hotel aangekondigd alle facturen van CSU voor januari, februari en maart 2020 te zullen nalopen en alle onbetwiste posten te zullen betalen.

2.7.

Het Hotel heeft zijn deuren weer geopend op 22 juli 2020. De dag ervoor heeft het Hotel per e-mail aan CSU laten weten dat zij een beperkt aantal mensen van CSU nodig heeft om weer te kunnen starten, totdat de zaken weer aantrekken. In deze e-mail staat verder dat CSU niet nodig is voor de schoonmaak van de publieke ruimten en ook niet voor de kamers, omdat de medewerkers van het Hotel die werkzaamheden zelf kunnen verrichten.

3 Het geschil

3.1.

CSU vordert, kort gezegd:

  1. het Hotel te veroordelen tot nakoming van haar verplichting om alle schoonmaakwerkzaamheden door CSU te laten uitvoeren;

  2. het Hotel te veroordelen met haar in overleg te treden over (i) de doorlopende kosten van CSU in de periode dat het Hotel geen of minder gebruik maakt van haar diensten en (ii) over aangepaste tarieven voor de werkzaamheden van CSU bij een verminderde uitvraag als gevolg van de Covid-19 uitbraak;

  3. te bepalen dat het Hotel zich gedurende minimaal drie weken beschikbaar moet houden voor dat overleg;

  4. al het voorgaande op straffe van dwangsommen;

  5. indien het overleg niet leidt tot werkbare nieuwe afspraken, het Hotel te veroordelen tot betaling, bij wijze van voorschot, van € 26.613,00 (50% van de loonkosten van het schoonmaakpersoneel dat CSU aanhoudt voor het Hotel) per maand dat de loonkosten niet worden gedekt door de omzet, te rekenen vanaf 17 maart 2020;

  6. het Hotel te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met rente.

3.2.

Het Hotel voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

Toetsingskader

4.1.

CSU vordert onder meer nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst en allonge. Een vordering tot nakoming kan in kort geding alleen worden toegewezen, indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter het standpunt van eiser zal volgen, bijvoorbeeld als gedaagde een kennelijk ongegrond verweer voert, en indien van eiser niet kan worden gevergd dat hij de uitslag van de bodemprocedure afwacht.

4.2.

Volgens CSU is een maandelijkse afnameverplichting voor ‘front of house cleaning’ overeengekomen die doorliep tijdens de lockdown. Daarnaast meent CSU dat het Hotel niet zelf de schoonmaakwerkzaamheden mag uitvoeren, maar dat zij daarvoor CSU moet inschakelen. Ten slotte stelt CSU dat het Hotel met haar in overleg moet treden over de doorlopende kosten van CSU en over aanpassing van de tarieven. Het Hotel betwist dit alles.

4.3.

Uit de wederzijdse standpunten blijkt dat partijen de overeenkomst op deze punten elk in verschillende zin hebben opgevat. Ter beantwoording van de vraag welke opvatting de juiste is, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs mochten toekennen aan de bepaling(en) waarop een beroep wordt gedaan en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Maandelijks vast bedrag voor de openbare ruimten

4.4.

In de tekst van de overeenkomst zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het standpunt van CSU. Integendeel, er zijn daarin meer aanknopingspunten te vinden voor het standpunt van het Hotel dat alleen voor daadwerkelijk verrichte werkzaamheden hoeft te worden betaald. Op bladzijde 7 van de overeenkomst staat dat de schoonmaak van de openbare ruimtes € 27.956.02 per maand kost. Daaronder staat echter dat dit bedrag zal worden aangepast aan de daadwerkelijk door CSU uitgevoerde werkzaamheden (“This amount will be adjusted according to actual work performed by the Contractor”). Nergens in de overeenkomst of de allonge staat dat het Hotel verplicht is de openbare ruimtes (en overigens ook de kamers) maandelijks door CSU te laten schoonmaken.

4.5.

De afspraak dat CSU jegens het Hotel verplicht is haar werkzaamheden na te komen (artikel 1.1. van de allonge), zegt – anders dan CSU meent – niets over de frequentie van die werkzaamheden. Dat zij bij haar prijsopgave is uitgegaan van een bepaalde frequentie, levert ook geen verplichting voor het Hotel op om maandelijks de publieke ruimtes te laten schoonmaken, althans daarvoor te betalen. In de overeenkomst noch de allonge staat namelijk iets over de frequentie vermeld en er zijn ook geen andere stukken overgelegd waaruit blijkt dat het Hotel zich heeft verbonden tot maandelijkse afname van deze dienst. Die verplichting kan ook niet worden afgeleid uit het feit dat het Hotel tot het moment van sluiting de publieke ruimtes maandelijks door CSU liet schoonmaken. CSU mocht er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat het Hotel haar de aanzienlijke kosten voor de schoonmaak van de publieke ruimtes zou blijven doorbetalen in geval van een tijdelijke sluiting van het hotel.

4.6.

Hoewel partijen bij het aangaan van de overeenkomst niet de situatie van een volledige sluiting van het Hotel (en dus in het geheel geen schoonmaakdiensten) zullen hebben voorzien, zijn er dus meer aanwijzingen die de interpretatie van het Hotel ondersteunen dan die van CSU. Echter, ook als CSU al een recht zou hebben op maandelijkse betaling van het vaste bedrag voor de publieke ruimtes, is voorshands aannemelijk dat het Hotel een geslaagd beroep zou kunnen doen op onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat dat CSU naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst mag verwachten en die niet voor risico van het Hotel komen (artikel 6:258 BW). De schade die het Hotel lijdt als gevolg van Covid-19 is enorm. Zij verwacht dit jaar een omzetdaling van 86%. CSU zal vast ook negatieve financiële gevolgen ondervinden van Covid-19 – zelf heeft ze een omzetverlies van 9% genoemd – maar zij heeft haar schade onvoldoende onderbouwd. Zo heeft zij alleen een eigenhandig opgesteld overzicht van personeelskosten opgesteld en heeft zij geen aandacht besteed aan de besparingen die zij heeft kunnen doen door haar hotelpersoneel op andere locaties in te zetten, zoals het Hotel gemotiveerd heeft gesteld, met verwijzing naar artikelen in het Financieele Dagblad. Bovendien is in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen niet onaannemelijk dat in de overeenkomst is verdisconteerd dat dit ondernemersrisico voor rekening van CSU moet blijven.

4.7.

Voorshands is al met al niet aannemelijk dat het Hotel verplicht is de facturen voor de schoonmaak van de publieke ruimtes tijdens de corona-sluiting te betalen. Ook is er geen reden om het Hotel te verplichten met CSU in overleg te treden over de doorlopende kosten van CSU in de periode dat het Hotel geen of minder gebruik maakt van haar diensten.

Het zelf uitvoeren van de werkzaamheden

4.8.

CSU stelt dat het Hotel niet zelf schoonmaakwerkzaamheden mag laten uitvoeren door haar eigen personeel. Door dat toch te doen, ontduikt het Hotel volgens CSU het exclusiviteitsbeding. Zij baseert die stelling op artikel 6 van de overeenkomst in samenhang met artikel 15 sub c van de algemene voorwaarden.

Artikel 6 van de overeenkomst gaat echter over de overname van werknemers van CSU door het Hotel, verderop in hetzelfde artikel gedefinieerd als ‘insourcing’. Die situatie doet zich hier niet voor. In artikel 15 sub c van de algemene voorwaarden zijn de regels van overgang van onderneming van toepassing verklaard op de situatie waarin de opdrachtgever na afloop van het contract met de aannemer personeel inbesteedt om de werkzaamheden uit te voeren die eerder door die aannemer werden verricht. Ook dat doet zich hier niet voor. De overeenkomst tussen partijen is niet beëindigd en het Hotel besteedt geen personeel in. Van meet af aan heeft het Hotel ook eigen schoonmaakpersoneel gehad en CSU wist dat. Ook als dat personeel zich eerder voornamelijk bezighield met het controleren van de kwaliteit van de door CSU uitgevoerde werkzaamheden, zoals CSU stelt, mag het Hotel besluiten haar personeel meer uitvoerend dan controlerend werk te laten doen. Dat levert geen schending van het exclusiviteitbeding op. In de tekst van de overeenkomst is al met al geen steun te vinden voor de uitleg van CSU en er is ook geen sprake van andere uitlatingen of gedragingen waaraan CSU het vertrouwen mocht ontlenen dat het Hotel haar toch moet inschakelen als het eigen personeel van het Hotel het werk ook zelf aankan.

Overleg over tariefwijziging

4.9.

Op grond van de algemene voorwaarden (artikel 9 sub a en b) en de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding van partijen beheerst (artikel 6:248 BW), is het Hotel gehouden om met CSU in overleg te treden over tijdelijke aanpassing van de tarieven van CSU. De nu geldende tarieven zijn gebaseerd op de verwachtingen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. De situatie is door Covid-19 ingrijpend gewijzigd en CSU heeft er belang bij te weten waar zij aan toe is met het Hotel zolang de invloed van de pandemie zich doet voelen. Haar dienstverlening zal naar verwachting duurder zijn bij een afgenomen vraag, waardoor tijdelijke aanpassing van de tarieven in de rede ligt. Bovendien is redelijk dat CSU meer duidelijkheid krijgt over de verwachtingen van het Hotel ten aanzien van de inzet van haar personeel gedurende de resterende looptijd van de overeenkomst. De bezettingsgraad is in de algemene voorwaarden ook uitdrukkelijk genoemd als omstandigheid die een prijsaanpassing rechtvaardigen. Die prijsaanpassing zal naar het zich laat aanzien tijdelijk van aard zijn, omdat die gekoppeld is aan de bezettingsgraad. Zodra de bezettingsgraad weer (min of meer) op het oude niveau is, lijkt er voorshands geen grond meer om de aangepaste tarieven te handhaven en kan worden teruggevallen op de nu geldende tarieven.

Conclusie

4.10.

De slotsom is dat het Hotel zal worden veroordeeld om met CSU in overleg te treden over aanpassing van de tarieven bij een verminderde uitvraag als gevolg van de Covid-19 uitbraak. Alle andere vorderingen zullen worden afgewezen, omdat niet aannemelijk is dat die door de bodemrechter zullen worden toegewezen. Het opleggen van een dwangsom wordt vooralsnog niet nodig geacht. Er wordt vanuit gegaan dat het Hotel het overleg op een constructieve manier zal voeren. Bovendien is het risico groot dat het opleggen van een dwangsom bij een dergelijke veroordeling zal leiden tot executiegeschillen.

4.11.

CSU zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van het Hotel worden begroot op:

- griffierecht € 2.042,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 3.022,00

4.12.

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als na te melden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt het Hotel om met CSU in overleg te treden over aanpassing van de tarieven van CSU in verband met de afgenomen inzet van de diensten van CSU als gevolg van de Covid-19 uitbraak,

5.2.

veroordeelt CSU in de proceskosten, aan de zijde van het Hotel tot op heden begroot op € 3.022,00, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt CSU in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 voor salaris advocaat, te vermeerderen met € 82,00 en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E. van Bennekom, en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2020.1

1 type: eB coll: TF